Groepsopdrachten voor cijfer

Wes Holleman | 14-10-2018 | 1 Reactie » | permalink

Op het Scholierenforum (5/10/2018) entameerde Anne803 een discussie over groepsopdrach­ten. Ze heeft niets tegen groeps­opdrachten, maar volgens haar moeten de groepsprestaties niet beloond worden met een groepscijfer, als dat vervolgens in de individuele cijferlijst van de afzonderlijke groepsleden wordt opgenomen en dus meetelt bij het berekenen van het rapportcijfer. Anne803 richt de aandacht dus op het spanningsveld tussen twee beleidslijnen van een middelbare school: enerzijds het creëren van een aantrekkelijke en uitdagende leeromgeving waarin probleemgericht en samenwerkend leren een belangrijke plaats inneemt, en anderzijds de systematische meting, becijfering en verantwoording van leeruitkomsten en vorderingen, culminerend in de periodieke rapportcijfers van de individuele leerling. Hieronder doe ik verslag van de discussie. In een naschrift (§7) wijs ik op mogelijke andere gezichtshoeken, die in de discussie verwaarloosd zijn.
Lees verder … (PDF)

Burgerschapsopdracht (II): respect bijbrengen

Wes Holleman | 02-10-2018 | 1 Reactie » | permalink

Begin juni 2018 heeft het ministerie van O&W de voorlopige versie van een wetsvoorstel ter consultatie uitgezet, dat tot doel heeft de burgerschapsopdracht van het primair en secundair onderwijs te verduidelijken en aan te scherpen. Ik schreef er al eerder over. Vorige week heeft de Onderwijsraad commentaar geleverd op (deze voorlopige versie van) het wetsvoorstel. De Raad is het met de minister eens dat de huidige wet anders geformuleerd moet worden en doet daarbij een paar tekstsuggesties. Enerzijds sluit de Raad zich bij de tekst van het wetsvoorstel aan, namelijk dat het burgerschapsonderwijs zich moet richten op ‘het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat’. Maar anderzijds wenst de Raad dat het burgerschaps­onderwijs zich tevens richt op het bijbrengen van respect voor en kennis van ‘de universeel geldende en fundamentele rechten en vrijheden van de mens’. Dat lijkt me een waardevolle aanvulling.
Maar wat wordt verstaan onder het bijbrengen van respect (voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en voor de rechten en vrijheden van de mens)? In het inleidend hoofdstuk (§1) van de memorie van toelichting (MvT) wordt deze vraag beantwoord. Voor een constructieve en vreedzame manier van samenleven is het nodig dat de burgers gedeelde spelregels van de democratische rechtsstaat hanteren. Zij moeten die spelregels dus niet alleen kennen, maar ze ook van harte onderschrijven en praktiseren. En zij moeten niet alleen de fundamentele rechten en vrijheden van de burger kennen, maar ze ook van harte onder­schrij­ven en de rechten en vrijheden van hun medeburgers respecteren.
Lees verder … (PDF)

Kwetsende uitlatingen en gedragingen

Wes Holleman | 30-09-2018 | 2 Reacties » | permalink

Hoe bevorder je, als onderwijsinstelling, dat mensen (studenten, docenten etc.) fatsoenlijk met elkaar omgaan? Bij onprofessioneel gedrag kan je docenten tot de orde roepen en minderjarige studenten kan je op pedagogische gronden aanpakken. Ook kan je gebruik maken van het recht om de interne orde op de campus te handhaven. En in het uiterste geval kan je tuchtrechtelijke maatregelen nemen of politie en justitie inschakelen. Maar waar het om kwetsende uitlatingen en gedragingen gaat, lopen onderwijsinstellingen al gauw tegen de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting aan. In Amerika speelt dat nog sterker, omdat openbare instellingen in de V.S. juridisch verplicht zijn zich aan de grondwet te houden. Bovendien zijn er in de V.S. minder uitzonderingen op de vrijheid van meningsuiting, want ‘hate speech’ (groepsbelediging) blijft daar onbestraft. Zo opereerde de openbare University of Oklahoma in 2015 op het scherpst van de snede, toen leden van een blanke ‘student fraternity’ in besloten kring een clublied hadden aangeheven waarin gezworen werd dat African-Americans nooit lid mogen worden en dat je ze veeleer aan de hoogste boom kunt hangen.
Maar Amerikaanse hogeronderwijsinstellingen hebben er iets op gevonden om kwetsende uitlatingen en gedragingen te bestrijden zonder de vrijheid van meningsuiting te schenden: vele universiteiten bieden een vorm van slachtofferhulp voor studenten en docenten die door ‘bias’ (bevooroordeelde of discriminerende uitlatingen of gedragingen ten koste van minderheids­groepen) getroffen zijn of daarvan getuige zijn geweest. Zij kunnen bij het loket van het Bias Response Team (BRT) aankloppen. Daarin hebben niet alleen ‘zachte’ hulpverleners zitting, maar ook ambtelijke vertegenwoordigers die het slachtoffer eventueel kunnen adviseren een klacht in te dienen bij de campuspolitie of bij een van de tuchtrechtelijke organen van de universiteit. Eén van de methoden die in het kader van de hulpverlening kunnen worden gekozen, is dat ‘daders’ worden uitgenodigd om (op basis van vrijwilligheid) hun handelwijze toe te lichten en in gesprek te gaan met hun slachtoffers.
Lees verder … (PDF)

Docent Natuurkunde betwijfelt nine-eleven

Wes Holleman | 23-09-2018 | 3 Reacties » | permalink

Het was dinsdag 11 september 2018. Wat is er precies gebeurd op die protestants-christelijke school in Zutphen? De natuurkunde-les van 3-vwo moest beginnen. Ik denk dat het aldus is gegaan. Eén van de leerlingen had via via gehoord dat de docent ooit de ineenstorting van de WTC-gebouwen in zijn les had behandeld: welke krachten zijn er in het spel als een wolken­krabber recht­standig in duigen valt? De leerling hoopte het begin van de dinsdagse les nog even te vertragen en vroeg: ‘Wat is uw mening over de aanslag van 9/11 op de Twin Towers?’ De docent liet zich niet uit de tent lokken en volstond met de kortst mogelijke samen­vatting van zijn persoonlijke mening: ‘Volgens mij is 9/11 geen moslim-terroristische aanslag geweest.’ En hij had er nog bij kunnen zeggen: ‘Dat wil ik best een keer toelichten, maar daar hebben we nu even geen tijd voor.’ Maar toen was de beer al los. De moeder van één van de leerlingen is columniste bij het regionale dagblad De Stentor. Per e-mail riep ze de docent ter verant­woording; zijn antwoord zinde haar niet; en ze spuugde haar gal in haar zaterdagse column. Volgens haar moeten docenten zich aan de algemeen geaccepteerde feiten houden en hebben zij tot taak kennis over te brengen.
Een relletje was geboren, gecoverd door de nieuwsredacties van De Stentor en het Algemeen Dagblad. De docent heeft zich verder in stilzwijgen gehuld. Hij heeft alleen nog verklaard dat hij desgevraagd tegenover de leerlingen heeft ontkend dat de Amerikaanse regering achter de aanslag kan hebben gezeten.
De rector van de school heeft nog niet met de docent gesproken maar laat al wel aan de journalist weten: “Als docent kun je zo’n uitspraak niet doen. Je hebt met jonge mensen te maken. Als prikkel voor een discussie kan het wel en als privépersoon mag je het in je eigen omgeving ook zeggen, maar je kunt het niet als waarheid brengen. Ik moet er met hem nog over praten. En onderzoeken hoe het echt zit.” Een nader gesprek tussen de docent en de school­leiding was voor 20 september geagendeerd.
De woordvoerster van de VO-raad stelt desgevraagd dat leerlingen dingen van verschillende kanten moeten kunnen bekijken, maar anderzijds: “Als docent moet je je bewust zijn van je eigen waarden en visie en van de opdracht om zo veel mogelijk ruimte te laten voor andere waarden en visies. Als een docent zijn eigen mening ventileert, dan moet dat passen binnen die onderwijscontext.”
Onderwijskundig hoogleraar Casper Hulshof reageert aldus: “Het is eenvoudig: als een leraar louter zijn mening verkondigt, zon­der die mening toe te lichten, dan is diegene geen leraar maar eerder een demagoog. Lesgeven gaat over feiten of over een mening die wordt onder­steund met argumenten.”
Lees verder … (PDF)

Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit

Wes Holleman | 16-09-2018 | 1 Reactie » | permalink

Op 1 oktober 2018 treedt de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI) in werking. Hij komt in de plaats van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (NGW 2004, laatstelijk gewijzigd in 2014). Uit hoofdstuk 1 van de nieuwe gedragscode kan worden afgelezen dat hij qua reikwijdte beduidend van zijn voorganger afwijkt: hij heeft uitsluitend betrekking op het handelen van onderzoekers (waaronder promovendi en ‘projectleiders, begeleiders, onderzoeksdirecteuren en leidinggevenden voor zover zij de opzet en uitvoering van het onderzoek mede bepalen’). Anders dan de NGW betreft de nieuwe gedragscode dus niet het handelen van onderwijsgevenden, studerenden en examinatoren in het hoger onderwijs. Als enige uitzondering daarop geldt dat studenten zich in het kader van hun onderzoeksstages (dus in het kader van publicatiegericht, al dan niet praktijkgericht onderzoek) wél aan de gedragscode moeten houden. In dat geval kan de student echter niet tuchtrechtelijk worden aangepakt, want de onder­zoekers door wie de stage begeleid wordt, dragen qua wetenschappelijke integriteit de eindverantwoordelijkheid voor het handelen van de stagiair.
Het zal nog wel even duren voordat alle medewerkers en studenten van universiteiten en hogescholen de finesses van de nieuwe gedragscode in de vingers hebben. Maar in de nacht van 30 september op 1 oktober worden de universitaire bestuursorganen met een zeer abrupte transitie van de oude naar de nieuwe gedragscode geconfronteerd:
A) Het is niet langer toegestaan studenten tuchtrechtelijk te straffen voor het plegen van plagiaat, althans niet meer op grond van schending van hun wetenschappelijke integriteit, zoals bepaald was in het kader van de NGW. De universiteiten moeten dus hun bestaande regels en motiveringen voor het bestrijden van plagiaat, gepleegd door studenten, heroverwegen en herdefiniëren.
B) In de nieuwe gedragscode zijn geen normen opgenomen over professioneel handelen van docenten en examinatoren, terwijl de desbetreffende NGW-bepalingen vanaf 1 oktober niet langer van kracht zijn. Het gaat om de volgende bepalingen: 1.6 t/m 1.11; 2.5; 3. (definitie) en 3.5; 4. (definitie) en 4.1, 4.5, 4.6; 5. (definitie) en 5.1. De universiteiten dienen ernstig te overwegen in de ontstane leemte te voorzien door, naast de NGWI, een Gedragscode voor Docenten te ontwikkelen.
Lees verder … (PDF)

Rentetarief tien jaar vast

Wes Holleman | 09-09-2018 | 4 Reacties » | permalink

Het kabinet Rutte III kondigde in zijn Regeringsverklaring (10/10/2017) een wetswijziging over de studieleningen aan zodat “wordt (…) aangesloten bij de 10-jaarsrente.” Hoe moesten we dat interpreteren? Een naïeve burger begreep daaruit dat de schuldenaar een iets hogere rente betaalt, maar dat die rente dan ook gedurende tien kalenderjaren ongewijzigd blijft. Dat noem je ‘tien jaar vast’, net zoals bij een hypotheek: je kunt kiezen voor een lage variabele rente, maar dan loop je het risico volgend jaar een hogere rente te moeten betalen, of je kiest voor ‘vijf of vijftien of dertig jaar vast’ en dan betaal je een hogere rente. Met die rente-opslag dekt de financier het risico dat hij er komende jaren rentepenningen bij inschiet in verhouding tot de ontwikkeling van de markt­rente.
Stom, stom, stom! In het recente wetsvoorstel (4/9/2018) staat iets heel anders, namelijk dat de huidige duur van de lening voor nieuwe instroomcohorten in het hoger onderwijs telkens ‘vijf jaar vast’ is, en dat daar niet aan getornd wordt, maar dat bij de bepaling van de hoogte van het rentetarief niet langer wordt aangesloten bij de actuele 5-jaarsrente maar bij de actuele 10-jaarsrente op Nederlandse staatsobligaties. Verder staat in de vigerende Wet Studie­finan­ciering 2000 (artikel 6.4 en 6.5) dat de rente wordt berekend op basis van samengesteld interest, dus rente op rente, en dat de clausule ‘vijf jaar vast’ pas geldt vanaf tijdstip T (het begin van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de student is opgehouden studie­financiering te genieten). Vóór tijdstip T heeft de lening een variabel rentetarief, dat telkens per 1 januari gewijzigd kan worden. En dat zal, volgens het wets­voorstel, weer aansluiten bij de actuele 10-jaarsrente.
Redacteur KleinJan van het dagblad Trouw (7/9/2018) heeft dus duidelijk zijn huiswerk niet gedaan als hij de lezer voorspiegelt dat de rente van studieleningen voortaan ‘tien jaar vast’ is. En hij slikt de ministeriële stelling voor zoete koek dat de huidige gunstige rentetarieven niet meer passen bij een studielening met een looptijd van 35 jaar. Redacteur Frans van Heest van de webkrant ScienceGuide (5/9/2018) zette evenmin het licht op rood toen hij melding maakte van de ministeriële stelling dat de huidige lage rente niet hoort bij de gemiddelde looptijd van de studielening. Maar ook andere media hebben boter op hun hoofd: door niemand wordt geopperd dat de 10-jaarsrente op Nederlandse staatsleningen tussen 2018 en 2050 wel eens zou kunnen stijgen van 0 % naar 5% of misschien zelfs naar 8%. Die stijging wordt elke jaar doorberekend aan studenten die studiefinanciering genieten, en elke vijf jaar aan de resterende studenten en aan de afgestudeerden en studiestakers. Welke gevolgen heeft dat voor de ontwikkeling van hun studieschuldenlast tot hun 60e of 65e levensjaar, voor studenten die 21.000 euro dan wel een veelvoud daarvan geleend hebben?

Naar een lagere BSA-drempel (II)

Wes Holleman | 05-09-2018 | permalink

Hoe is minister Van Engelshoven tot haar initiatief gekomen om de hoogte van de BSA-drempel te maximeren? In 2015 sprak het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) zijn twijfels uit over de rechtmatigheid van de BSA-regels van de Erasmus­universiteit Rotterdam (EUR): hoe kan men staande houden dat eerstejaarsstudenten ongeschikt zijn als ze in twaalf maanden niet alle 60 studiepunten weten te halen? Omstreeks de jaarwisseling 2017/18 startte het Landelijk StudentenRechtsbureau (LSR) een proefproces tegen de EUR, maar bij nader inzien vonnisten de CBHO-rechters jongstleden april dat de EUR niet in strijd met de letter van de wet handelt. De LSR concludeerde daarop dat de wet moet worden aangescherpt om dergelijke uitwassen te bestrijden. Met haar recente initiatief geeft de D66-minister te kennen dat zij het met de studentenorganisaties eens is.
Maar we kunnen ook dieper graven. Ingrid van Engelshoven bekleedde van 2010 tot 2017 de functie van wethouder Onderwijs in de gemeente Den Haag. Ze heeft dus aan den lijve ervaren hoe de botte bezuinigingen van de rijksoverheid via lagere overheden en andere publieke instellingen worden afgewenteld op de burgers. Ze heeft ongetwijfeld een zesde zintuig ontwikkeld voor dergelijke mechanismes. Zoals de wijze waarop universiteiten en hogescholen elkaar beconcurreren om een groter deel van het hoger­onder­wijs­budget te bemachtigen: onlangs heeft ze aangekondigd dat ze het systeem van onderwijsfinanciering gaat aanpassen om te voorkomen dat de instellingen uit geldbejag nog meer opleidingen gaan verengelsen en nog meer buitenlandse studenten gaan werven. Maar ook de hoge BSA-drempels zijn een teken dat het hoger onderwijs door onderlinge concurrentie is dolgedraaid: door middel van scherpere selectie (aan de poort en in de propedeuse) trachten universiteiten en hogescholen hun prestatie­afspraken (gemaakt met OCW) na te komen en ministeriële boetes af te wenden, want wie de betere studenten en vlottere studeerders binnen­haalt, kan betere slaagpercentages realiseren, en instellingen die daarin niet meegaan, krijgen dus de ministeriële boetes aan hun broek. De minister roept daaraan nu een halt toe, aan deze neoliberale concurrentieslag ten koste van studenten.

Naar een lagere BSA-drempel: 40 studiepunten

Wes Holleman | 04-09-2018 | 2 Reacties » | permalink

D66-minister Van Engelshoven wil aan het Parlement voorstellen de BSA-drempel in de propedeuse te verlagen (OCW 3/9/2018a). Zij wil dat eerstejaarsstudenten hun studie mogen vervolgen, als ze in hun eerste verblijfsjaar minimaal veertig van de zestig studiepunten halen. Verder gaat het als vanouds: bij minder dan veertig punten krijgen ze (behoudens persoonlijke omstandigheden) een negatief Bindend StudieAdvies: ze moeten vertrekken omdat ze ongeschikt worden geacht voor de gekozen opleiding.
Momenteel wordt de lat door de universiteiten en hogescholen hoger gelegd: ergens tussen de 45 en 60 studiepunten (NOS 3/9/2018). Eerstejaarsstudenten krijgen alleen dispensatie als ze vertraagd zijn geraakt door ziekte, zwangerschap, functie­beperking, familieomstandigheden of bestuurlijke verplichtingen (Uitvoeringsbesluit WHW 2008). De minister voert de volgende argumenten tegen de huidige, hoge selectiedrempels aan (OCW 3/9/2018a, OCW 3/9/2018b):
a) ze maken dat geschikte studenten ten onrechte worden heengezonden;
b) ze werpen onnodige barrières op waardoor geschikte studenten worden afgeschrikt;
c) ze mikken op excellentie ten koste van toegankelijkheid en diversiteit;
d) ze ontnemen gelijke kansen aan kwetsbare categorieën studenten die wel de nodige capacitei­ten hebben (bv. eerste­generatie­studenten, wier ouders geen hoger onderwijs genoten hebben);
e) ze benadelen laatbloeiers en studenten die wat meer tijd nodig hebben om zich aan te passen aan hun nieuwe leven als student;
f) ze leiden tot overbelasting (te grote werkdruk) en te grote psychische druk bij studenten, en ze belemmeren daarmee tevens hun bredere (ook extracurriculaire) ontwikkeling.
Lees verder … (PDF)

Islamitisch basisonderwijs in Nederland

Wes Holleman | 22-08-2018 | permalink

Ze heet Marietje Beemsterboer. Na haar havo-opleiding aan het interconfessionele Bonhoeffer College behaalde ze in 2005 het diploma van de interreligieuze iPabo in Alkmaar. Vervolgens wist ze naast haar baan in het basisonderwijs de bacheloropleiding Geschiedenis (UvA), de masteropleiding Wereldgodsdiensten (Universiteit Leiden) en een promotietraject bij het Leidse Centre for the Study of Islam and Society te voltooien. Sinds 12 juni jongstleden ligt haar dissertatie in de boekhandel: Islamitisch basis­onderwijs in Nederland.
Ze heeft zelf nooit op islamitische scholen lesgegeven, maar in het boek geeft ze, op basis van interviews met directieleden, groeps­leerkrachten en godsdienstleerkrachten, een geloofwaar­dig beeld hoe de religieuze identiteit van de scholen zich tot de Neder­landse maatschappelijke context verhoudt. Haar persoonlijke conclusie is dat islamitische basisscholen een brug slaan tussen de islamitische thuissituatie en de gevestigde Nederlandse samenleving en dat ze zo­doende de integratie kunnen bevorderen. In dat verband wordt met nadruk vermeld dat Neder­lands de voertaal is op islamitische scholen, dat moslim-sollicitanten een pré hebben als ze niet alleen de Nederlandse taal uitstekend beheersen maar ook de Nederlandse cultuur van binnen­uit kennen, en dat een aanzienlijk percentage van de leerkrachten zelf geen moslim is.
De auteur concentreert zich op de religieuze identiteit van islamitische scholen. Dat roept bij mij de vraag op of er nog méér dimensies zijn waarin islamitische basisscholen zich mogelij­ker­wijs van de modale Nederlandse basisschool onderscheiden. Ik noem hieronder vijf di­mensies waarin de eigenheid van islamitische scholen wellicht, in aanvulling op de religieuze dimensie, kan worden uitgedrukt.
Lees verder … (PDF)

Burgerschapsopdacht

Wes Holleman | 15-08-2018 | 4 Reacties » | permalink

In het Regeerakkoord-2017 van Rutte III kondigden VVD, D66, CDA (RK en PC) en Christen­Unie (orthodox PC) aan dat de burgerschapsopdracht van het primair en secundair onder­wijs zal worden aangescherpt en dat vooraf getoetst zal worden of nieuwe scholen in dat opzicht aan de deugdelijkheidseisen voldoen. Begin juni 2018 is de voorlopige versie van hun wetsvoorstel ter consultatie uitgezet en in juli zijn de reacties gepubliceerd, onder meer van VOS/ABB (openbaar en algemeen-bijzonder), VBS (klein algemeen-bijzonder), Verus (RK en PC), VGS (reformatorisch), VBSO (reformatorisch) en NVLM (leraren Maatschappijleer).
In de reactie van de VGS wordt minister Slob (ChristenUnie) opgeroepen open kaart te spelen over de ware bedoeling van het wetsvoorstel. De VGS betwijfelt ‘of de olifant in de kamer (…) nu echt benoemd wordt. Bekend is dat er veel problemen in de grote steden zijn met tweede en derde generatie migranten en hun verhouding tot de Nederlandse samenleving. Dat wordt door politici breed erkend. Is het niet eerlijker dat een plaats te geven in de memorie van toelich­ting? Daar zit een flink punt van zorg ook rond burgerschap. Hoe helderder het probleem wordt geschetst hoe beter en passender de oplossing kan worden geformuleerd.’
Wordt de ware bedoeling van het wetsvoorstel inderdaad verbloemd? Naar mijn indruk wil men met het wetsvoorstel de vrijheid van meningsuiting beteugelen opdat scholen in al hun uitingen de door de Staat gestelde grenzen in acht nemen. De Staat eist dat al hun uitingen in lijn zijn met de waarden van de democratische rechtsstaat (zoals verankerd in de Grondwet) en van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Maar in het wetsontwerp wordt inderdaad niet expliciet gesteld dat men op die manier wil tegengaan dat scholen door hun uitingen de integratie (of assimilatie?) van hun allochtone leerlingen in de Nederlandse samen­leving belemmeren en onvoldoende weerwerk bieden tegen radicalisering en extremistisch (bv. islamistisch) gedachtengoed. In de verkiezingsprogramma’s van CDA en VVD treffen we soortgelijke verholen beleidslijnen aan. Scherpe toelatingsselectie in de lerarenopleidingen (CDA, VVD): teneinde te voorkomen dat (onvoldoende geassimileerde) migrantenkinderen het leraarsdiploma zullen halen? Drempels voor het oprichten van scholen (CDA): teneinde de groei van het islamitisch onderwijs in te dammen en te voorkomen dat islamitische scholen de assimilatie van migrantenkinderen belemmeren?
Een olifant in de Kamer… De olifant van de islamitische vijfde colonne spookt alom in het hoofd van landsbestuurders en Kamer­leden, maar in het politieke debat wordt hij verpakt in mistige abstracties van Kwaliteit en Deugdelijkheid om lastige vragen over constitutionele rechten en vrijheden van minderheden te ontlopen. Als de overheid generieke wetsregels invoert met de bedoeling deze slechts in specifieke gevallen (namelijk in relatie tot allochtone leerlingen en/of leraren) toe te passen, maakt zij inbreuk op artikel 1 van de Grondwet: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld (…).’