Stagediscriminatie in het mbo

Wes Holleman | 26-09-2016 | 1 Reactie » | permalink

Mbo-studenten blijken bij het zoeken naar een stageplaats een fiks risico te lopen om te worden gediscrimineerd vanwege hun huidskleur, godsdienst of etnische familieachtergrond. Minister Bussemaker oordeelt in een nieuws­bericht van haar departement (23/9/2016) dat die stage­discriminatie actief moet worden bestreden. Het dagblad Metro (23/9/2016) bericht dat getals­matig vooral gehoofddoekte meisjes, Marokkaans-Nederlandse jongens en alleen­staande moeders tot de risicogroepen behoren.
Zoals uit Kamerbrieven blijkt (31/3/2015; 30/11/2015), werkt OCW (Onder­wijs) sinds 2015 intensief samen met SZW (Werk­gelegenheid) in een project om de jeugdwerkloosheid te bestrijden. Na voorbereidend ambassa­deurs­werk van Mirjam Sterk (2013-2015) ging een Programmateam Aanpak Jeugdwerkloosheid aan de slag. Zo is vorig jaar in de Citydeal, een convenant met partners uit de gemeenten Den Haag, Amsterdam, Eindhoven, Leeuwarden en Zaanstad, afgesproken dat zij prioriteit zullen geven aan de bestrijding van jeugdwerkloosheid onder jongeren met een migranten­achtergrond en dat ze zodoende als proeftuin kunnen fungeren op dit beleidsgebied.
Ook is vorig jaar een opdracht tot een oriënterend onderzoek uitgezet bij het Kennisplatform Integratie & Samen­leving (een door SZW gefinancierd joint venture van het Verwey-Jonkers Instituut en Movisie). Het richtte zich op discriminatie van mbo-studenten bij de toegang tot de stagemarkt, wat tot twee publicaties heeft geleid (27/1/2016; 17/3/2016). Gezien de be­vindingen van de onderzoekers gaf het Programmateam opdracht tot een vervolgproject om een toolbox voor mbo-scholen te ontwikkelen met behulp waarvan ze stage­discriminatie kunnen bestrijden. Ook de brancheorganisatie van uitzend­bureaus was bij dit project betrokken (ABU 15/9/2016). De toolbox is inmiddels opgeleverd, benevens een discussieverslag. De toolbox zal nu getest worden in de vijf gemeenten van de Citydeal. Verder gaat het Programmateam met mbo-scholen in gesprek over de aanpak van stagediscriminatie.

Safe spaces voor academische vorming

Wes Holleman | 18-09-2016 | permalink

Is My Right Honourable Friend het met mij eens dat de vrijheid van menings­uiting een kern­waarde is van ons land en dat die vrijheid binnen onze universiteiten ondermijnd wordt door minderheidsgroepen die het debat menen te mogen frustreren met hun belachelijke eis dat ze ‘safe spaces’ krijgen waar ze niet het risico lopen gekwetst te worden? Dat vroeg het Lagerhuislid Victoria Atkins vorige week op het mondelinge vragenuurtje aan de Britse Eerste Minister, Theresa May. Deze was het roerend met haar conservatieve partijgenoot eens. We willen dat onze universiteiten de plek zijn waar niet alleen geleerd, maar ook pittig en open gedebatteerd wordt. Onze universiteiten moeten als bakermat voor herijking van ons denken fungeren, want op die manier kunnen we onszelf ontwikkelen: als land, als samenleving en als economie. Theresa May beaamt dus zonder enig voorbehoud dat de roep om ‘safe spaces’ het paard achter de wagen is.
Begin dit jaar poneerde een universiteitsbestuurder uit Cambridge een soort­gelijke visie. Sprekers die haat en geweld prediken, die moeten we weren, maar voor de rest moeten we aan iedereen een platform bieden en kwetsende uit­latingen voor lief nemen. ‘The whole point is that in a free flow of argument, good ideas drive out bad ones. If bad ideas are not openly ex­pressed, heard and then challenged in universities, they will continue their subterranean progress through society until, perhaps, it becomes too late.’
Maar moeten kwetsbare groepen (c.q. minderheidsgroepen) die in eigen kring willen debatteren (vrouwen, LGBT’ers, moslims, Turkse Nederlanders, etc.), dus groepen die een ‘safe space’ opeisen om in eigen kring hun geesten te slijpen zonder door dwaze fanatici over­schreeuwd te worden: moeten die nou meteen worden weggezet als spelbrekers die het open debat schuwen? Neem nou die islamitische studentenvereniging die een islam­deskundige, een moslim uit Engeland, had uitgenodigd om samen te discussiëren over de Plaats van de Moslim-academicus in de Westerse Samenleving (17/2/2012). De Vrije Universiteit had een zaaltje ter beschikking gesteld op voorwaarde dat er een open debat zou worden gevoerd waaraan ook andere sprekers deelnamen. Maar op het laatste moment meende de VU het zaaltje toch te moeten weigeren omdat er geen kritische niet-moslims als co-referenten waren uitgenodigd. Wat de VU eigenlijk eiste was dat de organisatoren opponenten zouden uitnodigen die konden garanderen dat de buitenlandse spreker zou worden kaltgestellt. Door een polemisch debat te eisen en de deelnemers zodoende een ‘safe space’ te ontzeggen, maakte de VU inbreuk op hun vrijheid van meningsvorming. We moeten onderscheid maken tussen verschillende vormen van dialoog. Enerzijds de bedachtzame discussie (al dan niet tussen gelijkgestemden) om meningen te ontwikkelen en anderzijds het min of meer polemische, open debat om uiteen­lopende meningen op hun houdbaarheid te toetsen.

Geen BSA voor tweedejaarsstudenten

Wes Holleman | 11-09-2016 | 2 Reacties » | permalink

Minister Bussemaker heeft eind vorige week met een Kamerbrief (9/9/2016) een einde gemaakt aan een stuk wetteloosheid in het hoger onderwijs. Zij heeft bevestigd dat studenten na hun eerste verblijfsjaar in principe niet meer met een propedeutisch ‘bindend studieadvies’ (BSA) verwijderd kunnen worden uit hun opleiding. Zij legt zich dus neer bij het oordeel van het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) over deze kwestie en kennelijk wenst ze niet als medewetgever het initiatief te nemen om de huidige praktijken te legitimeren.
Maar het belang van haar Kamerbrief reikt verder dan alleen de interpretatie van de wettelij­ke bepalingen over het propedeutische BSA. Vanuit OCW wordt in de Brief uitdrukkelijk als beleidsuitgangspunt gekozen dat door CBHO ontwikkelde jurisprudentie deel uitmaakt van het wettelijk kader waarbinnen universiteiten en hogescholen behoren te opereren.
Dat heeft in de eerste plaats consequenties voor het functioneren van het CBHO en meer in het algemeen voor het rechtsgeleerde forum in Nederland. Tot nu toe geeft het CBHO een jaar­lijkse jurisprudentiebundel uit waarin een overzicht wordt gegeven van alle vonnissen, rijp en groen, die het College in dat kalenderjaar heeft uitgebracht. Maar nu aan het College mede een rechtsvormende taak wordt toebedacht, zal meer diepgaand voorlichting moeten worden gegeven over gewezen vonnissen die principiële aspecten van de rechtspositie van studenten raken.
In de tweede plaats heeft het nieuwe ministeriële beleidsuitgangspunt consequenties voor de wettelijke taak van de Onderwijs­inspectie. Zij oefent toezicht uit op de rechtmatigheid van het handelen van universiteiten en hogescholen. Zij ziet er dus op toe dat de universiteiten en hogescholen niet in strijd met de wet (inclusief de CBHO-jurisprudentie!) handelen. Waar ze buiten hun boekje gaan, kan OCW vervolgens sancties op het gebied van de rijksbekostiging toepassen. Het is de moeite waard te onderzoeken hoe het komt dat de Onderwijsinspectie haar toezichthoudende taak de afgelopen jaren verwaarloosd heeft (juist ook op het gebied van de vormgeving van het propedeutische BSA) en hoe dat in de toekomst kan worden verholpen.

Engelstalig hoger onderwijs (III)

Wes Holleman | 04-09-2016 | 1 Reactie » | permalink

Door de Nederlandse universiteiten worden 1632 opleidingen verzorgd: 435 bachelor- en bijna 1200 master­opleidingen. Zestig procent van de opleidingen wordt tegenwoordig volledig in het Engels gegeven (Volkskrant 26/8/2016). Zeker vijf op de tien masterstudenten en twee op de tien bachelorstudenten volgt een Engelstalige universitaire opleiding. Jasper van Dijk (SP) heeft daarover kritische Kamervragen gesteld aan minister Bussemaker (2/9/2016). Maar zij heeft ondertussen niet stil gezeten. Op 30 maart heeft zij de Koninklijke Academie (KNAW) opdracht gegeven het taalbeleid in het hoger onderwijs onder de loep te nemen: hoe kan men een weloverwogen keuze maken tussen Nederlandstalige en Engelstalige inrichting van een opleiding? Misschien is er echter ook nog een gulden middenweg. Daartoe dienen drie vragen te worden beantwoord:
1. Aan welke voorwaarden moet een opleiding voldoen om haar toegankelijk te maken voor Engelstalige studenten? Het ligt voor de hand dat de hoorcolleges en studiematerialen Engelstalig moeten zijn en dat ze Engelstalige begeleiding in hun studietaken krijgen. Verder ligt het voor de hand dat ze in de gelegen­heid worden gesteld a) in geval van een stage of onderzoeksproject, een Engelstalig stageadres c.q. een Engelstalige opdrachtgever te kiezen, b) bij het maken van papers, verslagen, werkstukken en scripties de Engelse taal te bezigen, c) Engelstalige ten­tamens af te leggen, en d) aan Engelstalige werk­colleges, werkgroepen en practica deel te nemen.
2. Aan welke voorwaarden moet een dergelijke opleiding voldoen als zij tegelijkertijd jegens Nederlandstalige studenten haar wettelijke plicht wil nakomen de uitdrukkingsvaardigheid in het Nederlands te bevorderen (art. 1.3 lid 5 WHW)?
3. In hoeverre zouden universiteiten en hogescholen de belangen van Engels- en Nederlands­talige studenten kunnen verzoenen door in hun Gedragscode Voertaal (art. 7.2 WHW) de optie van een tweetalige studieopzet te intro­duceren: Nederlandstalige studenten krijgen Engelstalige hoorcolleges en studiematerialen, maar ze worden (behoudens zwaarwegende contra-argumenten) in de gelegenheid gesteld a) in geval van een stage of onderzoeks­project, een Neder­landstalig stageadres c.q. een Nederlandstalige opdracht­gever te kiezen, b) bij het maken van papers, verslagen, werk­stukken en scripties de Nederlandse taal te bezigen, c) Nederlands­talige tentamens af te leggen of Engelstalige tentamens in het Nederlands te beantwoorden, d) aan Neder­landstalige werk­colleges, werkgroepen en practica deel te nemen en e) Neder­landstalige begeleiding in hun studietaken te krijgen.
Lees verder … (PDF)

Collectieve straf bij fraude

Wes Holleman | 28-08-2016 | permalink

Wat kan een universiteit of hogeschool doen als een student ervan verdacht wordt bij het maken van een toets fraude te hebben gepleegd? Om te beginnen moet de examinator het bewijs leveren dat de student fraude heeft gepleegd. Vervolgens moet de examinator taxeren of en in hoeverre de toets, gegeven de gepleegde fraude, nog steeds een betrouwbare meting vormt van het prestatie­niveau van de betrokken student. Dat kan tot de beslissing leiden dat het prestatie­niveau niet op basis van de afgelegde toets beoordeeld kan worden en dat dus op een later tijdstip met een nieuwe toets moet worden vastgesteld of de student aan de gestelde toetseisen voldoet. Daarnaast moet het daartoe aangewezen tuchtorgaan onderzoeken en beslissen of de student gestraft moet worden voor het plegen van de fraude en welke straf hem of haar moet worden opgelegd. Maar soms treden er complicaties op, vooral bij groeps­gewijze onregel­matigheden.
Lees verder … (PDF)

Afstuderen in tweetallen

Wes Holleman | 21-08-2016 | 2 Reacties » | permalink

In vele hogescholen en universiteiten kunnen twee studenten desgevraagd samen afstuderen in een duoproject. De visitatie­commissies van de NVAO stellen daarbij wel als eis dat de taken binnen het duo zodanig worden verdeeld dat beide studenten los van elkaar op hun prestaties beoordeeld kunnen worden. Maar er zijn opleidingen, zoals bij de Avans Hogeschool, waar afstudeerders verplicht worden in duo’s te werken (Punt Avans 17/4/2014, Fok 14/8/2016). Ook in het voortgezet onderwijs zijn er scholen waar de profielwerkstukken in principe in tweetallen gemaakt moeten worden (Scholierenforum 14/3/2016). Wat zijn de voor- en nadelen van zo’n duoproject?
Lees verder … (PDF)

Omscholing onbetaalbaar geworden

Wes Holleman | 11-08-2016 | 2 Reacties » | permalink

Vervolgstudie is voor velen onbetaalbaar, kopte De Volkskrant woensdag­ochtend op de voorpagina (10/8/2016a). Tegenwoordig krijgt een universiteit of hogeschool in principe geen overheidssubsidie meer voor studenten die een tweede studie volgen, nadat ze al een diploma gehaald hebben. Dientengevolge moeten die studenten een kosten­dekkend collegegeld betalen. Bij het bepalen van de hoogte van dit zgn. instellingscollegegeld zijn sommige instellingen tamelijk coulant maar laten andere zich door bot winstbejag drijven.
Maar afgezien van de wijze waarop kostendekkendheid gecalculeerd wordt, kan men zich afvragen in hoeverre een verhoogd collegegeldtarief door de beugel kan uit een oogpunt van maatschappelijke rechtvaardigheid. Het is bij­voorbeeld nogal misleidend dat de koppenmaker van De Volkskrant van ‘vervolgstudies’ spreekt. Daarmee wordt gesuggereerd dat de (on-)betaal­baarheid van de tweede studie een luxeprobleem is: zo gek is het toch niet dat iemand diep in de buidel moet tasten als hij na het behalen van zijn bachelor- en masterdiploma Rechtsgeleerdheid nog eens het bachelor- en masterdiploma Bedrijfseconomie wil halen? Journaliste Charlotte Huisman laat echter in een vervolgartikel (10/8/2016b) zien dat het instellings­collegegeld niet alleen een barrière vormt voor luxe-opscholing, maar ook voor existentiële omscholing. Ze beschrijft de casus van een veertigjarige vrouw die niet meer gelukkig is in haar beroep van Leraar Basisonderwijs. Ze volgt daarom een deeltijdopleiding tot Communicatie­adviseur bij de Hogeschool Windesheim. Volgens de traditionele berekeningswijze zou ze de hogeschool als deeltijder een jaarlijks collegegeld van 1163 euro moeten betalen, maar Windesheim heeft gebruik gemaakt van de wettelijke mogelijkheid dit gereduceerde collegegeld op te trekken naar het voltijdse tarief van 1984 euro per inschrijvingsjaar. Dat is een opslag met 71%. Daar komt echter bij dat de lerares een kleine twintig jaar geleden al een pabodiploma heeft behaald. In zo’n geval moeten deeltijd- en voltijdstudenten aan Windesheim 6500 euro per inschrijvingsjaar betalen. De totale opslag op het traditionele collegegeld bedraagt dus:
{(6500-1163)/1163}x100% = 459%.
Hiermee is geïllustreerd dat het instellingscollegegeld een ernstige barrière kan vormen voor mensen die vastlopen in hun loopbaan en zich moeten ómscholen om een nieuwe start te maken.

Wederrechtelijke vrijheidsberoving

Wes Holleman | 08-08-2016 | 2 Reacties » | permalink

Een leraar van een Duitse middelbare school zit in de beklaagdenbank wegens weder­rechtelijke vrijheidsberoving van dertienjarige leerlingen (Rheinische Post 4/8/2016). Hoe is dat zo gekomen? Tijdens een blokuur aan het eind van de schooldag werd de orde zo ernstig verstoord dat de les niet meer normaal voortgang kon vinden. De leraar gaf de hele klas strafwerk, dat aan het eind van het blokuur moest worden ingeleverd. Toen de bel ging hadden sommige leerlingen het strafwerk nog niet af. Hij verbood hun de klas te verlaten zolang ze het opgedragen strafwerk niet hadden ingeleverd. Er werd hevig ge­protesteerd omdat sommige leerlingen hun bijlesafspraak of de bus dreigden te missen. Hij versperde hun de weg toen ze, in weerwil van zijn verbod, aanstalten maakten om te vertrekken. Met een mobieltje werd de politie gebeld: we worden wederrechtelijk van onze vrijheid beroofd (bovendien was er sprake van mishandeling van een weerspannige leerling). Volgens de schoolwet van de deelstaat Nordrhein-Westfalen kan de school leerlingen voor straf laten nablijven, maar daarbij geldt als voorwaarde dat de ouders tevoren ervan in kennis zijn gesteld. Aan­gezien dat in dit geval was nagelaten, meende het OM vervolging te moeten instellen.
Je kunt deze casus vanuit twee gezichtshoeken evalueren. Aan de ene kant is het zinvol te reconstrueren hoe het kwam dat het incident zozeer geëscaleerd en gejuridiseerd is en hoe dat had kunnen worden voorkomen. Maar aan de andere kant rijst de juridische en pedagogische vraag in hoeverre de straf­maatregel ‘Nablijven’ in de moderne verhoudingen überhaupt verdedigbaar is en in hoeverre de uitvoering van die strafmaatregel gereguleerd moet worden zoals door de wetgever in Nordrhein-Westfalen is gedaan. In dit verband moet ik terugdenken aan een nota die de regering-Cameron in 2010 aan het Engelse parlement heeft voor­gelegd. De schooldiscipline moest volgens de con­servatieve indieners worden versterkt. Daartoe werd in paragraaf 3.8 aan­gekondigd: “Staff should be able to punish unacceptably poor behaviour immediately in the way that they think most appropriate, using their pro­fessional judgement and understanding of the child concerned. This should include being able to issue an immediate detention to take place on the same day. So we will legislate to abolish the requirement to give 24 hours’ notice for detentions.” Dit beleidsvoornemen heeft inmiddels zijn beslag gekregen (Daily Mail 16/1/2012).
Zie ook: De Telegraaf (4/8/2016)

The honours experience

Wes Holleman | 07-08-2016 | permalink

Clara Strunck heeft drie jaar Oxbridge achter de rug (Daily Telegraph 28/7/2016): de beste academische ‘Bildung’ die je je maar wensen kunt. Daar kan geen enkel undergraduate honoursprogramma ter wereld aan tippen. In die veilige academische community heeft ze geleerd dat onvoorwaardelijke ijver gecombineerd met strakke planning inderdaad excellente studieresultaten oplevert. Maar na afstuderen merkte ze dat ze niet de survival skills had verworven die nodig zijn om te functioneren in de kille maatschappij.
Geldt dat probleem ook voor de honoursprogramma’s die het Nederlandse hoger onderwijs aanbiedt? Nee, in haar recente boek The Honours Experience laat een landelijke projectgroep vele studenten en oud-studenten aan het woord, maar signalen in die trant ontbreken. Dat komt vermoedelijk doordat de projectgroep relatief veel aandacht besteedt aan honoursprogramma’s die verbonden zijn aan beroepsopleidingen. Getalenteerde studenten krijgen de gelegenheid een verzwaard programma te volgen om zich tot een excellente professional te ontwikkelen. Het pro­bleem van Clara Strunck kan veeleer optreden in de honoursvariant van universitaire bachelorstudies waar men studenten beoogt te vormen door onderdompeling in weten­schappelijk onderzoek en waar ze zich des­gewenst ook kunnen kwalificeren voor de vervolg­opleiding tot wetenschappelijk onderzoeker.
Lees verder … (PDF)

Rechtspositie van studenten

Wes Holleman | 28-07-2016 | 1 Reactie » | permalink

Achttien maanden geleden trachtte minister Bussemaker de afschaffing van de basisbeurs door de Eerste Kamer te loodsen. Bij die gelegenheid zegde zij toe dat ze in gesprek zou gaan met de koepelorganisaties (VSNU en VH), met de studentenorganisaties (ISO en LSVb) en met andere deskundigen om te bekijken of de rechtspositie van studenten versterkt moest worden nu ze, wat de financiering van hun studie betreft, op zichzelf werden teruggeworpen. Onlangs rappor­teerde de minister in een Kamerbrief wat die gespreksronde heeft opgeleverd.
De input van de gesprekken werd geleverd door knelpuntennotities van de studentenorgani­saties. Grofweg gesproken, droegen zij twee soorten knelpunten aan. Enerzijds de rigiditeit van de lokale regelgeving, waarmee universiteiten en hogescholen de studie­voortgang belemmeren, en anderzijds de ondoorzichtigheid van die regelgeving waardoor studenten belemmerd worden in de verdediging van hun rechten en belangen. Flagrant in strijd met de ministeriële toezeg­ging werd het onderwerp van de gespreks­ronde beperkt tot de laatstbedoelde categorie knel­punten: de rechtsbescherming van individuele studenten zodat ze hun rechten en belangen kun­nen verdedigen als hun universiteit of hogeschool daarop in besluiten of handelingen inbreuk maakt. Maar ook binnen de aldus ingeperkte gespreksruimte, houdt de minister de boot af:
Lees verder … (PDF)