Verboden te filmen in de klas (III)

Wes Holleman | 15-07-2019 | 1 Reactie » | permalink

Oktober 2018 publiceerde mr. Lucien Stöpler een digitale brochure over Verantwoord Burgeronderzoek: een juridische handleiding voor burgers die zelf opsporingsonderzoek willen doen en het benodigde bewijs tegen een boosdoener willen verzamelen. Eigenlijk hebben leerlingen op de middelbare school ook zo’n soort handleiding nodig, maar dan specifieker: een juridische handleiding voor leerlingen die last hebben van grensoverschrijdend gedrag van een leraar en die daar iets tegen willen doen. In de beslotenheid van het klaslokaal is de leraar heer en meester en als hij of zij zich in die situatie aan onprofessioneel, grensoverschrijdend gedrag te buiten gaat, kunnen leerlingen zich nauwelijks daartegen verweren. Neem de ervaringen van Puddingpower (Onderwijsethiek 22/5/2019): de leraar Natuurkunde slingerde zijn leerlingen telkens weer denigrerende beledigingen naar het hoofd, maar de mentor en de teamleider hielden zich doof voor klachten. Uiteindelijk maakte de klas een geluidsopname van zijn onophoudelijke wangedrag en we mogen hopen dat de teamleider daarin aanleiding heeft gevonden om hem serieus aan te spreken. Overigens is er een dikke kans dat ook de klagende leerlingen een douw hebben gekregen, want het maken van beeld– of geluidsopnames is ongetwijfeld in strijd met de lokale schoolregels, evenals het delen van die opnames op WhatsApp (de groepsapp van de klas). Zie het recente Modelprotocol Sociale Media van de landelijke scholenvereniging Verus.
Ook het ministerie stelde onlangs in een Kamerbrief (11/7/2019) dat het omwille van de sociale veiligheid van het onderwijs­personeel onwenselijk en onwettig is dat leerlingen zonder toestemming beeldopnames van klassesituaties maken en op sociale media publiceren (zie ook Onderwijsethiek 10/4/2019). In de Kamerbrief blijft onvermeld dat het niet in strijd is met de wet (WvS artt. 139a, 139b) om in de klas heimelijk geluidsopnamen te maken.
Evenmin wordt in de Kamerbrief de vraag aan de orde gesteld of het in sommige gevallen juridisch verdedigbaar is dat leerlingen heimelijk beeldopnames in de klas maken (en deze met elkaar delen op de groepsapp van de klas), namelijk indien dat de enig-mogelijke geweldloze manier is om flagrante schendingen van hún sociale veiligheid aan de kaak te stellen. Wel­iswaar is dat volgens artikel 139f WvS verboden, maar dan rijst de vraag of de rechters soms bijzondere afwegingen maken (Onderwijsethiek 13/5/2014; Rechtspraak.nl 16/5/2014, par.4.9).
Er is dus dringend behoefte aan een juridische handleiding voor leerlingen in het voortgezet onderwijs, gebaseerd op de wetgeving (waaronder de Europese Verordening Gegevens­bescherming) en de bijbehorende jurisprudentie, waarin gedetailleerd wordt uitgelegd in hoeverre zij in het klaslokaal beeld- of geluidsopnames kunnen maken van grens­overschrijdend gedrag van leraren en die opnames kunnen delen op WhatsApp (de groepsapp van de klas), met het doel om klachten bij de mentor, teamleider of vertrouwens­persoon te adstrueren. Een dergelijke handleiding kan tevens nuttig zijn voor leerlingen die zich genoopt voelen pestgedrag (of ander extreem grensoverschrijdend gedrag) van medeleerlingen in de klas op te nemen.

Counselors tegen homoseksuele zondaars (II)

Wes Holleman | 08-07-2019 | permalink

Felix Ngole, een vrome christen, volgde een tweejarige graduate beroepsopleiding Maat­schappelijk Werk aan de University of Sheffield. Toentertijd was Kim Davis in het nieuws, een gekozen County Clerk (hoofd van het bureau Burgerlijke Stand) die als christen met gewetensbezwaren kampte sinds in haar naam ambtelijke huwelijksvergunningen moesten worden afgegeven aan personen van hetzelfde geslacht. In een Facebookdebat daarover liet Ngole blijken dat homoseksueel gedrag naar zijn persoonlijke religieuze overtuiging zondig is. Hij werd uit de opleiding verwijderd om reden dat iemand die een dergelijke opvatting wereldkundig maakt, kennelijk ongeschikt is om met homoseksuele cliënten om te gaan. Hij ging daartegen in beroep bij het gerechtshof, waar hij echter bot ving (BBC 27/10/2017). Maar Ngole hield vol dat zijn vrijheid van meningsuiting zodoende werd aangetast (vergelijk ook Onderwijsethiek 7/11/2009). Het hooggerechtshof heeft nu het vonnis van het gerechtshof vernietigd (BBC 3/7/2019).
Deze casus lijkt enigszins op twee Amerikaanse casussen van christelijke studenten in de beroepsopleiding tot schooldekaan (Onderwijsethiek 10/1/2012). Het verschil is echter dat er geen aanwijzingen zijn dat Ngole zich aan discriminatie tegen homoseksuelen schuldig zou maken. De Amerikaanse studenten daarentegen weigerden om in het kader van hun opleiding homo­seksuele cliënten te begeleiden, of konden niet beloven dergelijke cliënten in hun waarde te zullen laten. Weliswaar maakte ook de Amerikaanse County Clerk zich aan discriminerend gedrag schuldig (zij zwichtte pas toen bij wijze van compromis haar naam als hoofd­ondertekenaar van het vergunningsdocument geschrapt werd, waarmee alle schijn vermeden werd dat zij de partners-in-ondertrouw haar christelijke zegen meegaf). Maar Ngole constateerde slechts dat Kim Davis voor een ethisch dilemma stond tussen haar persoonlijke waardensysteem en dat van haar overheidsambt.

Preventieve censuur door Britse universiteiten

Wes Holleman | 07-07-2019 | permalink

De Universiteit Utrecht heeft nieuwe regels ingevoerd om commerciële en ideële reclame tegen te gaan. Het is voortaan verboden op de campus propaganda te maken voor politieke partijen of religieuze/levensbeschouwelijke instellingen (DUB 1/7/2019). Hiermee begeeft de universiteit zich op glad ijs. Tracht men docenten en studenten slechts te beschermen tegen de marketingcampagnes van allerlei groeperingen om leden te winnen, kiezers te trekken en fondsen te werven? Of bestaat er het risico dat de nieuwe regels ontaarden in censuur waarmee de opvattingen van (sommige) politieke, religieuze en levensbeschouwelijke groeperingen op de campus geweerd worden? Blijkens recente Britse ervaringen kan de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting in een vloek en een zucht ongedaan worden gemaakt.
In het Verenigd Koninkrijk kampen de universiteiten en hogescholen momenteel met gevolgen van de Prevent Strategy: de preventieve censuur die ze sinds 2015 in opdracht van de Britse regering hebben doorgevoerd (Index on Censorship, nov. 2018, p.12f). Om te voorkomen dat moslimstudenten radicaliseren, wordt van de instellingen verwacht dat ze extremistische gastsprekers van de campus weren. Het Londense Court of Appeal heeft jongstleden maart gevonnist dat deze ‘prevention duty’ te streng is geformuleerd, waardoor de instellingen zich gedwongen voelen ook onschuldige gastsprekers voor alle zekerheid de deur te wijzen (Guardian 8/3/2019) . Verder gaat een positieve beschikking vaak met beperkende voorwaarden gepaard (zie bijvoorbeeld Onderwijsethiek 21/4/2015), om nog maar te zwijgen van de zelfcensuur waartoe organisaties van moslimstudenten onder de dreiging van de universitaire toezichthouders zijn overgegaan (Guardian 21/6/2019, 1/7/2019).

Tentamenleed

Wes Holleman | 04-07-2019 | 2 Reacties » | permalink

Het loopt tegen de zomervakantie, dus er is veel tentamenleed. Maar soms lijkt het erop dat de tentaminator in de fout is gegaan. Drie voorbeelden:
1. Blogger Jimmy doet de hbo-opleiding Facility Management van de Hogeschool Rotterdam. Hij klaagt erover dat hij te weinig tijd kreeg om zijn openboektentamen te maken (Profielen 2/7/2019). Je moest eerst de casus lezen, die vijf pagina’s in beslag nam. Vervolgens moest je zeven open vragen beantwoorden. Bij de laatste twee vragen kwam hij in tijdnood. Ook bleef er geen tijd over om dingen in het boek na te slaan en om het gemaakte tentamenwerk nog eens rustig na te lezen. Als men de tentamendeelnemer onder zo’n zware tijdsdruk zet kan men volgens Jimmy niet meer vaststellen of hij (zij) de stof voldoende beheerst. Bovendien krijgt de aanstaande beroepsbeoefenaar de boodschap mee dat efficiency ten koste van kwaliteit mag gaan.
2. Op Punt Avans (27/6/2019) wordt verslag gedaan van een beroep dat een studente had aangespannen tegen de examencommissie Social Work. In de cursushandleiding van het desbetreffende vak stond hoeveel vragen je goed moest beantwoorden om een voldoende tentamencijfer te halen. Hiermee was voldaan aan de bepaling van de Onderwijs- en Examen­Regeling dat bij de start van de onderwijseenheid bekend moet worden gemaakt ‘welke beoordelingscriteria en –normen we gebruiken.’ De normering uit de cursushandleiding is echter naderhand aangepast, want de cursusleiding had de statistische raadkans van haar meerkeuzevragen ten onrechte buiten beschouwing gelaten. De nieuwe normering was in week 6 en 7 op het hoorcollege bekend gemaakt, maar deze studente had geen colleges gevolgd en was daarvan dus niet op de hoogte. Zij beschouwde de cursushandleiding als een (toe­tredings-)contract dat niet zomaar gewijzigd kan worden. Het lokale College van Beroep ging niet met deze redenering mee en heeft haar beroep ongegrond verklaard. Ik vraag me af of het landelijke beroepscollege (CBHO) daar ook zo over denkt: moeten dergelijke fundamentele errata op de cursushandleiding niet in een persoonlijke mail aan iedere potentiële tentamen­deelnemer bekend worden gemaakt en is het überhaupt aanvaardbaar dat dergelijke errata pas in week 6 en 7 van de cursus worden recht­gezet?
3. Op19 juni deden de eerstejaarsstudenten van de Leidse Engelstalige opleiding International Bachelor Psychology hun tentamen Cognitive Pychology. Maar velen waren vooraf al op de hoogte van de tentamenvragen, want deze waren (nagenoeg) gelijk aan die van vorig jaar (Mare 28/6/2019). De examencommissie van de opleiding zou zich begin juli buigen over de vraag of het tentamen ongeldig moet worden verklaard.

Bacheloropleidingen zonder BSA

Wes Holleman | 23-06-2019 | permalink

Bijna alle wo- en hbo-opleidingen in den lande hanteren een Bindend StudieAdvies: studenten worden uit de bacheloropleiding verwijderd als ze in hun eerste verblijfsjaar niet genoeg studievoorgang weten te boeken. Zoals in een eerder blogbericht (4/9/2018) te lezen valt, staat minister Van Engelshoven zeer kritisch tegenover de huidige BSA-praktijk. Oorspronkelijk was het BSA namelijk bedoeld om ongeschikte studenten heen te zenden, maar in de laatste decennia is de BSA-norm gaandeweg door faculteiten op­gehoogd om studenten meedogenloos achter de vodden te zitten (en werkstudenten te weren).
Maar in de Maastrichtse faculteit Gezondheid, Geneeskunde en Levenswetenschappen gelden schappelijker regels. Bijvoorbeeld voor de studenten Geneeskunde: niemand wordt weg­gestuurd, eenmaal behaalde studiepunten blijven geldig, en als je in het eerste verblijfsjaar minimaal 33 van de 60 studiepunten hebt behaald, kun je voorwaardelijk tot het programma van het tweede cursusjaar worden toegelaten.
De faculteit Business, Media en Recht van de hogeschool Windesheim gaat met ingang van komend studiejaar ook die kant op (WIN’ 16/5/2019, 6/6/2019): je wordt niet weggestuurd en eenmaal behaalde studiepunten blijven staan. Maar bij BMR wordt een zeer hoge toe­latingsdrempel tot het tweede cursusjaar gehanteerd. Pas als je 54 van de 60 propedeutische studiepunten hebt gehaald, mag je (naast het resterende propedeuseprogramma) aan het tweede cursusjaar beginnen. Wie daaronder zit, wordt dus met gedwongen leegloop geconfronteerd. Dat beantwoordt nauwelijks aan het beleidsperspectief dat het College van Bestuur van Windesheim voor ogen heeft gestaan (WIN’ 17/1/2019a, 17/1/2019b, 28/2/2019, 28/3/2019, 1/4/2019).
Een veel positievere insteek wordt gekozen in de opleiding Huidtherapie van de Hogeschool Utrecht (Trajectum 17/6/2019, 7/2/2018). Evenals bij de Geneeskunde in Maastricht kent deze opleiding toelatingsselectie aan de poort (decentrale selectie op grond van een numerus fixus), hetgeen een nadere propedeutische selectie minder urgent maakt (Holleman 25/2/2013, 1/9/2014). Het bindend studieadvies wordt met ingang van het komende studiejaar afgeschaft. De studenten worden begeleid in hun individuele studieplanning. Een strikte drempel is slechts dat studenten niet aan hun derdejaarsstage mogen beginnen voordat alle 60 prope­deutische studiepunten vergaard zijn.

Demonstratievrijheid: geen demonstratieplicht

Wes Holleman | 11-06-2019 | permalink

Nederlandse en Vlaamse scholieren demonstreren sinds begin dit jaar voor een actiever klimaatbeleid. Ik schreef er al eerder over. Scholen kunnen daar verschillend mee omgaan. De meest tegemoetkomende variant is dat de deelname aan een klimaat­demonstratie door de school erkend wordt als een (facultatieve) leeractiviteit in het kader van het reguliere onderwijsprogramma. In het licht van de leerplichtwet rijst dan wel een probleem: hoe controleren we of de leerling inderdaad aan de demonstratie heeft deelgenomen en dus niet gespijbeld heeft?
Op 12 maart publiceerde de Vlaamse onderwijsminister een handreiking waarin als uitgangs­punt gehanteerd werd dat de deelname aan een manifestatie mag worden opgevat als een schoolexcursie, mits de deelname voor alle leerlingen verplicht is. Over verplichte deelname aan demonstraties waren de Vlaamse meningen echter verdeeld (HLN 14/3/2019). Daarom heeft de minister daarover alsnog advies gevraagd aan de Commissie Zorgvuldig Bestuur. Vorige week is het advies van de commissie door het ministerie gepubliceerd: indien de boodschap van een demonstratie in politiek opzicht gevoelig ligt, kan de deelname aan de excursie niet verplicht worden gesteld en moet dus voor de weigeraars een alternatief programma worden georganiseerd. Uit de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting volgt immers dat men niet verplicht kan worden demonstratief een mening te verkondigen waar men niet achter staat.

Onbehoorlijke wetgeving

Wes Holleman | 03-06-2019 | permalink

Op 20 januari 2015 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel nr. 34035 van het paarse kabinet Rutte II aanvaard: de basisbeurs voor studenten in het hoger onderwijs werd vervangen door een ‘sociaal leenstelsel’. Dat was een soort ‘deal’ die de wetgever met de toekomstige studenten sloot: zij verloren weliswaar hun basisbeurs, maar in plaats daarvan konden ze op zeer gunstige voorwaarden een studielening verkrijgen. In de Memorie van Toelichting (blz. 17) waren die voorwaarden uiteengezet: de aflossings­termijn wordt maximaal 35 jaar; de rente blijft telkens vijf jaar vast; maar de rentevoet wordt iets verhoogd (namelijk zo hoog als de Staat blijkt te moeten betalen op de vijfjarige staatsschuld). Geconcludeerd werd dat deze verhoging zou leiden ‘tot meer evenwicht [tussen] de rentekosten die de staat betaalt op de kapitaalmarkt en de rentekosten die bij de student in rekening worden gebracht.’
Maar het rechtse kabinet Rutte III speurde naar nieuwe mogelijkheden om op het overheids­budget te bezuinigen. In zijn regeringsverklaring (10/10/2017), nog geen drie jaar nadat de wet was aangenomen, werd een nieuwe wetswijziging aangekondigd: de rentevoet voor nieuwe studenten­generaties zou opnieuw worden verhoogd (namelijk naar de rente die de Staat moet betalen op de tienjarige staatsschuld). Het nieuwe wetsvoorstel (35007) werd 5 september 2018 ingediend, samen met het advies van de Raad van State. Opmerkelijk is dat de RvS geen bezwaren opperde, terwijl daar alle reden toe was: de oude ‘deal’ werd open­gebroken, terwijl de regeringscoalitie geen nieuwe argumenten aandroeg die dat konden rechtvaardigen. Maar het zag er naar uit dat het wetsvoorstel wel door het Parlement kon worden geloodst, aangezien de regeringscoalitie binnen beide Kamers in de meerderheid was. Dat veranderde echter toen een voormalig lid van de VVD-fractie in de Eerste Kamer zich tegen het wetsvoorstel keerde, kort nadat zij wegens een integriteitskwestie uit de fractie was gestoten. Het kabinet besloot vandaag de eer aan zichzelf te houden en het wetsvoorstel in te trekken voordat het in stemming kwam.
Op het nippertje is voorkomen dat Regering en Parlement zich schuldig zouden maken aan onbehoorlijk landsbestuur, of meer in het bijzonder: onbehoorlijke uitoefening van hun wetgevende macht. Bij aan­vaarding van dit wetsvoorstel zouden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur namelijk ernstig zijn geschonden. Resumerend: in 2015 was een ‘deal’ gesloten en de burgers mochten erop vertrouwen dat die ‘deal’ door de overheid werd nagekomen, tenzij zich nieuwe omstandigheden zouden hebben voorgedaan waardoor de overheid in redelijkheid zou worden ontslagen van deze morele plicht. Welnu: de overheid heeft in 2018/2019 geen nieuwe omstandigheden aangevoerd. Dus werd door haar het Vertrouwens­beginsel geschonden als zij het wetsvoorstel 35007 zou hebben aanvaard. Daarnaast is het Rechtszeker­heidsbeginsel in het geding. Aanstaande studenten moeten bij de planning van de studie- en beroeps­loopbaan hun financiële risico’s calculeren en de ouders moeten in het kader van hun financiële planning calculeren in hoeverre ze hun meerderjarige kinderen financieel moeten blijven ondersteunen. Als de overheid telkenmale de regels verandert – regiem X voor het oudere kind, regiem Y voor het jongere zusje en regiem Z voor het nakomertje – weten de burgers niet meer waar ze aan toe zijn en ontstaat bij hen de indruk dat de overheid zichzelf het recht toekent elk contract open te breken en elke spelregel per omgaande te schrappen of te herzien, als haar dat beter uitkomt.

Vrije meningsuiting en professionele terughoudendheid

Wes Holleman | 27-05-2019 | permalink

Het Franse parlement behandelt momenteel een wetsontwerp voor het basis- en voortgezet onderwijs: L’école de la Confiance. De vakbonden maken zich nogal druk over het openings­artikel, dat de professionele grenzen van de vrije meningsuiting aanstipt. Werknemers in het openbaar onderwijs dienen professionele terughoudendheid (le devoir de réserve) te betrachten en kunnen dus beknot worden in hun uiting van onderwijspolitieke opvattingen. Voor Neder­landse ambtenaren geldt een soortgelijk uitgangspunt (art. 125a lid 1 Ambtenarenwet): “De ambtenaar dient zich te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens (…) indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of de goede functio­nering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.” Voor werknemers in de particuliere sector is een dergelijke verplichting geïmpliceerd in de wettelijke bepalingen over goed werknemerschap (Semra Yalcin 2016 p.20). De vraag rijst in hoeverre het gebod van professionele terughou­dend­heid ook van toepassing is op een recente casus bij het inter­confessionele Sweelinck­college, een mavo/havo-school met veel moslimleerlingen, vlakbij het Museumplein in Amster­dam.
Een docente twitterde naar aanleiding van een terroristische aanslag in Marseille: ‘Iedereen die zegt dat de islam net is als alle andere religies, is een grote leugenaar’ en ‘Dat verrekte “Allahu akbar”: het wordt mij te opvallend vaak gebruikt bij bloedvergie­ten, onschuldige levens vernietigen, terreur’ (Telegraaf 18/4/2019). De moslimcollega’s binnen het Sweelinck­college riepen haar, mede namens de moslimleerlingen, ter verantwoording over deze aan­tijging dat de islam in wezen een gewelddadige godsdienst of ideologie zou zijn. Maar de PVV-fractie uit de Tweede Kamer nam het in Kamervragen voor haar op: ‘Bent u van mening dat een docent het recht heeft zich, buitenschools, kritisch uit te laten over de islam (…)?’ Minister Slob heeft deze vraag bevestigend beantwoord (22/5/2019). Maar helaas heeft de minister in zijn antwoord geen onderscheid gemaakt tussen de verticale en de horizontale werking van de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting. Verticaal (strafrechtelijk) valt de docente niets te verwijten, maar horizontaal (arbeidsrechtelijk) is dat nog maar de vraag. De school had arbeidsrechtelijke maatregelen kunnen overwegen als haar werkneemster met deze tweet de belangen van het Sweelinckcollege en meer in het bijzonder de vertrouwensrelatie met de moslimleerlingen en –collega’s geschaad heeft. Maar uiteindelijk heeft de docente zelf haar biezen gepakt.

Beste Puddingpower

Wes Holleman | 22-05-2019 | 5 Reacties » | permalink

Op het Scholierenforum (9/5/2019) vraag je om raad. Er zit bij jullie op school een leraar die zijn leerlingen telkens weer onheus bejegent. Bij het minste of geringste krijgen ze een belediging naar het hoofd geslingerd: “Randdebiel! Idioot! Geestelijk gehandicapte! Sukkel!” De klas heeft daarover geklaagd bij de mentor en bij de teamleider, maar dat heeft tot nog toe niets opgeleverd. En je vraag is dus wat jullie nu te doen staat.
Nou, dat lijkt me vrij duidelijk. Als jullie school een Professioneel Statuut of een soort professionele beroepscode voor leraren kent, zouden jullie een tuchtrechtelijke klacht wegens onprofessioneel gedrag kunnen indienen. De betrokken leraar maakt namelijk ernstig misbruik van de professionele ruimte die hem door zijn werkgever geboden wordt. Maar jullie kunnen ook beroep doen op het strafrecht dat voor iedere burger geldt. Door en-plein-public dergelijke denigrerende scheldwoorden te bezigen, pleegt de betrokken leraar immers een strafbaar feit. In artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat opzettelijke belediging gestraft wordt met gevangenisstraf van maximaal drie maanden of een forse geldboete. Het OM komt slechts in actie als de gedupeerde partij een klacht indient, waarbij hij of zij tevens kan verzoeken een dwangsom op te leggen om herhaling te voorkomen. De klacht wordt uiteraard ernstiger genomen als méér gedupeerden aan de bel trekken en als de beledigende uitlatingen telkens wéér gedaan worden. Voor het geval dat de leraar de beschuldigingen ontkent, is het raadzaam de klachten van meet af aan te documenteren met een logboek, in de trant van: op die en die datum is leerling Y door leraar X tijdens het zoveelste lesuur in bijzijn van de hele klas met die en die scheldnaam bejegend.
Vermoedelijk hoeft deze actie niet op de spits te worden gedreven, want vermoedelijk wordt het beoogde effect al eerder bereikt. Om te beginnen kunnen jullie een medezeggenschapsorgaan (de Leerlingenraad?) laten weten a) dat jullie het initiatief hebben genomen een dagelijks logboek aan te leggen om beledigende uitlatingen van leraren te registreren; b) dat jullie dat logboek op termijn aan de Leerlingenraad zullen aanbieden (met een afschrift aan de schoolleiding en aan de gedupeerde partijen); en c) dat het de gedupeerde partijen uiteraard vrij staat het logboek bij het OM in te brengen als ze een klacht ex artikel 266 WvSr zouden indienen.
Zie ook: mijn eerdere blogberichten onder de titel Mongooltje (7/6/2017 en 27/6/2017)

Genadezesjes: scriptiebegeleiders op stukloon (II)

Wes Holleman | 19-05-2019 | 1 Reactie » | permalink

Historicus Eelco Runia, docent-onderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen, ging vorig jaar vervroegd met pensioen. Want hij kon het niet langer aanzien hoe de universitaire professionals in een bedrijfsmatig keurslijf worden geperst (NRC 19/1/2018). Volgende week verschijnt zijn boekje Genadezesjes waarin hij uitlegt wat er mis is aan de universiteiten. Deze week werd hij alvast geïnterviewd in De Volkskrant (18/5/2019a). En één passage werd door de interviewster uitgewerkt in een afzonderlijk nieuws­bericht (18/5/2019b), omdat het spannings­veld tussen professionele en bedrijfsmatige logica daarin helder belicht wordt.
Het gaat over de manier waarop de onderwijs- en bestuurstaken tot 2018 verdeeld werden binnen de vakgroep Geschiedenis in Groningen. Men zocht naar transparante criteria, want de tijd die na aftrek van die taakuren overbleef, mocht de medewerker aan eigen onderzoek be­steden. Een probleem vormde de calculatie van de taken op het gebied van de begeleiding en beoordeling van scripties. Mogen de begeleiders van dikke, excellente, tijdrovende scripties of van studenten die extra hulp nodig hebben méér uren claimen dan hun collega’s? Nee, dat leidt maar tot gekissebis: scripties moeten met een vast aantal begeleidingsuren worden beloond, al naargelang het aantal studiepunten dat ervoor staat. Maar hoe moet het dan met onvoltooide of afgewezen scripties? De begeleider kan daar veel werk in hebben gestopt. Nee, als je die uren gaat honoreren, kreeg je weer uitzichtloos gekrakeel. Dus we spreken af: je kunt uitsluitend be­geleidingsuren claimen als de scriptie is ingeleverd en op minimaal een zes is beoordeeld.
Wat is er mis met deze regeling? De scriptiebegeleider is tevens beoordelaar (of in elk geval mede-beoordelaar) van de ingeleverde scriptie. Dus het begint te lijken op een dystopische beloningsregeling voor rijbewijsexaminatoren: u wordt alleen betaald voor de kandidaten die u laat slagen en niet voor de examentijd die u in de gezakte kandidaten gestoken heeft. De scrip­tiebegeleiders en -beoordelaars worden door de vakgroep in een situatie van onprofessionele belangenverstrengeling gemanoeuvreerd. Als je een vijf geeft, doe je jezelf tekort, want met een genadezesje zou je de felbegeerde bege­leidingsuren toucheren. De regeling herbergt dus, aldus Runia, een perverse prikkel om de professionele integriteit te schenden. Bovendien wordt het collegiale vertrouwen tussen de medewerkers ondermijnd. Want wie een verdiende zes geeft, kan nog steeds niet de schijn van onprofessionele zelfbevoordeling wegnemen: zou het soms een genadezesje wezen, de kunstmatige uitkomst van overmatige begeleiding, eindeloze revisies van de conceptteksten en misplaatste mensenliefde? De bedrijfsleiding introduceert vervolgens een fijnmazig web van bureaucratische controleprocedures om fraude te voorkomen en de lieve vrede te herstellen.