Burgerschapsopdacht

Wes Holleman | 15-08-2018 | 3 Reacties » | permalink

In het Regeerakkoord-2017 van Rutte III kondigden VVD, D66, CDA (RK en PC) en Christen­Unie (orthodox PC) aan dat de burgerschapsopdracht van het primair en secundair onder­wijs zal worden aangescherpt en dat vooraf getoetst zal worden of nieuwe scholen in dat opzicht aan de deugdelijkheidseisen voldoen. Begin juni 2018 is de voorlopige versie van hun wetsvoorstel ter consultatie uitgezet en in juli zijn de reacties gepubliceerd, onder meer van VOS/ABB (openbaar en algemeen-bijzonder), VBS (klein algemeen-bijzonder), Verus (RK en PC), VGS (reformatorisch), VBSO (reformatorisch) en NVLM (leraren Maatschappijleer).
In de reactie van de VGS wordt minister Slob (ChristenUnie) opgeroepen open kaart te spelen over de ware bedoeling van het wetsvoorstel. De VGS betwijfelt ‘of de olifant in de kamer (…) nu echt benoemd wordt. Bekend is dat er veel problemen in de grote steden zijn met tweede en derde generatie migranten en hun verhouding tot de Nederlandse samenleving. Dat wordt door politici breed erkend. Is het niet eerlijker dat een plaats te geven in de memorie van toelich­ting? Daar zit een flink punt van zorg ook rond burgerschap. Hoe helderder het probleem wordt geschetst hoe beter en passender de oplossing kan worden geformuleerd.’
Wordt de ware bedoeling van het wetsvoorstel inderdaad verbloemd? Naar mijn indruk wil men met het wetsvoorstel de vrijheid van meningsuiting beteugelen opdat scholen in al hun uitingen de door de Staat gestelde grenzen in acht nemen. De Staat eist dat al hun uitingen in lijn zijn met de waarden van de democratische rechtsstaat (zoals verankerd in de Grondwet) en van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Maar in het wetsontwerp wordt inderdaad niet expliciet gesteld dat men op die manier wil tegengaan dat scholen door hun uitingen de integratie (of assimilatie?) van hun allochtone leerlingen in de Nederlandse samen­leving belemmeren en onvoldoende weerwerk bieden tegen radicalisering en extremistisch (bv. islamistisch) gedachtengoed. In de verkiezingsprogramma’s van CDA en VVD treffen we soortgelijke verholen beleidslijnen aan. Scherpe toelatingsselectie in de lerarenopleidingen (CDA, VVD): teneinde te voorkomen dat (onvoldoende geassimileerde) migrantenkinderen het leraarsdiploma zullen halen? Drempels voor het oprichten van scholen (CDA): teneinde de groei van het islamitisch onderwijs in te dammen en te voorkomen dat islamitische scholen de assimilatie van migrantenkinderen belemmeren?
Een olifant in de Kamer… De olifant van de islamitische vijfde colonne spookt alom in het hoofd van landsbestuurders en Kamer­leden, maar in het politieke debat wordt hij verpakt in mistige abstracties van Kwaliteit en Deugdelijkheid om lastige vragen over constitutionele rechten en vrijheden van minderheden te ontlopen. Als de overheid generieke wetsregels invoert met de bedoeling deze slechts in specifieke gevallen (namelijk in relatie tot allochtone leerlingen en/of leraren) toe te passen, maakt zij inbreuk op artikel 1 van de Grondwet: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld (…).’

Weekendschool voor Syrische kinderen

Wes Holleman | 12-08-2018 | 2 Reacties » | permalink

Somer Al Abdallah is een journalist die uit Syrië gevlucht is. Op 31 juli publiceerde hij samen met Anneke Stoffelen een dubbel­artikel in De Volkskrant (* **). Maar als auteur heb je niet in de hand welke koppen door de eindredactie gekozen worden. Het eerste artikel kreeg op de VK-website als titel: Syrische statushouders richten weekendscholen op zodat hun kinderen Arabisch kunnen leren, terwijl de auteurs in hun intro van informele weekendscholen spreken. Op de voorpagina van de papieren krant wordt gelukkig een rustiger kop gekozen: Syriërs sturen kinderen naar weekendscholen. Maar bij het vervolgartikel raakte de eindredactie het spoor echt bijster. Op bladzij zes van de papieren krant kopte ze: Extra les om een band met Syrië te behouden, terwijl de auteurs van een band met hun Arabische wortels of met de cultuur van hun land van herkomst spreken. En op de website kopte de eindredactie met de retorische vraag: Staan weekendscholen de integratie van Syrische kinderen in de weg? – terwijl de auteurs in de intro aankondigen de vraag te zullen beantwoorden in hoeverre de weekendscholen met hun Arabische les (gecombi­neerd met lessen over de Syrische cultuur en soms ook over de islam) de integratie in Nederland bevorderen dan wel belemmeren. Kennelijk heeft de eindredactie geen idee van integratie (met-behoud-van-eigenheid) en kan zij alleen maar aan botte assimilatie denken (waarbij de nieuwkomer van zijn ‘roots’ wordt afgesneden). Kennelijk is de eindredactie ontevreden met de strekking van het artikel: dat het doodnormaal is dat expats en nieuwkomers hun kinderen naar een weekendschool sturen om de kloof tussen oud en nieuw te overbruggen en om de mogelijkheid van (al dan niet gedwongen) terugkeer vooralsnog open te houden.
In dit blogbericht ben ik vooral geïnteresseerd in de wijze waarop dit dubbelartikel ontvangen is. Hierboven richtte ik de blik op de eindredactie van De Volkskrant die (samen met haar Nieuws-chef van dienst) het voorpaginanieuws selecteerde en de koppen bedacht die op 31 juli gepubliceerd werden. Maar het dubbelartikel bracht eveneens ophef bij tweedekamerleden teweeg: zowel de PVV als de VVD stuurden op 1 augustus Kamervragen naar de portefeuille­houder Integratie en inburgering (SZW-minister Kool­mees) en naar de bewindslieden van OCW. De PVV roept de regering op deze ‘islamscholen’ direct te sluiten en de Syrische asiel­zoekers en statushouders per omgaande te repatriëren. En de VVD-fractiewoordvoerster voor Integratie en inburgering stelt in haar Kamervragen dat de weekendscholen moeten worden verboden tenzij ze ‘de kernwaarden van de Nederlandse samenleving onder­schrijven’. Voor het gemak vergeet zij even dat inburgeraars wel een Participatieverklaring moeten ondertekenen, maar daarin beloven ze slechts de Nederlandse kernwaarden te zullen respecteren. Een politieke partij die pal staat voor de burgerlijke vrij­heden, zal toch beseffen dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen respectering (van andermans vrijheid om de Nederlandse kern­waarden te omarmen) en onderschrijving van die kernwaarden (waarmee de eigen gedachten en uitlatingen worden afgezworen als deze met die kernwaarden in botsing komen).

Gehandicapt: recht op redelijke aanpassingen (II)

Wes Holleman | 07-08-2018 | 1 Reactie » | permalink

HBO-student P is bijna klaar met zijn bacheloropleiding in de technische sector. Hij moet alleen nog het afstudeerproject doen, maar daar zit de bottleneck: geen enkel bedrijf wil hem hebben (discussieforum FOK 31/7/2018). Weliswaar leidde één op de vijf sollicitaties tot een intakegesprek, maar bij nader inzien wil niemand een project met hem aangaan. Ze taxeerden namelijk dat hij meer begeleiding nodig zou hebben dan zij kunnen leveren. Hij beaamt dat hun vrees enigszins gegrond is, want hij heeft een stoornis in het autistisch spectrum (ASS). In de opstartfase van het project moet je in overleg met de stagewerkgever tot een afstudeeropdracht (in casu een sluitende formulering van de doelstelling en planning van het afstudeerproject) komen die voor beide partijen interessant is. Maar door zijn stoornis loopt dat overleg uiterst moeizaam. Als de opstartfase eenmaal achter de rug is, denkt hij het project wel zonder extra begeleiding te kunnen klaren.
In 2013 heeft het College voor de Rechten van de Mens een brochure uitgebracht over het recht op gelijke behandeling voor studenten met een handicap of chronische ziekte. Op grond van de desbetreffende wetgeving kunnen ASS-studenten aanspraak maken op redelijke aanpassingen als dat nodig is om de opleiding met succes te doorlopen, ook al kost dat aan de onderwijs­instelling meer geld of inspanning dan voor ‘gewone’ studenten is uitgetrokken. In het concrete geval van student P zou men dan kunnen denken aan extra bemiddeling en begeleiding vanuit de hogeschool bij het zoeken naar een stageplaats en bij het doorlopen van de opstartfase van het afstudeerproject. Het Expertisecentrum Handicap+Studie geeft in dat verband diverse adviezen over Begeleiding, Flexibele leerroutes, Stage zoeken en Stage lopen. Daarbij kan echter een probleem rijzen als de hogeschool aan het afstudeerproject niet alleen een leer- en oefenfunctie maar ook een beoordelingsfunctie heeft toebedacht: indien de examinandus te veel begeleiding wordt gegund, kan niet meer worden vastgesteld of hij bij afstuderen alle competenties bezit die vereist zijn voor de toekenning van het diploma. Misschien eist de examencommissie dat de student, in ruil voor de extra begeleiding, extra opdrachten vervult om aannemelijk te maken dat hij in elk geval hard gewerkt heeft om de ontbrekende competenties bij te spijkeren.
In de discussie op het FOK-forum krijgt P het advies om aan te kloppen bij de bedrijven waar hij eerder in de opleiding praktijk­stages heeft gelopen. Maar dat vindt hij geen goed idee, want hij ambieert een project waarin beroep wordt gedaan op ontwerpers- of adviseurscompetenties, terwijl een afstudeerproject bij die eerdere stagebedrijven slechts uitvoerende competenties zou vereisen. Ik vergun mij nu enige fantasie: student P heeft in zijn studie hoge cijfers gehaald en zoekt dan ook naar een ambitieus afstu­deer­project, maar hij loopt nu voor het eerst tegen obstakels aan: door zijn autistische stoornis ontbeert hij bepaalde competenties die hij nodig heeft om projecten op het gebied van Ontwerpen of Adviseren te acquireren en op te starten. Het lijkt me dat student P in verband met zijn handicap een tweeledige aanpassing van het normale curriculum nodig heeft: (a) extra bemiddeling en begeleiding bij het zoeken naar een stageplaats en bij het doorlopen van de opstartfase van het afstudeerproject en (b) extra loopbaanoriëntatie en –begeleiding om zijn mogelijkheden en grenzen te onderzoeken en tot realistische loopbaandoelen te komen.

Wat is academische vrijheid? (VII)

Wes Holleman | 05-08-2018 | permalink

Anderhalf jaar geleden schreef ik een essay over de vraag wat academische vrijheid (artikel 1.6 WHW) inhoudt. In sectie 1.4 stelde ik voor, de academische vrijheid op te vatten als een afspiegeling en verbijzondering van de klassieke grondrechten (en met name vrijheidsrechten) die voor de individuele burgers gelden in hun relatie tot de Nederlandse overheid. Academische vrijheid verwijst naar de vrijheidsrechten waarop individuele onderzoekers, docenten en studenten aanspraak mogen maken tegenover hun Nederlandse universiteit of hogeschool, als een afspiegeling en verbijzondering van de vrijheidsrechten waarop de individuele burgers aanspraak mogen maken tegenover de Nederlandse overheid. Maar in sectie 1.3 maakte ik wel een voorbehoud: de bedoelde vrijheidsrechten moeten hun rechtvaardiging vinden in de wette­lijke taken van het hoger onderwijs. In de secties 2.2 en 2.3 werden overigens nog twee andere bronnen genoemd om academische vrijheid te rechtvaardigen (de vrijplaats die volgens de universitaire traditie geboden moet worden voor de kritische bespreking van allerhande ideeën, en de ruimte die studenten geboden moet worden voor hun persoonlijke ontplooiing).
In aansluiting op mijn essay stel ik hieronder, in Bijlage 1, de deelverzameling van burgerlijke vrijheidsrechten voor die naar mijn indruk vertaald kan worden naar de academische vrijheids­rechten van onderzoekers, docenten en studenten. Bij deze vertaling zal in elk geval de clausule ‘zonder inmenging van enig openbaar gezag’ (I, III, IV) moeten worden geschrapt. Door hun recht op academische vrijheid worden onderzoekers, docenten en studenten immers niet zozeer beschermd tegen schadelijke inmenging vanwege de overheid maar veeleer tegen schadelijke inmenging vanwege bestuursorganen van de universiteit of hogeschool.
Maar misschien kunnen we beter in het midden laten door wie de academische vrijheid zoal bedreigd kan worden. We kunnen zelfs als uitgangspunt kiezen dat de bestuursorganen mede tot taak hebben de academische vrijheid van onderzoekers, docenten en studenten te bewaken en beschermen. In sectie 1.1 van mijn essay wees ik er bijvoorbeeld op dat de academische vrijheid van studenten volgens de wetgever anno 1986 mede omvat een vrijwaring van indoctrinatie, het recht dus om een eigen mening te kunnen vormen en niet door de docent geïndoctrineerd te worden. Men zou zich kunnen voorstellen dat faculteits- en instellings­bestuurders in dezen een toezichthoudende taak hebben. Meer in het algemeen werd in sectie 3 van mijn essay de vraag opgeworpen in hoeverre de verticale verplichting van bestuursorganen om de academische vrijheid van hun medewerkers en studenten te respecteren ook een hori­zontale werking heeft: hebben medewerkers en/of studenten ook jegens elkaar verplichtingen krachtens hun academische vrijheid (bv. de verplichting om in het kader van het academische debat elkaars vrijheid van meningsuiting te respecteren)?
Lees ook Bijlage 1 (PDF)

Safe spaces (II)

Wes Holleman | 29-07-2018 | permalink

In de Verenigde Staten is grondwettelijk vastgelegd dat meerderjarige burgers (onder bepaalde voorwaarden) het recht hebben een handvuurwapen bij zich te hebben om zichzelf te ver­dedigen. Tot de eeuwwisseling waren studenten uitgesloten van dit recht: op de campus mochten ze geen vuurwapen dragen. Maar zoals bijgaand kaartje anno 2017 laat zien, wordt het vuurwapenbezit op de campus van Amerikaanse universiteiten sindsdien met rasse schreden geliberaliseerd.
Met ingang van 1 augustus 2016 was de Austinse vestiging van de University of Texas (UT) aan de beurt. De universiteits­bestuurders stonden niet te trappelen, maar als staatsuniversiteit hadden ze geen keus. Drie docenten spanden een proces aan, tegen het universiteitsbestuur en tegen de State of Texas (Alcalde 7/7/2016). Ze vonden het intimiderend dat sommige studenten (je weet nooit wie) met een vuurwapen op zak aan hun colleges zouden deelnemen. Met name wat gevoelige onderwerpen (bv. abortus) betreft, voelden ze zich daardoor beknot in hun academische vrijheid: de vrijheid om voor je eigen mening uit te komen en de vrijheid om contrasterende standpunten in discussie te brengen. Zij eisten dus het recht op om gewapende studenten de toegang tot hun colleges en werkgroepen te ontzeggen. Bij de rechtbank hebben ze geen gelijk gekregen en hun zaak dient nu bij het gerechtshof. Daarbij worden vragen geopperd over de juridische status van de academische vrijheid (Lehrfreiheit) van individuele docenten (The Fire 23/7/2018, Chronicle H.E. 24/7/2018).
In een eerder blogbericht (18/9/2016) schreef ik over Amerikaanse studenten die ‘safe spaces’ eisen waarin ze over controversiële onderwerpen een eigen mening kunnen vormen, voordat ze voor de leeuwen worden geworpen in een polemisch debat met anders­gezinden. Ik dacht toen dat ze zich in eerste instantie willen beschermen tegen agressieve debatingtechnieken (en eventueel ook tegen pogingen het debat te verstoren). Maar ik kan me inmiddels voorstellen dat voorstanders van ‘safe places’ zich tevens willen beschermen tegen persoonlijke intimidatie en geweld: ze willen een vuurwapenvrije gespreksruimte, die niet toegankelijk is voor vuur­gevaarlijke fanatici. Want in het huidige, gepolariseerde Amerika zijn de universiteiten een strijdperk geworden waarin ‘conservatives’ en ‘liberals’ elkaar heftig bevechten om studenten voor hun standpunten te winnen.

Wat maakt het leraarschap onaantrekkelijk?

Wes Holleman | 22-07-2018 | permalink

Alom maakt men zich zorgen over het oplopende tekort aan po- en vo-leraren. Een paar maanden geleden heeft de Onderwijsraad aanbevolen een interdepartementale taskforce op te richten om dit urgente probleem aan te pakken. Volkskrantjournalist Carlijne Vos wijdde er deze week een redactioneel commentaar aan. Zij suggereert dat de personeelsschaarste te wijten is aan de hoge werkdruk en de lage salarissen van leraren. Maak het leraarsberoep aantrekkelijker door verhoging van de salarissen en verlaging van de werkdruk, en de gegadigden zullen allengs toestromen om de vacatures te vervullen. Daarnaast noemt ze nog enkele andere maatregelen: differentieer het functiegebouw zodat de leraren ontlast worden door lager opgeleide en lager betaalde krachten; stimuleer potentiële leraressen om voltijds te gaan werken; en zorg voor flankerend beleid (betaalbare kinderopvang en minder verplicht-vrijwillige mantelzorg).
Maar ik vraag me af of er niet méér factoren zijn die het leraarsberoep onaantrekkelijk maken. In bijgaande tabel A heb ik de door Vos genoemde factoren in romein opgenomen, terwijl mijn aanvullingen in cursief zijn weergegeven. Om te beginnen heb ik ad 1 de hoge werkdruk trachten te specificeren. Vervolgens heb ik ad 2 en 3 de onaantrekkelijke arbeidsvoorwaarden en het ontbreken van flankerend beleid uitgewerkt. Maar, dan nog, blijft er onder 4, 5 en 6 een hele reeks andere factoren over die het leraarsberoep onaantrekkelijk kunnen maken of die ertoe kunnen leiden dat leraren na enige jaren alsnog voor een baan buiten het onderwijs kiezen. Maar ik geef toe: tabel A is slechts een lijst met subjectieve impressies, niet gebaseerd op betrouwbare onderzoeksdata en analyses.
Bron: Commentaar Carlijne Vos (VK 18/7/2018)

OV-studentenkaart: de zomerstop

Wes Holleman | 15-07-2018 | 1 Reactie » | permalink

Met ingang van 1991 werd de basisbeurs voor studenten deels in de vorm van een gratis OV-jaarkaart uitbetaald. Maar reeds in 1994 heeft het ministerie van OCW, bij wijze van bezuiniging, twee varianten geïntroduceerd: enerzijds een tweedaags weekendabonnement en anderzijds een vijfdaags weekabonnement. Voor het vijfdaagse abonnement geldt een zomerstop (van 16 juli 4 uur a.m. tot 16 augustus 4 uur a.m.) waarin studenten niet gratis kunnen reizen, ook al hebben ze onderwijs- of stage­verplichtingen. Sinds 2014 begint dat extra te knellen. Dat heeft te maken met de zomervakantie (summer gap) van het voort­gezet onderwijs, die in 2014 is verkort van zeven naar zes weken en die voortaan samenvalt met de zomervakantie van het basisonderwijs. In verband met de (door OCW gecoördineerde) vakantiespreiding moeten de po- en vo-scholen in de drie regio’s (Noord, Midden en Zuid) sindsdien dakpansgewijze met vakantie binnen het achtweekse tijdvak van week 28 t/m 35. Dat betekent dat de laatste regio pas hartje-zomer met vakantie gaat, op de zaterdag voorafgaande aan week 30.
Waarom levert dat voor ho- en mbo-studenten problemen op? Het personeel van de ho- en mbo-instellingen wenst dat de onderwijs- en tentamenvrije zomerperiode samenvalt met de schoolvakantie van hun minderjarige kinderen. Als hun College van Bestuur aan deze wens gehoor geeft, komen de forensende studenten in de problemen indien ze in week 30 nog onderwijs- of tentamen­verplichtingen hebben terwijl hun OV–kaart al op zomerreces is. De OV-kaart was bedoeld om hun studiekosten te drukken, maar door de zomerstop worden zij daarentegen op kosten gejaagd. Bij ongewijzigd beleid valt de eerste dag van de school­vakanties in de periode 2014-2022 in tien gevallen later dan 16 juli: regio Noord (22/7/2017, 21/7/2018), regio Midden (19/7/2014, 20/7/2019, 18/7/2020, 17/7/2021), regio Zuid (18/7/2015, 23/7/2016, 24/7/2021, 23/7/2022).
In antwoord op Kamervragen (12/7/2018a, 12/7/2018b) stelt de minister dat het financieel en praktisch onmogelijk is de gedupeerde studenten schadeloos te stellen. Evenmin ziet zij kans de contractueel vastgelegde begin- en eindtijd van de zomerstop te flexibiliseren. Maar zij vergeet dat er nog twee andere oplossingen denkbaar zijn om een einde te maken aan het onrecht dat ho- en mbo-studenten wordt aangedaan. Oplossing I: vervroeg de zesweekse schoolvakanties zodat alle drie de regio’s binnen het tijdvak van week 27 t/m 34 vallen en geen enkele regio na 16 juli met vakantie gaat. Oplossing II: verschuif de OV-zomerstop, zodat deze op de zaterdag voorafgaande aan week 30 begint en aan het eind van week 33 eindigt.

De docent als loopbaancoach

Wes Holleman | 11-07-2018 | 2 Reacties » | permalink

Alphons de Wit gaf in de jaren 1970 het vak Nederlands op een Lagere Technische School. In een recente AD-column (8/7/2018) poneert hij de uitdagende stelling dat je pas een echte leraar bent als je het lef hebt zo nodig even buiten de kaders te marcheren. In de loop van veertien jaar heeft hij tientallen leerlingen een frauduleus duwtje in de rug gegeven om hen op de plaats in de samen­leving te krijgen waar ze gezien hun capaciteiten thuishoorden. Volgens hem viel het vanuit de beroepsethiek te verdedigen dat een onderwijsprofessional de eindexamencijfers voor het schoolvak Nederlands een beetje manipuleerde, als dat nodig was om een veelbelovende LTS’er ondanks zijn taalachterstand te laten doorstromen naar de Middelbare Technische School.
De Wit schreef zijn column naar aanleiding van de examenfraude van vier toegewijde leraren van het Rijswijks Lyceum (NRC 2/7/2018a, 2/7/2018b). Ze werken zich, ook buiten schooltijd, uit de naad opdat veelbelovende leerlingen uit kansarme gezinnen het diploma zullen halen dat zij nodig hebben om hogerop te komen. En ze konden de verleiding niet weerstaan om zeven leerlingen (zes havisten en een vwo’er) in het kader van hun herexamen een ‘frauduleus duwtje in de rug’ te geven.
Deze leraren opereerden in het professionele spanningsveld tussen hun rol-als-coach en hun rol-als-examinator. Alphons de Wit laat zien dat dit spanningsveld nog sterker wordt als de leraar niet alleen de rol van studiecoach vervult (hoe leid ik deze leerling naar het diploma?), maar ook de rol van loopbaancoach op zich neemt (wat zijn de optimale loopbaan­moge­lijk­heden voor deze leerling voorbij het diploma en wat moet hij doen om daar te geraken?). En De Wit illustreert dat de leraar helemaal in een gewetensconflict belandt als hij enerzijds de rollen van studiecoach, loopbaancoach en examinator tracht te combineren, maar anderzijds tot de overtuiging is gekomen dat de bureaucratische diploma-eisen veel te hoog zijn in vergelijking met het start­repertoire dat zijn leerlingen in werkelijkheid nodig hebben om hun vervolgopleiding succesvol te doorlopen.

Studeren met een strafblad

Wes Holleman | 09-07-2018 | permalink

In een woongebouw op de campus van de universiteit van Aberdeen heeft een 21-jarige eerstejaarsstudent Psychologie een achttienjarige rechtenstudente (zijn vriendin en latere ex-vriendin) herhaaldelijk fysiek en verbaal gemolesteerd en tot zelfdoding gedreven. De rechter achtte zijn schuld aan de zelfdoding (maart 2017) niet bewezen. Juli 2017 is hij veroordeeld tot een taakstraf van 180 uur. Bovendien is hij één jaar lang onder toezicht van de Reclassering gesteld. In aansluiting bij dit tweeledige vonnis werd de student tuchtrechtelijk heengezonden door de universiteit.
De studente had wel signalen afgegeven dat er iets mis was in haar relatie, maar niemand had stevig aan de bel getrokken. Na haar overlijden zijn haar ouders een campagne begonnen om staf en studenten in het Britse hoger onderwijs bewuster te maken van dergelijke signalen van relationeel geweld. Onlangs vernamen de ouders tot hun diepe verontwaardiging dat het (ex-)vriendje met ingang van het studiejaar 2017/18 was toegelaten tot de Oxford Brookes University (OBU): waarom voelde deze ‘new university’ zich niet geroepen haar kwetsbare, jonge studentes te beschermen tegen dit gevaarlijke alfamannetje? Tijdens de toelatings­procedure was de OBU op de hoogte van diens criminele antecedenten, maar zij achtte geen termen aanwezig om hem op die grond af te wijzen. Kennelijk is de Reclassering ook niet tussenbeide gekomen.
Lees verder … (PDF)

BSA aanvechtbaar na ongeldig tentamen?

Wes Holleman | 08-07-2018 | 1 Reactie » | permalink

Indien eerstejaarsstudenten niet het vereiste aantal studiepunten hebben behaald, kunnen ze met een negatief Bindend Studieadvies (BSA) uit de opleiding worden verwijderd. Maar ‘het instellingsbestuur kan van [deze] bevoegdheid (…) slechts gebruikmaken, indien het (…) zorgt voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd’ (artikel 7.8b WHW). Behoudens deze wettelijke studeerbaarheidsclausule moeten eerstejaarsstudenten aan de Hogeschool Utrecht minimaal vijftig studiepunten halen om aan het BSA-criterium te voldoen. Maar er zijn dit jaar redenen om serieus te toetsen of de hogeschool van haar kant aan de studeerbaarheidsclausule heeft voldaan.
Op 29 mei legden zo’n 240 eerstejaars rechtenstudenten het tentamen Europees Recht af. Maar naar aanleiding van klachten van tentamendeelnemers werd geconstateerd dat de kwaliteit van de tentamenvragen inderdaad volstrekt beneden peil was. De examen­commissie besloot het tentamen ongeldig te verklaren en er werd aangekondigd dat de studenten het tentamen over veertien dagen (13 juni) opnieuw konden afleggen: op een roostervrije dag tijdens een week waarin ze ook nog eens een mondelinge toets en een deadline voor een werkstuk hadden. De vraag rijst dan of de hogeschool hiermee geen inbreuk heeft gemaakt op de studeer­baar­heids­clausule.
Op 19 juni ging het wederom mis, dit keer bij een herkansingstentamen Bedrijfseconomie voor circa 250 eerstejaarsstudenten uit diverse studierichtingen. De tentamenuitslag was zo rooskleurig dat de examencommissie onraad rook. De tentamenvragen bleken een grote overlap te vertonen met een oefententamen dat door de docenten ter beschikking was gesteld. Het tentamen werd ongeldig verklaard en op 11 juli kan het opnieuw worden afgelegd. De zomervakantie is dan al begonnen. Iedereen dacht de eindspurt nu echt volbracht te hebben en sommigen zouden deze week al met hun vakantiereis of met hun vakantiebaantje starten. Valt deze onvoorziene extra studiebelasting te rijmen met de studeerbaarheidsclausule of moet hun eind augustus een extra herkansing gegund worden voordat ze op het BSA-criterium worden afgerekend?
Bron: Trajectum (7/6/2018, 5/7/2018); Algemeen Dagblad (6/6/2018, 4/7/2018, 6/7/2018)