OV-studentenkaart: de zomerstop

Wes Holleman | 15-07-2018 | permalink

Met ingang van 1991 werd de basisbeurs voor studenten deels in de vorm van een gratis OV-jaarkaart uitbetaald. Maar reeds in 1994 heeft het ministerie van OCW, bij wijze van bezuiniging, twee varianten geïntroduceerd: enerzijds een tweedaags weekendabonnement en anderzijds een vijfdaags weekabonnement. Voor het vijfdaagse abonnement geldt een zomerstop (van 16 juli 4 uur a.m. tot 16 augustus 4 uur a.m.) waarin studenten niet gratis kunnen reizen, ook al hebben ze onderwijs- of stage­verplichtingen. Sinds 2014 begint dat extra te knellen. Dat heeft te maken met de zomervakantie (summer gap) van het voort­gezet onderwijs, die in 2014 is verkort van zeven naar zes weken en die voortaan samenvalt met de zomervakantie van het basisonderwijs. In verband met de (door OCW gecoördineerde) vakantiespreiding moeten de po- en vo-scholen in de drie regio’s (Noord, Midden en Zuid) sindsdien dakpansgewijze met vakantie binnen het achtweekse tijdvak van week 28 t/m 35. Dat betekent dat de laatste regio pas hartje-zomer met vakantie gaat, op de zaterdag voorafgaande aan week 30.
Waarom levert dat voor ho- en mbo-studenten problemen op? Het personeel van de ho- en mbo-instellingen wenst dat de onderwijs- en tentamenvrije zomerperiode samenvalt met de schoolvakantie van hun minderjarige kinderen. Als hun College van Bestuur aan deze wens gehoor geeft, komen de forensende studenten in de problemen indien ze in week 30 nog onderwijs- of tentamen­verplichtingen hebben terwijl hun OV–kaart al op zomerreces is. De OV-kaart was bedoeld om hun studiekosten te drukken, maar door de zomerstop worden zij daarentegen op kosten gejaagd. Bij ongewijzigd beleid valt de eerste dag van de school­vakanties in de periode 2014-2022 in tien gevallen later dan 16 juli: regio Noord (22/7/2017, 21/7/2018), regio Midden (19/7/2014, 20/7/2019, 18/7/2020, 17/7/2021), regio Zuid (18/7/2015, 23/7/2016, 24/7/2021, 23/7/2022).
In antwoord op Kamervragen (12/7/2018a, 12/7/2018b) stelt de minister dat het financieel en praktisch onmogelijk is de gedupeerde studenten schadeloos te stellen. Evenmin ziet zij kans de contractueel vastgelegde begin- en eindtijd van de zomerstop te flexibiliseren. Maar zij vergeet dat er nog twee andere oplossingen denkbaar zijn om een einde te maken aan het onrecht dat ho- en mbo-studenten wordt aangedaan. Oplossing I: vervroeg de zesweekse schoolvakanties zodat alle drie de regio’s binnen het tijdvak van week 27 t/m 34 vallen en geen enkele regio na 16 juli met vakantie gaat. Oplossing II: verschuif de OV-zomerstop, zodat deze op de zaterdag voorafgaande aan week 30 begint en aan het eind van week 33 eindigt.

De docent als loopbaancoach

Wes Holleman | 11-07-2018 | 1 Reactie » | permalink

Alphons de Wit gaf in de jaren 1970 het vak Nederlands op een Lagere Technische School. In een recente AD-column (8/7/2018) poneert hij de uitdagende stelling dat je pas een echte leraar bent als je het lef hebt zo nodig even buiten de kaders te marcheren. In de loop van veertien jaar heeft hij tientallen leerlingen een frauduleus duwtje in de rug gegeven om hen op de plaats in de samen­leving te krijgen waar ze gezien hun capaciteiten thuishoorden. Volgens hem viel het vanuit de beroepsethiek te verdedigen dat een onderwijsprofessional de eindexamencijfers voor het schoolvak Nederlands een beetje manipuleerde, als dat nodig was om een veelbelovende LTS’er ondanks zijn taalachterstand te laten doorstromen naar de Middelbare Technische School.
De Wit schreef zijn column naar aanleiding van de examenfraude van vier toegewijde leraren van het Rijswijks Lyceum (NRC 2/7/2018a, 2/7/2018b). Ze werken zich, ook buiten schooltijd, uit de naad opdat veelbelovende leerlingen uit kansarme gezinnen het diploma zullen halen dat zij nodig hebben om hogerop te komen. En ze konden de verleiding niet weerstaan om zeven leerlingen (zes havisten en een vwo’er) in het kader van hun herexamen een ‘frauduleus duwtje in de rug’ te geven.
Deze leraren opereerden in het professionele spanningsveld tussen hun rol-als-coach en hun rol-als-examinator. Alphons de Wit laat zien dat dit spanningsveld nog sterker wordt als de leraar niet alleen de rol van studiecoach vervult (hoe leid ik deze leerling naar het diploma?), maar ook de rol van loopbaancoach op zich neemt (wat zijn de optimale loopbaan­moge­lijk­heden voor deze leerling voorbij het diploma en wat moet hij doen om daar te geraken?). En De Wit illustreert dat de leraar helemaal in een gewetensconflict belandt als hij enerzijds de rollen van studiecoach, loopbaancoach en examinator tracht te combineren, maar anderzijds tot de overtuiging is gekomen dat de bureaucratische diploma-eisen veel te hoog zijn in vergelijking met het start­repertoire dat zijn leerlingen in werkelijkheid nodig hebben om hun vervolgopleiding succesvol te doorlopen.

Studeren met een strafblad

Wes Holleman | 09-07-2018 | permalink

In een woongebouw op de campus van de universiteit van Aberdeen heeft een 21-jarige eerstejaarsstudent Psychologie een achttienjarige rechtenstudente (zijn vriendin en latere ex-vriendin) herhaaldelijk fysiek en verbaal gemolesteerd en tot zelfdoding gedreven. De rechter achtte zijn schuld aan de zelfdoding (maart 2017) niet bewezen. Juli 2017 is hij veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur. Bovendien is hij één jaar lang onder toezicht van de Reclassering gesteld. In aansluiting bij dit tweeledige vonnis werd de student tuchtrechtelijk heengezonden door de universiteit.
De studente had wel signalen afgegeven dat er iets mis was in haar relatie, maar niemand had stevig aan de bel getrokken. Na haar overlijden zijn haar ouders een campagne begonnen om staf en studenten in het Britse hoger onderwijs bewuster te maken van dergelijke signalen van relationeel geweld. Onlangs vernamen de ouders tot hun diepe verontwaardiging dat het (ex-)vriendje met ingang van het studiejaar 2017/18 was toegelaten tot de Oxford Brookes University (OBU): waarom voelde deze ‘new university’ zich niet geroepen haar kwetsbare, jonge studentes te beschermen tegen dit gevaarlijke alfamannetje? Tijdens de toelatings­procedure was de OBU op de hoogte van diens criminele antecedenten, maar zij achtte geen termen aanwezig om hem op die grond af te wijzen. Kennelijk is de Reclassering ook niet tussenbeide gekomen.
Lees verder … (PDF)

BSA aanvechtbaar na ongeldig tentamen?

Wes Holleman | 08-07-2018 | 1 Reactie » | permalink

Indien eerstejaarsstudenten niet het vereiste aantal studiepunten hebben behaald, kunnen ze met een negatief Bindend Studieadvies (BSA) uit de opleiding worden verwijderd. Maar ‘het instellingsbestuur kan van [deze] bevoegdheid (…) slechts gebruikmaken, indien het (…) zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd’ (artikel 7.8b WHW). Behoudens deze wettelijke studeerbaarheidsclausule moeten eerstejaarsstudenten aan de Hogeschool Utrecht minimaal vijftig studiepunten halen om aan het BSA-criterium te voldoen. Maar er zijn dit jaar redenen om serieus te toetsen of de hogeschool van haar kant aan de studeerbaarheidsclausule heeft voldaan.
Op 29 mei legden zo’n 240 eerstejaars rechtenstudenten het tentamen Europees Recht af. Maar naar aanleiding van klachten van tentamendeelnemers werd geconstateerd dat de kwaliteit van de tentamenvragen inderdaad volstrekt beneden peil was. De examen­commissie besloot het tentamen ongeldig te verklaren en er werd aangekondigd dat de studenten het tentamen over veertien dagen (13 juni) opnieuw konden afleggen: op een roostervrije dag tijdens een week waarin ze ook nog eens een mondelinge toets en een deadline voor een werkstuk hadden. De vraag rijst dan of de hogeschool hiermee geen inbreuk heeft gemaakt op de studeer­baar­heids­clausule.
Op 19 juni ging het wederom mis, dit keer bij een herkansingstentamen Bedrijfseconomie voor circa 250 eerstejaarsstudenten uit diverse studierichtingen. De tentamenuitslag was zo rooskleurig dat de examencommissie onraad rook. De tentamenvragen bleken een grote overlap te vertonen met een oefententamen dat door de docenten ter beschikking was gesteld. Het tentamen werd ongeldig verklaard en op 11 juli kan het opnieuw worden afgelegd. De zomervakantie is dan al begonnen. Iedereen dacht de eindspurt nu echt volbracht te hebben en sommigen zouden deze week al met hun vakantiereis of met hun vakantiebaantje starten. Valt deze onvoorziene extra studiebelasting te rijmen met de studeerbaarheidsclausule of moet hun eind augustus een extra herkansing gegund worden voordat ze op het BSA-criterium worden afgerekend?
Bron: Trajectum (7/6/2018, 5/7/2018); Algemeen Dagblad (6/6/2018, 4/7/2018, 6/7/2018)

Passend onderwijs voor hoogbegaafden

Wes Holleman | 01-07-2018 | 1 Reactie » | permalink

De vrijwillige ouderbijdrage in het basis- en voortgezet kent twee varianten: (1) de vrijwillige variant en (2) de vrijwillig-doch-voorwaardelijke variant. In de tweede variant verspelen de ouders het aangeboden genot (bijvoorbeeld de schoolreis naar Rome) als ze niet betalen (het kind mag in dat geval niet mee naar Rome en vervult tijdens de schoolreis zijn eventuele leerplicht via een alternatief programma op school). Vorig jaar werden Kamervragen gesteld over het onderwijsaanbod aan hoogbegaafden: mag dat (geheel of gedeeltelijk) gefinancierd worden volgens de tweede variant?
Het antwoord van demissionair staatssecretaris Dekker (29/8/2017) was volstrekt duidelijk. In het kader van het Passend Onderwijs heeft iedere leerling recht op de onderwijsondersteuning die voor hem of haar noodzakelijk is. Dus als de geboden onderwijs­ondersteuning voor hoog­begaafden (HB) echt nodig is, dan mag aan de ouders weliswaar op basis van vrijwilligheid een bijdrage in de kosten worden gevraagd, maar mag het recht op die onderwijs­ondersteuning niet afhankelijk worden gesteld van de betaling van deze ouderbijdrage. En als een school zich niet aan de regels houdt, aldus de staatssecretaris, moeten de ouders aan de bel trekken, want de Inspectie zal dan handhavend optreden. Dat waren geen loze woorden, want enkele maanden eerder (23/5/2017) was een basisschool in Lent beboet omdat zij ouders verplichtte de rekening te betalen om hun kind aan het HB-programma te laten deelnemen, terwijl het programma niet geafficheerd werd als een vrijblijvende service maar als het basisaanbod voor de hoogbegaafden. De school ging daartegen in beroep bij de afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State, maar de Inspectie werd in het gelijk gesteld (7/2/2018).
Het kabinet-Rutte II gaf dus de garantie dat passend HB-onderwijs kosteloos wordt en dat het zodoende toegankelijk wordt gemaakt voor iedere leerling, ongeacht de financiële positie van zijn of haar ouders. Sinds acht maanden is Rutte III aan zet en heeft minister Slob de portefeuille van Sander Dekker overgenomen. Blijkens zijn antwoord (29/6/2018) op nieuwe Kamervragen continueert hij de beleidslijn van zijn voorganger, maar over handhavend optreden van de Onderwijsinspectie wordt door hem niet meer gerept.
Update: Maandag 2 juli van 13 tot 20 uur debatteert de Vaste Kamercommissie voor OCW in de Groen van Prinstererzaal over passend onderwijs (op video live te volgen).

Studenten met zorgtaken (II)

Wes Holleman | 28-06-2018 | permalink

In aansluiting op de CDA- en CU-initiatieven op het gebied van burgerlijke verantwoor­de­lijk­heid en naastenliefde, heeft het CDA een Actieplan Mantelzorgende Studenten gelanceerd. Doel van het actieplan is dat deze studenten voldoende ondersteund en waar nodig ontzien worden zodat ze de studie kunnen combineren met hun zorgtaken. Maar dan vraag je je af waarom het CDA niet, in één moeite door, ook de studerende moeders (en vaders) in hun pleidooi heeft betrokken. Want studerende mantelzorgers en studerende ouders, — dat zijn de twee doelgroepen die momenteel in het hogeronderwijsbeleid gediscrimineerd worden. Als ze in de propedeuse niet het vereiste aantal studiepunten halen, dan gaan ze voor de bijl. In artikel 2.1 van het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 staat immers dat alleen student-bestuurders en gehandicapte, zieke of zwangere studenten in de propedeutische selectie ontzien mogen worden (alsmede studenten die getroffen worden door bijzondere familieomstandigheden, maar tot die categorie kunnen studerende mantelzorgers en studerende ouders niet worden gerekend). Het CDA heeft nu zijn hoop gevestigd op het Experiment Flexstuderen (2017-2023), dat studenten meer mogelijkheden biedt in eigen tempo te studeren, maar dan vergeten de CDA-politici dat alleen diegenen aan het experiment mogen deelnemen die de propedeutische selectie doorstaan hebben.
Het zou van bestuurlijke moed getuigen als de Haagse politici eindelijk de conclusie onder­schrijven dat de steeds verder opge­schroefde tempo-eisen in de selectieve propedeuse tot grove onrechtvaardigheden leiden en dat we de behoefte aan tempo­differentiatie serieus moeten nemen. Het oorspronkelijke idee van het Bindend Studieadvies Propedeuse was dat studenten uit de opleiding moesten worden verwijderd als ze (behoudens persoonlijke omstandigheden) in het eerste studiejaar minder dan de helft van de geprogrammeerde zestig studiepunten hadden gehaald. We kunnen misschien beter naar die schappelijke norm terugkeren, zodat we niet alleen aan de lagere belastbaarheid van student-bestuurders, gehandicapten, zieken en zwangeren tegemoet komen, maar ook aan die van mantelzorgers, studerende ouders, topsporters, student-ondernemers en werkstudenten. En zodat we, in plaats van al die bureaucratische, juridische en fraudegevoelige plichtplegingen, een studeerbaar studiecontract kunnen aanbieden aan iedere student.

Prestatiedruk in Maastricht

Wes Holleman | 25-06-2018 | 1 Reactie » | permalink

Het Rijksinstituut voor de Volksgezondheid (RIVM) heeft onlangs zijn Toekomstverkenning voor de periode 2018-2040 gepubliceerd (VTV-2018). Eén van de gesignaleerde trends is de toenemende druk op ons dagelijks leven. Vele jongeren (en met name studenten) ervaren meer in het bijzonder een grote prestatiedruk: de druk om op school, in de studie en op het werk zo hoog mogelijke cijfers en beoordelingen te behalen; de druk om een overtuigend CV op te bouwen en geen studievertraging op te lopen; en de druk om ondertussen een uitbundig sociaal leven te leiden en daarvan op de sociale media kond te doen. Bovendien voelen vele jongeren zich genoodzaakt een bijbaan of –baantje te nemen om deze drievoudige persoonlijke aspiraties financieel mogelijk te maken.
Al met al is dat een cocktail waarmee studenten alras in een burn-out kunnen geraken. De combinatie van deze ingrediënten kan ook de vatbaarheid voor de verleidingen van studie­fraude (*) en bedenkelijke shortcuts (**) doen toenemen. Het is denkbaar dat de problemen rond de tentaminering in de Maastrichtse School of Business and Economics eveneens in dat licht moeten worden bezien (Observant 13/9/2015; 21/6/2018). De studieleiding krijgt namelijk zo langzamerhand sterk de indruk dat door studenten massale bezwaar- en beroepsprocedures tegen elke vermeende tekortkoming in de tentamens worden georkestreerd, met het doel om er bij de becijfering puntjes bij te sprokkelen. Maar het kan natuurlijk ook zijn dat de kwaliteit van de tentamenvragen en antwoord­sleutels werkelijk tekortschiet. Het lijkt me best moeilijk Engelstalige tentamenvragen te ontwerpen die zowel voor Britse, als voor Amerikaanse, Nederlandse, Duitse, Franse en Spaanse studenten volstrekt ‘eindeutig’ zijn, gegeven de ver­scheidenheid van hun moedertalen en van de economische lesboeken die zij in hun voor­gaande school- en studieloopbaan hebben doorgeploegd.

Een inclusief armoedebeleid op school

Wes Holleman | 23-06-2018 | 1 Reactie » | permalink

Van een school mag worden verwacht dat zij alle leerlingen gelijke kansen biedt om de onderwijsdoelen te bereiken. Zo zal zij haar uiterste best doen om te voorkomen dat ze ten gevolge van armoedige thuisomstandigheden niet tot optimale leerprestaties kunnen komen. In dat verband zal zij hen ook trachten te beschermen tegen pesterij, discriminatie of uitsluiting door medeleerlingen. Het is al erg genoeg dat ze zich zelf ongemakkelijk voelen doordat ze minder mooie kleren en spullen hebben, en doordat hun ouders geen geld hebben om hen te verwennen. Dat hoeft hun niet nog een keer door hun medeleerlingen te worden ingepeperd.
Maar leerkrachten zijn zich er te weinig van bewust dat zij misschien ook zelf het slechte voorbeeld geven. Kinderen die in armoede leven kunnen ook door toedoen van de school en van de onderwijsgevenden hun gevoel van eigenwaarde verliezen. Extreme voorbeelden zijn die openbare basisschool die kinderen de toegang tot de kerstviering ontzegde omdat hun ouders de vrijwillige ouderbijdrage niet hadden betaald; of die door het rijk bekostigde rijkeluis­basisschool die weliswaar arme kinderen toeliet, maar die hun de toegang tot de tto-lessen van de native speaker ontzegde: als hun ouders niet betaalden, moesten zij genoegen nemen met het tweederangs onderwijs van de groepsleerkracht.
In Noord-Oost Engeland is men met een bewustwordingsproject gestart tegen de ‘kleine’ stigmatisering van kinderen die thuis onder de armoedegrens leven. Basisscholen kunnen een audit aanvragen om te onderzoeken of hun schoolklimaat ‘povertyproof’ is: zorgen we er voldoende voor dat arme kinderen zich geaccepteerd voelen en dat ze hun gevoel van eigenwaarde niet verliezen. Een mogelijke uitkomst is bijvoorbeeld: wees voorzichtig met het kringgesprek op maandagochtend en met name met vragen in de trant van ‘hoe is jullie weekend geweest’. Want daarmee geef je kinderen uit hogere milieus ruim baan om hun weelde ten toon te spreiden terwijl lower-class kinderen dan beschaamd met de mond vol tanden staan.
Bron: The Guardian (14/5/2018), website Poverty Proofing, Evaluatierapport (2016)
Zie ook: Kinderombudsman (2017), Sociaal en Cultureel Planbureau (2017)

Kleding: performance versus identiteit

Wes Holleman | 15-05-2018 | permalink

Mag je als docent commentaar leveren op de kledingkeuze van een student(e) of getuigt dat van gebrek aan respect? Bij een eindejaarsstudente schoot het volledig in het verkeerde keelgat toen de docente bij de oefenpresentatie van haar bachelor thesis informeerde of ze van plan was volgende week, bij de officiële presentatie, die korte shorts te blijven dragen. Ze explo­deerde bijkans, deed haar overhemd, shorts en schoenen uit en vervolgde haar presentatie gekleed in haar zwarte ondergoed. En of dat nog niet genoeg was, volhardde ze de week daarop, bij de officiële, openbare presentatie, in dit uiterst ongebruikelijke negligé. Toch handelde de docente geheel conform de syllabus van de cursus Spreken in het Openbaar: het was haar taak studenten in hun oefenpresentaties te begeleiden en daarbij mede te letten op de vraag of de kledingkeuze niet teveel afbreuk doet aan het doel dat de student met de presentatie voor ogen heeft. De aanvaring kwam doordat de docent veronderstelde dat de presentatie tot doel had een bepaalde boodschap aan het publiek over te dragen, terwijl de betrokken studente vooral gepreoccupeerd was met haar wens zichzelf te blijven en geen geweld te doen aan haar persoonlijke identiteit. Misschien was haar weigering te buigen voor opgelegde dress codes tevens ingegeven door het gevoel dat ze weliswaar een opleiding in de USA volgde maar haar Aziatische roots niet mocht verloochenen.
De aanvaring tussen docent en student was in dit geval een conflict tussen Kwalificatie (publieksgericht leren spreken in het openbaar) enerzijds en (recht op autonome) Persoons­vorming anderzijds. Maar de betrokken studente had geen oog voor de kwalificatierol die de docent trachtte te vervullen (gericht op de best mogelijke technische performance): zij had veeleer het gevoel dat de docente er domweg op uit was dat studenten zich conformeerden aan de maatschappelijk gedefinieerde kledingnormen (Socialisatie).
Bron: Inside Higher Ed (14/5/2018)

Propaganda in de klas

Wes Holleman | 13-05-2018 | 1 Reactie » | permalink

Mag een docent tijdens een werkcollege reclame maken voor een politieke partij en flyers uitdelen? Ja dat mag, laat het Bureau van de Universiteit desgevraagd weten: ‘het is docenten niet verboden (…) om stelling te nemen, ook niet in colleges’ (Ukrant 9/5/2018). De steen des aanstoots is het partijdige optreden van sommige docenten (c.q. student-assistenten of –promovendi) in het kader van de verkiezingsstrijd voor de studentengeleding van de Gro­ningse universiteitsraad. Als men dat bij het Bureau van de Universiteit zomaar meent te mogen goedpraten, dan heeft men daar weinig kaas gegeten van de professionele beroepsethiek van docenten.
In de eerste plaats geldt als belangrijk ethisch principe dat docenten (of personeelsleden die onder hun verantwoordelijkheid opereren) hun professionele gezag en het vertrouwen van hun studenten niet mogen misbruiken om zieltjes te winnen of ideologische opvattingen op te dringen (E.I. #2.j). Pas bij schrijnende gewetensnood, zoals in de casus van Cleveringa anno 1940, mogen docenten hun professionele terughoudendheid laten varen (Holleman 2006 p. 56). Kennelijk baseert het Bureau van de Universiteit het vermeende recht op het bedrijven van propaganda op de academische vrijheid van docenten en onderzoekers. Wettelijk is vastgelegd dat zij wetenschappelijke of morele standpunten mogen aanhangen en dat ze deze ongestraft mogen verdedigen en publiceren. Het Bureau vergeet echter dat de academische vrijheid van docenten begrensd wordt door hun plicht om controversiële stof evenwichtig aan te bieden en voldoende recht te doen aan concurrerende opvattingen (op.cit. p. 29-30). Michael Lewis karakteriseert de kluwen van onevenwichtig onderwijs en regelrechte propaganda als één van de zeven hoofdzonden in het hoger onderwijs (op.cit. p. 109).
In de tweede plaats stelt de American Association of University Professors (1990) nog een andere grens aan de uitoefening van de academische vrijheid door docenten, namelijk de grens die gelegen is in het studiecontract tussen docent en student: ‘it is improper for an instructor persistently to intrude material that has no relation to the subject, or to fail to present the subject matter of the course as announced to the students and as approved by the faculty in their collective responsibility for the curriculum.’ Studenten mogen verlangen verschoond te blijven van wijdlopige escapades van de docent die, in het licht van het overeengekomen onderwerp van de cursus, buiten de orde zijn.