Maatschappelijke diensttijd

Wes Holleman | 22-04-2018 | permalink

Bij de formatie van het kabinet-Rutte III is vorig jaar overeengekomen dat er een Maat­schappelijke Diensttijd voor jongeren zal worden opgetuigd. Een soort Maatschappelijke Stage, maar dan voor meerderjarige jongeren en dus ook niet meer geworteld in het voortgezet onderwijs. De initiatiefnemers, CDA en CU, zijn eigenlijk voorstander van een verplichte variant (maatschappelijke dienstplicht), maar dat idee heeft geen politiek draagvlak gevonden, niet voor minderjarige en evenmin voor meerderjarige jongeren.
Staatssecretaris van VWS, Paul Blokhuis (ChristenUnie), denkt nog een jaar nodig te hebben om op basis van ervaringen in proef­tuinen een definitieve opzet te maken, zodat de Maat­schappelijke Diensttijd in de zomer van 2019 zou kunnen worden ingevoerd. Maar er moeten nog wel wat knopen worden doorgehakt, want op dit moment zijn er ten aanzien van de Maatschappelijke Diensttijd nog aanmerkelijke accentverschillen tussen CDA enerzijds en ChristenUnie anderzijds en tussen het Regeerakkoord van Rutte-III enerzijds en de voorlopige koers van staatssecretaris Blokhuis anderzijds. Die verscheidenheid van accenten wil ik hieronder zichtbaar maken.
Lees verder … (PDF)

Radicalisering?

Wes Holleman | 12-04-2018 | permalink

Het Franse dagblad Libération berichtte onlangs over een sociologisch onderzoek onder 7000 Franse middelbare scholieren van vijftien tot zeventien jaar, woonachtig in stedelijke achterstandsgebieden. Men wilde onderzoeken in hoeverre zij gevoelig zijn voor radicalisering. Een flink percentage (45%) van de geënquêteerde moslimleerlingen (tegen zo’n 18% van de geënquêteerde niet-moslims) kan de moordaanslag van januari 2015 op de redactie van Charlie Hebdo niet voor de volle honderd procent veroordelen en 20% vindt het aanvaardbaar dat mensen in bepaalde gevallen, in de hedendaagse samenleving de wapens opnemen om voor hun godsdienst te strijden. Elsevier Weekblad (5/4/2018) vermeldt in aanvulling daarop nog enkele andere cijfers: dat 80% van alle geënquêteerden (waaronder ook zo’n 73% van de geënquêteerde niet-moslims) van oordeel is dat je niet de spot mag drijven met religies en dat 25% van alle geënquêteerden (en misschien wel een grote meerderheid van de geënquêteerde moslimleerlingen) in dat verband van mening is dat de redactie van het satirisch weekblad Charlie Hebdo ‘het er zelf een beetje naar gemaakt heeft’.
Volgens mij is het lastig om dit soort enquêteresultaten eenduidig te interpreteren. Moet uit deze cijfers worden opgemaakt dat een aanmerkelijk percentage van de moslimleerlingen, afkomstig uit stedelijke achterstandsgebieden, vatbaar is voor radicalisering? Of verwoorden ze gewoon wat iedere leerling op school wordt bijgebracht:
= dat je fatsoenlijk moet omgaan met je medeleerlingen/medeburgers, dat je hen niet mag discrimineren of uitsluiten (bv. op grond van ras, godsdienst of nationaliteit) en dat je hen niet mag vernederen of bespotten omdat ze anders zijn;
= dat ieder voor zijn mening mag uitkomen, maar dat daarbij bij voorkeur de vorm van een constructieve discussie moet worden gekozen, zonder opponenten belachelijk te maken of de grond in te boren;
= dat een samenleving (c.q. schoolgemeenschap) functioneert bij de gratie van wetten en regels en bij de gratie van een autoriteit die naleving afdwingt, brute machtsuitoefening beteugelt en bescherming biedt aan enkelingen en minderheidsgroepen;
= dat je geen fysiek geweld mag gebruiken, maar dat je je mag verweren als je fysiek wordt aangevallen;
= dat je je moet onthouden van pestgedrag en dat pestgedrag gestraft wordt, maar dat voor pesters ook geldt: wie kaatst moet de bal verwachten;
= dat het verdedigbaar (of in elk geval begrijpelijk) is als onderdrukte volkeren of bevolkings­groepen tegen heersers of bezetters in opstand komen, hetzij door geweldloos verzet dan wel gewapenderhand, om hun fundamentele rechten en vrijheden te verdedigen.
Lees verder … (PDF)

OU: leermaterialen niet doorverkopen?

Wes Holleman | 04-04-2018 | 2 Reacties » | permalink

In het februarinummer van Modulair (2018) worden de studenten van de Open Universiteit vermaand dat ze haar leermaterialen niet doorverkopen en dat ze ernstige straffen riskeren als ze dit verbod in de wind slaan. Opmerkelijk is dat de auteurs van het artikel niet de moeite nemen te verwijzen naar concrete wet- of regelgeving waarop dit verbod en de bijbehorende sancties gebaseerd zijn. Waarom mogen OU-studenten hun studieboeken niet doorverkopen, terwijl studenten van andere universiteiten en hogescholen dat wel mogen? Uit het Studentenstatuut van de OU worden we niet veel wijzer. In §5.2 staat slechts dat ze (de aan hen ter beschikking gestelde) OU-publicaties niet mogen openbaar maken of vermenigvuldigen, behoudens kopieën voor eigen gebruik. We moeten concluderen dat de OU haar professionele plicht verzaakt om studenten adequaat en in gewone mensentaal voor te lichten over hun rechten en plichten die in het studiecontract besloten liggen en over de maatregelen die ze bij contractbreuk te duchten hebben. Het lijkt er zelfs op dat de auteurs niet voor faliekante misleiding terugdeinzen: zij suggereren dat de doorverkoper niet alleen civielrechtelijke claims maar ook strafrechtelijke vervolging en tuchtrechtelijke heenzending te wachten staat.
Lees verder … (PDF)

Plagiaat op bestelling (II)

Wes Holleman | 25-03-2018 | 1 Reactie » | permalink

Naarmate men het collegegeld verder opschroeft, komen studenten sterker in de verleiding om te frauderen bij het uitvoeren van hun opgedragen studietaken en -toetsen. Naar verluidt hebben vorig jaar meer dan 20.000 Britse studenten gebruik gemaakt van de diensten van ‘essay mills’: webwinkels waar je tegen betaling een paper of scriptie kunt bestellen die aan je eigen specificaties beantwoordt. Wanneer ze dat werkstuk vervolgens als ware het eigen werk bij de docent indienen, maken ze zich aan plagiaat schuldig. Maar de kans dat ze bij dit soort ‘contract-cheating’ door de mand vallen, is niet groot. Detectieprogramma’s zoals Ephorus en Turnitin slaan immers pas op rood als ze in hun database een tekst vinden die geheel of gedeeltelijk overeenkomt met de digitale tekst die door de student is ingediend.
Maar Turnitin heeft aangekondigd dat ze ook een Authorship Investigation programma op de markt gaan brengen voor het geval dat men twijfels heeft of een werkstuk door de student zelf geschreven is. Met deze software controleert men of de schrijfstijl van een ingediend werkstuk overeenkomt met de schrijfstijl van de student zelf (Daily Telegraph 1/2/2018).
Overigens tracht men de webwinkels ook rechtstreeks aan te pakken, niet alleen via het strafrecht maar ook via de Reclamecode (Daily Telegraph 21/3/2018). Naar aanleiding van een klacht van de Quality Assurance Agency voor het Britse hoger onderwijs is een grote speler, UK Essays, op het matje geroepen door de Britse Reclamecode-commissie ASA, omdat de potentiële klanten op de website van deze leverancier onvoldoende werden gewaarschuwd dat ze strafbaar zijn indien ze zich als auteur van het geleverde product zouden uitgeven. UK Essays heeft zijn website inmiddels aangepast.

Elke school een eigen Professioneel Statuut

Wes Holleman | 18-03-2018 | 1 Reactie » | permalink

Vóór 1 augustus 2018 moet elke school in het primair en voortgezet onderwijs een Pro­fessioneel Statuut hebben vastgesteld. Dat zijn ze wettelijk verplicht. Het gaat om een door schoolbestuur, schoolleiding en leraren gedragen beleidsdocument waarin waarborgen worden geschapen aangaande de zeggenschap (de eigen professionele ruimte) die leraren uit hoofde van hun professionele verantwoordelijkheden nodig hebben over hun werk. Het mbo heeft reeds sinds 2009 een landelijk Professioneel Statuut dat desgewenst op instellingsniveau kan worden aangevuld. Maar in het po en vo wil het nog niet erg vlotten. De VO-raad heeft, evenals de onderwijsvakbonden, een leidraad gepubliceerd. Daarin worden echter geen inhoudelijke uitspraken gedaan over de professionele verantwoordelijkheden van leraren.
De wetgever gaat ervan uit dat leraren niet zomaar werknemers zijn die klakkeloos moeten doen wat de baas zegt, maar dat ze, gegeven hun professionele deskundigheid, hun pro­fessionele relatie met de leerling en diens ouders en hun bijzondere takenpakket, eigen professionele verantwoordelijkheden hebben jegens de leerling, jegens diens ouders en jegens de maatschappij. In sommige beroepsgroepen, zoals de medische, kunnen beroepsbeoefenaren in geval van onprofessioneel handelen zelfs tuchtrechtelijk gestraft worden. Als leraren samen met hun schoolbestuur een Statuut opstellen om hun zeggenschap over hun werk te waar­borgen, moeten ze dus weet hebben van de professionele verantwoordelijkheden waarop ze kunnen worden aangesproken door de leerlingen en hun ouders, door hun beroepsgroep en door de samenleving. Het was de bedoeling dat de Onderwijscoöperatie die verantwoordelijk­heden tijdig zou codificeren in een Professionele Standaard voor Leraren, maar dat is tot nu toe nog niet gelukt.
Lees verder …. (PDF)

Onderwijsraad: de leerling centraal?

Wes Holleman | 04-03-2018 | 1 Reactie » | permalink

Vorig jaar juli heeft de Onderwijsraad op verzoek van het ministerie van OCW een advies­rapport uitgebracht over de vraag in hoeverre de po-, vo- en mbo-leerling (c.q. -student) meer centraal gesteld moet worden gesteld in het onderwijs. Het ministerie heeft aangekondigd dat we uiterlijk 31 maart een beleidsreactie kunnen verwachten van de nieuwe ministers Van Engelshoven (D66) en Slob (CU). Ik ben benieuwd, want het is nogal een wollig rapport geworden. Dat begon al met de steeds wolliger versies van de vraagstelling. In 2015 was de vraag van Bussemaker (PvdA) en Dekker (VVD) nog klip en klaar: we willen de leerling c.q. student centraler stellen, maar er zijn belemmeringen en randvoorwaarden en we weten niet precies hoe we daarmee moeten omgaan? Gaandeweg is die vraag echter steeds wolliger geworden. Kregen de bewindslieden koudwatervrees? Zijn ze teruggefloten door hun politieke achterban of door het onderwijsveld (waar ze later misschien een bestuurlijke werkkring willen vinden)? Of kon de Onderwijsraad niet uit de voeten met de oorspronkelijke adviesvraag van OCW? Dat is natuurlijk allemaal speculatie, maar als je de drie opeenvolgende versies bekijkt, blijft het een wonderlijke draai van De Leerling Centraal!!! naar De Leerling Centraal???
Versie 1 (adviesvraag OCW d.d. 4/6/2015): a) Onder welke condities kunnen leerlingen meer centraal komen te staan in het onderwijs; b) hoe kunnen belemmeringen binnen het bestel op een verantwoorde manier worden weggenomen; en c) welke rand­voorwaarden horen daarbij in acht genomen te worden?
Versie 2 (definitieve adviesaanvraag OCW d.d. 23/3/2016): a) Wat betekent het om de leerling meer centraal te stellen in het onderwijs; b) waar, voor wie en vanuit welk perspectief is dit wenselijk en waar stuiten we op grenzen en paradoxen; en c) wat betekent een beter begrip voor de complexiteit van het centraal stellen van de leerling voor de vormgeving, organisatie en de sturing van het onderwijs?
Versie 3 (herformulering door de Onderwijsraad in de inleiding van zijn eindrapport d.d. 4/7/2017): a) Wat betekent het om de leerling meer centraal te stellen in het onderwijs (dus: wat bedoelt men zoal als men deze ambitie heeft) en b) waar ontmoet deze ambitie grenzen (dus: hoe wenselijk en hoe haalbaar is het om de leerling centraal te stellen)?
Lees verder … (PDF)

Recht op privacy (II): ouders hebben drie petten op

Wes Holleman | 20-02-2018 | 2 Reacties » | permalink

Mijn vorige blogbericht (18/2/2018) ging over het pleidooi van Paul van Meenen (D66) dat scholen minder scheutig moeten zijn met het doorsluizen van leerlinggegevens naar de ouders: scholen moeten de privacy van leerlingen respecteren. Inmiddels hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de ICT-jurist Arnoud Engelfriet laten weten dat leerlingen onder de zestien jaar volgens hen geen recht op privacy hebben ten opzichte van hun ouders. Ik denk (of in elk geval: ik hoop) dat hun bewering op een denkfout berust. Ouders opereren namelijk in drie verschillende hoedanigheden.
1. Ze fungeren als wettelijk vertegenwoordiger van hun kind. Zij hebben dus tot taak de belangen van hun kind tegenover derden te behartigen. Zo kunnen ze de school namens het kind aanspreken als zij onzorgvuldig omspringt met de persoonsgegevens van hun kind of als zij persoonsgegevens zonder hun toestemming naar derden doorsluist. In dat verband hebben zij bijvoorbeeld ook het recht om het leerlingdossier in te zien en om onjuiste gegevens te doen corrigeren. Ook kunnen ze de school aanspreken als zij andere belangen van hun kind schendt (bijvoorbeeld bij onprofessionele beoordeling van leerprestaties of bij onterechte c.q. disproportionele strafoplegging). Namens het kind wordt de school door de ouders ter verantwoording geroepen en zij moet in dat kader ook de nodige gegevens overleggen.
2. Verder bestaat er een soort contract tussen de ouders en de school. Zij hebben hun kind bij deze school ingeschreven in het vertrouwen dat zij goed voor hun kind zal zorgen en dat zij alles eruit haalt wat erin zit. Als contractpartij mogen ze van de school verlangen dat zij periodieke rapportages ontvangen hoe het op school met hun kind gaat.
3. In het algemeen is het ouderlijke inzagerecht en hun recht om hun kind in rechte te vertegenwoordigen (zie 1) nauwelijks controversieel, evenmin als hun recht om als contractpartij periodieke rapportages te ontvangen (zie 2). Maar Paul van Meenen wijst op praktijken die wezenlijk inbreuk maken op de privacy van de leerling: dat de school bij zijn of haar ouders informeert of ze naar eigen believen toegang willen krijgen tot het digitale leerlingvolgsysteem. Daarmee kunnen ze dus in hun rol van opvoeder dagelijks kennis nemen van privacygevoelige leerlinggegevens van hun kind. Kennelijk vergeet de school dat hierbij belangenverstrengeling kan optreden. Enerzijds hebben de ouders de pet op van wettelijke vertegenwoordiger die moet bepalen of het in het belang van het kind is dat privacygevoelige persoonsgegevens naar buitenschoolse derden worden doorgesluisd (zie 1) maar anderzijds zijn de ouders zelf een buitenschoolse (derde) partij. Het risico is dus groot dat ze onvoldoende toetsen of hun intensieve gebruik van leerlinggegevens in het belang van hun kind is. We moeten concluderen dat de school zich niet kan verschuilen achter het inzagerecht van de wettelijke vertegenwoordiger en achter zijn toestemming om persoonsgegevens met de ouders uit te wisselen, maar dat zij ook een eigen verantwoordelijkheid heeft om de privacybelangen van de leerling ten opzichte van zijn of haar ouders te beschermen.

D66: ook pubers hebben recht op privacy

Wes Holleman | 18-02-2018 | 2 Reacties » | permalink

Eind januari besprak de Vaste Onderwijscommissie van de Tweede Kamer de ontwikkelingen rond ICT en digitalisering in het onderwijs. Paul van Meenen (D66) vestigde bij die gelegenheid de aandacht op de nieuwe Europese regels ter bescherming van persoonsgegevens, die na 25 mei 2018 zonder pardon van kracht zullen zijn. Hij vroeg aan minister Arie Slob (PO/VO) hoever de scholen gevorderd zijn met dat privacyproject en in hoeverre het ministerie hen daarin ondersteunt. Meer in concreto vroeg hij of scholen niet te ver zijn doorgeschoten in het doorsluizen van leerlinggegevens naar de ouders. Tegenwoordig komen ouders op hun smartphones en tablets immers van dag tot dag (of zelfs van uur tot uur) te weten hoe het hun kinderen op school vergaat. Moeten we misschien afspraken maken om te voorkomen dat leerlingen, door toedoen van de school, te zeer door hun ouders in hun privacy worden beknot? De minister zegde toe dat hij zal bekijken hoe een parlementaire discussie over de bescherming van privacy binnen het onderwijs geagendeerd zou kunnen worden. Maar daarbij zou hij wel de minister voor Rechtsbescherming (Sander Dekker) moeten betrekken, want die gaat daarover.
Kennelijk voelde Van Meenen zich nogal met een kluitje in het riet gestuurd. Hij piekerde hoe hij in de maanden tot 25 mei binnen de onderwijssector een discussie op gang kon brengen over de bescherming van leerlinggegevens en meer in het bijzonder over de bescherming van de privacy van leerlingen. Dat resulteerde in twee initiatieven. Op maandag 12 februari kwam hij met een buitenparlementaire actie en op dinsdag 13 februari nam hij het woord in de plenaire vergadering van de Tweede Kamer.
Lees verder ….. (PDF)

Coenschool wil een andere naam

Wes Holleman | 22-01-2018 | 3 Reacties » | permalink

De JP Coenschool voor basisonderwijs is genoemd naar Jan Pieterszoon Coen (1587-1629). Hij staat niet alleen bekend als Gouverneur-Generaal van de Oost-Indische VOC-bezittingen, maar ook als de Slachter van Banda: de genocide op bijna 15.000 inwoners van de Banda-eilanden om het VOC-monopolie op de nootmuskaathandel te vestigen. In 1911 werd de openbare JP Coenschool opgericht, gevestigd aan de Madurastraat in de Indische Buurt, een nieuwbouwwijk in Amsterdam-Oost. Twee jaar later startte de aanleg van de Coenhaven (een stukgoedhaven voor onder meer koloniale waren), waarmee de verhuizing van de bedrijvigheid van Amsterdam-Oost naar het Westelijk havengebied werd ingezet. Bij die haven werd vijftig jaar later door koningin Juliana de Coentunnel geopend.
Waarom werd J.P. Coen toentertijd in het zonnetje gezet? Sinds het midden van de negentiende eeuw werden door de Europese mogendheden wereldwijde imperia opgebouwd. Tekenend voor de Hollandse aspiraties in Nederlands-Indië is dat in 1876 een standbeeld van Coen op het plein voor het bestuurscentrum nabij Batavia onthuld werd. In 1893 kreeg hij bovendien een standbeeld in zijn geboorteplaats Hoorn. Maar er was ook een directere aanleiding. De eeuwwende rond 1900: dat was de tijd van de militaire ijzervreter J. B. van Heutsz. Hij was van 1904 tot 1909 Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, maar van 1898 tot 1904 had hij al faam verworven als gouverneur van Atjeh: op zijn bevel werd het gebied, dat zich sinds 1873 tegen het Nederlandse gezag verzette, met bloedig geweld en ten koste van veel burgerslachtoffers gepacificeerd. Hij overleed in 1924, maar drie jaar later kreeg hij alsnog een staatsbegrafenis, met eretekenen overladen en met een praalgraf op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Het is niet vergezocht om te veronderstellen dat het Gemeentebestuur van Amsterdam, als naamgever van de openbare JP Coenschool en van de Coenhaven, niet alleen Jan Pieterszoon Coen wilde eren, maar ook tot uitdrukking wilde brengen dat iedere rechtgeaarde vaderlander zich zonder voorbehoud achter het winstgevende koloniale beleid van de Haagse overheid anno 1911 moest stellen.
Ruim een eeuw later, in 2018, neemt de school het initiatief om haar naam te veranderen aangezien de krijgszuchtige VOC-mentaliteit, schrijnend voelbaar in het optreden van de Slachter van Banda, niet te rijmen valt met de normen en waarden die zij aan haar leerlingen tracht over te dragen.
Lees verder ….. (PDF)

Kerstmis op school (II)

Wes Holleman | 25-12-2017 | 2 Reacties » | permalink

Openbare basisschool De Wateringe te Hellevoetsluis telt ongeveer 135 leerlingen. Op deze opbrengstgerichte ‘high performance school’ wordt samengewerkt en geïnnoveerd om alle leerlingen te laten excelleren, al naar hun individuele capaciteiten. De Oudervereniging (OV) telt maximaal negen leden, die gekozen worden door de ouders. Zij beheert het schoolfonds, dat gevoed wordt door de vrijwillige ouderbijdragen (dit schooljaar door de Medezeggen­schaps­raad vastgesteld op 50 euro per kind, maar minvermogende ouders kunnen beroep doen op het gemeentelijke Sport- en Cultuurfonds). Van dit bedrag worden onder meer het schoolreisje, de feesten en de sportactiviteiten betaald. De leden van de OV assisteren en coördineren bij vele schoolactiviteiten en vormen samen met het onderwijsteam de ruggegraat van de school­organisatie. De OV komt maandelijks in openbare vergadering bijeen, waar ook leden van het onderwijsteam en van de directie aanschuiven.
Op donderdagavond 21 december zou een kerstmaaltijd worden gehouden en de leerlingen zouden ieder één gerecht meebrengen. Maar de OV had besloten dat leerlingen van deze kerstviering zouden worden uitgesloten als hun vrijwillige ouderbijdrage niet was betaald. De ouders van zeventien leerlingen werden daarover aangeschreven, waarna de ouders van tien leerlingen hun ‘schuld’ alsnog vereffenden.
Twee ouders (waaronder Doortje, een dissident uit de OV) waren zó verontwaardigd over deze financiële chantage dat ze het Algemeen Dagblad (19/12/2017) inseinden met de aankondiging dat ze op eigen houtje voor de zeven resterende kinderen een concurrerende kerstmaaltijd in het Buurthuis organiseerden. Uiteindelijk haalde de school bakzeil: ook de kinderen van de ‘wanbetalers’ mochten naar de kerstviering op school. Maar Doortje werd uit de OV gezet omdat ze uit de school had geklapt.