Participerende journalistiek

Wes Holleman | 22-01-2020 | permalink

Paula van Manen (1968) heeft half september een kritische kroniek gepubliceerd van een vernieuwingsproject dat ze als mbo-docent heeft meegemaakt. En daarom is ze in december geschorst.
Ze is opgeleid tot orthopedagoog en onderwijskundige en ze is als docent verbonden aan ROC Nijmegen (team Pedagogisch Werk). Het vernieuwingsproject betreft de ontwikkeling en invoering van een gepersonaliseerde leerroute: bij onze drie opleidingen ‘leer je op je eigen manier en in je eigen tempo werken aan de leerdoelen (…). Onze leercoaches begeleiden jou daarbij.’ De klassikale lessen zijn dus afgeschaft. In het AOb-Onderwijsblad (december 2019) en op de website van CNV-Onderwijs (21/1/2020) werd Paula van Manen geïnterviewd over haar boek.
Maar waarom is ze geschorst door haar werkgever? Het is een kritische kroniek, die niet voorbij gaat aan de negatieve gevolgen voor studenten. Het is begrijpelijk dat een ‘reflective professional’ de behoefte voelt om het vernieuwingsproject chronologisch te boek te stellen, zodat zijzelf van haar ervaringen kan leren, samen met haar teamgenoten. Maar voordat ze het verhaal ook voor onderwijsprofessionals buiten haar eigen kring toegankelijk maakte, had ze eerst toestemming aan haar teamgenoten moeten vragen. En indien ook de belangen van haar werkgever op het spel stonden, had zij ROC Nijmegen eveneens om toestemming moeten vragen. Ik denk dat het boek inderdaad de belangen van haar werkgever raakt: in hoeverre voelen betrokken collega’s zich in hun hemd gezet? kan de onderwijsinspectie lastige vragen komen stellen? bestaat er het risico dat gedupeerde studenten claims gaan indienen? in hoeverre komt de reputatie van de betrokken opleidingen in gevaar?
Gehoor gevend aan haar professionele beroepsethiek, heeft Paula van Manen participerende journalistiek bedreven, maar door haar journalistieke product vervolgens (enigszins geanonimiseerd) te publiceren, is zij in strijd gekomen met haar juridische en ethische verplichtingen jegens haar werkgever. Ten gevolge van dit tragische rolconflict zit ze nu werkeloos thuis.
Nog wat achtergrondinformatie: In het kader van de bundel ‘Flexpraktijken, in gesprek met flexibiliseringspioniers in het beroepsonderwijs’ is bij het CINOP (13/1/2020) de beschrijving van de flexibiliserende innovatie van het Nijmeegse team Pedagogisch Werk verschenen.

Burgerschapsopdracht (III): het wetsontwerp

Wes Holleman | 19-01-2020 | 2 Reacties » | permalink

Eind november is het Wetsvoorstel Aanscherping Burgerschapsopdracht (nr. 35352) bij de Tweede Kamer ingediend en inmiddels is het door de vaste Kamercommissie OCW in behandeling genomen. Welke belangen zijn er in het spel?
1. Burgerlijke vrijheden. Scholen krijgen tot taak hun leerlingen kennis van en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Dat riekt naar indoctrinatie: als je de leerlingen kennis bijbrengt, dan is het beoogde resultaat dat ze zich die kennis eigen hebben gemaakt (en dat is prima). Maar als je de leerlingen respect voor (= eerbiediging van) die basiswaarden bijbrengt, dan is het beoogde resultaat dat ze die normen en waarden gehoorzamen. Anders gezegd: je maakt je schuldig aan indoctrinatie, je wil ze ‘mores leren’. Met zo’n inbreuk op hun autonomie handel je in strijd met de basiswaarden van de demo­cratische rechtsstaat. Scholen kunnen beter tot taak krijgen hun leerlingen kennis van die basiswaarden bij te brengen en bij hen respect (= waardering) voor die basiswaarden aan te kweken.
2. Vrijheid van onderwijs. Verder krijgen scholen tot taak een schoolcultuur tot stand te brengen en in stand te houden die harmonieert met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Daarmee wordt de grondslag van orthodox-christelijke, -joodse en -islamitische scholen aangetast. Zij hechten namelijk aan de bijbelse geboden en verboden over seksueel gedrag (waaronder LHBTI-gedrag en heteroseksueel gedrag vóór of buiten het huwelijk) en over de positie van de vrouw. Zij menen hun leerlingen te moeten voorhouden dat het zondig is de bijbelse geboden en verboden in de wind te slaan, dat de leden van de kerkgemeenschap zondigende medeleden dienen te vermanen en hen uit de kerkgemeenschap dienen te stoten als ze in hun zondig gedrag volharden, en dat ze niet vriendschappelijk met zondaars mogen omgaan. En zij trachten hun basiswaarden ‘vóór te leven’ in de eisen die zij aan het gedrag van hun leraren en leerlingen stellen, ook al komen ze daarmee in strijd met de basiswaarden die ten grondslag liggen aan de democratische rechtsstaat.
3. Rechtszekerheid. Scholen krijgen bovendien tot taak de sociale cohesie te bevorderen en de sociale en maatschappelijke competenties te bevorderen die de leerling in staat stellen deel uit te maken van (en bij te dragen aan) de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving. Met dit rekbare caoutchouc-artikel krijgt de Onderwijsinspectie een handvat om, overeen­komstig de waan van de dag, scholen aan te pakken die in de hand werken dat hun leer­lingen ‘met de rug naar de (rest van de) samenleving’ komen te staan. Een school kan in de beklaagdenbank worden gezet als zij maatschappelijke verzuiling propageert of sociale segregatie in de hand werkt of haar leerlingen stimuleert zich terug te trekken in een gemeenschap die de maatschappelijke zedenverwildering de rug toekeert. De rekbaarheid van dit wetsartikel vormt een aanslag op de rechtszekerheid in de Nederlandse democratische rechtsstaat.
4. Gelijkheidsbeginsel. Hierboven werden drie kernbelangen van de democratische rechtsstaat belicht die in het geding zijn bij de behandeling van het wetsontwerp nr. 35352. Maar bij de indieners van het wetsontwerp staat een ander belang voorop: zij willen de Nederlandse rechtsstaat beschermen tegen een orthodox-islamitische vijfde colonne. Meer in het bijzonder willen zij de overheid instrumenten in handen te geven om de stichting van islamitische scholen zo nodig te blokkeren, om bestaande orthodox-islamitische scholen in het gareel te houden en om hun bekostiging zo nodig te beëindigen. In dat streven hebben zij tot voor kort weinig weerstand ontmoet, totdat het bijzonder onderwijs onlangs bemerkte dat ook orthodox-christelijke en -joodse scholen geraakt zouden kunnen worden door deze anti-islamitische boemerang. De Onderwijsinspectie gaat namelijk half februari rapporteren over de uitkomsten van een onderzoek dat zich onder andere uitstrekt tot het feit dat islamitische en reformatori­sche scholen uitdragen dat homoseksueel gedrag zondig is [zie verder onder punt 2]. Mocht het wetsvoorstel desondanks worden aangenomen, dan kunnen we verwachten dat de christelijke partijen (gesteund door PVV en FvD?) alles in het werk zullen stellen om te voorkomen dat de overheid zich, bij haar toezicht op de naleving van de wet, consequent zou laten leiden door het grondwettelijke Gelijkheidsbeginsel. Maar het probleem is dat eerbiediging van het Gelijk­heids­beginsel een kernbelang is van de democratische rechtsstaat.
Zie ook mijn eerdere blogberichten (inclusief naschriften): Onderwijsethiek 15/8/2018, 2/10/2018, 15/9/2019, 13/10/2019

Belangenverstrengeling binnen Academia

Wes Holleman | 12-01-2020 | 3 Reacties » | permalink

Universiteiten hebben niet alleen als wettelijke opdracht onderwijs te verzorgen en onderzoek te doen, maar ook kennis over te dragen ten behoeve van de maatschappij. In 2005 heeft het ministerie van OCW een beleidslijn uitgezet waarin gefocust werd op één aspect daarvan, name­lijk de valorisatie van onderzoek. De universiteiten moesten het economische en maat­schappe­lijke nut van hun onderzoeksinspanningen vergroten en daarover jaarlijks verant­woor­ding afleggen. In 2013 publiceerde de vereniging van universi­teiten (VSNU) een ‘Keuze­menu valorisatie-indicatoren’ om orde te scheppen in die jaarlijkse verantwoording.
Zo hebben de universiteiten zich in de loop der jaren ontwikkeld tot Science Parcs waar zij kennis vastleggen in octrooien en licenties en waar zij nieuwe bedrijvigheid creëren. Binnen de faculteiten wordt het innovatieve ondernemingsklimaat aangemoedigd en er zijn landelijke richtsnoeren opgesteld hoe een ondernemende universiteit moet omgaan met medewerkers die in werktijd iets nieuws hebben uitgevonden en nu voor zichzelf willen beginnen om hun uit­vinding te gelde te maken. Eén van de constructies is dat de universiteit aandelen verwerft in het bedrijf van de startende medewerker.
Maar hoe zit het als studenten in het kader van hun studie iets nieuws uitvinden? De universi­teit zou daar graag een graantje van mee pikken, maar in juridisch en ethisch opzicht zitten daar nogal wat haken en ogen aan. In de eerste plaats rijst de juridische vraag op basis waarvan de universiteit (een deel van) de intellectuele eigendom zou kunnen opeisen. En in de tweede plaats is de universiteit gebonden aan het ethische uitgangspunt dat zij, als professio­nele onderwijsorganisatie, haar student behoort te ondersteunen bij het inrichten van zijn studie- en beroepsloopbaan en zijn belangen dus voorop behoort te stellen. Zij maakt zich schuldig aan belangenverstrengeling als zij tegelijkertijd een valorisatiedeal met hem probeert te sluiten waarbij zij zich niet laat leiden door de belangen van deze student maar door haar eigen belangen en door de belangen van de ‘BV Nederland’. De VSNU is nu bezig om een richtsnoer op te stellen hoe de instellingen met uitvindingen van studenten (en met dit rol­conflict?) zouden moeten omgaan.
Bronnen: Motie Wiersma/Bruins (7/11/2019), Nieuwsbericht NOS (6/1/2020a, 6/1/2020b), Reacties UT en TUD (6/1/2020, 7/1/2020), Kamervragen Wiersma (7/1/2020)

Kinderen in de cel?

Wes Holleman | 06-01-2020 | 4 Reacties » | permalink

In de nacht van Oud en Nieuw is brand uitgebroken in de portiek van een flatgebouw in Arnhem-Zuid. Er stond een afgedankte zitbank en die heeft vermoedelijk vlamgevat doordat twee kinderen van 12 en 13 jaar met vuurwerk speelden. Dientengevolge verloren een vader en zijn zoontje het leven door de giftige rook die ze, opgesloten in de lift, hebben ingeademd. De twee kinderen woonden in hetzelfde flatgebouw. Ze werden op nieuwjaarsdag (woensdag) door de politie opgepakt en in volledige beperking gehouden. Pas vrijdag zijn ze weer vrijgelaten, maar ze worden nog steeds van brandstichting verdacht. In het landelijke Vuurwerk­besluit (artt. 1A.1.3 en 2.3.5) staat dat aan kinderen tussen 12 en 16 jaar uitsluitend als F1 gelabeld consumentenvuurwerk mag worden verkocht (of anderszins ter beschikking mag worden ge­steld), d.w.z. vuurwerk dat zeer weinig gevaar oplevert, dat een te verwaarlozen geluidsniveau heeft en dat bestemd is voor een besloten ruimte.
Het is een drama, zowel voor de slachtoffers en hun nabestaanden als voor de vermoedelijke aanstichters en hun ouders. Burge­meester Marcouch voelde dat goed aan. Hij ging niet alleen op condoleancebezoek bij de nabestaanden maar bezocht ook de ouders van de beide op­gepakte kinderen. Maar in de media werden de beide kinderen toch vooral als verdorven criminelen weggezet. Gelukkig waren er ook twee humane tegengeluiden:
(a) De NOS-redactie van de radiorubriek Met het Oog op Morgen vroeg donderdagavond juridisch commentaar van Margrite Kalverboer, de Nationale Kinderombudsman (NPO-Radio1 2/1/2020, 3/1/2020) en
(b) Mirjam Remie (onderwijsredacteur NRC-Handelsblad) publiceerde vrijdag een artikel waarin niet alleen Kalverboer maar ook Mariëlle Bruning, hoogleraar jeugdrecht, commentaar geeft op de meerdaagse opsluiting van de twaalf- en dertienjarigen (NRC 3/1/2020).
Zie ook: Kinderombudsman (31/1/2019, 25/4/2019), Rijksoverheid (14/8/2019, 28/6/2019), Raad voor Strafrechtstoepassing en Jeugdbescherming (z.j. 2019?)

Studie in Cijfers: een janboel

Wes Holleman | 05-01-2020 | 1 Reactie » | permalink

Mijn neefje doet dit jaar eindexamen VWO en hij wil Rechten gaan studeren. Hij weifelt tussen Utrecht (UU) en Rotterdam (EU).
Op het eerste gezicht zijn de Utrechtse kengetallen (Studie in Cijfers, peildatum mei 2016, zoals ultimo 2019 vermeld via een link op de Utrechtse website) hoopgevend: je krijgt in het eerste cursusjaar wekelijks 12 à 18 klokuren onderwijs, slechts 21% van de aangekomen eerstejaars is in of binnen twaalf maanden vertrokken, en 76% behaalt (met maximaal één jaar studievertraging) één of ander universitair bachelordiploma. Helaas laat de faculteit on­vermeld welk percentage van de aangekomen studenten (met maximaal één jaar studie­vertra­ging) het Utrechtse bachelordiploma Rechtsgeleerdheid behaalt. Ook blijft het onduidelijk waarom de faculteit mei 2016 als peildatum heeft gekozen.
Bij raadpleging van de overheidswebsite Studiekeuze123.nl (peildatum oktober 2018) blijkt mijn neef zijn verwachtingen te moeten temperen: de Utrechtse eerstejaarsstudenten krijgen wekelijks slechts 6 à 12 klokuren onderwijs en slechts 59% behaalt (met maximaal één jaar studievertraging) het Utrechtse bachelordiploma Rechtsgeleerdheid (en dat slaagpercentage stijgt naar 62% als je ook andere universitaire bachelordiploma’s meerekent). Verder komt een verontrustend cijfer uit de hoge hoed: wie als eerstejaars minder dan 45 van de 60 studiepunten haalt, wordt uit de opleiding weggestuurd.
Maar je kunt ook nog een laatste update van Studie in Cijfers (peildatum oktober 2019) aan­klikken. De Utrechtse eerstejaarsstuden­ten blijken nu toch weer 12 à 18 contacturen per week onderwijs te krijgen, terwijl het percentage studiestakers in het eerste jaar nog steeds 21% bedraagt. Het slaagpercentage (met maximaal één jaar studievertraging) voor het Utrechtse bachelordiploma Rechtsgeleerdheid blijft steken op 59%, zodat het vermoeden rijst dat de Utrechtse faculteit geprobeerd heeft haar aspirant-studen­ten om de tuin te leiden. Want met haar 76% heeft zij niet alleen andere universitaire bachelordiploma’s meegerekend maar ook ge­percenteerd op {het aantal aangekomen eerstejaars minus het aantal studenten dat in het eerste studiejaar vertrokken is}.
We presenteren nu de Rotterdamse kengetallen. Volgens de Rotterdamse website (ultimo 2019) krijg je in het eerste cursusjaar wekelijks slechts 6 à 12 klokuren onderwijs (peildatum juli 2018). Maar liefst 38% van de aangekomen eerstejaars is in of binnen twaalf maanden ver­trokken. Het is onduidelijk hoe dat komt, want volgens de faculteit wordt er niet geselecteerd, terwijl zij ander­zijds vermeldt dat je wordt weggestuurd als je in het eerste jaar minder dan 60 studiepunten haalt. De faculteit doet er geheim­zinnig over, want op de overheidswebsite Studiekeuze123.nl (peildatum oktober 2018) weten ze niks van dit wegstuur­criterium. Verder vermeldt de Rotterdamse site dat 41% van de aangekomen eerstejaars (met maximaal één jaar studievertraging) het bachelor­diploma haalt, althans als je ook andere universitaire bachelor­diploma’s meerekent. Vermoedelijk is dat een typfoutje, want volgens Studiekeuze123.nl (peildatum oktober 2018) behaalt 39% van de aangekomen eerstejaars (met maximaal één jaar studievertraging) het Rotterdamse bachelordiploma Rechtsgeleerdheid, terwijl dat stijgt naar 56% als je ook andere universitaire bachelordiploma’s meerekent.
Maar je kunt ook nog een laatste update van Studie in Cijfers (peildatum oktober 2019)) aanklikken. Het wekelijkse aantal Rotterdamse klokuren is nu opgelopen tot 12 à 18, terwijl het percentage studiestakers in het eerste jaar nu gestegen is naar 49%. De slaagpercentages (met maximaal één jaar studievertraging) voor het bachelordiploma (39% resp. 56%) blijven ongewijzigd.
Lees verder … (PDF)

Oudjaar 2019: criminalisering van slordigheden

Wes Holleman | 31-12-2019 | 2 Reacties » | permalink

Dit jaar verschenen er 54 blogberichten op Onderwijsethiek.nl. De inhouds­opgave tref je HIER aan. Wat heeft me dit jaar het meest beziggehouden? Ik heb me nogal druk gemaakt over de manier waarop scriptiestudenten door de universiteiten worden belaagd op verdenking van frauduleus plagiaat (16/9/2018, 25/9/2019, 3/11/2019). Op basis van metingen met de plagiaat­scanner van de Amerikaanse softwareleverancier Turnitin, worden ze tuchtrechtelijk gestraft, zelfs als het in werkelijkheid slechts om kleine kwaliteitsgebreken gaat.
Bezien in het licht van de vigerende gedragscode voor onderzoekers (pp. 23-24), heeft het er alle schijn van dat men met twee maten meet. Onlangs zijn professor Dymph van den Boom (voormalig rector magnificus van de UvA) en doctor Ad van Liempt (vermaard onderzoeks­journalist) vrijgepleit van de beschuldiging dat zij in hun proefschriften plagiaat zouden hebben gepleegd: door de hooggeleerde integriteitsinspecteurs worden hun misstappen als vergefelijke slordigheden afgedaan (Folia 17/12/2019, UK 20/12/2019). Maar indien geconstateerd bij studenten, worden diezelfde kwaliteitsgebreken tot halsmisdrijven opgeblazen. Tot voor kort heb ik altijd gedacht dat de opleiders deze praktijken voor zichzelf rechtvaardigden met drie argumenten: (a) dat studenten tot gewetensvolle onderzoekers moeten worden gevormd, (b) dat studiefraude met kracht bestreden moet worden, en (c) dat opleidingen willen voorkomen dat ze tijdens visitaties op deficiënte kwaliteitsbeheersing betrapt worden. Maar in een recent dagbladartikel (VK 22/12/2019) waarschuwen de universiteitsrectoren dat de instellingen zich te zeer laten leiden door een streven naar digitale doelmatigheidsverhoging, ten koste van de Nederlandse normen en waarden die door de universiteiten behoren te worden omarmd. De rectoren maken daarbij uitdrukkelijk gewag van de digitale detectiediensten van Turnitin. Misschien heeft men tot nu toe dus een vierde motief gehad om de conceptuele definitie van frauduleus plagiaat draconisch op te rekken, name­lijk: (d) dat men zodoende tijdrovende bewijsrechtelijke problemen naar aan­leiding van de operationele meetuitkomsten van Turnitin voorkomt.
Dit misbruik van de tuchtrechtelijke bevoegdheden steekt des te meer daar de gedragscode voor onderzoekers sinds 1 oktober 2018 niet langer maatgevend is voor de rechtspositie van scriptie­studenten. Tot 2018 gold als tuchtrechtelijk uitgangspunt dat alle leden van de universitaire gemeenschap – onderzoekers, docenten en studenten – aan dezelfde wetenschappelijke integriteitsnormen moesten voldoen. Dat was vastgelegd in de Gedragscode Wetenschaps­beoefening. Bovendien werd in de bijlage van de bijbehorende model-klachtenregeling de strafwaardigheid van plagiaat in studiewerkstukken en scripties nog eens extra onderstreept. Men ging eertijds dus voorbij aan de bijzondere aard van de ‘wetenschapsbeoefening’ van studenten, namelijk dat er door de studieleiding harde deadlines worden gesteld en dat hoge studie­belasting en gebrekkige scriptietraining en –begeleiding tot kwaliteitsgebreken in werkstukken en scripties kunnen leiden. Maar per 1 oktober 2018 zijn de universiteiten van hun dwaling teruggekomen. Er werd een nieuwe gedragscode (met model-klachtenregeling) ingevoerd die uitsluitend op het handelen van wetenschappelijke onderzoekers van toepassing is. Sindsdien vallen studenten dus niet meer onder het tuchtrecht dat voor onderzoekers geldt. Voor studenten strekt het tuchtrecht zich voortaan wel tot studiefraude uit, maar niet meer tot kwaliteitsgebreken in werkstukken en scripties. We kunnen concluderen dat het voortaan de taak van de scriptiebegeleider is om kwaliteitsgebreken ‘tijdens de rit’ te detecteren (al dan niet met behulp van Turnitin), zodat deze tijdig hersteld kunnen worden door de student. Als dat de pan uit rijst, zal dat tot een lager cijfer voor de scriptie leiden. Tuchtrechtelijke criminalisering van scriptiestudenten op grond van kwaliteitsgebreken die aan hun scriptie kleven, is sinds 1 oktober 2018 in strijd met de Nederlandse normen en waarden die door de universiteiten omarmd worden.
Het is hoog tijd dat de gewraakte beslissingsregels (de excessieve, universitaire beslissings­regels inzake de definiëring, opsporing en bestraffing van plagiaat in studiewerkstukken en scripties) binnen de grenzen van een juridisch verdedigbare definitie van studiefraude worden gebracht. En misschien kan men ook eens wat haast maken met het opstellen van een ethische gedragscode voor docenten en scriptiebegeleiders.

De vrijwillige ouderbijdrage van Slob (III)

Wes Holleman | 17-12-2019 | 3 Reacties » | permalink

Hoe zit het inmiddels met de beleidsontwikkeling rond de vrijwillige ouderbijdrage in het basis- en voortgezet onderwijs? In aan­sluiting op mijn eerdere updates (5/12/2018 en 17/3/2019), wordt het tijd voor een nieuwe update. Zoals bekend, hebben de SP en GroenLinks op 30 okto­ber 2018 druk op de ketel gezet door een initiatiefwetsvoorstel (nummer 35063) in te dienen dat twee clausules omvat:
a) In de schoolgids wordt vermeld dat het niet voldoen van de vrijwillige ouderbijdrage er niet toe leidt dat leerlingen worden uitgesloten van deelname aan activiteiten; en
b) De deelname van leerlingen aan activiteiten die geen onderdeel uitmaken van het verplichte onderwijsprogramma en die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het be­voegd gezag, wordt niet afhankelijk gesteld van een vrijwillige ouderbijdrage.
De zgn. profielscholen (zoals tweetalig onderwijs, technasium, topsporttalentscholen, dans- of muziekscholen) zijn tegen deze clausules gekant omdat zij bij aanneming van dit wetsvoorstel niet langer mogen eisen dat ouders (op straffe van uitsluiting van de leerling uit het verrijkte programma) een “vrijwillige” ouderbijdrage betalen. VVD en CDA hebben daartoe een amendement (35063-12) ingediend, inhoudende:
c) Clausule b) blijft buiten werking in geval van langdurige activiteiten die geen onderdeel uitmaken van het verplichte onderwijs­programma (bv. buitenlandse excursies). Minister Slob heeft dit amendement ontraden.
Verder is door D66 een variant (35063-9) van dat amendement ingediend:
d) Clausule c) met als bijkomende voorwaarde dat er een financiële voorziening wordt gescha­pen voor ouders die niet kunnen (of willen???) betalen, nader te regelen via een AMvB.
Op dinsdag 17 december heeft de Tweede Kamer het wetsontwerp met inbegrip van clausule d) aanvaard. Het wachten is nu op de behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer.

Zorgplichten van de lerarenopleiding

Wes Holleman | 11-12-2019 | 3 Reacties » | permalink

Er is een groot verschil van opvatting aan het licht gekomen tussen de Algemene Onderwijs­bond (AOb/fnv) enerzijds en het onderwijsveld anderzijds. Volgens de AOb zijn de onderwijs­werkgevers verplicht om de vierdejaarsstudenten van de tweedegraadsleraarsopleiding in het kader van hun afsluitende praktijkperiode een tripartiet Leerarbeidscontract met een bijbehorend cao-loon aan te bieden (Onderwijsblad 19/11/2019). Het modelcontract is in bijlage 2 van de CAO 2018-2019 opgenomen. De onderwijswerkgevers en de leraars­opleidingen zijn daarentegen van mening dat onderwijswerkgevers ook mogen kiezen voor een tripartiet Stagecontract, waarbij ze zelfs niet verplicht zijn een stagevergoeding toe te kennen (Bron/fontys 3/12/2019).
De onderwijswerkgevers staan overigens best positief tegenover het Leerarbeidscontract. Het schept weliswaar financiële verplichtingen, maar in tijden van personeelsschaarste is zo’n leraar-in-opleiding wel een redder in de nood. De lio’s-als-werknemer worden namelijk slechts op afstand gesuperviseerd en begeleid. Ze hebben eigen klassen, die ze zelfstandig mogen bedienen. De lio’s-als-stagiair daarentegen maken geen deel uit van de onderwijsformatie, mogen geen bestaande vacature vervullen en mogen niet als vervangend docent optreden. Ze worden toegevoegd aan een zittende docent en voeren een deel van zijn of haar taken onder zijn of haar supervisie uit. In de praktijk betekent dit dat de begeleidende docent op roepafstand beschikbaar behoort te zijn om de stagiair bij te staan (CNV-Onderwijs).
Waar loopt de vakbond nou over te morren? De AOb kan moeilijk bezwaar maken tegen het feit dat scholen de mogelijkheid hebben om vierdejaarsstudenten via een Stagecontract te bedienen. Kennelijk doelt de AOb op het risico dat ontvangende scholen, in tijden van personeelsgebrek, de bepalingen van het Stagecontract onvoldoende nakomen: dat ze te weinig begeleiding en supervisie geven, dat ze de student met professionele verantwoordelijkheden opzadelen die een stagiair nog niet hoeft te dragen, en dat ze de student niet de financiële beloning geven die in verhouding staat tot de productieve arbeid die door hem of haar verricht wordt. In de tweede plaats wordt door de AOb gesuggereerd dat onderwijswerkgevers sjoemelen met het loon dat aan de lio’s-als-werknemer wordt uitbetaald: ze krijgen minder salaris dan in de CAO 2018-2019 met de bonden is afgesproken.
Naar aanleiding van het AOb-artikel in het Onderwijsblad heeft Roelof Bisschop (SGP) schriftelijke Kamervragen (6/12/2019) aan de OCW-ministers gesteld. Eén van de vragen betreft de zorgplicht van de lerarenopleidingen. De lerarenopleiding is contractpartij, zowel in het tripartiete Leerarbeidscontract van de lio-als-werknemer als in het tripartiete Stagecontract van de lio-als-stagiair [zie bijvoorbeeld de Handleiding Werkplekleren van de Hogeschool van Amsterdam]. Naar mijn bescheiden mening heeft zij als contractpartij mede tot taak toe te zien op de studielast en studeerbaarheid van de afsluitende praktijkperiode en op de omvang en kwaliteit van de begeleiding die door de praktijkschool geboden wordt. Maar uit een oogpunt van professionele beroepsethiek heeft zij tevens tot taak erop toe te zien dat de tripartiete overeenkomsten zodanig worden ingericht en nageleefd dat de praktijkschool zich jegens de student, noch gewild noch ongewild, aan machtsmisbruik en uitbuiting schuldig maakt.

Inzagerecht tentamens (III)

Wes Holleman | 20-11-2019 | 1 Reactie » | permalink

Een medische student aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam vertrouwde de uitslag van het door hem afgelegde meerkeuze­tentamen niet. Maar in haar streven de itembank tegen lekken te beschermen, weigerde de studieleiding de tentamenvragen, de antwoordsleutel en het beoordeelde werk over te leggen. De student zocht het hogerop, doch het lokale College van Beroep stelde hem slechts ten dele in het gelijk (Erasmusmagazine 18/11/2019): de examen­commissie Geneeskunde moest de student een kosteloze kopie van zijn ingevulde antwoord­formulier verschaffen. Daar kon het beroepscollege niet onderuit omdat het Europese Hof van Justitie (20/12/2017) in het kader van de Ierse zaak-Nowak heeft bepaald dat het beoordeelde tentamenwerk tot de persoons­gegevens behoort. Op grond van artikel 15 lid 3 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) heeft de student recht op een kosteloze kopie van de persoons­gegevens die door de universiteit worden verwerkt en opgeslagen.
De student nam geen genoegen met deze uitspraak van het beroepscollege: om zijn tentamen­uitslag aan te vechten had hij niet alleen een afschrift van zijn antwoordformulier nodig, maar ook een kopie van de tentamenvragen en van de antwoordsleutel. Het beroepscollege ging daar niet in mee, want deze documenten bevatten geen persoonsgegevens van de student. Dat had anders gelegen als het een tentamen met open vragen was geweest, waarbij de examinator evaluerende commentaren of becijferingen in de marge van het antwoordformulier had geplaatst. In dat geval had het Rotterdamse beroepscollege het oordeel van het Hof wel moeten volgen: dat de student recht heeft op een kopie van het gehele, geannoteerde formulier, want de evaluaties die door de beoordelaar zijn opgesteld, behoren wel degelijk tot de persoons­gegevens van de betrokken student.
De student gaat nu in hoger beroep bij het landelijke College van Beroep voor het Hoger Onderwijs. Ik neem aan dat hij daar zal verwijzen naar de Wet op het hoger onderwijs: in artikel 7.13 lid 2 is bepaald dat studenten niet alleen inzagerecht hebben in hun beoordeelde tentamenwerk maar dat ze ook in de gelegenheid moeten worden gesteld kennis te nemen van de vragen van het afgenomen tentamen en van de antwoordsleutel aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden. Maar ook bij de interpretatie van deze twee wetsbepalingen moet worden meegewogen dat de AVG door het Europese Hof (op.cit.) heel streng wordt uitgelegd. In punt 57 van het arrest wordt namelijk gememoreerd dat de AVG aan de verwerkingsverantwoordelijke faculteit opdraagt de examinandus over zijn verwerkte persoonsgegevens te informeren opdat hij zijn eventuele rechten op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer (rectificatie, uitwissing en afscherming) kan uitoefenen. De student moet dus in staat worden gesteld de juistheid (“nauwkeurigheid en rechtmatigheid”) van de opgeslagen persoongegevens te controleren. Daartoe heeft hij niet alleen een kopie van zijn ingeleverde antwoordformulier nodig maar ook kopieën van de meerkeuzevragenlijst en van de beoordelings­sleutel die bij de evaluatie en becijfering van zijn antwoorden gebruikt zijn. Als ze niet over deze drie documenten kunnen beschikken, staan studenten weerloos tegenover de eventuele kwaliteitsgebreken van multiple-choice tentamens.

Leidt het leenstelsel tot overbelasting en stress?

Wes Holleman | 17-11-2019 | 1 Reactie » | permalink

In het Onderwijsblog van NRC.nl (13/11/2019) signaleert Felienne Hermans uit eigen ervaring dat het leenstelsel de studiedruk en stress bij studenten in het hoger onderwijs vergroot. Als universitair hoofddocent Informatica wordt ze in de eerste plaats ge­confronteerd met de gestegen studiedruk. De afschaffing van de basisbeurs (2015) heeft tot gevolg gehad: a) dat een groter percentage van de voltijdstudenten niet op kamers gaat maar thuis bij hun ouders blijft wonen en b) dat een groter percentage het verlies van de basisbeurs tracht te compen­seren met betaald werk naast hun studie. Zowel door het forensen als door hun werk­student­schap houden ze wekelijks minder tijd voor de studie over. Wat de studie betreft lopen ze dus meer risico om in tijdnood te komen. Verder wordt hun tijdbudget kwetsbaarder voor OV-storingen en voor conflicten tussen werk- en studieroosters. Al met al stijgt het risico dat ze studie­vertraging oplopen doordat ze niet aan hun studieverplichtingen kunnen voldoen.
In de tweede plaats constateert Hermans dat studenten psychisch gestrest raken door de risico’s op studievertraging. Naarmate ze meer studievertraging oplopen, stijgt het saldo van hun opleidingskosten (de som van collegegeld, zorgpremie en kosten van levensonderhoud, gerekend over hun gehele studieduur), hetgeen zal doorwerken in de hoogte van hun eventuele studieschuld die ze na hun afstuderen, rente op rente, moeten terugbetalen. Hermans wijst erop dat deze stress niet alleen veroorzaakt wordt door het leenstelsel maar door de combinatie van het leenstelsel met eerdere bezuinigingsmaatregelen. Ik neem aan dat ze hier doelt op de jaarlijkse verhogingen van het collegegeld (inmiddels bijna 2100 euro), de beperkte duur van de aanvullende studiebeurs, de steeds strengere studievoortgangsnormen in de propedeuse (op straffe van verwijdering uit de opleiding) en de afgenomen flexibiliteit van de onderwijs- en tentamenprogramma’s (zoals de toegenomen schoolsheid, de beperkte herkansings­mogelijk­heden voor tentamens, de beperkte geldigheidsduur van tentamens en deeltentamens, de invoering van de harde knip tussen de bachelor- en masterfase, et cetera). Die afgenomen flexibiliteit maakt dat een eenmaal opgelopen vertraging zichzelf automatisch versterkt: de student loopt een groot risico dat kleine studievertragingen niet meer kunnen worden ingehaald maar, integendeel, tot exponentiële verlenging van de studieduur en groei van de studieschuld leiden.
Hermans baseert deze waarnemingen op eigen ervaring. Want als docent in het hoger onderwijs wordt zij sinds 2015 overstelpt met noodsignalen van haar studenten, voortkomend uit overbelasting en stress. Ze kloppen bij haar aan doordat ze in tijdnood komen, vragen dispensatie van aanwezigheidsverplichtingen en deadlines, bereiden werkcolleges onvoldoende voor en vragen dien­tengevolge vaker extra uitleg van de docent. Ook in de tentamenperioden klinken de noodsignalen alom: studenten protesteren tegen tentamenuitslagen en vermeende kwaliteitsgebreken in tentamens, of ze doen beroep op de coulance van de docent/beoordelaar.
Gezien het bovenstaande moge het trouwens duidelijk zijn dat de vervanging van de basisbeurs door het leenstelsel tevens heeft geleid tot een hogere werklast voor de docenten. En Hermans spreekt bovendien van de persoonlijke stress die daarmee gepaard gaat: moet ik me doof en blind houden voor de nijpender noden waaronder studenten sinds het leenstelsel gebukt gaan, of moet ik barmhartig zijn?