Quarantaine nekt scholieren en studenten (III)

Wes Holleman | 21-10-2020 | 1 Reactie » | permalink

Onderwijscolumniste Aleid Truijens (VK 19/10/2020) vraagt zich af waarom mensen zich niet aan de gedragsregels inzake quarantaine en isolatie houden. Zijn ze zzp’er en verliezen ze anders hun werk? Zijn ze alleenstaande ouder en moeten ze kinderen naar school brengen? En als je zelf geen corona-achtige klachten hebt, moet je dan toch thuisblijven wanneer de gedrags­regels dat voorschrijven: moet je in dat geval geen andere afweging maken als je werkt in de zorg, het onderwijs, het openbaar vervoer, de dienstverlening? En waarom worden mensen die geen klachten hebben, niet toegelaten tot een kosteloze coronatest, in de hoop de voor­geschreven thuisquarantaine zodoende te kunnen bekorten?
Truijens verwijst naar recente onderzoeksresultaten over het percentage mensen dat zich niet, of niet zo strikt, aan de gedragsregels houdt. Maar je moet die percentages wel met een korrel zout nemen, want de onderzoekers hanteren een heel strenge definitie van quarantaine of isolatie: je mag onder geen beding naar buiten. Tezamen met deze relativerende kanttekening vermeld ik de na­volgende onderzoeksuitkomsten. Ik gebruik daarbij de nummering die ik in mijn eerste blogbericht (tabel A) gehanteerd heb.
b) Van degenen die milde corona-achtige klachten hebben, gaat 68% niet in strikte quaran­taine; en (b/c:) van degenen die milde, dan wel ernstige, corona-achtige klachten hebben die waarschijnlijk niet voortkomen uit onderliggende aandoeningen, laat 58% zich niet testen.
d/e) Van degenen met een positieve testuitslag (bij wie dus besmetting met COVID-19 is vast­gesteld), gaat 17% niet in strikte quarantaine (dus al helemaal niet in nog striktere isolatie).
g) Van degenen die in contact zijn geweest met een gezinslid/huisgenoot die ernstige corona-achtige klachten heeft, gaat 53% niet in strikte quarantaine.
h) Van degenen die in contact zijn geweest met een gezinslid/huisgenoot bij wie een besmetting is vastgesteld, gaat 34% niet in strikte quarantaine; en van degenen die volgens een GGD-melding in contact zijn geweest met iemand bij wie een besmetting is vastgesteld. gaat zelfs 41% niet in strikte quarantaine.
l) Van degenen die terugkeren uit een oranje of rood buitenlands gebied, gaat 70% niet in strikte quarantaine.
b t/m l) Van al degenen (al dan niet met corona-achtige klachten, maar exclusief diegenen wier klachten waarschijnlijk uit onder­liggende aandoeningen voortkomen) die zich aan hun strikte quarantaineregiem onttrekken, meldt meer dan 50% dat ze dit mede doen vanwege hun werk of om naar hun school of opleiding te gaan. Het maakt daarbij niet uit of ze al dan niet corona-achtige klachten hebben. Er is dus alle reden om de hypothese te exploreren dat vele scholie­ren/studenten, werkstudenten en andere werkende mensen zich niet (of niet ten volle) aan de aanbevelingen op het gebied van quarantaine en isolatie houden omdat ze te hoge persoon­lijke kosten en risico’s vrezen als ze aan die aanbevelingen gehoor zouden geven. Truijens voegt daaraan toe dat het daarbij niet alleen om de vrees voor persoonlijke maar ook om be­zorgdheid voor maatschappelijke kosten en risico’s kan gaan.

Quarantaine nekt scholieren en studenten (II)

Wes Holleman | 18-10-2020 | 1 Reactie » | permalink

Volgens twee opiniemakers van De Volkskrant heeft het kabinet Rutte-3 te lang vastgehouden aan de vrijheid-blijheid uitgangs­punten van het laissez-faire liberalisme. Men riep de burgers dringend op om elkaar, geleid door maatschappelijk verantwoor­de­lijkheidsbesef, tegen het coronavirus te beschermen. Maar men wilde hen er niet toe dwingen, want ze mochten niet in hun individuele vrijheden worden beknot. Er rustte een taboe op bindende regulering, want men geloofde veeleer in de heilzame werking van déregulering. Daardoor zitten we nu, volgens Peter de Waard en Peter Giesen, in de tweede coronagolf (VK 13/10/2020, 16/10/2020). Volgens hen had de rijksoverheid jegens de burgers veel dirigistischer moeten optreden om het coronavirus te be­strijden: door tijdige invoering van strenge gebods- en verbodsregels en zero-tolerance in de handhaving ervan.

Volgens mij klopt deze diagnose slechts ten dele. De beide opiniemakers gaan voorbij aan het feit dat de landelijke politici de af­gelopen tien of twintig jaar hun geloofwaardigheid bij de burgers hebben verspeeld. De politici hebben te lang vastgehouden aan de ieder-voor-zich mentaliteit van het neoliberalisme. De burgers hebben daarvan geleerd dat je je eigenbelang voorop moet stellen en dat je jezelf tekort doet als je de oren laat hangen naar moralistische praatjes. Zoals Lotte Lenya en Hanne Wieder zongen: ‘Wie man sich bettet, so liegt man / Es deckt einen da keiner zu / Und wenn einer tritt, dann bin ich es / Und wird einer getreten, dann bist du’s.’ Vele burgers ruiken stinkende hypocrisie nu de overheid hen in coronatijd tot maat­schappelijke solidariteit en maat­schappelijk verantwoordelijksbesef oproept.

Het coronabeleid van de rijksoverheid berustte tot nu toe op drie doelstellingen:
1) de Nederlandse bedrijvigheid moet zo goed mogelijk worden beschermd tegen de gevolgen van de pandemie;
2) de eerste- en tweedelijns gezondheidszorg moet voldoende capaciteit behouden om de werkende beroepsbevolking bij ziekte adequaat te bedienen; en
3) de rijksoverheid moet zoveel mogelijk trouw blijven aan haar neoliberale beleidsuitgangs­punten, te weten: 3a) verlaging van de overheidsuitgaven, 3b) verlaging van de belastingen voor de burgers en voor het bedrijfsleven, 3c) bevordering van de vrijemarkt­economie en privatisering van overheidsbedrijven en –instellingen en 3d) uitkleding van de verzorgingsstaat (burgers moeten de eigen broek ophouden en zelf verantwoordelijkheid nemen voor de ver­vulling van de basisbehoeften van zichzelf en van hun naasten).

Mijn vorige blogbericht ging over de gevolgen van het coronabeleid voor scholieren en studenten. Maar het neoliberale over­heids­beleid heeft hen reeds decennialang ernstig getroffen. De overheidsbezuinigingen (3a) hebben tot Verelendung van de onderwijs­instellingen geleid. Tegelijkertijd koos de rijksoverheid voor déregulering en besturing-op-afstand: de instellingen moesten zelf­regulering betrachten, maar daarbij keken ze vooral naar hun eigen bedrijfs­belangen. Dus de scholieren en studenten zijn het kind van de rekening geworden. Voor studen­ten was bovendien de afschaffing van de basisbeurs (en de gelijktijdige blokkering van belas­tingaftrek bij de ouders van studerende kinderen) een belangrijk signaal dat de verzorgings­staat (3d) ten offer is gevallen aan de sloophamer van de rijksoverheid en dat die overheid zich niet meer om hun belangen bekommert.

Scholieren en studenten voelen zich in de steek gelaten en dat gevoel is in deze coronatijd alleen maar sterker geworden. Van scholieren en studenten wordt verwacht dat ze zich braaf aan de coronaregels houden, ook al worden ze daardoor ernstig in hun belangen geschaad. Maar de rijksoverheid stelt daar geen zorgplichten tegenover, want dat is in strijd met haar neoliberale beleidsuitgangspunten.

Quarantaine nekt scholieren en studenten

Wes Holleman | 12-10-2020 | 7 Reacties » | permalink

Op dinsdag 13 oktober komt het Kabinet met nieuwe, strengere maatregelen om het stijgende aantal coronabesmettingen terug te dringen. Vooral het aantal besmettingen onder jongeren baart zorgen. Ook hopen de deskundigen dat de introductie van de corona-app ertoe zal leiden dat men sneller in quarantaine gaat en zich laat testen. Maar de vraag is of het Kabinet er voldoende op be­dacht is welke implicaties de geldende gedragsregels hebben (zie tabel A).
Kijk bijvoorbeeld naar de situatie van middelbarescholieren en studenten. Ze zetten hun eigen belangen op het spel als ze braaf alle gedragsregels volgen. Men kan pas een beroep doen op hun maatschappelijke verantwoordelijkheidsbesef als de maatschappij daar van haar kant eigen zorgplichten tegenover stelt:
1. Zorg dat scholieren/studenten en hun huisgenoten zich kosteloos kunnen laten testen, ook al hebben ze zelf geen corona-achtige klachten, indien de duur van hun quarantaine zodoende bekort kan worden.
2. Zorg dat de door quarantaine gederfde arbeidsinkomsten van scholieren/studenten en hun huisgenoten vergoed worden.
3. Zorg binnen de onderwijsinstelling voor soepele registratie van quarantaineperioden en ziekteverlof van scholieren/studenten en zorg dat quarantaineperioden als geoorloofd verzuim wegens persoonlijke omstandigheden erkend worden.
4. Zorg binnen de onderwijsinstelling dat scholieren/studenten afstandsonderwijs krijgen gedurende hun quarantaine of ziekte. Denk ook aan scholieren/studenten die thuis moeten blijven omdat zijzelf (c.q. een huisgenoot) tot een risicogroep met onderliggende aan­doeningen behoren of omdat hun huisgenoot 70-plusser is.
5. Zorg binnen de onderwijsinstelling dat scholieren/studenten die in quarantaine of met ziekteverlof zijn geweest daarvan geen nadeel ondervinden en alle faciliteiten krijgen om de opgelopen studievertraging in te halen en verdere studievertraging te voor­komen (toegang tot toetsen en tentamens, inhaal onderwijs, herkansing van gemiste toetsen en tentamens, voor­koming van over­belasting, uitstel van reglementaire deadlines, erkenning van persoonlijke omstandigheden m.b.t. BSA).
6. Zorg bij gehele of gedeeltelijke lockdown van de onderwijsinstelling (en bij gehele of ge­deeltelijke vervanging van contact­onderwijs door afstandsonderwijs en onlinetentaminering) dat scholieren/studenten daarvan geen nadeel ondervinden en alle faciliteiten krijgen om opgelopen studievertraging in te halen en verdere studievertraging te voorkomen (toegang tot toetsen en tentamens, inhaalonderwijs, herkansing van gemiste toetsen en tentamens, voor­koming van overbelasting, uitstel van reglementaire deadlines, erkenning van persoonlijke omstandigheden m.b.t. BSA).
Zie ook: NRC 25/9/2020a, 25/9/2020b

De leesvaardigheid van vijftienjarigen (II)

Wes Holleman | 23-09-2020 | 2 Reacties » | permalink

Het is slecht gesteld met de leesvaardigheid van vijftienjarigen. De Vaste Onderwijscommissie van de Tweede Kamer wil weten hoe dat komt. Vandaag (woensdagmiddag 23 september) organiseerde zij een rondetafelgesprek met deskundigen. Je kan dit gesprek alsnog bekijken op Debat Gemist.
Vanuit een beleidsperpectief waren de commissieleden, denk ik, vooral benieuwd welke van onderstaande drie stellingen door de deskundigen onderschreven wordt:
a) De belangrijkste oorzaak is dat de onder- en middenbouw van het basisonderwijs tekort­schiet op het gebied van technisch en begrijpend lezen.
b) De belangrijkste oorzaak is dat scholieren in het basisonderwijs te weinig impulsen en faciliteiten krijgen om voor hun plezier te lezen en dus de nodige leeskilometers te maken.
c) De belangrijkste oorzaak is dat scholieren in het voortgezet onderwijs te weinig impulsen en faciliteiten krijgen om voor hun plezier te lezen en dus de nodige leeskilometers te maken.
Zie ook: NOS 23/9/2020, 22/9/2020; NOG 21/9/2020

Tentamen ongeldig door falende proctoring

Wes Holleman | 21-09-2020 | 2 Reacties » | permalink

Het moet niet gekker worden. Wenda studeert Criminologie aan de Erasmus Universiteit Rotterdam. Ze had erin toegestemd het tentamen Formeel Strafrecht thuis af te leggen onder elektronische surveillance van het Amsterdamse bureau ProctorExam. Bij de start kreeg ze een computersignaal dat de proctoring niet werkte. Conform de voorgeschreven procedure nam ze direct contact op met de helpdesk, maar die meldde dat de storing inmiddels verholpen was. Na twee weken kreeg ze bericht dat ze geslaagd was, maar een paar weken later mailde de examen­commissie dat haar tentamen ongeldig was verklaard: de proctoring heeft niet gewerkt en daardoor “is het voor [ons] helaas onmogelijk geworden om uw tentamen te controleren op fraude.”
Dat is de omgekeerde wereld. Het schrikbeeld van ISO-voorzitter Dahran Çoban is hier bewaarheid: dat de computer gaat bepalen of een tentamen wel of niet geldig is (ScienceGuide 16/9/2020). De examencommissie kan niet aannemelijk maken dat de studente de storing willens en wetens veroorzaakt zou hebben. De commissie maakt ook niet aannemelijk dat de studente op de hoogte zou zijn geweest van de storing en dat ze zich dus vrij had kunnen wanen om te frauderen. Evenmin maakt de commissie aannemelijk dat de studente tevoren ernstig nalatig zou zijn geweest bij het uitvoeren van de voorgeschreven testprocedures en dat ze niet gecontro­leerd zou hebben of haar systeemconfiguratie aan de gestelde systeemeisen voldeed (voldoende uploadsnelheid?). Wenda kan, in­tegendeel, aannemelijk maken dat zij niet op de hoogte was van de storing en dat ze zelfs overtuigende signalen had gekregen dat de surveil­lance-apparatuur en -programmatuur wél werkte.
Naar mijn gevoel verdient Wenda een forse schadevergoeding, plus smartegeld. Er zijn zeker situaties denkbaar dat de examen­commissie gedwongen is de tentamenuitslag van onschuldige studenten ongeldig te verklaren. Bijvoorbeeld als achteraf blijkt dat sommige tentamen­deelnemers voorkennis hebben gehad van de tentamenvragen, ongeacht of dat door toedoen van studenten dan wel door nalatigheid van de studieleiding is gebeurd. Indien niet precies te achterhalen valt naar wie die voorkennis is uitgelekt, moet het tentamen ongeldig worden verklaard. Of bijvoorbeeld een onwaarschijnlijke situatie in de tentamenhal: alle tien sur­veillanten waren plotseling in zwijm gevallen en de tentamendeelnemers zagen met eigen ogen dat ze nu zonder gevaar konden gaan spieken. Maar in het geval van Wenda berustte de beslissing van de examencommissie louter op gemakzucht. Er was geen zwaar forensisch onderzoek nodig om tot de conclusie te komen dat Wenda van fraudeverdenking moest worden vrijgepleit.
Bron: Erasmus Magazine (18/9/2020a, 18/9/2020b, 17/9/2020), NOS (17/9/2020).
Zie ook de lezersreacties op: Security.nl (17/9/2020) en Nu.nl (18/9/2020).

Wat is diversiteit en inclusie?

Wes Holleman | 13-09-2020 | 5 Reacties » | permalink

Het Ministerie van OCW heeft een Nationaal Actieplan voor meer diversiteit en inclusie in het hoger onderwijs en onderzoek uitgebracht (1/9/2020). Het plan is vooralsnog gericht op de universiteiten, maar het ligt in de bedoeling ook het hbo en mbo erbij te betrekken. Het kost echter enige moeite om te achterhalen waar het Actieplan nou eigenlijk over gaat en wat de achterliggende bedoelingen zijn.
Het Actieplan is gericht op inclusie. Inclusie heeft betrekking op de sociale verhoudingen of het sociale klimaat binnen een organi­satie. Onder inclusie verstaan de auteurs het creëren van ‘een veilige leeromgeving [voor zittende studenten en stagiairs] en een veilige werkomgeving [voor zittende docenten, onderzoekers, ondersteunend personeel, etc.], waarin iedereen zich thuis voelt en zich kan ontplooien’; een organisatie waarin ‘iedereen volledig en op gelijke voet aan de organisatie en besluitvorming (kan) deelnemen’ en waarin iedereen, dus allerlei verschil­lende ‘mensen vanuit verschil­lende achtergronden en met onderscheidende perspectieven’, hun eigen bijdrage ‘willen én kunnen’ leveren (p.7).
Maar wat wordt bedoeld met iedereen? Op p.8-9 wordt gesproken over: inclusie met een open blik voor ver­schillen in geslacht, gender en seksuele voorkeur; met een open blik voor verschil­len in ras en migratieachtergrond (herkomst, huidskleur, etniciteit, nationaliteit, culturele ach­tergrond); en met een open blik voor mensen met een functiebeperking, handicap, chronische ziekte, psychische problematiek. Verder wordt bij wijze van voorbeeld gesproken van andere achtergrondkenmerken: religieuze of andere overtuigingen; klasse, talent/begaafdheid, oplei­ding, ervaring, werkstijl. Maar deze lijst kan vermoedelijk worden uitgebreid met vele andere achtergrondkenmerken (zoals woonplaats, vluchteling/asielzoeker, taalbeheersing, leef­tijd, burgerlijke staat en ouder­schap, fulltimer/parttimer, sociaaleconomische status (inkomen, vermogen, werkkring, baanzekerheid), leefstijl, politieke opvat­tingen). Met iedereen wordt dus bedoeld dat niemand binnen de organisatie het slachtoffer wordt van grensoverschrijdend of niet-integer gedrag en dat niemand zomaar wordt gediscrimineerd of buitengesloten.
In de tweede plaats is het Actieplan gericht op diversiteit. Diversiteit heeft betrekking op de sociale samenstelling van het perso­neels- en studentenbestand van de organisatie. Is de orga­nisatie (of een onderdeel daarvan) toegankelijk voor iedereen die tot die organisatie (of dat onder­deel) wil toetreden? Worden sommigen bij de poort geweigerd? Of voelen sommigen zich geremd om toelating te zoeken? Of worden sommigen na toelating alsnog weggeselecteerd? Of besluiten sommigen na verloop van tijd uit eigen beweging voortijdig te vertrekken?
Lees verder … (PDF)

Afstandsonderwijs zonder BSA

Wes Holleman | 06-09-2020 | 2 Reacties » | permalink

Studeer je aan de Open Universiteit of aan een gewone instelling van hoger onderwijs? In deze coronatijden is het één pot nat: je krijgt overwegend afstandsonderwijs. Toch is er een belang­rijk verschil. De OU stelt zich klantgericht op. Je krijgt waar voor je geld, ook al studeer je in een lager tempo. Jaarlijks kun je elk tentamen twee keer herkansen, het verschuldigde college­geld is naar rato van het aantal cursussen waarvoor je je inschrijft, en behaalde tentamens blijven twaalf jaar geldig.
Studenten aan de gewone universiteiten en hogescholen zijn dat heel anders gewend: als je vertraagd raakt, krijg je straf. Eerste­jaars­studenten die iets te weinig studiepunten halen, worden met een Bindend StudieAdvies (BSA) uit de opleiding verwijderd. Boven­dien hebben universiteiten en hogescholen allerlei restricties ingevoerd waarmee het recht op deelname aan tentamens en her­kansingen beperkt wordt.
Dat soort straffen en restricties wordt goedgepraat met het argument dat het preventieve maat­regelen zijn om te bewerkstelligen dat studenten zuinig en zorgvuldig gebruik maken van de hoogwaardige onderwijs- en tentamenvoorzieningen. Daar staat tegenover dat men in de loop der tijd een effectiever instrument heeft ontwikkeld om datzelfde doel te bereiken: heden ten dage bedraagt het jaarlijkse collegegeld in principe 2143 euro, ongeacht het aantal pro­grammaonderdelen of tentamens dat in het desbetreffende jaar door de student ‘geconsumeerd’ wordt. Vergeleken met straffen en restricties past dat instrument ook beter bij de missie van een professionele onderwijsorganisatie. Het is onprofessioneel om de studie­voortgang van studen­ten willens en wetens te belemmeren (tenzij men aannemelijk kan maken dat die maatregelen noodzakelijk zijn om ongeschikte studenten te bewegen de opleiding zo snel mogelijk te verlaten).
Maar in deze coronatijden kunnen de gewone universiteiten en hogescholen niet meer op hoogwaardig contactonderwijs bogen. Ze geven voornamelijk afstandsonderwijs en hun afstandsonderwijs is niet hoogwaardiger dan dat van de Open Universiteit. Er is dan ook alle reden om de studiebelemmerende maatregelen (de strenge BSA-norm en de restricties op de deelname aan tentamens en herkansingen) op te schorten. Indien de gewone universiteiten en hogescholen met alle geweld aan hun BSA-selectie willen vast­houden, laten ze dan in elk geval terugkeren naar de lage norm die oorspronkelijk door de wetgever bedoeld was: wie in het eerste studiejaar minder dan dertig van de zestig propedeutische studiepunten haalt, wordt (behoudens persoonlijke omstandig­heden) uit de opleiding verwijderd.

Betaalde bijles voor eigen parochie (IV)

Wes Holleman | 05-09-2020 | permalink

Marcel Schmeier is expert op het gebied van Expliciete Directe Instructie. Eind augustus schreef hij een dagbladartikel over Wat scholen kunnen leren van bijlesinstituten en privé­scholen. De door de overheid bekostigde (‘publieke’) basisscholen moeten lering trekken uit de succesvolle didactische uitgangspunten die door ‘private’ scholen gehanteerd worden. In dat verband waarschuwt hij ook voor de dreigende corrumpering van de publieke onderwijssector. Zo vertellen ouders dat de school van hun dochter een mail stuurde met reclame voor extra examentraining “door een extern bureau, in de school en met een behoorlijk prijskaartje” of dat ze op de open dag van een door de overheid bekostigde school te horen kregen dat zij graag “persoonlijk in gesprek wil gaan over de tarieven van haar bijles- en coachingsinstituut”. In dat laatste geval is het overduidelijk: de school gaat zich te buiten aan on­professionele be­langenverstrengeling. Ook uit het hoger onderwijs zijn dergelijke uitwassen bekend (Onderwijs­ethiek 13/2/2019, 27/10/2013, 4/11/2011).
De Onderwijsraad heeft in zijn Werkprogramma 2020 aangekondigd in de komende jaren te gaan kijken naar de verwevenheid tussen publiek en privaat onderwijs. Begin 2021 wordt een eerste advies uitgebracht: hoe kunnen we waarborgen voor kwaliteit en gelijke kansen schep­pen, gegeven het feit dat, naast het publieke aanbod, in toenemende mate een verscheiden­heid van privaat onderwijs wordt aangeboden?

Groepswerk: verboden voor stelletjes?

Wes Holleman | 18-08-2020 | permalink

Ze hebben dit jaar allebei de propedeuse van hun hbo-opleiding voltooid. Sinds de middelbare school hebben ze een relatie met elkaar, maar dat hebben ze in hun eerste studiejaar niet aan de grote klok gehangen. Want ze wilden gewoon als individu worden gezien en gewoon eerlijk tegenover elkaar kunnen zijn. Maar als er groepswerk te doen was, zorgden ze wel dat ze samen met een studiegenoot in het zelfde driepersoons groepje werden ingedeeld. Die samen­werking verliep prima en ze kregen van diverse docenten complimenten voor hun teamwerk en voor de kwaliteit van hun groepswerkstukken of -verslagen.
Maar in juli kregen ze te horen dat ze voor het komende, tweede studiejaar in verschillende roosterstromen waren ingedeeld. Desgevraagd liet de mentor weten dat hij het niet zo ziet zitten dat twee gelieven, wat groepswerk betreft, in eenzelfde groepje samenwerken.
Zij vragen zich nu af, in hoeverre deze inbreuk op hun studievrijheid zomaar door de beugel kan. Binnen hun opleiding zijn er geen regels geformuleerd over de wijze waarop de groepjes worden ingedeeld, of welke vrijheden studenten op dit gebied hebben. In dat licht maakt de studieleiding zich aan willekeur schuldig. Maar gesteld dat de studieleiding de reglementaire bevoegdheid zou hebben om studenten in groepjes in te delen of om de definitieve samenstelling van groepjes te bepalen, welke beslissingscriteria zou zij daarbij dan kunnen hanteren?
Lees verder … (PDF)

Burgerschapsopdracht (V): bijzondere scholen

Wes Holleman | 04-08-2020 | permalink

Na de zomervakantie wordt het Wetsontwerp Aanscherping Burgerschapsopdracht (nr. 35352) plenair behandeld in de Tweede Kamer. Het schoolbestuur moet ervoor zorgen, aldus het wetsontwerp, dat de schoolcultuur niet in strijd is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en dat de leerlingen op school actief kunnen oefenen hoe je met die waarden kan omgaan. In een vorig blogbericht wees ik erop dat dit wetsontwerp wellicht op gespannen voet staat met de grondwettelijke vrijheid van onderwijs: in hoeverre kunnen bijzondere scholen zich aan hun nalevingsplicht onttrekken als ze aannemelijk maken dat ze anders in strijd met hun grondslag zouden handelen?
In 2011 was er een casus bij de R.K. scholengemeenschap Don Bosco College in Volendam. Een moslima uit de vmbo-afdeling vroeg of ze een hoofddoek mocht gaan dragen. Dat werd geweigerd door de school. De leerling verzocht vervolgens de CGB (het tegen­woordige College voor de Rechten van de Mens) om daarover een oordeel te vellen. De CGB concludeerde dat de school zich aan discriminatie op grond van geloofsovertuiging schuldig maakte. Maar de civiele rechter, het Amsterdamse gerechtshof, oordeelde anders. Weliswaar wordt door de school niet verlangd dat de ouders van aspirant-leerlingen de R.K. grondslag van de school onderschrijven, maar toch heeft de school het volste recht de hoofddoek te verbieden als zij dat nodig vindt om haar R.K. grondslag te verwezenlijken.
Misschien moet nog ter verduidelijking worden opgemerkt dat het dorp Volendam vanouds her een strijdbaar katholiek bolwerk in een overwegend protestantse regio is. Een ander gegeven is dat bij de laatste verkiezingen voor de Provinciale Staten (2019) meer dan zestig procent van de stemmen uit het dorp naar de partij van Baudet of naar die van Wilders ging. De school beschouwt het als haar opdracht herkenbaar te zijn voor iedereen binnen de plaatselijke be­volking en de regio.
Sinds het vonnis van 2011 hoeven confessionele scholen zich dus iets minder zorgen te maken over de vraag of hun eventuele hoofd­doekverbod in strijd is met de wet. Maar er doemen rond de burgerschapsopdracht nieuwe zorgen op. In de eerste plaats is de vraag opgeworpen of scholen actief mogen uitdragen dat homoseksueel gedrag zondig is. Op verzoek van OCW heeft de Onder­wijs­inspectie uitgezocht of men zich daarmee aan discriminatie schuldig maakt. Half maart heeft de Inspectie uitsluitsel gegeven: confessionele scholen mogen homoseksueel gedrag zondig noemen, mits ze tegelijkertijd onderstrepen dat je jegens homoseksuelen verdraagzaam­heid moet betrachten en dat je hen niet mag discrimineren.
In de tweede plaats is het denkbaar dat de Onderwijsinspectie ooit in het kader van de wette­lijke burgerschapsopdracht zal uit­werken aan welke eisen de schoolcultuur moet voldoen op het punt van de ‘freedom of opinion and expression’ en de vrijheid van meningsvorming. Ik kan niet taxeren of sommige scholen zich in dat geval zorgen moeten gaan maken. Bij wijze van voor­beeld geef ik in de bijlage bij dit blogbericht een overzicht van wat het Don Bosco College hier­over momenteel op zijn website vermeldt.
Lees de Bijlage (PDF)