Wat is een trigger warning?

Wes Holleman | 14-04-2021 | 1 Reactie » | permalink

In de digitale Volkskrant (11/4/2021) verscheen een artikel van Emma Curvers over de zin of onzin van ‘trigger warnings’ in de publieksmedia, in het onderwijs en dergelijke. Tijdens het lezen kreeg ik een sterke behoefte om in abstractere vorm weer te geven wat (naar mijn indruk) met de term ‘trigger warning’ bedoeld wordt:
1. Een ‘trigger warning’ is een waarschuwing die ter beschikking wordt gesteld aan potentiële gebruikers van een aangeboden ervaring [bv. een aangeboden leestekst, een item uit het tv-journaal, een speelfilm, een lessituatie, een discussieavond, een trainingssessie]. Die waar­schuwing wordt verschaft in verband met de heftige gevoelens die door deze ervaring bij de gebruiker kunnen worden opgeroepen [getriggerd]. Bijvoorbeeld gevoelens van afschuw, walging, angst, ontreddering, minderwaardigheid, schaamte, pijn, ontremming, euforie, begeerte, woede, haat, agressie. [In de psychiatrie denkt men vooral aan mensen die lijden aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS), voor wie blootstelling aan de nieuwe, aangeboden ervaring tot gevolg kan hebben dat de eerdere traumatische ervaring (bv. een verkrachting) op pijnlijke wijze wordt herbeleefd.]
2. De ‘trigger warning’ wordt verschaft omdat de aangeboden ervaring voor een kwetsbare gebruiker schadelijke gevolgen kan hebben, met name als hij/zij onverhoeds aan die ervaring wordt blootgesteld, in een omgeving die voor hem/haar onvoldoende veiligheid en begeleiding biedt, zonder dat hij/zij daartoe voldoende voorzorgen heeft getroffen en zonder dat hij/zij zichzelf voldoende erop heeft voorbereid. In geval van een groepsgewijze [collectieve] ervaring kan een gebruiker ook schade oplopen door het gedrag van groepsgenoten dat getriggerd is door de aangeboden ervaring. Omgekeerd kan hij/zij ook door zijn/haar eigen gedrag schade toebrengen aan groepsgenoten.
3. De ‘trigger warning’ kan diverse (al dan niet beoogde) functies vervullen:
(a) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld weloverwogen te besluiten of hij/zij zich al dan niet aan de aangeboden ervaring wil blootstellen.
(b) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld weloverwogen te kiezen tussen de aan­geboden ervaringen waaraan hij/zij zich kan blootstellen.
(c) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld een plan te ontwikkelen hoe hij/zij zo groot mogelijk profijt kan putten en zo min mogelijk schade kan ondervinden van de aangeboden ervaring, onder meer door de nodige voorzorgen en voorbereidingen te treffen om de kans op schade te reduceren.
(d) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld met kracht van argumenten te onderhandelen over de alternatieve ervaring die hij/zij zou prefereren boven de ervaring die hem/haar in eerste instantie is aangeboden.
(e) De aanbieder verschaft een waarschuwing over de risico’s van de aangeboden ervaring teneinde te voorkomen dat de verkeerde mensen zich aan de aangeboden ervaring blootstellen (mensen voor wie die ervaring te veel risico’s met zich mee brengt); of teneinde te bevorderen dat potentiële gebruikers de nodige voorzorgen en voorbereidingen treffen om die risico’s te reduceren; of teneinde te voorkomen dat hij later door de gebruiker(s) of door toezichthouders aansprakelijk wordt gesteld voor schade die door de gebruiker(s) is opgelopen.
(f) In het kader van haar emancipatiestrijd eist een belangengroep dat kwetsende aangeboden ervaringen van een waarschuwing worden voorzien teneinde het maatschappelijk onrecht aan de kaak te stellen dat haar leden wordt aangedaan. Of omgekeerd: de leden van de gevestigde orde eisen dat alle pamperende ‘trigger warnings’ worden afgeschaft aangezien ze de funda­mentele normen en waarden van een ‘gezonde’ samenleving ondermijnen.

Vrijheid van meningsuiting van scholieren

Wes Holleman | 06-04-2021 | 1 Reactie » | permalink

Bij het Amerikaanse Hooggerechtshof dient momenteel een zaak die een leerling tegen haar highschool heeft aangespannen. Toen ze in 2017 van de middenschool kwam, hoopte ze tot het cheerleading squad van haar highschool te worden toegelaten. Ze was dan ook hevig teleur­gesteld toen ze hoorde dat ze vooralsnog in het tweederangs juniorteam was geplaatst. Het was op een vrije zater­dag en thuis op haar socialmedia-account schreef ze grove verwensingen naar aanleiding van deze tegenslag: “Fuck school, fuck softball, fuck cheer, fuck everything”. Dat was een beetje onfatsoenlijk voor iemand die als cheerleader en dus als het visite­kaartje van haar school wil optreden. Voor straf werd ze gedurende één jaar uit het juniorteam geschorst. Maar naar haar mening heeft de openbare school met deze sanctie haar recht van vrije meningsuiting geschonden. De rechtbank en het gerechtshof gaven haar gelijk, maar het schoolbestuur wenste deze zaak tot in cassatie uit te vechten. Het draait vooral om de juri­dische vraag of leerlingen door hun school gestraft kunnen worden voor uitingen die zij buiten schooltijd op hun eigen socialmedia-account hebben gedaan (The Fire 31/3/2021, EdWeek 1/4/2021).
Zie ook: Protocol Sociale Media (13/12/2011), Protocol Sociale Media II (2/1/2014), Modelprotocol Sociale Media (Verus, maart 2021)

Yale-docent ontslagen wegens politiek activisme

Wes Holleman | 05-04-2021 | 1 Reactie » | permalink

Forensisch psychiater Bandy Lee, geboren in 1970, is een nationaal en internationaal ge­respecteerd docent en onderzoeker. Ze was verbonden aan de Medical School van Yale University, maar mei 2020 werd ze ontslagen omdat ze als klokkeluider de publiciteit had gezocht. Ze was namelijk samen met vele vakgenoten tot de professionele conclusie gekomen dat president Trump qua per­soonlijkheidsstructuur een ongeleid projectiel was, dat hij in die functie een regelrecht gevaar voor de Amerikaanse samenleving vormde en dat het haar pro­fessionele plicht was zich daarover publiekelijk uit te spreken. InsideHigherEd (30/3/2021) bericht dat ze onlangs een gerechtelijke procedure is gestart om haar ontslag aan te vechten op grond van de academische vrijheid van docenten en onderzoekers (waaronder de vrijheid om wetenschappelijke bevindingen te publiceren en binnen bereik van een wijder publiek te brengen).
De werkgever, Yale University, verweet haar dat ze onprofessioneel heeft gehandeld, in strijd met haar plichten als rolmodel jegens psychiaters-in-opleiding. In de beroepscode (sectie 7:3) staat namelijk dat je geen professioneel oordeel over de geestesgesteldheid van publieke figuren mag publiceren als je hen niet face-to-face onderzocht hebt. Die bepaling staat te boek als de Goldwater Rule, verwijzend naar de actie anno 1964 van 1189 psychiaters die publiekelijk stelden dat de conservatieve presidentskandidaat Barry Goldwater psychologisch ongeschikt was voor de functie van president van de Verenigde Staten. Bovendien verbiedt de ethische code (sectie 7:3) een professioneel oordeel over een cliënt zonder diens toestemming te publiceren.
De werkneemster, Bandy Lee, stelt ter verdediging, (a) dat niet alleen face-to-face onderzoek maar ook observatie tegenwoordig algemeen aanvaard is als onderzoeksmethode om valide psychiatrische of psychologische uitspraken over een cliënt te doen; (b) dat ze haar profes­sio­nele oordeel gebaseerd heeft op minutieus onderzoek naar het publieke optreden van Donald Trump (niet alleen op onderzoek door haarzelf maar ook op onderzoek door vele vakgenoten); (c) dat de bevindingen van dat onderzoek grondig gedocu­menteerd en geboekstaafd zijn; en (d) dat clinici niet alleen moeten worden afgerekend op de Goldwater Rule (sectie 7:3, het belang van de individuele cliënt) maar ook op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid (sectie 7:0, het belang van de samenleving). Verder heeft zij gewetensvol voldaan aan de eis van Yale University dat ze te allen tijde duidelijk maakt dat haar uitspraken voor rekening van Lee-als-wetenschapper komen en beslist niet voor rekening van haar werkgever.
Zie ook: Haar persoonlijke apologie (USA Today 11/10/2019).

Beheersing van de bedrijfscontinuïteit (III):
afstandsonderwijs als back-up

Wes Holleman | 24-03-2021 | 2 Reacties » | permalink

In welke richting moet het hoger onderwijs zich ontwikkelen? Mei 2018 werd door de Neder­landse universiteiten en hogescholen een vierjarig project opgezet: het Versnellingsplan Onderwijs­innovatie met ICT. Doel is een krachtige impuls te geven aan de invoering van Informatie- en CommunicatieTechnologie in het hoger onderwijs. Het ministerie van OCW en SURF spelen een cruciale rol in de projectorganisatie. Halverwege kreeg het Versnellings­project een onverwachte duw in de rug: door de Corona­crisis moesten de universiteiten en hogescholen hun deuren sluiten en op afstandsonderwijs overstappen. Dat vereiste veel impro­visatie, want het ontbrak hun aan tijd en ervaring om tot een weldoordacht onderwijsontwerp te komen. De Open Universiteit (OU) was de enige bekostigde instelling die sinds 1984 ruime ervaring had opgedaan met het ontwerpen en organiseren van afstands­onderwijs voor deeltijdstudenten. In de eerste decennia mikte zij daarbij op schriftelijk onderwijs, maar vanaf 2005 maakte zij ook hoe langer hoe meer gebruik van de mogelijkheden die de informatie- en communicatietechnologie biedt.
Het hoger onderwijs staat nu op een tweesprong die er op het eerste gezicht aldus uitziet. a) Keren we na de Coronacrisis terug naar het Oude Normaal: de nadruk ligt op contact­onderwijs, maar dat wordt aangevuld met ICT voor zover dat tot betere diensten aan studenten, tot hogere kwaliteit van de afgestudeerden of tot lagere opleidingskosten leidt? Of kiezen we voor b): we zetten de doelen van het Versnellingsproject centraal in ons onderwijsbeleid voor de komende decennia.
Maar bij nader inzien denk ik dat we de tweesprong iets specifieker moeten definiëren. a) Keren we terug naar het Oude Normaal (verrijkt met ICT)? Of kiezen we voor b): we moeten ervoor zorgen dat het hoger onderwijs minder kwetsbaar wordt voor calami­teiten zoals de Corona­crisis. Oftewel: hoe kunnen we voorkomen dat het hoger onderwijs in geval van calamiteiten ontwricht wordt? Hoe kunnen we als onderwijsinstelling onze bedrijfscontinuïteit verbeteren als er ontwrichtende calamiteiten optreden? En hoe kunnen we de benodigde hersteltijd in zo’n geval bekorten, zodat de studievoortgang en het welzijn van studenten zo min mogelijk ge­schaad wordt en dat extra studievertraging voorkomen wordt?
Lees verder … (PDF)

Beheersing van de bedrijfscontinuïteit (II):
de stagegarantie in het mbo

Wes Holleman | 24-02-2021 | 1 Reactie » | permalink

Scholen behoren hun best te doen om hun leerlingen te beschermen tegen het risico dat een deel van het geplande onderwijs­programma door calamiteiten opgeschort of geannuleerd moet worden en dat de leerlingen daardoor in de kou blijven staan. In de bedrijfskunde wordt dat Business Continuity Management genoemd: zorg dat je ook in het geval van ‘zwaar weer’ kwaliteit kan blijven leveren en dat eventuele averij snel hersteld kan worden. Het zou geen gek idee zijn als de Onderwijsinspectie periodiek zou toetsen of de door de overheid bekostigde scholen over een geloofwaardig bedrijfscontinuïteitsplan beschikken waarin scenario’s voor diverse calamiteiten zijn uitgewerkt. Zo heeft het beroepsonderwijs een scenario nodig voor het geval dat er een tekort aan stageplaatsen optreedt (en tevens voor het geval dat kwetsbare leerlingen niet of nauwelijks kans zien tijdig een stageplaats te bemachtigen).
In 2014 diende het Kamerlid mr. Tanja Jadnanansing (PvdA) een initiatiefnota in, waarin werd voorgesteld dat mbo-scholen bij de toelating van studenten moeten garanderen dat de verplich­te stages (beroepsprakijkvorming) inderdaad beschikbaar zullen zijn en dat die stages zodanig begeleid zullen worden dat de vereiste competenties inderdaad verworven en afgetekend kunnen worden (3/3/2014). Het sluitstuk van haar voorstel was (a) dat de school de zeilen naar de wind zet en dus het toegelaten aantal studenten aanpast aan het te verwachten aantal beschikbare stageplaatsen; en (b) dat de school een vervangende praktijkopdracht moet aan­bieden als er onverhoopt geen stageplekken voorhanden blijken te zijn. In een Kamerbrief (3/7/2014) ant­woordt minister Busse­maker dat een vervangende praktijkopdracht in noodgevallen is toe­gestaan, maar dat de student ook in overweging moet worden gegeven: (c) alsnog om te zwaaien naar een andere beroepsopleiding. Wat het instellen van een numerus fixus betreft (de optie a), stelt de minister dat deze gebaseerd moet worden op structurele arbeidsmarkt­progno­ses en niet op een tijdelijk tekort aan stage­plaatsen. [Met andere woorden: het mbo moet in zijn toelatingsbeleid prioriteit geven aan de maatschappelijke vraag naar gekwalificeerde arbeids­krachten en niet aan de ethische roep om stagegaranties voor toegelaten studenten.] Uiteinde­lijk zegt de minister duidelijk waar het op staat (26/5/2016): de mbo-instelling kan worden aangesproken op het verzaken van haar zorgplicht [een inspanningsverplichting], maar zij kan niet door studenten aansprakelijk worden gesteld als er geen stageplaats kan worden gevonden en als studenten daardoor studievertraging oplopen, want op dat punt is er een gedeelde verantwoordelijkheid die bij onderwijsinstelling, student en stagebiedend bedrijfs­leven tezamen ligt.
Vier jaar later, maart 2020, moest worden geconstateerd dat deze ministeriële uitgangspunten niet toekomstbestendig zijn. Het Nederlandse onderwijs werd ontwricht door de corona­pande­mie en in rap tempo werden overheidsmaatregelen uitgevaardigd om de crisis het hoofd te bieden.
Lees verder … (PDF)

Beheersing van de bedrijfscontinuïteit (I)

Wes Holleman | 14-02-2021 | 1 Reactie » | permalink

Het categoraal gymnasium Johan van Oldenbarnevelt (JvO) is gevestigd in Amersfoort. Het is een excellente school voor ambitieuze vwo-leerlingen. Het onderwijs wordt grotendeels ver­zorgd door eerstegraadsdocenten en de resultaten liggen elk jaar boven het landelijk gemiddel­de. Om de bovenbouwleerlingen te stimuleren het beste uit zichzelf te halen, worden de toetsen van het lokale schoolexamen heel streng becijferd. Ten gevolge daarvan haalt de gemid­delde leerling op de lokale schooltoetsen niet meer dan magere zesjes of zevens, terwijl ze op de landelijke (centraal afgenomen) examenonderdelen veel hoger scoren.
Maar vorig jaar kreeg het JvO met deze toetsstrategie de kous op de kop. Het Nederlandse onder­wijs werd ontwricht door de COVID19-pandemie, waardoor het centraal-schriftelijk exa­men moest worden afgelast. Een mooie cijferlijst? Die konden de eind­examenkandidaten van het JvO op hun buik schrijven, want de schrale cijfers van de lokale schooltoetsen werden niet gecompen­seerd door de hogere cijfers die zij op het centraal-schriftelijk hadden mogen ver­wachten. De schoolleiding trachtte de paniek te bezweren met de aankondiging dat de cijfers van het lokale schoolexamen alsnog zouden worden opgehoogd aan de hand van de examen­resultaten van vorige leerlingcohorten. Maar zij werd teruggefloten door het ministerie: haar provisorische Plan B moest worden teruggedraaid.
Kortom: door onvoorziene omstandigheden (de landelijke afgelasting van het centraal-schrifte­lijk vwo-examen in 2020) werden de eindexamenkandidaten van het JvO gedupeerd. Dat kwam doordat hun toetsprestaties op het schoolexamen lager becijferd waren dan ze eigenlijk ver­diend hadden. De school heeft haar leerlingen dus schade berokkend en zij heeft daarmee zelf ook reputatie­schade opgelopen. Had dat voorkomen kunnen worden? Dat weet ik niet, maar het ziet er in elk geval naar uit dat het JvO tekort is geschoten in de planmatige beheer­sing van de continuïteit van haar bedrijfsprocessen. Door bedrijfskundigen wordt dat kort­weg aangeduid als Business Continuity Management (BCM), oftewel Beheersing van de Bedrijfscontinuïteit. Wat is BCM?
Lees verder … (PDF)

De bestorming van het Capitool

Wes Holleman | 13-01-2021 | 1 Reactie » | permalink

Dinsdag 3 november 2020 was de grote dag. Het Amerikaanse volk moest kiezen tussen de zittende president Donald Trump en zijn uitdager Joe Biden. Trump verloor. Toen het Congres op het punt stond de verkiezingsuitslag ceremonieel te bekrachtigen, 6 januari 2021, werd het Capitool bestormd door woedende Trump-aanhangers. Biden sprak van een ongekende aanval op de democratie. De volgende dag verscheen op de website van Education Week een hoofd­artikel met lesideeën: how to teach the U.S. Capitol Attack?
Ik denk dat de meeste leraren zich ertoe zullen beperken hun leerlingen voor te lichten over de formele spelregels van het democra­tisch proces en over gangbare definities van respectievelijk demonstranten, opstandelingen en ‘domestic terrorists’. Ze zullen de vingers niet willen branden aan het ware relaas over de ondermijning van het algemeen kiesrecht. In dat relaas, dat de periode van maart 2020 tot 6 januari 2021 bestrijkt, worden drie Trumpiaanse denk­stappen onderscheiden:
1. Stop postal voting: het stemmen per post is fraudegevoelig en moet dus zoveel mogelijk worden afgeremd (Wikipedia 2021a);
2. Stop counting: de stemmen die op het nippertje per post zijn uitgebracht, moeten niet worden meegeteld (YouTube 4/1/2021a; Time 4/1/2021);
3. Stop the steal: de verkiezingsuitslagen van de ‘swing states’ moeten ongeldig worden verklaard (Wikipedia 2021b; YouTube 8/1/2021b).
Maar dat relaas betreft vooral het getouwtrek (maart 2020 in gang gezet door Donald Trump) over stemmen per post. Emeritus-hoogleraar Andrew Winnick heeft in oktober 2020 een essay geschreven waarin hij laat zien dat de democratie van de Verenigde Staten in méér dan één opzicht geteisterd wordt door manipulaties waarmee het algemeen kiesrecht [one (wo)man one vote] wordt uitgehold. Het essay is gepubliceerd en vertaald door Monika Triest (2020a, 3/11/2020b).
Als leraren dergelijke fundamentele kritiek op de Amerikaanse democratie zouden uitdragen, worden ze vermoedelijk per omgaande als ‘un-American’ nestbevuilers weggezet. En ze maken zich volstrekt onmogelijk als ze bovendien (in navolging van Winnick) de invoering van het evenredig kiesrecht zouden propageren, in plaats van het Amerikaanse systeem van Winner takes all.

Oudjaar 2020: professionele terughoudendheid (II)

Wes Holleman | 31-12-2020 | 1 Reactie » | permalink

Dit jaar verschenen er 47 blogberichten op Onderwijsethiek.nl. De inhoudsopgave tref je HIER aan. Een belangrijk thema, dit jaar, was het spanningsveld tussen de academische vrijheid (ook wel professionele ruimte genoemd) en de vrijheid van meningsuiting. Bij de uitoefening van hun burgerlijke vrijheid van meningsuiting moeten docenten professionele terughoudendheid be­trachten.
Begin dit jaar schreef ik over een mbo-docente (22/1/2020). Ze was betrokken bij een revolu­tionair vernieuwingsproject in haar op­leiding. Maar er ging nogal wat mis en de studenten waren daar de dupe van. Als ‘reflective professional’ schreef ze een feitelijk doch kritisch ver­slag van het project. Die professionele ruimte heb je nodig om samen met je collega’s te leren van gemaakte fouten. Maar tot ontsteltenis van de betrokkenen besloot ze vervolgens het verslag in boekvorm te publiceren. Zij beriep zich op de vrijheid van meningsuiting, maar juist in arbeidsorganisaties worden daaraan beperkingen gesteld. Bij de keuze van het publicatie­medium en het beoogde publiek had ze onvoldoende rekening gehouden met de belangen van haar collega’s, van haar studenten en van haar werkgever. Ze werd op grond van de verstoorde arbeidsrelatie ontslagen.
In maart beschreef ik een incident met het deeltentamen Propositielogica aan de Utrechtse universiteit (8/3/2020). De docenten wilden eens leuk doen met hun tentamenopgaven en poneerden negatief geladen proposities over de politieke partij van Thierry Baudet. Deze humoristische antipropaganda getuigt van gebrek aan professionele terughoudendheid bij de uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting. En voor examinatoren is dat al helemaal uit den boze.
Een paar weken later (22/3/2020) wijdde ik een blogbericht aan de vrijheid van meningsuiting in het Amerikaanse hoger onderwijs. Volgens het Amerikaanse rechtssysteem kunnen perso­neelsleden en studenten binnen openbare onderwijsinstellingen aanspraak maken op de grond­wettelijke vrijheid van meningsuiting. In dat verband mogen studenten ook gastsprekers van allerlei pluimage uitnodigen teneinde een eigen mening te vormen. Maar zodoende komen ook anti-intellectuele gastsprekers en agitatoren de campus binnen. Dat wringt met de missie van de universiteit om haar studenten academische vorming te bieden, om hun maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te bevorderen en om een platform bieden voor constructief weten­schappelijk en maatschappelijk debat. Hoe kun je die vormingstaak jegens studenten vervullen als je wettelijk verplicht bent hen zonder restricties aan een spervuur van verwerpelijke op­vattingen bloot te stellen?
De vrijheid van meningsuiting kent ook een confessionele variant. Mogen christelijke en islamitische scholen in het kader van de religieuze vorming verkondigen dat homoseksueel gedrag zondig is? Ja, dat valt binnen hun confessionele vrijheid van menings­uiting, zegt de Onderwijsinspectie (blog 15/3/2020). Net zo goed als ze mogen verkondigen dat seks vóór of buiten het huwelijk zondig is. Maar scholen handelen in strijd met hun burgerschapsopdracht als ze homoseksuele leerlingen zouden discrimineren of als ze zouden beweren dat homo­seksuelen gediscrimineerd mogen worden (29/11/2020). In dat opzicht moeten ze dus profes­sionele terughoudendheid betrachten. En dat muisje krijgt nog wel een staartje: in hoeverre zal de Onderwijsinspectie in het licht van hun wettelijke burgerschapsopdracht toestaan dat christelijke en islamitische scholen corrigerend of remediërend optreden tegen leerlinggedrag dat zij als zondig bestempelen?
Lees verder … (PDF)

Rob Kickert zegt: strenger studieadvies werkt

Wes Holleman | 13-12-2020 | 4 Reacties » | permalink

Vrijdag 4 december promoveerde Rob Kickert op het proefschrift Raising the bar (EUR 3/12/2020, NRC 3/12/2020). Hij heeft de effectiviteit van de strenge examenregeling van de Rotterdamse opleidingen Bedrijfskunde, Geneeskunde en Psychologie onderzocht. Die regeling houdt in dat alle studenten die aan het eind van hun eerste studiejaar vertraagd zijn geraakt, middels een ‘bindend studieadvies’ (BSA) uit de opleiding worden verwijderd, tenzij ze per­soon­lijke omstandigheden kunnen aanvoeren die de studie­vertraging veroorzaakt hebben. Hij con­cludeert dat die regeling inderdaad tot een hoger studietempo leidt. Prompt heeft VVD-parlementariër Dennis Wiersma Kamervragen (4/12/2020) aan minister Van Engelshoven gesteld: welke beleidsconclusies verbindt u aan deze onderzoeksbevindingen? De minister zou het volgende kunnen antwoorden:
1. De Rotterdamse examenregeling (“Nominaal=Normaal”) staat op gespannen voet met de Wet op het hoger onderwijs (WHW), waarin bepaald is dat één studiepunt voor de gemiddelde student 28 uur kost. Een jaarlast van 60 studiepunten kost de gemiddelde student dus 1680 uur. Het bindend studieadvies wordt vlak na het begin van de zomervakantie uitgebracht, dus eer­stejaarsstudenten hebben slechts 42 werkweken van 40 uur tot hun beschikking om de vereiste 60 studiepunten te verwerven. Maar dan hebben we het over de gemiddelde (=mediane) stu­dent. Vijftig procent van de aankomende studenten heeft méér dan 1680 uur nodig om de wette­lijke studielast te verzetten: hun individuele studielast is derhalve, 10 maanden lang, méér dan 40 uur per week. Die ‘slechtere’ helft van het studentencohort omvat deels ongeschikte, maar deels ook geschikte studenten. Een groot risico van de Rotterdamse examen­regeling is dat geschikte studenten overbelast worden en ten onrechte worden weggestuurd.
2. In dat verband kan de minister erop wijzen dat vele studenten zinloos worden rondgepompt: ze worden bij de ene instelling middels een BSA uit de opleiding verwijderd, waarna ze die­zelfde opleiding bij een andere instelling met succes doorlopen.
3. Bij de evaluatie van de Rotterdamse examenregeling moet men tevens rekening houden met het risico dat overbelaste eerste­jaars­studenten weliswaar de BSA-norm halen, maar in hun tweede verblijfsjaar veel hersteltijd nodig hebben. Het risico is dus dat hun belastbaarheid na het succesvolle eerste jaar omlaag duikelt en dat ze ten gevolge daarvan in hun tweede jaar veel vertraging oplopen.
4. Verder kan de minister erop wijzen dat er nergens in Nederland experimentele evaluaties van BSA-examenregelingen onder­nomen zijn (cf. Spaai et al. 2019). Zo is het denkbaar dat de gemeten positieve effecten van de nieuwe (strenge) examenregeling van een opleiding (in ver­gelijking met de oude, minder strenge examenregeling van die opleiding) te danken zijn aan het feit dat aspirant-studenten die willen (of moeten) werken naast hun studie, naar een zuster­opleiding aan een andere onderwijsinstelling uitwijken. Anders gezegd: als je hier een strenge examenregeling invoert, dan krijg je een waterbedeffect op de instroompopulatie, hetgeen be­tekent dat de aspirant-studenten met een relatief lage slaagkans hun heil elders zoeken. Daar­door krijg je een geflatteerd beeld van de effectiviteit van de nieuwe examenregeling.
5. Tot zover de algemene kanttekeningen. Als de minister dieper wil graven moet zij het proef­schrift zelf ter hand nemen, maar bij mijn weten is dat nog niet verkrijgbaar (RidderPrint). Gelukkig zijn er wel enkele andere bronnen beschikbaar die enig licht werpen op de vermoede­lijke inhoud van het proefschrift, namelijk Kickert et al. (23/11/2020), EUR (16/11/2020) en Adriaans et al. (2013). Hieruit kan de minister de volgende kanttekeningen putten:
Lees verder … (PDF)

Tweede Kamer: nieuwe burgerschapsopdracht

Wes Holleman | 29-11-2020 | 2 Reacties » | permalink

[1. ACTIEF BURGERSCHAP EN SOCIALE COHESIE:] Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doel­gerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op:
[1.1] het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grond­wet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens, en [1.1A] het handelen naar deze basis­waarden op school;
[1.2] het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving; en
[1.3] het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensover­tui­ging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.
[2. SCHOOLCULTUUR:] Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden [be­doeld in 1.1], creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en ge­accepteerd weten, on­geacht de [in 1.3 genoemde] verschillen.
Lees verder … (PDF)