Klasgenoten verlink je niet

Wes Holleman | 22-04-2019 | permalink

Op de puriteinse Princeton University (in het noordoosten van de VS) wordt niet gesurveilleerd bij tentamens. Surveillance acht men misplaatst, want studenten tekenen na elke toets- of ten­tamensessie de verklaring dat ze zich, op hun woord van eer, aan de Honor Code hebben ge­houden. Het plegen van of meewerken aan tentamenfraude wordt gestraft met een jaar schor­sing en bij recidive volgt verwijdering uit de universiteit. Bovendien heeft iedere student op ere­woord beloofd om aangifte van tentamenfraude te doen zodra hij/zij daar weet van krijgt.
Die absolute aangifteplicht heeft niet alleen puriteinse maar ook totalitaire trekjes. Strikte soci­ale controle staat op gespannen voet met het rechtsgevoel van veel mensen. Ze staan kritisch tegenover de opvatting dat het tot de burgerplichten behoort om actief bij te dragen aan de wetshandhaving, en in elk geval staat het hun tegen om medeburgers voor het minste en ge­ringste te verlinken. Bij jongeren wordt dat versterkt door een groepsnorm dat je solidair moet blijven met leeftijd- en lotgenoten en dat je niet moet klikken naar volwassenen, dus ook niet naar de schoolleiding.
De ethische columnist van NY Times Magazine, prof. K.A. Appiah (2/4/2019), behandelt echter een casus waar aangifte niet alleen tot handhaving van schoolse frauderegels dient, maar ook verbonden is met groepsnormen die door de leerlingen zelf gedragen worden. De casus speelt in een kunstlyceum: ’s morgens de traditionele schoolvakken en ’s middags ambachtelijke kunstvakken. Dit is de casus bij monde van de betrokken leerlinge: ‘Op een poëzieworkshop werd door één van mijn klasgenoten een eigen gedicht voorgedragen, maar het kwam me enigszins bekend voor. En even later ging me een licht op: het was een gedicht van een oudere­jaars dat ik ooit gelezen had. Na de les confronteerde ik haar daarmee, maar zij haalde de schouders op (“So what?”). Ik overlegde met andere klasgenoten en zij drongen er op aan dat ik de docent zou inlichten. Maar zelf hadden ze niet veel puf om hun vingers daaraan te branden. Wat moet ik nu doen?’
Volgens Appiah zou de betrokken leerlinge zich in een sociaal kwetsbare positie manoeuvreren als ze in haar ééntje zou gaan klikken. Ze moet de andere klasgenoten overtuigen dat het in aller belang is gezamenlijk actie te nemen om dergelijk plagiaat een halt toe te roepen. Als iemand op bedrieglijke wijze veel lof oogst, pronkend met andermans veren, lopen de overige klasgenoten immers het risico dat hun eigen werk daardoor in de schaduw wordt gesteld. Maar belangrijker is dat het evalueren en bespreken van ieders eigen werk een flinke investering kost van de docent [en volgens mij ook een flinke investering van alle klasgenoten]. Want bij de presentatie van eigen werk laat de maker veel van zichzelf zien en de toehoorders (docent en klasgenoten) nemen dan ook alle moeite zich open te stellen voor zijn/haar bedoelingen, zich in te leven in zijn/haar wereld en hem/haar gerichte feedback te geven. Zelf leren de klasgenoten daar ook veel van. Wie daarentegen andermans werk als eigen werk presenteert, bedriegt de toe­hoorders, eigent zich extra tijd en aandacht toe die hem/haar niet toekomt en belemmert de klasgenoten in hun streven de beoogde leerdoelen te bereiken.

Professioneel proefschrift (II)

Wes Holleman | 15-04-2019 | permalink

In opdracht van het Rectorencollege van de Nederlandse universiteiten zijn, in een recent interimrapport, plannen gepubliceerd om de begeleiding en beoordeling in promotietrajecten te stroomlijnen (Univers 12/2/2019, 9/4/2019). Die plannen zijn ingegeven door zorgen over de kwaliteit van de dissertaties van buitenpromovendi en over het feit dat deze in de loop der jaren een steeds groter percentage van de overheidspot voor promotiefinanciering zijn gaan op­slor­pen. Buitenpromovendi maken niet deel uit van de universitaire wereld, doen hun promotie­onderzoek in hun vrije tijd (veelal naast een professionele werkkring), en zitten veelal in de tweede helft van hun beroepsloopbaan.
Er zijn verscheidene instituten die zich welbewust op deze doelgroep richten, zoals de Tilburgse faculteit Geesteswetenschappen en de interuniversitaire (postacademische) School voor Openbaar Bestuur (NSOB). Op kleinere schaal was tot voor enkele jaren ook een bijzonder hoogleraar Kwaliteitskunde van de Rotterdam School of Management (RSM/eur) op dit gebied actief.
Om welke doelgroep gaat het precies? Het gaat om mensen die al jarenlang werkzaam zijn in de professionele wetenschaps­toe­pas­sing en die zich ten doel stellen ‘hun opgebouwde kennis en ervaring wetenschappelijk te onderbouwen en publiek te maken’ [niet alleen ten dienste van hun professionele vakgenoten (en aanstaande vakgenoten) maar ook als input voor de (toe­passingsgerichte tak van de) academische wetenschapsbeoefening]. Het uitgangspunt is dus dat er tweerichtingsverkeer moet zijn: professionals zijn niet alleen geroepen om op de heenweg in hun werk wetenschappelijk gefundeerde kennis toe te passen, maar ook om ertoe bij te dragen, als ‘reflective practitioners’, dat hun (op eigen ervaring gebaseerde) praktijkkennis op de terugweg veredeld wordt tot gefundeerde toegepast-wetenschappelijke kennis. De Til­burg­se hoogleraar Sociale Psychologie, John Rijsman, is een welsprekend pleitbezorger van dit standpunt (Argos 1/9/2018 16″, Univers 2/10/2018). En bij een eerdere gelegenheid heeft de commissie-Hol (24/2/2017) soortgelijke Tilburgse proefschriften geëvalueerd, die begeleid waren door de faculteitsdecaan Geesteswetenschappen. Zij concludeerde dat de samenstelling en werkwijze van de promotiecommissies zodanig is geweest, dat de wetenschappelijke kwaliteit in beginsel was gewaarborgd en dat er ‘geen of onvoldoende aanwijzingen zijn dat in individuele gevallen het doctoraat onterecht is verleend’. Wel constateert de commissie dat er in veel gevallen sprake is geweest van rolvermenging van actor en onderzoeker en dat de onderzoeksconclusies zich vaak moeilijk laten generaliseren, waardoor de wetenschappelijke meerwaarde beperkt is. Rond een Rotterdams proefschrift (RSM/eur) ontstond echter een rel die tot publieke vernedering van de betrokkenen leidde: de nieuwbakken doctor werd dringend verzocht haar titel terug te geven en de promotor (inmiddels emeritus) werd van zijn rechten ontheven.
Keren we nu terug naar het recente interimrapport van het Rectorencollege. Ten principale maken de opstellers geen woorden vuil aan de ontwikkelingen die tot al die commotie hebben geleid: dat er in de marge van het Nederlands promotiestelsel een bijzonder type promovendus is opgestaan, namelijk de ervaren, oudere professional (wetenschapstoepasser) die zich ten doel stelt de door hem/haar vergaarde praktijkkennis, onder begeleiding van een ervaren weten­schapsbeoefenaar, te veredelen tot algemeen-toegankelijke, toegepast-wetenschappelijke kennis. We mogen hopen dat het Rectorencollege in een volgend rapport aanbevelingen doet om vast te stellen in hoeverre voor dit soort promovendi een plaats kan worden ingeruimd binnen het Nederlandse pro­motie­stelsel. Dat zou zeker in het belang zijn van Nederland als Kennisland.

Verboden te fotograferen in de klas

Wes Holleman | 10-04-2019 | permalink

De Tweede Kamer heeft op 9 april met grote meerderheid een motie aangenomen waarin de regering verzocht wordt in kaart te brengen in hoeverre het wettelijk toelaatbaar is dat leer­lingen ongevraagd en zonder toestemming fragmenten van lessen en uitspraken van docenten filmen en delen met anderen, bijvoorbeeld op internet of bij een meldpunt. Alleen de PVV stemde tegen. De indieners van de motie (GL en PvdA) menen dat ongeautoriseerde beeld- of geluidsregistraties de vrijheid van discussie onder­mijnen, het vertrouwen in de pro­fessionaliteit van leerkrachten schaden en de privacy van docenten aantasten. In antwoord op eerdere schriftelijke Kamervragen van de VVD liet minister Slob (5/4/2019) al blijken dat hij dergelijke ongeautoriseerde registraties in het algemeen onwenselijk vindt, maar hij kon niet onder­schrijven dat ze te allen tijde in strijd met de Europese Verordening Gegevensbescherming (AVG) zijn. Dat voorbehoud maakt me wel nieuwsgierig.
Mr. Charlotte Meindersma heeft zich gespecialiseerd in het informatierecht. Op haar weblog behandelde ze de vraag (5/6/2018) of je na de invoering van de AVG nog beeldregistraties van mensen mag maken en met derden mag delen zonder dat de betrokkenen daar zelf toestemming voor hebben gegeven. Eén van de uitzonderingsbepalingen van de AVG is dat de maker/ver­spreider van het beeldmateriaal een ‘gerechtvaardigd belang’ heeft, bijvoorbeeld omdat het maken en delen van dat beeldmateriaal noodzakelijk is voor een rechtsvordering.
Ik weet niet wat dat precies betekent, maar ik zou me kunnen voorstellen dat registratie van ernstig of bestendig grensoverschrijdend gedrag van een leraar in de klas, onder bepaalde omstandigheden door de school (of uiteindelijk door de rechter) als een gerechtvaardigd belang van leerlingen moet worden beschouwd. Het zou nogal kras wezen als men registratie onder geen enkele omstandigheid geoorloofd acht omdat de leerling daarmee ‘het vertrouwen in de professionaliteit van leerkrachten (zou) schaden’. Maar de volgende vraag is in hoeverre en onder welke voorwaarden dat beeldmateriaal door de maker met medeleerlingen of derden gedeeld mag worden zonder het criterium van gerechtvaardigd belang geweld aan te doen. Het is uiteraard ontoelaatbaar dat een leraar die door leerlingen van grensoverschrijdend gedrag beschuldigd wordt, per omgaande zonder vorm van proces, via internet publiekelijk aan de schandpaal wordt gezet.

PVV wil ethische code voor leraren

Wes Holleman | 08-04-2019 | 2 Reacties » | permalink

De PVV heeft in de Tweede Kamer een motie ingediend om de sociale veiligheid in het onderwijs te vergroten: in een ethische code moet worden vastgelegd dat leraren zich in politiek opzicht neutraal moeten uiten jegens hun leerlingen/studenten. De indiener, oud-docent Beertema, geeft als voorbeeld van laakbaar leraarsgedrag dat een lerares ‘gewoon tien minuten lang een politicus die haar niet bevalt, zit te bashen, (…) in een klas die niks mag terugzeggen’. Hij bedoelt dus dat leraren hun positie niet mogen misbruiken voor het bedrijven van politieke propaganda of antipropaganda of voor het geven van stemadviezen. Dat sluit aan bij artikel 2.j van de Declaration on Professional Ethics van Education International (EI), die de Aob en CNV-O in 2001/2004 ondertekend hebben: ‘Educational personnel shall ensure that the privileged relationship between teacher and student is not exploited in any way, particularly in order to proselytise or for ideological control’. Toch maakt de PVV weinig kans dat haar motie op 9 april wordt aangenomen, niet alleen omdat de gewenste onpartijdigheid veel te ruim geformuleerd is, maar ook omdat de gedragscode volgens de PVV niet door de professionele beroepsgroep zelf maar door de rijksoverheid moet worden opgesteld.
Hoe staat het eigenlijk met de professionele beroepscode voor leraren in Nederland? Per 1/8/2017 werd de Wet Beroep Leraar van kracht. Op elke school zou in overleg met de leraren een Professioneel Statuut worden opgesteld waarin de professionele ruimte werd vastgelegd die leraren zouden krijgen binnen het kader van hun beroepscode. Deze beroepscode, de Pro­fessionele Standaard, zou worden opgesteld door het landelijke Lerarenparlement, onder begeleiding van de Onderwijscoöperatie. Inmiddels is de Onderwijscoöperatie ter ziele, krijgt het Lerarenparlement geen subsidie meer, en staat er nog geen beroepscode op papier. Prof. Rinnooy Kan heeft geadviseerd dat de professionele beroepsgroep van leraren van onderop, per sector, moet worden opgebouwd en de regering heeft besloten in dat verband geen eigen initiatieven te ontplooien. Het wachten is dus op professionele gremia (of lerarenopleidingen?) die het initiatief nemen om voor hun onderwijssector een concept-beroepscode te ontwikkelen.
Ondertussen komen er steeds meer signalen dat leerlingen/studenten, leraren/docenten en leidinggevenden zitten te springen om een ethische code waaraan het handelen van leraren/do­cen­ten getoetst kan worden. Ik geef hieronder vier voorbeelden.
Lees verder … (PDF)

Segregatie van mannen en vrouwen

Wes Holleman | 31-03-2019 | 2 Reacties » | permalink

De VVD heeft op 22 februari Kamervragen gesteld over gedwongen segregatie van mannen en vrouwen bij gelegenheid van een lezing voor moslimstudenten in een zaaltje van de Universiteit Utrecht. Achteraf bleek dat de aanwezigen zelf voor segregatie hadden gekozen en dat die dus niet was afgedwongen door de organisatoren, maar dat wist de VVD toen nog niet. De VVD stelde in haar Kamervragen:

  1. dat gedwongen segregatie van mannen en vrouwen bij gelegenheid van een lezing niet past binnen de kernwaarden van de Nederlandse rechtsstaat, waaronder de gelijk­waardigheid van man en vrouw;
  2. dat de gelijkwaardigheid van man en vrouw, zoals vastgelegd in onze Grondwet, een kernwaarde is van onze samenleving, die bescherming verdient;
  3. dat de segregatie van mannen en vrouwen een belemmering voor vrouwenemancipatie vormt;
  4. dat juist van universiteiten verlangd mag worden dat ze geen belemmeringen voor vrouwenemancipatie opwerpen en dat ze in hun zaaluitgiftebeleid waarborgen scheppen om segregatie van mannen en vrouwen te voorkomen;
  5. dat universiteiten in hun reglementen moeten waarborgen “dat universiteitsruimtes alleen benut mogen worden voor bijeen­komsten waar de kernwaarden van onze rechtsstaat worden nageleefd”.

Minister Van Engelshoven gaf op 19 maart antwoord op de stellingen 1 t/m 4. De onbesuisde stelling 5 heeft ze gewoon genegeerd, want deze valt niet te rijmen met de academische vrijheid, die in artikel 1.6 WHW is vastgelegd. Maar de stellingen 1 t/m 4 worden door haar onder­schreven, mits in de nummers 3 en 4 het woord ‘segregatie’ vervangen wordt door ‘gedwongen segregatie’. Zij voegt eraan toe dat gedwongen segregatie van mannen en vrouwen dis­criminatoir en respectloos is.
Lees verder … (PDF)

Ambitieuze leerling bespot en buitengesloten

Wes Holleman | 24-03-2019 | permalink

Beste uitblinker, ik heb je bericht op Scholierenforum gelezen. Je wordt Onze Wikipedia genoemd, of Hermelien Griffel. En dat zijn nog aardige spotnamen, vergeleken met de kwalificaties (zoals studiebol, nerd of uitslover) die de klasgenoten mogelijkerwijs achter je rug debiteren. Naar mijn indruk kom je uit een land waar je op de middelbare school hoge cijfers moet halen om tot een goede universiteit of hogeschool te worden toegelaten. En nu ben je, in de Benelux, in een egalitaire zesjescultuur verzeild geraakt. Volgens jou word je niet gepest… Maar je wordt wel uitgelachen en buitengesloten vanwege je ijver en je hoge cijfers, en dat gaat je niet in je koude kleren zitten. Je durft er ook niet over te praten met een leraar of met de mentor, want daarmee zou je je nog ergere scheld­namen op de hals kunnen halen (klikspaan, lieverdje van de leraren).
Lees verder … (PDF)

De vrijwillige ouderbijdrage van Slob (II)

Wes Holleman | 17-03-2019 | permalink

Vorig jaar december gaf ik een update over dat gebed zonder end: de politieke beleidsvorming rond de vrijwillige ouderbijdrage in het primair en secundair onderwijs. Inmiddels zijn er twee nieuwe Kamerbrieven verschenen (12/3/2019, 13/3/2019) waarmee minister Slob een duidelijke koers tracht uit te zetten. Maar hij maakt er een potje van. Het lijkt erop dat verschillende ambtsdragers of ambtenaren op eigen houtje hebben zitten knoeien in de concepttekst en dat men niet tot een consistente eindredactie is gekomen.
1. De minister acht het onaanvaardbaar dat leerlingen in het primair en secundair onderwijs worden uitgesloten van school­activiteiten, excursies, reizen of extra programma’s indien de gefactureerde ouderlijke bijdrage niet betaald wordt (12/3 p.6).
2. De minister vermeldt niet in hoeverre het volgens hem aanvaardbaar is dat sommige basis­scholen blijkens de recente School­kostenmonitor (p.22) aan de ouders kosten in rekening brengen voor extra ondersteuning, tests, bijlessen en dergelijke (bv. bij hoog­begaafdheid of dyslexie), waarbij leerlingen in geval van niet-betaling wellicht worden uitgesloten van deze voor­zieningen.
3. De minister juicht toe dat zowel de PO- als de VO-raad een richtlijn heeft opgesteld dat leerlingen bij niet-betaling van de ouder­lijke bijdrage niet mogen worden uitgesloten van activiteiten die onder verantwoordelijkheid van de school georganiseerd worden (12/3 p.6). Deze richtlijn zal worden ondergebracht in hun Gedragscode Goed Bestuur. Daarbij laat hij echter onvermeld dat deze gedragscodes niet bindend zijn. Het uitgangspunt is: pas toe of leg uit (Gedragscode PO p.11, Gedragscode VO p.3). Evenmin zegt hij toe dat de Onderwijs­inspectie erop zal toezien of niet-naleving voldoende gemotiveerd is.
4. De minister belooft (zo nodig wettelijk) te zullen regelen dat leerlingen in het secundair onderwijs nooit mogen worden uit­gesloten van onderwijs [zoals tweetalig onderwijs of Tech­nasium] als hun ouders de gefactureerde bijdrage niet betalen (12/3 p.7; 13/3 p.6). In dezelfde alinea (12/3 p.7) concludeert hij echter dat ze niet mogen worden uitgesloten [van verrijkende pro­gramma’s en maatwerk] als de ouders die bijdrage niet kúnnen betalen.
5. Een zelfde draagkrachtvoorbehoud wordt door hem geïntroduceerd ten aanzien van de aan­schaf van laptops of tablets voor middelbareschoolleerlingen: zodra zo’n ding noodzakelijk wordt geacht voor het leerproces dient daarin door de school zelf te worden voorzien, althans wanneer de ouders dat zelf niet kunnen betalen (12/3 p.7).
6. Conclusie. Afgezien van de belofte ad punt 4, heeft de minister in geen van beide Kamer­brieven beleidsvoornemens geformuleerd om te garanderen dat leerlingen in het primair en secundair onderwijs niet worden uitgesloten van schoolactiviteiten, excursies, reizen of extra programma’s indien de gefactureerde ouderlijke bijdrage niet betaald wordt. Basisscholen (zoals de Groningse Schoolvereniging) die de ouders verplichten een forse bijdrage te betalen voor tweetalig onderwijs of voor een plusprogramma ten behoeve van hoogbegaafden, worden praktisch ongemoeid gelaten. Evenmin heeft de minister beleidsvoornemens geformuleerd om te garanderen dat leerlingen in het primair en secundair onderwijs niet worden uitgesloten van extra ondersteuning, tests, bijlessen of dergelijke (bv. bij hoogbegaafdheid of dyslexie) wanneer hun ouders daar niet aan meebetalen en dat ouders niet hoeven op te draaien voor de aanschaf van een verplichte laptop of tablet.
7. Naschrift. De minister acht het onaanvaardbaar dat ouders van leerlingen in het primair en secundair onderwijs door de school verplicht worden de door haar gefactureerde vrijwillige ouderbijdragen te betalen (12/3 p.6). Maar hij spreekt zich niet uit over de vraag of scholen moeten toestaan dat ouders een vrijwillig aangegane meerjarige overeenkomst tot jaarlijkse betaling van de gefactureerde ouderbijdrage, tussentijds opzeggen.

Christen op een openbare zwarte school

Wes Holleman | 03-03-2019 | 4 Reacties » | permalink

Op 27 februari hebben drie Tweedekamerfracties (CU, PVV en VVD) schriftelijke Kamer­vragen gesteld over een openbare vmbo-school in Hoofddorp. Een techniekinstructeur is sinds 21 januari geschorst nadat er op de (overwegend ‘zwarte’) school onrust was ontstaan naar aanleiding van beweringen als zou door hem op die dag in de klas zijn verklaard dat de Profeet pedofiel was [hetgeen door moslims wordt opgevat als een grove belediging jegens de Profeet]. Volgens zijn eigen lezing ging het anders: hij hoorde een Marokkaans-Nederlandse leerlinge tegen haar buurmeisje zeggen dat hij volgens haar moeder ‘haram’ was [dus dat het zondig is om méér-dan-strikt-nodig naar hem te luisteren]. ‘Ik besloot meteen te reageren. Ik liep naar haar toe en ik zei: “Joh, ik weet dat je het over mij hebt, dat moet je niet doen. Als je moeder dit echt vindt, dan ben ik bereid het gesprek met haar aan te gaan.” Het meisje werd boos. Ze reageerde heel heftig. Ze riep: ”Hoe weet u dat ik het over u heb?” (…).’ Op die vraag van haar is hij verder niet ingegaan.
Dit wordt natuurlijk een verhaal van welles-nietes. Maar in een Volkskrant-interview (26/2/2019) geeft hij wel signalen die het aannemelijk maken dat hij in de ogen van sommige moslimouders ‘haram’ is. Hij is een orthodoxe christen en op YouTube heeft hij filmpjes gepost waarin hij zijn geloof uitdraagt. Op school loopt hij niet met z’n geloof te koop, maar als leerlingen hem sporadisch iets over zijn geloof vragen, geeft hij daar wel antwoord op. Zelfs als een leerling hem vraagt waarom hij christen is. Maar hij leeft en functioneert naar eigen zeggen vanuit een grondhouding van respect voor andersgelovigen, dus ook voor moslims.
Binnenkort wordt zijn schorsing (door het schoolbestuur ‘time-out’ genoemd) op zijn verzoek behandeld door een Geschillen­commissie. Het zou verhelderend zijn als daar ook de volgende vragen worden beantwoord:
1) In hoeverre zijn publieksgerichte christelijke nevenbezigheden (zoals christelijk evangeli­satiewerk op YouTube) verenigbaar met de functie van leraar op een openbare, overwegend ‘zwarte’ school?
2) In hoeverre zou het onprofessioneel zijn als een techniekinstructeur op een dergelijke school tijdens onderwijsuren, aan alle aanwezigen antwoord zou geven op vragen van leerlingen over zijn christelijk geloof: in hoeverre zou hij daarmee het professionele verbod op (de schijn van) zieltjeswinnerij overtreden?
3) In hoeverre maakt de leiding van een dergelijke school inbreuk op zijn grondrechten (in casu de vrijheid van meningsuiting) als zij van een techniekinstructeur zou verlangen om vragen van leerlingen over zijn christelijk geloof onbeantwoord te laten: (niet alleen plenair tijdens de onderwijsuren maar) ook in kleinere kring tijdens of buiten de onderwijsuren?

Demonstratievrijheid in het leerlingenstatuut

Wes Holleman | 24-02-2019 | 1 Reactie » | permalink

In een vorig blogbericht besprak ik de rechten van klimaatspijbelaars. Een andere vraag is wat scholen zelf in het leerlingenstatuut hebben vastgelegd ten aanzien van leerlingen die willen actievoeren, betogen of demonstreren en die daartoe hun onderwijs­deelname willen onder­breken (hetgeen in het licht van de leerplicht als staking wordt aangeduid). Een korte zoek­tocht op het inter­net leidt tot de volgende bevindingen.
Bij de nrs. 1-5 wordt aan de leerlingen een onvoorwaardelijk demonstratierecht toegekend. De enige voorwaarde is dat het geen wilde staking is. Soms wordt als tweede voorwaarde gesteld dat de leerling een aantoonbaar belang bij de demonstratie heeft; een demonstratie tegen het weinig doortastende klimaatbeleid van de overheid voldoet vermoedelijk niet aan dit criterium.
Bij nr. 6/7 wordt niet alleen als eis gesteld dat de leerling een aantoonbaar belang bij de demonstratie heeft, maar ook dat het om een breed gedragen maatschappelijk probleem gaat; een actie tegen het beleid van de lokale schoolleiding of het lokale school­bestuur voldoet vermoedelijk niet aan dit criterium.
Bij de nrs. 8 en 9 wordt door het schoolbestuur bepaald of de leerlingen toestemming krijgen voor een demonstratie binnen school­uren.
En bij de nrs. 10-15 wordt die toestemming in principe alleen gegeven als de demonstratie door een erkende (landelijke?) leer­lingenorganisatie of meer in concreto door het LAKS georgani­seerd wordt.
Lees verder … (PDF)

De rechten van klimaatspijbelaars

Wes Holleman | 17-02-2019 | 4 Reacties » | permalink

De demonstratievrijheid is één van de pijlers van de rechtsstaat. Dat geldt eens te meer voor jongeren die nog geen stemrecht heb­ben. Een specialist op dit gebied, dr. Berend Roorda, wijst echter op artikel 9 van de Grondwet. Daarin wordt weliswaar het recht tot betoging erkend, maar dat recht is voorwaardelijk geformuleerd, namelijk ‘behoudens ieders verantwoordelijk­heid volgens de wet’. Scholieren mogen dus, naar het zeergeleerde oordeel van Roorda, alleen buiten schooltijd aan demonstraties deelnemen, want spijbelen is wettelijk verboden (NRC 2/2/2019). Maar Roorda vergeet dat onze nationale wetten volgens artikel 94 GW moeten wij­ken voor de internationale verdragen waarin de demonstratievrijheid van meerder- en minder­jarigen zonder voorbehoud is vastge­legd (zie tekstkader A). De conclusie is duidelijk: uiteinde­lijk kan alleen in concrete gevallen door de rechter worden bepaald hoe de demonstratie­vrijheid enerzijds en de leerplicht (c.q. kwalificatieplicht) anderzijds tegen elkaar moeten worden afgewogen.
De Amsterdamse OnderwijsConsumentenOrganisatie (OCO 10/2/2019) heeft de regels nader uitgelegd. Wie zonder toestemming wegblijft van school, is een spijbelaar, tenzij de leerling achttien jaar of ouder is (of dankzij een havo-, vwo- of mbo2-diploma niet meer kwalificatie­plichtig is). De school kan spijbelaars straffen en zij moet aangifte doen bij de leerplicht­ambtenaar als iemand in vier weken meer dan zestien uur gespijbeld heeft. Als je straffeloos schooltijd wilt verzuimen om aan een buitenschoolse demon­stratie deel te nemen, moet je aan de schoolleiding ‘verlof wegens gewichtige omstandigheden’ vragen, waarbij tevens een bewijs van toestemming van de ouders vereist is. Het is dus in eerste instantie aan de school om te beoordelen of de beoogde deelname aan een bepaalde demonstratie een gewichtige reden voor het verlenen van verlof vormt. Een andere mogelijkheid is dat de school besluit de deelname aan de demonstratie als een reguliere onderwijsactiviteit (bijvoorbeeld voor het vak Maat­schappij­leer) te erkennen.
Door de OCO wordt niet vermeld welke rechtsgang gevolgd moet worden om een school tot de orde te roepen als zij weigert verlof te verlenen. Bij welke rechtsprekende instanties kunnen leerlingen (of hun belangenbehartigers) terecht als de school hun demon­stratievrijheid onrechtmatig beknot heeft of als zij hen wegens spijbelen gestraft heeft nadat ze tevergeefs regulier verlof hebben aangevraagd?
Lees verder … (PDF)