Wat is diversiteit en inclusie?

Wes Holleman | 13-09-2020 | 3 Reacties » | permalink

Het Ministerie van OCW heeft een Nationaal Actieplan voor meer diversiteit en inclusie in het hoger onderwijs en onderzoek uitgebracht (1/9/2020). Het plan is vooralsnog gericht op de universiteiten, maar het ligt in de bedoeling ook het hbo en mbo erbij te betrekken. Het kost echter enige moeite om te achterhalen waar het Actieplan nou eigenlijk over gaat en wat de achterliggende bedoelingen zijn.
Het Actieplan is gericht op inclusie. Inclusie heeft betrekking op de sociale verhoudingen of het sociale klimaat binnen een organi­satie. Onder inclusie verstaan de auteurs het creëren van ‘een veilige leeromgeving [voor zittende studenten en stagiairs] en een veilige werkomgeving [voor zittende docenten, onderzoekers, ondersteunend personeel, etc.], waarin iedereen zich thuis voelt en zich kan ontplooien’; een organisatie waarin ‘iedereen volledig en op gelijke voet aan de organisatie en besluitvorming (kan) deelnemen’ en waarin iedereen, dus allerlei verschil­lende ‘mensen vanuit verschil­lende achtergronden en met onderscheidende perspectieven’, hun eigen bijdrage ‘willen én kunnen’ leveren (p.7).
Maar wat wordt bedoeld met iedereen? Op p.8-9 wordt gesproken over: inclusie met een open blik voor ver­schillen in geslacht, gender en seksuele voorkeur; met een open blik voor verschil­len in ras en migratieachtergrond (herkomst, huidskleur, etniciteit, nationaliteit, culturele ach­tergrond); en met een open blik voor mensen met een functiebeperking, handicap, chronische ziekte, psychische problematiek. Verder wordt bij wijze van voorbeeld gesproken van andere achtergrondkenmerken: religieuze of andere overtuigingen; klasse, talent/begaafdheid, oplei­ding, ervaring, werkstijl. Maar deze lijst kan vermoedelijk worden uitgebreid met vele andere achtergrondkenmerken (zoals woonplaats, vluchteling/asielzoeker, taalbeheersing, leef­tijd, burgerlijke staat en ouder­schap, fulltimer/parttimer, sociaaleconomische status (inkomen, vermogen, werkkring, baanzekerheid), leefstijl, politieke opvat­tingen). Met iedereen wordt dus bedoeld dat niemand binnen de organisatie het slachtoffer wordt van grensoverschrijdend of niet-integer gedrag en dat niemand zomaar wordt gediscrimineerd of buitengesloten.
In de tweede plaats is het Actieplan gericht op diversiteit. Diversiteit heeft betrekking op de sociale samenstelling van het perso­neels- en studentenbestand van de organisatie. Is de orga­nisatie (of een onderdeel daarvan) toegankelijk voor iedereen die tot die organisatie (of dat onder­deel) wil toetreden? Worden sommigen bij de poort geweigerd? Of voelen sommigen zich geremd om toelating te zoeken? Of worden sommigen na toelating alsnog weggeselecteerd? Of besluiten sommigen na verloop van tijd uit eigen beweging voortijdig te vertrekken?
Lees verder … (PDF)

Afstandsonderwijs zonder BSA

Wes Holleman | 06-09-2020 | 1 Reactie » | permalink

Studeer je aan de Open Universiteit of aan een gewone instelling van hoger onderwijs? In deze coronatijden is het één pot nat: je krijgt overwegend afstandsonderwijs. Toch is er een belang­rijk verschil. De OU stelt zich klantgericht op. Je krijgt waar voor je geld, ook al studeer je in een lager tempo. Jaarlijks kun je elk tentamen twee keer herkansen, het verschuldigde college­geld is naar rato van het aantal cursussen waarvoor je je inschrijft, en behaalde tentamens blijven twaalf jaar geldig.
Studenten aan de gewone universiteiten en hogescholen zijn dat heel anders gewend: als je vertraagd raakt, krijg je straf. Eerste­jaars­studenten die iets te weinig studiepunten halen, worden met een Bindend StudieAdvies (BSA) uit de opleiding verwijderd. Boven­dien hebben universiteiten en hogescholen allerlei restricties ingevoerd waarmee het recht op deelname aan tentamens en her­kansingen beperkt wordt.
Dat soort straffen en restricties wordt goedgepraat met het argument dat het preventieve maat­regelen zijn om te bewerkstelligen dat studenten zuinig en zorgvuldig gebruik maken van de hoogwaardige onderwijs- en tentamenvoorzieningen. Daar staat tegenover dat men in de loop der tijd een effectiever instrument heeft ontwikkeld om datzelfde doel te bereiken: heden ten dage bedraagt het jaarlijkse collegegeld in principe 2143 euro, ongeacht het aantal pro­grammaonderdelen of tentamens dat in het desbetreffende jaar door de student ‘geconsumeerd’ wordt. Vergeleken met straffen en restricties past dat instrument ook beter bij de missie van een professionele onderwijsorganisatie. Het is onprofessioneel om de studie­voortgang van studen­ten willens en wetens te belemmeren (tenzij men aannemelijk kan maken dat die maatregelen noodzakelijk zijn om ongeschikte studenten te bewegen de opleiding zo snel mogelijk te verlaten).
Maar in deze coronatijden kunnen de gewone universiteiten en hogescholen niet meer op hoogwaardig contactonderwijs bogen. Ze geven voornamelijk afstandsonderwijs en hun afstandsonderwijs is niet hoogwaardiger dan dat van de Open Universiteit. Er is dan ook alle reden om de studiebelemmerende maatregelen (de strenge BSA-norm en de restricties op de deelname aan tentamens en herkansingen) op te schorten. Indien de gewone universiteiten en hogescholen met alle geweld aan hun BSA-selectie willen vast­houden, laten ze dan in elk geval terugkeren naar de lage norm die oorspronkelijk door de wetgever bedoeld was: wie in het eerste studiejaar minder dan dertig van de zestig propedeutische studiepunten haalt, wordt (behoudens persoonlijke omstandig­heden) uit de opleiding verwijderd.

Betaalde bijles voor eigen parochie (IV)

Wes Holleman | 05-09-2020 | permalink

Marcel Schmeier is expert op het gebied van Expliciete Directe Instructie. Eind augustus schreef hij een dagbladartikel over Wat scholen kunnen leren van bijlesinstituten en privé­scholen. De door de overheid bekostigde (‘publieke’) basisscholen moeten lering trekken uit de succesvolle didactische uitgangspunten die door ‘private’ scholen gehanteerd worden. In dat verband waarschuwt hij ook voor de dreigende corrumpering van de publieke onderwijssector. Zo vertellen ouders dat de school van hun dochter een mail stuurde met reclame voor extra examentraining “door een extern bureau, in de school en met een behoorlijk prijskaartje” of dat ze op de open dag van een door de overheid bekostigde school te horen kregen dat zij graag “persoonlijk in gesprek wil gaan over de tarieven van haar bijles- en coachingsinstituut”. In dat laatste geval is het overduidelijk: de school gaat zich te buiten aan on­professionele be­langenverstrengeling. Ook uit het hoger onderwijs zijn dergelijke uitwassen bekend (Onderwijs­ethiek 13/2/2019, 27/10/2013, 4/11/2011).
De Onderwijsraad heeft in zijn Werkprogramma 2020 aangekondigd in de komende jaren te gaan kijken naar de verwevenheid tussen publiek en privaat onderwijs. Begin 2021 wordt een eerste advies uitgebracht: hoe kunnen we waarborgen voor kwaliteit en gelijke kansen schep­pen, gegeven het feit dat, naast het publieke aanbod, in toenemende mate een verscheiden­heid van privaat onderwijs wordt aangeboden?

Groepswerk: verboden voor stelletjes?

Wes Holleman | 18-08-2020 | permalink

Ze hebben dit jaar allebei de propedeuse van hun hbo-opleiding voltooid. Sinds de middelbare school hebben ze een relatie met elkaar, maar dat hebben ze in hun eerste studiejaar niet aan de grote klok gehangen. Want ze wilden gewoon als individu worden gezien en gewoon eerlijk tegenover elkaar kunnen zijn. Maar als er groepswerk te doen was, zorgden ze wel dat ze samen met een studiegenoot in het zelfde driepersoons groepje werden ingedeeld. Die samen­werking verliep prima en ze kregen van diverse docenten complimenten voor hun teamwerk en voor de kwaliteit van hun groepswerkstukken of -verslagen.
Maar in juli kregen ze te horen dat ze voor het komende, tweede studiejaar in verschillende roosterstromen waren ingedeeld. Desgevraagd liet de mentor weten dat hij het niet zo ziet zitten dat twee gelieven, wat groepswerk betreft, in eenzelfde groepje samenwerken.
Zij vragen zich nu af, in hoeverre deze inbreuk op hun studievrijheid zomaar door de beugel kan. Binnen hun opleiding zijn er geen regels geformuleerd over de wijze waarop de groepjes worden ingedeeld, of welke vrijheden studenten op dit gebied hebben. In dat licht maakt de studieleiding zich aan willekeur schuldig. Maar gesteld dat de studieleiding de reglementaire bevoegdheid zou hebben om studenten in groepjes in te delen of om de definitieve samenstelling van groepjes te bepalen, welke beslissingscriteria zou zij daarbij dan kunnen hanteren?
Lees verder … (PDF)

Burgerschapsopdracht (V): bijzondere scholen

Wes Holleman | 04-08-2020 | permalink

Na de zomervakantie wordt het Wetsontwerp Aanscherping Burgerschapsopdracht (nr. 35352) plenair behandeld in de Tweede Kamer. Het schoolbestuur moet ervoor zorgen, aldus het wetsontwerp, dat de schoolcultuur niet in strijd is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en dat de leerlingen op school actief kunnen oefenen hoe je met die waarden kan omgaan. In een vorig blogbericht wees ik erop dat dit wetsontwerp wellicht op gespannen voet staat met de grondwettelijke vrijheid van onderwijs: in hoeverre kunnen bijzondere scholen zich aan hun nalevingsplicht onttrekken als ze aannemelijk maken dat ze anders in strijd met hun grondslag zouden handelen?
In 2011 was er een casus bij de R.K. scholengemeenschap Don Bosco College in Volendam. Een moslima uit de vmbo-afdeling vroeg of ze een hoofddoek mocht gaan dragen. Dat werd geweigerd door de school. De leerling verzocht vervolgens de CGB (het tegen­woordige College voor de Rechten van de Mens) om daarover een oordeel te vellen. De CGB concludeerde dat de school zich aan discriminatie op grond van geloofsovertuiging schuldig maakte. Maar de civiele rechter, het Amsterdamse gerechtshof, oordeelde anders. Weliswaar wordt door de school niet verlangd dat de ouders van aspirant-leerlingen de R.K. grondslag van de school onderschrijven, maar toch heeft de school het volste recht de hoofddoek te verbieden als zij dat nodig vindt om haar R.K. grondslag te verwezenlijken.
Misschien moet nog ter verduidelijking worden opgemerkt dat het dorp Volendam vanouds her een strijdbaar katholiek bolwerk in een overwegend protestantse regio is. Een ander gegeven is dat bij de laatste verkiezingen voor de Provinciale Staten (2019) meer dan zestig procent van de stemmen uit het dorp naar de partij van Baudet of naar die van Wilders ging. De school beschouwt het als haar opdracht herkenbaar te zijn voor iedereen binnen de plaatselijke be­volking en de regio.
Sinds het vonnis van 2011 hoeven confessionele scholen zich dus iets minder zorgen te maken over de vraag of hun eventuele hoofd­doekverbod in strijd is met de wet. Maar er doemen rond de burgerschapsopdracht nieuwe zorgen op. In de eerste plaats is de vraag opgeworpen of scholen actief mogen uitdragen dat homoseksueel gedrag zondig is. Op verzoek van OCW heeft de Onder­wijs­inspectie uitgezocht of men zich daarmee aan discriminatie schuldig maakt. Half maart heeft de Inspectie uitsluitsel gegeven: confessionele scholen mogen homoseksueel gedrag zondig noemen, mits ze tegelijkertijd onderstrepen dat je jegens homoseksuelen verdraagzaam­heid moet betrachten en dat je hen niet mag discrimineren.
In de tweede plaats is het denkbaar dat de Onderwijsinspectie ooit in het kader van de wette­lijke burgerschapsopdracht zal uit­werken aan welke eisen de schoolcultuur moet voldoen op het punt van de ‘freedom of opinion and expression’ en de vrijheid van meningsvorming. Ik kan niet taxeren of sommige scholen zich in dat geval zorgen moeten gaan maken. Bij wijze van voor­beeld geef ik in de bijlage bij dit blogbericht een overzicht van wat het Don Bosco College hier­over momenteel op zijn website vermeldt.
Lees de Bijlage (PDF)

Burgerschapsopdracht van scholen (IV): bescherm mijn vrijheid van meningsvorming

Wes Holleman | 29-07-2020 | 1 Reactie » | permalink

Ik ben veertien jaar oud en zit in de derde klas van de middelbare school. Ik begrijp dat de Tweede Kamer na de zomervakantie het wetsontwerp 35352 in stemming brengt, waarmee de burgerschapsopdracht van scholen zodanig wordt aangescherpt dat wan­prestatie door de Onderwijsinspectie kan worden aangepakt. Ik heb ernstig bezwaar tegen het wetsontwerp omdat mijn vrijheid van meningsvorming onvoldoende gerespecteerd en beschermd wordt. Eerst zal ik de nieuwe burgerschapsopdracht van scholen kort omschrijven, waarna ik mijn bezwaren zal toelichten. Het wetsontwerp omvat een drieledige opdracht:

  • (a) Ons moet op school kennis van en respect voor de basiswaarden van de democratische rechts­staat worden bijgebracht (alsmede kennis van en respect voor de mensenrechten).
  • (b) Bij ons moeten de sociale en maatschappelijke competenties worden ontwikkeld die ons in staat stellen deel uit te maken van de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving en zelf bij te dragen aan die samenleving.
  • (c) De school moet ervoor zorgen dat de schoolcultuur niet in strijd is met de bedoelde basis­waarden en dat wij op school actief kunnen oefenen hoe je met die waarden kan omgaan.

Ik leg hieronder uit waarom mijn vrijheid van meningsvorming door deze drieledige opdracht ondermijnd wordt: 1. het wetsontwerp legitimeert de indoctrinatie van leerlingen; 2. het wets­ontwerp zet de sluizen open voor nationalistische en xenofobe propaganda; en 3. het wetsont­werp ondermijnt een schoolcultuur waarin zelfstandig kritisch denken en onderzoeken centraal staat.
Lees verder … (PDF)

Vrijheid van meningsvorming (II)

Wes Holleman | 26-07-2020 | 1 Reactie » | permalink

Ik kwam toevallig een oud artikel tegen, op de website van de stichting Earth Matters (3/8/2013). De auteurs willen dat professio­nele journalisten een ethische code opstellen, inhoudende dat het publiek door journalisten in staat moet worden gesteld op basis van de beschikbare feiten een eigen mening te vormen. In de kop van hun Engelse vertaling spreken de auteurs van de Freedom of opinion. Voor mij is dit een nieuwe aanleiding om te proberen de vrijheid van meningsvorming goed te omschrijven en mijn eerdere blogbericht onder dezelfde titel te verbeteren.
‘Freedom of opinion’ is de naam van één van de internationaal erkende, klassieke grond­rechten. Artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens luidt: Everyone has the right to freedom of opinion and expression; this right includes freedom to hold opinions without interference and to seek, receive and impart information and ideas through any media and regardless of frontiers. En artikel 18 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens bepaalt evenzo dat de vrijheid van (menings-)uiting tevens omvat: free­dom to hold opinions and to receive and impart information and ideas without interference by public authority and regardless of frontiers. Het grondrecht ‘freedom of opinion’ houdt dus in, dat je er een eigen mening op na mag houden en dat overheidsinstanties jou niet mogen be­lemmeren in jouw meningsvorming. Maar de auteurs van Earth Matters zouden te ver gaan als ze zouden suggereren dat het tot de grondrechten van burgers behoort om (door wie-dan-ook) te worden gefaciliteerd in hun meningsvorming.
Voordat we verder gaan, moeten we ingaan op de vraag wat bedoeld wordt met de term ‘mening’ of ‘opinie’. In artikel 7 van de Nederlandse Grondwet wordt niet gesproken van meningen of opinies. De wetgever spreekt van gedachten en gevoelens. Eigenlijk gaat het om alles wat bedacht en geuit kan worden: opvattingen, overtuigingen, standpunten, denkbeelden, visies, fantasieën, maar ook voornemens en plannen, attituden, affiniteiten/aversies, beelden en voorstellingen die je door het hoofd spoken, de pijn die je ervaart, et cetera. De ‘freedom of opinion’ houdt in dat je niet belemmerd mag worden om gedachten en gevoelens, welke dan ook, te koesteren. De ‘vrijheid van meningsvorming’ is dat je niet belemmerd mag worden om nieuwe gedachten en gevoelens te ont­wikkelen of eerder gekoesterde gedachten en gevoelens te corrigeren. En de ‘freedom of expression’ houdt in dat je ge­dachten en gevoelens, welke dan ook, mag uiten en openbaar mag maken.
Hoe zit het met de rechten van leerlingen en studenten? Is de vrijheid van meningsvorming een grondrecht dat in het onderwijs gerespecteerd moet worden? Waar de overheid een leer- of kwalificatieplicht afdwingt, moet de overheid, dunkt me, erop toezien dat leerlingen en studen­ten niet belemmerd worden in hun vrijheid van meningsvorming. En meer in het algemeen kan men argumen­teren dat dit grondrecht in acht moet worden genomen waar het onderwijs­bestel geheel of grotendeels door de overheid bekostigd wordt. Maar misschien is het effectiever dat leraren en docenten door de overheid gestimuleerd worden als beroepsgroep ethische codes op te stellen waarin de vrijheden van leerlingen en studenten zijn vastgelegd.
Hieronder zal ik inventariseren welke aspecten van de vrijheid van meningsvorming (en van de ‘freedom of opinion’) zoal onder­scheiden worden in het onderwijs.
Lees verder … (PDF)

Toelatingstoetsen pabo vormen een bottleneck (II)

Wes Holleman | 28-06-2020 | 3 Reacties » | permalink

In 2015 zijn extra toelatingseisen voor de pabo ingevoerd, die uitsluitend van toepassing zijn op abituriënten van havo en mbo4. Anders dan vwo-abituriënten, moeten zij een toets Geschiede­nis, Aardrijkskunde en Natuur&Techniek afleggen om tot de pabo te worden toegelaten. Dat heeft tot gevolg gehad dat de instroom van aspirant-studenten met een niet-westerse immigra­tieachtergrond dramatisch gedaald is (CPB 2019 p.14). Men denke bijvoorbeeld aan aspirant-studenten met Marokkaanse, Turkse, Caraïbische of Surinaamse wortels.
Researchnet geeft deze toelatingsselectie vorig jaar geëvalueerd. In het rapport (2019) wordt aanbevolen te onderzoeken hoe het afschrikeffect voor mbo’ers met een migratieachtergrond verminderd kan worden en hoe de slaagkans voor de toetsen “meer cultuurneutraal” kan worden gemaakt. De toelatingstoetsen zijn afgestemd op het niveau dat havisten aan het eind van het derde leerjaar bereikt hebben. Vooral bij de toelatingstoets Geschiedenis vallen erg veel onvoldoendes. Een commissie van lectoren uit de pabosector gaat nu onderzoeken in hoeverre aspirant-studenten met een niet-westerse migratieachtergrond door ‘westerse of talige voor­ingenomenheid’ van de toetsconstructeurs benadeeld worden (NU.nl 15/6/2020).
In onderstaand tekstkader geef ik een voorproefje van hun mogelijke onderzoeksuitkomsten. Ik heb namelijk een officiële oefen­variant 2016/2017 van de toelatingstoets Geschiedenis onder de loep genomen (2016a, 2016b).
Lees verder … (PDF)

De beul van Utah

Wes Holleman | 14-06-2020 | 1 Reactie » | permalink

Op de eerste dag van het najaarssemester (augustus 2019) sloeg professor Shively de hand aan zichzelf. Hij was toen 73 jaar oud. Maart 2019 was hij geschorst met behoud van salaris. Al jaren gaf hij de undergraduate semestercursus Humane Anatomie aan aanstaande studenten Geneeskunde, Tandheelkunde en Verpleegkunde. Zijn leven viel in duigen toen hem in augustus nog steeds de toegang tot de collegezaal ontzegd was.
Hij was een begaafde docent en hij was bereid zich ten volle voor zijn studenten in te zetten. Maar hij vergde het uiterste van hen. Hij beschouwde het als zijn levenstaak om hun de nauw­gezetheid en het arbeidsethos bij te brengen die van professionals in de gezondheidszorg ver­wacht worden. Ze moesten zich volledig uit de naad werken om het dikke studieboek, dat Shively zelf geschreven had, binnen dat ene semester door te worstelen. Eén op de vier deel­nemers kon de hoge studiebelasting niet opbrengen en schreef zich al tijdens de cursus uit (UVU-Review 5/11/2014). En de multiple-choice tentamens waren een slachting (althans voor studenten die een hoog Gradepoint Average moesten halen om tot Medical c.q. Dental School te worden toegelaten). Toch waren de tentamen­uitslagen niet bijzonder slecht aangezien de verdeling van de ‘lettergrades’ (van uitmuntend tot zeer onvoldoende) keurig aan de standaard­normaalcurve beantwoordde.
Hij beschouwde zichzelf als streng doch rechtvaardig, maar rechtvaardig was hij niet. In het licht van de universitaire reglementen was de studielast van zijn cursus veel te hoog. De vragen van de multiple-choice tentamens waren sadistisch geformuleerd en sommige waren zelfs onbeantwoordbaar. De beoordeling was op z’n minst gezegd ondoorzichtig. En hij gedroeg zich onbehouwen en intimiderend als mensen of dingen hem niet bevielen.
Met zijn onprofessioneel en onheus gedrag jegens studenten had hij nog eindeloos door kunnen gaan, want naar hun klachten werd niet geluisterd. Pas toen stafleden tegen zijn autoriteit (en tegen zijn onheuse en intimiderende optreden jegens hen) in het geweer durfden te komen, voelde zijn werkgever (Utah Valley University) zich genoodzaakt de ingebrachte beschuldi­gingen te onderzoeken. Daar kwam bij dat hij zich niet aan de nieuwe universitaire regels over belangenverstrengeling bleek te houden (hij had de in­komsten uit zijn dure studieboek niet op zijn eigen bankrekening mogen laten bijschrijven). Maart 2019 werd hem, hangende het tuchtrechtelijke onderzoek, de toegang tot de universiteit ontzegd.
Het onderzoek nam ettelijke maanden in beslag. Hij werd verscheidene keren gehoord, maar het conceptrapport werd pas in juli aan hem voorgelegd. En gezien de onprofessionele wijze waarop hij met studenten en stafleden placht om te gaan, had men besloten hun getuigenissen anoniem te rapporteren. De lokale afdeling van de American Association of University Professors (UAAP) heeft zijn zaak kritisch gevolgd. Naar hun oordeel zijn de regels voor een behoorlijke rechtsgang geschonden. Inmiddels heeft de familie, na zijn overlijden, ook een rechtszaak tegen de universiteit aangespannen.
Bron: uvu-aaup.blogspot.com (13/5/2020)

Inzagerecht tentamens (IV)

Wes Holleman | 10-06-2020 | 1 Reactie » | permalink

Het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) heeft vandaag een belangrijke uitspraak gedaan in een zaak die was aangespannen door een geneeskundestudent van de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Over de aanloop van het geschil schreef ik al eerder (20/11/2019). De studenten hadden een deeltentamen in de vorm van meerkeuzevragen afgelegd, vervolgens had de docent de ingeleverde antwoordformulieren beoordeeld en tenslotte had de docent hen in kennis gesteld van hun behaalde cijfer. Maar onze student vroeg daarop inzage in zijn beoordeelde werk, in de gestelde vragen en in de normen aan de hand waarvan de beoordeling had plaatsgevonden. Hij deed dus beroep op zijn wettelijke inzage­recht (artikel 7.13 WHW). Maar in de lokale examenregeling was dat wettelijke inzagerecht buiten werking gesteld voor de bloktoetsen die tijdens de coschappen werden afgenomen. Op die manier konden de meerkeuzevragen telkens worden hergebruikt voor nieuwe generaties studenten. Het verzoek van onze student werd dus afgewezen, maar daar nam hij geen genoegen mee. Hij ging in beroep bij het lokale College van Beroep voor de Examens en vervolgens bij het CBHO. En dat landelijke College van Beroep heeft hem vandaag in het gelijk gesteld.
Bron: Artikel 7.13 van de Wet op het hoger onderwijs luidt:
1. Het instellingsbestuur stelt voor elke (…) opleiding (…) een onderwijs- en examenregeling vast. (…)
2. In de onderwijs- en examenregeling worden (…) de geldende procedures en rechten en plichten vastgelegd met betrekking tot het onderwijs en de examens. Daaronder worden ten minste begrepen: (…)
p. de wijze waarop en de termijn gedurende welke degene die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk,
q. de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een schriftelijk afgenomen tentamen en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden,
r. (…)