Gele hesjes voor scholieren

Wes Holleman | 09-12-2018 | 1 Reactie » | permalink

Aanstaande dinsdag, even na drie uur, wordt door de Tweede Kamer besloten of de rente op studieleningen voor studenten in het hoger onderwijs per 1/1/2020 verhoogd wordt. Daarna moet de Eerste Kamer zich er nog over uitspreken. Volgens wetsvoorstel 35007 geldt de rente­verhoging uitsluitend voor studenten die op of na 1/1/2020 met een bachelor- of master­opleiding beginnen en die onder het nieuwe studiefinancieringsstelsel vallen.
Het nieuwe studiefinancieringsstelsel werd op 1/9/2015 ingevoerd. Voor nieuwe studenten werd de basisbeurs per die datum afgeschaft, maar ze konden een lening afsluiten om hun studie­kosten en kosten van levensonderhoud te dekken. Deze lening moest binnen 35 jaar worden terugbetaald, inclusief de renteschuld die onderwijl was opgebouwd. Het ging om een variabele rente (vijf jaar vast). Als maatstaf voor het rentetarief gold de rente die de overheid moest betalen op vijfjaars staatsobligaties. Hoe het tarief zich in de loop van 35 jaar zal ontwikkelen, daar valt geen peil op te trekken. Maar het ministerie hanteerde als prognose dat de student een gemiddeld rente van 2,5% per jaar kwijt zou zijn, gerekend over de hoofdsom plus de gaandeweg opgebouwde rente­schuld.
Bij de plenaire behandeling van wetsvoorstel 35007 in de Tweede Kamer (5/12/2018) maakte de minister uitdrukkelijk gewag van die prognose uit 2015. Het wetsvoorstel houdt nu in dat er een nieuwe rentemaatstaf wordt ingevoerd, namelijk de rente die de overheid moet betalen op tienjaars staatsobligaties. In de Memorie van Toelichting wordt als prognose gesteld dat de tienjaarsrente 0,78 procentpunt hoger ligt dan de vijfjaarsrente. Daarmee wordt de rente­prognose-2015 (2,50% per jaar) dus verhoogd naar een jaarlijkse rente van 3,28%. Dat is een prijsverhoging met (0,78 gedeeld door 2,50 =) 31 procent.
Kortom, dat is nogal een brutale streek van het kabinet Rutte III. Het moeizame onder­hande­lings­resultaat van het paarse kabinet Rutte II (basisbeurs afgeschaft maar ter compensatie een goedkope lening) wordt reeds vijf jaar later in de prullebak gegooid en vervangen door een rente die ruim 30% hoger ligt. Daarbij moet worden bedacht dat vooral oud-studenten uit de lage- en midden­inkomens door deze renteverhoging getroffen zullen worden (35 jaar lang rente op rente!), want oud-studenten uit de hogere inkomensgroepen zullen hun studieschuld vermoedelijk al in een vroeger stadium aflossen.
Op de Nederlandse en buitenlandse TV-journaals zien we steeds meer burgers die met gele hesjes en gebalde vuisten de straat op gaan. In Nederland zal hun boosheid zich vooral op de uitholling van hun werkzekerheid en van hun pensioenen richten, en op de verhoging van het lage btw-tarief per 1/1/2019 (van 6% naar 9%: dus een belastingverhoging met 50%). De actiebereidheid van aanstaande studenten zal niet zo groot zijn, want het vergt nogal wat verbeeldingskracht om te begrijpen wat het betekent dat je over tien jaar, en dan 35 jaar lang, ruim 30% méér (samengesteld) interest moet betalen om je studieschuld af te lossen. Het is al moeilijk genoeg om je voor te stellen dat de hoofdsom van je studielening misschien wel 40.000 euro bedraagt en dat je daar misschien nog eens 40.000 euro van je partner bij moet optellen.

De vrijwillige ouderbijdrage van Slob

Wes Holleman | 05-12-2018 | permalink

De deelname aan het primair en secundair onderwijs is kosteloos, maar door scholen wordt wel een vrijwillige ouderbijdrage ge­vraagd. Wettelijk is bepaald dat de toelating tot de school niet afhankelijk mag worden gesteld van een toezegging om die ouder­bijdrage te betalen. In opdracht van OCW heeft het onderzoeks- en adviesbureau Regioplan begin 2018 een rapport uit­gebracht over de bestaande wettelijke randvoorwaarden van de vrijwillige ouderbijdrage en over denkbare varianten daarvan. In aansluiting daarop oordeelde minister Slob op 7 maart dat de huidige regelgeving acceptabel is op voorwaarde dat scholen geen inbreuk maken op het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage en dat leerlingen niet worden uitgesloten van activiteiten als hun ouders niet betalen of niet kunnen betalen. Inmiddels heeft de Algemene Ledenvergadering (ALV) van de PO-Raad op 22 november een richtlijn vastgesteld die scholen zouden moeten naleven om aan beide ministeriële voorwaarden te voldoen. Deze richtlijn zal op termijn door de ALV worden ondergebracht in de Code Goed Bestuur in het Primair Onderwijs. Maar voor deze gecodeerde regels geldt: “leef ze na of leg uit waarom niet”. Ze zijn dus niet bindend.
Volgens mij is minister Slob nu aan zet. Neemt hij genoegen met zo’n ethische richtlijn, of is hij van oordeel dat sommige uitwassen met juridische middelen moeten worden bestreden? Om zijn opvattingen te concretiseren, zou hij zich eigenlijk moeten uitspreken over de vrijwillige ouderbijdrage van de Groningse School Vereniging: in hoeverre maakt de GSV, naar zijn oordeel, inbreuk op de door hem gestelde voorwaarden? De GSV exploiteert een basisschool die (naast een internationale afdeling) slechts twee afdelingen kent: de TTO-afdeling voor tweetalig onderwijs en de HB-afdeling voor hoogbegaafden. De vrijwillige ouderbijdrage bedraagt 1191 euro per jaar, met 25% korting voor het 2e en volgende kind en met maximaal 45% inkomensafhankelijke korting op het resulterende subtotaal. Zodra het (eerste) kind is toegelaten, wordt aan de ouders verzocht zich contractueel te verplichten de ouderbijdrage jaarlijks te betalen zolang zij één of meer kinderen op de GSV hebben. De overeengekomen betalingen zijn tot in lengte van jaren rechtens afdwingbaar. De ouderbijdrage dekt onder meer het genot van kleinere klassen in de onderbouw, het tweetalige onderwijs, het onderwijs door vakleerkrachten, het eventuele HB-onderwijs, en de reguliere extracurriculaire activiteiten (waaronder een meerdaagse schoolreis). De school houdt zich het recht voor, deze voor­zieningen te onthouden aan leerlingen wier ouders die contractuele verplichting niet zijn aangegaan. In vroeger jaren werd in dat verband het onderwijs door vakleerkrachten (zoals Engels, Gymles, Muziek) genoemd, maar vermoedelijk zetten weigerachtige ouders met name ook de toegang tot extra­curriculaire activiteiten op het spel.
Persoonlijk neig ik naar de stelling dat de GSV zich gedraagt als een particuliere school en dat OCW dan ook moet overwegen haar overheidsbekostiging in te trekken. Maar, zoals ik hier­onder uiteen zal zetten, kunnen we uit deze GSV-casus ook algemene con­clusies trekken over de houdbaarheid van het OCW-beleid met betrekking tot de vrijwillige ouderbijdrage:
Lees verder … (PDF)

Het taboe op zelfdoding

Wes Holleman | 18-11-2018 | 1 Reactie » | permalink

De Stichting 1-1-3 houdt zich bezig met zelfmoordpreventie, met name in de vorm van een hulpdienst die telefonisch en online opereert. Zij geeft ook voorlichting en begeleiding aan onderwijsinstellingen, onder meer via de Handreiking Zelfmoordpreventie. Een belangrijk doel is gedachten over zelfdoding bespreekbaar te maken, want daar rust nogal een taboe op. Eeuwenlang is zelfdoding als antisociaal en zondig bestempeld. Zelfmoordenaars mochten niet in gewijde grond begraven worden. In moderner tijden werden suïcidale gedachten als uiting van een psychische stoornis beschouwd. Maar hoe dat ook zij, het was iets waar je niet over praatte en waar je je voor schaamde. De boodschap van de Stichting 113 is daarentegen dat je niet in je schulp moet kruipen maar dat je hulp moet zoeken om je gevoelens te verwoorden en je problemen te verhelderen. Daarbij gaat het niet alleen om professionele hulp, maar ook om een netwerk van medemensen (familie, vrienden, et cetera) die je opvangen en ondersteunen en die je accepteren zoals je bent.
Maar in sommige subculturen is het taboe zo groot dat men probeert om mensen die een doodswens koesteren, buiten beeld te houden en buiten te sluiten. Dergelijk beleid werd ook door de Northern Michigan University (NMU) aangehangen. Als de afdeling Studentenzaken, via een attenderingsformulier, gewaarschuwd werd voor het risico dat een student het leven niet aankon, stuurde zij hun een brief waarin ze werden opgeroepen voor een psychologisch onderzoek om te bekijken of hun inschrijving beëindigd moest worden. Als ze geluk hadden, volstond men met een gedragsovereenkomst waarin de student een zwijgplicht werd opgelegd om te voorkomen dat medestudenten van zijn of haar problemen en gevoelens op de hoogte raakten en dientengevolge in hun studie­voortgang en sociaal welzijn geschaad zouden kunnen worden. [Wellicht is het van belang te vermelden dat de NMU tot 1963 als hoofdtaak had beroepsopleidingen voor onderwijzers en leraren te verzorgen en dat deze procedure dus oorspronkelijk bedoeld kan zijn geweest om studenten (al dan niet tijdelijk) heen te zenden op grond van een ernstig vermoeden van ongeschiktheid voor de uitoefening van het onderwijzers- of leraarsambt.]
Een paar jaar geleden hebben studenten protest aangetekend tegen deze procedure, en met name ook tegen die zwijgplicht. In 2015 werden hun klachten massaal ondersteund met een petitie onder de slogan “I care” (Ik bekommer me om mijn medemens). Het bureau Mensen­rechten van het federale Ministerie van Justitie heeft hun klachten gegrond verklaard. NMU handelt in strijd met de antidiscriminatiewetgeving als zij gehandicapte studenten (in casu studenten die aan een depressieve stoornis of angststoornis lijden) een zwijgplicht oplegt of hen zonder geldige reden van de universiteit verwijdert. Onlangs is in een schikking vastgelegd dat de universiteit haar beleid zal herzien en dat aan vier gedupeerden een substantiële schade­vergoeding zal worden betaald.
Bron: Detroit News (10/11/2018), Chronicle H.E. (12/11/2018).

Vrijwaring van indoctrinatie

Wes Holleman | 11-11-2018 | permalink

1. Als de ouders dat verlangen, moet hun zoon of dochter in het openbaar onderwijs worden vrijgesteld van deelname aan religieuze handelingen die ingaan tegen hun overtuiging. Dat staat in een motie die de Tweede Kamer op 6 november heeft aangenomen. De motie werd niet alleen door de drie christelijke partijen maar ook door de VVD, de PVV, het FvD en 50PLUS gesteund. De aan­leiding was dat scholen in het kader van hun burgerschapsonderwijs excursies organiseren naar kerken, synagoges en moskeeën en dat kinderen, naar verluidt, wel eens gestimuleerd worden ter plaatse in woord en gebaar na te doen hoe moslims bidden. Het lijkt een onschuldige exercitie, maar voor rechtzinnige gelovigen is het net een stap te ver: voor hen is het zoiets als dat men niet-katholieken bij zo’n excursie aan den lijve laat ervaren hoe een hostie smaakt of hoe je een kruisje slaat.
2. Minister Slob heeft toegezegd de motie uit te voeren, althans indien de wet nog niet in dergelijke vrijstelling voorziet. Dat is een goed idee, want het is in strijd met de mensenrechten, in casu de vrijheid van gedachte en de vrijheid van meningsuiting, dat iemand geprest zou worden verbaal of door lichaamstaal te getuigen van opvattingen waar hij of zij niet achter staat. Bij onmondige kinderen gaat het dan niet (of niet alleen) om strijdigheid met de eigen opvattingen maar ook met die van hun ouders.
3. Maar waarom richten de initiatiefnemers (SGP, CU, CDA, VVD) zich in hun motie uitsluitend op het openbaar onderwijs? Waarom hoeven leerlingen in het bijzonder onderwijs niet door de overheid tegen religieuze indoctrinatie beschermd te worden? Er zijn bijzondere scholen die aspirant-leerlingen slechts toelaten op voorwaarde dat hun godsdienstige grondslag door de ouders onderschreven wordt. Maar op de meeste scholen hoeven de ouders slechts te verklaren dat ze de grondslag zullen respecteren. In dat laatste geval is het een redelijk uitgangspunt dat leerlingen en hun ouders hun grondrechten behouden: dat leerlingen niet actief aan rituelen en gezangen hoeven deel te nemen waarin getuigd wordt van opvattingen die zij niet onderschrijven.
4. Vrijwaring van indoctrinatie is overigens een beginsel dat zich niet alleen tot religieuze opvattingen uitstrekt. Ook op het bredere levensbeschouwelijke, maatschappelijke en politieke terrein mag iedere burger (waaronder de minderjarige burger) aanspraak maken op het recht om een eigen mening te vormen en van hersenspoeling verschoond te blijven. Een markant voorbeeld is de Pledge die in de Verenigde Staten aan het begin van elke schooldag met de hand op het hart wordt opgezegd: “I pledge allegiance to the Flag of the United States of America, and to the Republic for which it stands, one Nation under God, indivisible, with liberty and justice for all.” Op grond van de vrijheid van gedachte en meningsuiting kunnen leerlingen zich ongestraft aan deze patriottische ceremonie onttrekken (vergelijk ook de artikelen 12-14 van het Kinderrechtenverdrag). In een eerder blogbericht heb ik erop gewezen dat het wetsvoorstel ter aanscherping van de burgerschapsopdracht van het primair en secundair onderwijs, dat momenteel in de pipeline zit, in dit opzicht kritisch moet worden doorgelicht.

Kinderverwaarlozing door Zweedse bril

Wes Holleman | 29-10-2018 | permalink

Jennifer Pettersson heeft onlangs een mediaprijs Prix Europa 2018 gewonnen voor haar negen audiopodcasts onder de titel ‘Opgejaagd’. De VPRO heeft ook een aantal afleveringen op Radio Doc uitgezonden. De serie gaat over kinderverwaarlozing op Nederlandse crèches, kinderdagverblijven en basisscholen. Van fysieke en psychische kindermishandeling en -verwaarlozing pleegt men vooral in de context van de kinderbescherming te spreken, met name in het perspectief van ondertoezichtstelling of ontzetting uit de ouderlijke macht (Louwerse 2014, NJI 2015). Maar waarom zou men alleen de ouderlijke zorg langs die meetlat leggen, terwijl de ouderlijke opvoedings- en zorgtaken gedurende een groot deel van de dag worden overgenomen door crèches, kinderdagverblijven en basisscholen? Pettersson laat zien dat daar van alles mis is: men komt onvoldoende tegemoet aan de basisbehoeften van de kinderen en men kan daardoor schade toebrengen aan hun ontwikkeling.
Is Jennifer Pettersson gewoon een zwartgallige documentairemaakster, die spijkers op laag water zoekt? Nee, zij en haar partner kennen de problemen uit eigen ervaring, als werkende jonge ouders met anderhalve betaalde baan en met twee dochters van ónder de vijf jaar. Bovendien woont Jennifer weliswaar al lange tijd in Nederland, samen met haar Nederlandse partner, maar ze is in Zweden opgegroeid en ze heeft nog genoeg voeling met de Zweedse samenleving om te weten hoe jonge kinderen daar tegenwoordig opgroeien. Ze kan dus beurtelings met een Nederlandse en met een Zweedse bril naar de Nederlandse opvang van baby’s, peuters en kleuters kijken.
De aanleiding voor het maken van de podcastserie was een studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau die begin maart 2016 gepubliceerd werd. De SCP-studie ging over de geringe wekelijkse arbeidsduur van vrouwen: waarom is er bij hen zo weinig animo voor een voltijdse of bijna voltijdse baan, terwijl de overheid toch heeft gezorgd voor ‘goede en betaalbare kinderopvang en verlofregelingen’ (p.12)? De geciteerde zinsnede schoot Pettersson in het verkeerde keelgat. Ze stuurde een pittig opiniestuk naar NRC-Handelsblad (18/3/2016): ‘Waarom Zweedse vrouwen wel fulltime werken — en niet opgejaagd zijn’. Door de bijval die zij daarmee oogstte, werd ze gestimuleerd om het tweejarige journalistieke onderzoeksproject te ondernemen dat in de negendelige podcastserie is uitgemond.
Nederlandse moeders voelen zich opgejaagd, ook al werken ze slechts parttime. Dat begint al in het eerste levensjaar van hun baby. Zweedse ouders hebben 480 dagen betaald ouder­schapsverlof, dus ze kunnen hun baby thuis verzorgen. Nederlandse ouders zijn van meet af aan op externe opvang aangewezen en zowel de kwaliteit ervan als het beschikbare budget is naar Zweedse maatstaven beneden peil. Nederlandse jonge moeders hebben alle reden zich zorgen te maken over de wijze waarop hun kinderen overdag worden opgevangen en daarom nemen ze genoegen met een parttime baan. Door Jaap Peters & Judith Pouw (2004) werd het klimaat in Nederlandse arbeidsorganisaties gekarakteriseerd als ‘intensieve menshouderij’. De kwaliteit van vakmanschap en professionaliteit wordt opgeofferd aan ‘scientific management’ (rationalisering van het arbeidsproces). En in de educatieve en zorgverlenende sector wordt de menshouderij in het kwadraat verheven: niet alleen het arbeidsklimaat van de vaklieden en professionals op de werkvloer maar ook hun opgehokte cliëntèle valt ten offer aan de rationaliserings- en bezuinigingsdrift van de managers en bestuurders en van de calculerende overheid.

Groepsopdrachten voor cijfer

Wes Holleman | 14-10-2018 | 1 Reactie » | permalink

Op het Scholierenforum (5/10/2018) entameerde Anne803 een discussie over groepsopdrach­ten. Ze heeft niets tegen groeps­opdrachten, maar volgens haar moeten de groepsprestaties niet beloond worden met een groepscijfer, als dat vervolgens in de individuele cijferlijst van de afzonderlijke groepsleden wordt opgenomen en dus meetelt bij het berekenen van het rapportcijfer. Anne803 richt de aandacht dus op het spanningsveld tussen twee beleidslijnen van een middelbare school: enerzijds het creëren van een aantrekkelijke en uitdagende leeromgeving waarin probleemgericht en samenwerkend leren een belangrijke plaats inneemt, en anderzijds de systematische meting, becijfering en verantwoording van leeruitkomsten en vorderingen, culminerend in de periodieke rapportcijfers van de individuele leerling. Hieronder doe ik verslag van de discussie. In een naschrift (§7) wijs ik op mogelijke andere gezichtshoeken, die in de discussie verwaarloosd zijn.
Lees verder … (PDF)

Burgerschapsopdracht (II): respect bijbrengen

Wes Holleman | 02-10-2018 | 1 Reactie » | permalink

Begin juni 2018 heeft het ministerie van O&W de voorlopige versie van een wetsvoorstel ter consultatie uitgezet, dat tot doel heeft de burgerschapsopdracht van het primair en secundair onderwijs te verduidelijken en aan te scherpen. Ik schreef er al eerder over. Vorige week heeft de Onderwijsraad commentaar geleverd op (deze voorlopige versie van) het wetsvoorstel. De Raad is het met de minister eens dat de huidige wet anders geformuleerd moet worden en doet daarbij een paar tekstsuggesties. Enerzijds sluit de Raad zich bij de tekst van het wetsvoorstel aan, namelijk dat het burgerschapsonderwijs zich moet richten op ‘het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat’. Maar anderzijds wenst de Raad dat het burgerschaps­onderwijs zich tevens richt op het bijbrengen van respect voor en kennis van ‘de universeel geldende en fundamentele rechten en vrijheden van de mens’. Dat lijkt me een waardevolle aanvulling.
Maar wat wordt verstaan onder het bijbrengen van respect (voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en voor de rechten en vrijheden van de mens)? In het inleidend hoofdstuk (§1) van de memorie van toelichting (MvT) wordt deze vraag beantwoord. Voor een constructieve en vreedzame manier van samenleven is het nodig dat de burgers gedeelde spelregels van de democratische rechtsstaat hanteren. Zij moeten die spelregels dus niet alleen kennen, maar ze ook van harte onderschrijven en praktiseren. En zij moeten niet alleen de fundamentele rechten en vrijheden van de burger kennen, maar ze ook van harte onder­schrij­ven en de rechten en vrijheden van hun medeburgers respecteren.
Lees verder … (PDF)

Kwetsende uitlatingen en gedragingen

Wes Holleman | 30-09-2018 | 2 Reacties » | permalink

Hoe bevorder je, als onderwijsinstelling, dat mensen (studenten, docenten etc.) fatsoenlijk met elkaar omgaan? Bij onprofessioneel gedrag kan je docenten tot de orde roepen en minderjarige studenten kan je op pedagogische gronden aanpakken. Ook kan je gebruik maken van het recht om de interne orde op de campus te handhaven. En in het uiterste geval kan je tuchtrechtelijke maatregelen nemen of politie en justitie inschakelen. Maar waar het om kwetsende uitlatingen en gedragingen gaat, lopen onderwijsinstellingen al gauw tegen de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting aan. In Amerika speelt dat nog sterker, omdat openbare instellingen in de V.S. juridisch verplicht zijn zich aan de grondwet te houden. Bovendien zijn er in de V.S. minder uitzonderingen op de vrijheid van meningsuiting, want ‘hate speech’ (groepsbelediging) blijft daar onbestraft. Zo opereerde de openbare University of Oklahoma in 2015 op het scherpst van de snede, toen leden van een blanke ‘student fraternity’ in besloten kring een clublied hadden aangeheven waarin gezworen werd dat African-Americans nooit lid mogen worden en dat je ze veeleer aan de hoogste boom kunt hangen.
Maar Amerikaanse hogeronderwijsinstellingen hebben er iets op gevonden om kwetsende uitlatingen en gedragingen te bestrijden zonder de vrijheid van meningsuiting te schenden: vele universiteiten bieden een vorm van slachtofferhulp voor studenten en docenten die door ‘bias’ (bevooroordeelde of discriminerende uitlatingen of gedragingen ten koste van minderheids­groepen) getroffen zijn of daarvan getuige zijn geweest. Zij kunnen bij het loket van het Bias Response Team (BRT) aankloppen. Daarin hebben niet alleen ‘zachte’ hulpverleners zitting, maar ook ambtelijke vertegenwoordigers die het slachtoffer eventueel kunnen adviseren een klacht in te dienen bij de campuspolitie of bij een van de tuchtrechtelijke organen van de universiteit. Eén van de methoden die in het kader van de hulpverlening kunnen worden gekozen, is dat ‘daders’ worden uitgenodigd om (op basis van vrijwilligheid) hun handelwijze toe te lichten en in gesprek te gaan met hun slachtoffers.
Lees verder … (PDF)

Docent Natuurkunde betwijfelt nine-eleven

Wes Holleman | 23-09-2018 | 3 Reacties » | permalink

Het was dinsdag 11 september 2018. Wat is er precies gebeurd op die protestants-christelijke school in Zutphen? De natuurkunde-les van 3-vwo moest beginnen. Ik denk dat het aldus is gegaan. Eén van de leerlingen had via via gehoord dat de docent ooit de ineenstorting van de WTC-gebouwen in zijn les had behandeld: welke krachten zijn er in het spel als een wolken­krabber recht­standig in duigen valt? De leerling hoopte het begin van de dinsdagse les nog even te vertragen en vroeg: ‘Wat is uw mening over de aanslag van 9/11 op de Twin Towers?’ De docent liet zich niet uit de tent lokken en volstond met de kortst mogelijke samen­vatting van zijn persoonlijke mening: ‘Volgens mij is 9/11 geen moslim-terroristische aanslag geweest.’ En hij had er nog bij kunnen zeggen: ‘Dat wil ik best een keer toelichten, maar daar hebben we nu even geen tijd voor.’ Maar toen was de beer al los. De moeder van één van de leerlingen is columniste bij het regionale dagblad De Stentor. Per e-mail riep ze de docent ter verant­woording; zijn antwoord zinde haar niet; en ze spuugde haar gal in haar zaterdagse column. Volgens haar moeten docenten zich aan de algemeen geaccepteerde feiten houden en hebben zij tot taak kennis over te brengen.
Een relletje was geboren, gecoverd door de nieuwsredacties van De Stentor en het Algemeen Dagblad. De docent heeft zich verder in stilzwijgen gehuld. Hij heeft alleen nog verklaard dat hij desgevraagd tegenover de leerlingen heeft ontkend dat de Amerikaanse regering achter de aanslag kan hebben gezeten.
De rector van de school heeft nog niet met de docent gesproken maar laat al wel aan de journalist weten: “Als docent kun je zo’n uitspraak niet doen. Je hebt met jonge mensen te maken. Als prikkel voor een discussie kan het wel en als privépersoon mag je het in je eigen omgeving ook zeggen, maar je kunt het niet als waarheid brengen. Ik moet er met hem nog over praten. En onderzoeken hoe het echt zit.” Een nader gesprek tussen de docent en de school­leiding was voor 20 september geagendeerd.
De woordvoerster van de VO-raad stelt desgevraagd dat leerlingen dingen van verschillende kanten moeten kunnen bekijken, maar anderzijds: “Als docent moet je je bewust zijn van je eigen waarden en visie en van de opdracht om zo veel mogelijk ruimte te laten voor andere waarden en visies. Als een docent zijn eigen mening ventileert, dan moet dat passen binnen die onderwijscontext.”
Onderwijskundig hoogleraar Casper Hulshof reageert aldus: “Het is eenvoudig: als een leraar louter zijn mening verkondigt, zon­der die mening toe te lichten, dan is diegene geen leraar maar eerder een demagoog. Lesgeven gaat over feiten of over een mening die wordt onder­steund met argumenten.”
Lees verder … (PDF)

Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit

Wes Holleman | 16-09-2018 | 1 Reactie » | permalink

Op 1 oktober 2018 treedt de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI) in werking. Hij komt in de plaats van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (NGW 2004, laatstelijk gewijzigd in 2014). Uit hoofdstuk 1 van de nieuwe gedragscode kan worden afgelezen dat hij qua reikwijdte beduidend van zijn voorganger afwijkt: hij heeft uitsluitend betrekking op het handelen van onderzoekers (waaronder promovendi en ‘projectleiders, begeleiders, onderzoeksdirecteuren en leidinggevenden voor zover zij de opzet en uitvoering van het onderzoek mede bepalen’). Anders dan de NGW betreft de nieuwe gedragscode dus niet het handelen van onderwijsgevenden, studerenden en examinatoren in het hoger onderwijs. Als enige uitzondering daarop geldt dat studenten zich in het kader van hun onderzoeksstages (dus in het kader van publicatiegericht, al dan niet praktijkgericht onderzoek) wél aan de gedragscode moeten houden. In dat geval kan de student echter niet tuchtrechtelijk worden aangepakt, want de onder­zoekers door wie de stage begeleid wordt, dragen qua wetenschappelijke integriteit de eindverantwoordelijkheid voor het handelen van de stagiair.
Het zal nog wel even duren voordat alle medewerkers en studenten van universiteiten en hogescholen de finesses van de nieuwe gedragscode in de vingers hebben. Maar in de nacht van 30 september op 1 oktober worden de universitaire bestuursorganen met een zeer abrupte transitie van de oude naar de nieuwe gedragscode geconfronteerd:
A) Het is niet langer toegestaan studenten tuchtrechtelijk te straffen voor het plegen van plagiaat, althans niet meer op grond van schending van hun wetenschappelijke integriteit, zoals bepaald was in het kader van de NGW. De universiteiten moeten dus hun bestaande regels en motiveringen voor het bestrijden van plagiaat, gepleegd door studenten, heroverwegen en herdefiniëren.
B) In de nieuwe gedragscode zijn geen normen opgenomen over professioneel handelen van docenten en examinatoren, terwijl de desbetreffende NGW-bepalingen vanaf 1 oktober niet langer van kracht zijn. Het gaat om de volgende bepalingen: 1.6 t/m 1.11; 2.5; 3. (definitie) en 3.5; 4. (definitie) en 4.1, 4.5, 4.6; 5. (definitie) en 5.1. De universiteiten dienen ernstig te overwegen in de ontstane leemte te voorzien door, naast de NGWI, een Gedragscode voor Docenten te ontwikkelen.
Lees verder … (PDF)