Ambitieuze leerling bespot en buitengesloten

Wes Holleman | 24-03-2019 | permalink

Beste uitblinker, ik heb je bericht op Scholierenforum gelezen. Je wordt Onze Wikipedia genoemd, of Hermelien Griffel. En dat zijn nog aardige spotnamen, vergeleken met de kwalificaties (zoals studiebol, nerd of uitslover) die de klasgenoten mogelijkerwijs achter je rug debiteren. Naar mijn indruk kom je uit een land waar je op de middelbare school hoge cijfers moet halen om tot een goede universiteit of hogeschool te worden toegelaten. En nu ben je, in de Benelux, in een egalitaire zesjescultuur verzeild geraakt. Volgens jou word je niet gepest… Maar je wordt wel uitgelachen en buitengesloten vanwege je ijver en je hoge cijfers, en dat gaat je niet in je koude kleren zitten. Je durft er ook niet over te praten met een leraar of met de mentor, want daarmee zou je je nog ergere scheld­namen op de hals kunnen halen (klikspaan, lieverdje van de leraren).
Lees verder … (PDF)

De vrijwillige ouderbijdrage van Slob (II)

Wes Holleman | 17-03-2019 | permalink

Vorig jaar december gaf ik een update over dat gebed zonder end: de politieke beleidsvorming rond de vrijwillige ouderbijdrage in het primair en secundair onderwijs. Inmiddels zijn er twee nieuwe Kamerbrieven verschenen (12/3/2019, 13/3/2019) waarmee minister Slob een duidelijke koers tracht uit te zetten. Maar hij maakt er een potje van. Het lijkt erop dat verschillende ambtsdragers of ambtenaren op eigen houtje hebben zitten knoeien in de concepttekst en dat men niet tot een consistente eindredactie is gekomen.
1. De minister acht het onaanvaardbaar dat leerlingen in het primair en secundair onderwijs worden uitgesloten van school­activiteiten, excursies, reizen of extra programma’s indien de gefactureerde ouderlijke bijdrage niet betaald wordt (12/3 p.6).
2. De minister vermeldt niet in hoeverre het volgens hem aanvaardbaar is dat sommige basis­scholen blijkens de recente School­kostenmonitor (p.22) aan de ouders kosten in rekening brengen voor extra ondersteuning, tests, bijlessen en dergelijke (bv. bij hoog­begaafdheid of dyslexie), waarbij leerlingen in geval van niet-betaling wellicht worden uitgesloten van deze voor­zieningen.
3. De minister juicht toe dat zowel de PO- als de VO-raad een richtlijn heeft opgesteld dat leerlingen bij niet-betaling van de ouder­lijke bijdrage niet mogen worden uitgesloten van activiteiten die onder verantwoordelijkheid van de school georganiseerd worden (12/3 p.6). Deze richtlijn zal worden ondergebracht in hun Gedragscode Goed Bestuur. Daarbij laat hij echter onvermeld dat deze gedragscodes niet bindend zijn. Het uitgangspunt is: pas toe of leg uit (Gedragscode PO p.11, Gedragscode VO p.3). Evenmin zegt hij toe dat de Onderwijs­inspectie erop zal toezien of niet-naleving voldoende gemotiveerd is.
4. De minister belooft (zo nodig wettelijk) te zullen regelen dat leerlingen in het secundair onderwijs nooit mogen worden uit­gesloten van onderwijs [zoals tweetalig onderwijs of Tech­nasium] als hun ouders de gefactureerde bijdrage niet betalen (12/3 p.7; 13/3 p.6). In dezelfde alinea (12/3 p.7) concludeert hij echter dat ze niet mogen worden uitgesloten [van verrijkende pro­gramma’s en maatwerk] als de ouders die bijdrage niet kúnnen betalen.
5. Een zelfde draagkrachtvoorbehoud wordt door hem geïntroduceerd ten aanzien van de aan­schaf van laptops of tablets voor middelbareschoolleerlingen: zodra zo’n ding noodzakelijk wordt geacht voor het leerproces dient daarin door de school zelf te worden voorzien, althans wanneer de ouders dat zelf niet kunnen betalen (12/3 p.7).
6. Conclusie. Afgezien van de belofte ad punt 4, heeft de minister in geen van beide Kamer­brieven beleidsvoornemens geformuleerd om te garanderen dat leerlingen in het primair en secundair onderwijs niet worden uitgesloten van schoolactiviteiten, excursies, reizen of extra programma’s indien de gefactureerde ouderlijke bijdrage niet betaald wordt. Basisscholen (zoals de Groningse Schoolvereniging) die de ouders verplichten een forse bijdrage te betalen voor tweetalig onderwijs of voor een plusprogramma ten behoeve van hoogbegaafden, worden praktisch ongemoeid gelaten. Evenmin heeft de minister beleidsvoornemens geformuleerd om te garanderen dat leerlingen in het primair en secundair onderwijs niet worden uitgesloten van extra ondersteuning, tests, bijlessen of dergelijke (bv. bij hoogbegaafdheid of dyslexie) wanneer hun ouders daar niet aan meebetalen en dat ouders niet hoeven op te draaien voor de aanschaf van een verplichte laptop of tablet.
7. Naschrift. De minister acht het onaanvaardbaar dat ouders van leerlingen in het primair en secundair onderwijs door de school verplicht worden de door haar gefactureerde vrijwillige ouderbijdragen te betalen (12/3 p.6). Maar hij spreekt zich niet uit over de vraag of scholen moeten toestaan dat ouders een vrijwillig aangegane meerjarige overeenkomst tot jaarlijkse betaling van de gefactureerde ouderbijdrage, tussentijds opzeggen.

Christen op een openbare zwarte school

Wes Holleman | 03-03-2019 | 3 Reacties » | permalink

Op 27 februari hebben drie Tweedekamerfracties (CU, PVV en VVD) schriftelijke Kamer­vragen gesteld over een openbare vmbo-school in Hoofddorp. Een techniekinstructeur is sinds 21 januari geschorst nadat er op de (overwegend ‘zwarte’) school onrust was ontstaan naar aanleiding van beweringen als zou door hem op die dag in de klas zijn verklaard dat de Profeet pedofiel was [hetgeen door moslims wordt opgevat als een grove belediging jegens de Profeet]. Volgens zijn eigen lezing ging het anders: hij hoorde een Marokkaans-Nederlandse leerlinge tegen haar buurmeisje zeggen dat hij volgens haar moeder ‘haram’ was [dus dat het zondig is om méér-dan-strikt-nodig naar hem te luisteren]. ‘Ik besloot meteen te reageren. Ik liep naar haar toe en ik zei: “Joh, ik weet dat je het over mij hebt, dat moet je niet doen. Als je moeder dit echt vindt, dan ben ik bereid het gesprek met haar aan te gaan.” Het meisje werd boos. Ze reageerde heel heftig. Ze riep: ”Hoe weet u dat ik het over u heb?” (…).’ Op die vraag van haar is hij verder niet ingegaan.
Dit wordt natuurlijk een verhaal van welles-nietes. Maar in een Volkskrant-interview (26/2/2019) geeft hij wel signalen die het aannemelijk maken dat hij in de ogen van sommige moslimouders ‘haram’ is. Hij is een orthodoxe christen en op YouTube heeft hij filmpjes gepost waarin hij zijn geloof uitdraagt. Op school loopt hij niet met z’n geloof te koop, maar als leerlingen hem sporadisch iets over zijn geloof vragen, geeft hij daar wel antwoord op. Zelfs als een leerling hem vraagt waarom hij christen is. Maar hij leeft en functioneert naar eigen zeggen vanuit een grondhouding van respect voor andersgelovigen, dus ook voor moslims.
Binnenkort wordt zijn schorsing (door het schoolbestuur ‘time-out’ genoemd) op zijn verzoek behandeld door een Geschillen­commissie. Het zou verhelderend zijn als daar ook de volgende vragen worden beantwoord:
1) In hoeverre zijn publieksgerichte christelijke nevenbezigheden (zoals christelijk evangeli­satiewerk op YouTube) verenigbaar met de functie van leraar op een openbare, overwegend ‘zwarte’ school?
2) In hoeverre zou het onprofessioneel zijn als een techniekinstructeur op een dergelijke school tijdens onderwijsuren, aan alle aanwezigen antwoord zou geven op vragen van leerlingen over zijn christelijk geloof: in hoeverre zou hij daarmee het professionele verbod op (de schijn van) zieltjeswinnerij overtreden?
3) In hoeverre maakt de leiding van een dergelijke school inbreuk op zijn grondrechten (in casu de vrijheid van meningsuiting) als zij van een techniekinstructeur zou verlangen om vragen van leerlingen over zijn christelijk geloof onbeantwoord te laten: (niet alleen plenair tijdens de onderwijsuren maar) ook in kleinere kring tijdens of buiten de onderwijsuren?

Demonstratievrijheid in het leerlingenstatuut

Wes Holleman | 24-02-2019 | 1 Reactie » | permalink

In een vorig blogbericht besprak ik de rechten van klimaatspijbelaars. Een andere vraag is wat scholen zelf in het leerlingenstatuut hebben vastgelegd ten aanzien van leerlingen die willen actievoeren, betogen of demonstreren en die daartoe hun onderwijs­deelname willen onder­breken (hetgeen in het licht van de leerplicht als staking wordt aangeduid). Een korte zoek­tocht op het inter­net leidt tot de volgende bevindingen.
Bij de nrs. 1-5 wordt aan de leerlingen een onvoorwaardelijk demonstratierecht toegekend. De enige voorwaarde is dat het geen wilde staking is. Soms wordt als tweede voorwaarde gesteld dat de leerling een aantoonbaar belang bij de demonstratie heeft; een demonstratie tegen het weinig doortastende klimaatbeleid van de overheid voldoet vermoedelijk niet aan dit criterium.
Bij nr. 6/7 wordt niet alleen als eis gesteld dat de leerling een aantoonbaar belang bij de demonstratie heeft, maar ook dat het om een breed gedragen maatschappelijk probleem gaat; een actie tegen het beleid van de lokale schoolleiding of het lokale school­bestuur voldoet vermoedelijk niet aan dit criterium.
Bij de nrs. 8 en 9 wordt door het schoolbestuur bepaald of de leerlingen toestemming krijgen voor een demonstratie binnen school­uren.
En bij de nrs. 10-15 wordt die toestemming in principe alleen gegeven als de demonstratie door een erkende (landelijke?) leer­lingenorganisatie of meer in concreto door het LAKS georgani­seerd wordt.
Lees verder … (PDF)

De rechten van klimaatspijbelaars

Wes Holleman | 17-02-2019 | 4 Reacties » | permalink

De demonstratievrijheid is één van de pijlers van de rechtsstaat. Dat geldt eens te meer voor jongeren die nog geen stemrecht heb­ben. Een specialist op dit gebied, dr. Berend Roorda, wijst echter op artikel 9 van de Grondwet. Daarin wordt weliswaar het recht tot betoging erkend, maar dat recht is voorwaardelijk geformuleerd, namelijk ‘behoudens ieders verantwoordelijk­heid volgens de wet’. Scholieren mogen dus, naar het zeergeleerde oordeel van Roorda, alleen buiten schooltijd aan demonstraties deelnemen, want spijbelen is wettelijk verboden (NRC 2/2/2019). Maar Roorda vergeet dat onze nationale wetten volgens artikel 94 GW moeten wij­ken voor de internationale verdragen waarin de demonstratievrijheid van meerder- en minder­jarigen zonder voorbehoud is vastge­legd (zie tekstkader A). De conclusie is duidelijk: uiteinde­lijk kan alleen in concrete gevallen door de rechter worden bepaald hoe de demonstratie­vrijheid enerzijds en de leerplicht (c.q. kwalificatieplicht) anderzijds tegen elkaar moeten worden afgewogen.
De Amsterdamse OnderwijsConsumentenOrganisatie (OCO 10/2/2019) heeft de regels nader uitgelegd. Wie zonder toestemming wegblijft van school, is een spijbelaar, tenzij de leerling achttien jaar of ouder is (of dankzij een havo-, vwo- of mbo2-diploma niet meer kwalificatie­plichtig is). De school kan spijbelaars straffen en zij moet aangifte doen bij de leerplicht­ambtenaar als iemand in vier weken meer dan zestien uur gespijbeld heeft. Als je straffeloos schooltijd wilt verzuimen om aan een buitenschoolse demon­stratie deel te nemen, moet je aan de schoolleiding ‘verlof wegens gewichtige omstandigheden’ vragen, waarbij tevens een bewijs van toestemming van de ouders vereist is. Het is dus in eerste instantie aan de school om te beoordelen of de beoogde deelname aan een bepaalde demonstratie een gewichtige reden voor het verlenen van verlof vormt. Een andere mogelijkheid is dat de school besluit de deelname aan de demonstratie als een reguliere onderwijsactiviteit (bijvoorbeeld voor het vak Maat­schappij­leer) te erkennen.
Door de OCO wordt niet vermeld welke rechtsgang gevolgd moet worden om een school tot de orde te roepen als zij weigert verlof te verlenen. Bij welke rechtsprekende instanties kunnen leerlingen (of hun belangenbehartigers) terecht als de school hun demon­stratievrijheid onrechtmatig beknot heeft of als zij hen wegens spijbelen gestraft heeft nadat ze tevergeefs regulier verlof hebben aangevraagd?
Lees verder … (PDF)

Betaalde bijles voor eigen parochie (III)

Wes Holleman | 13-02-2019 | 1 Reactie » | permalink

Drie juffen van een Haarlemse basisschool zijn een eigen bedrijfje gestart, namelijk een buitenschools instituut voor huiswerk­begelei­ding, bijles en plusonderwijs. Ze richten zich op een klantenkring van basisscholieren en leerlingen uit de onderbouw van het secundair onderwijs. Maar het schoolbestuur heeft hen teruggefloten met het argument dat een integere leerkracht zich niet aan ‘onprofessionele belangenverstrengeling’ mag blootstellen (VK 12/2/2019). Als je privé aan eigen leerlingen bijles aanbiedt, mag je daar geen geld voor vragen. Evenmin mag je op school klanten werven voor je eigen bijlesinstituut, en het is al helemaal een doodzonde als je jouw individuele begeleidingstaken op school zou verwaarlozen om de vraag naar jouw commerciële diensten aan te wakkeren. Het drietal heeft nu toegezegd hun dienstverband aan het eind van dit schooljaar te beëindigen.
Toch betwijfel ik of dat voor het schoolbestuur het enige motief is geweest om zich nadrukkelijk van de nieuwbakken ondernemers te distantiëren. Ook onderwijsinstellingen zelf gedragen zich tegenwoordig als een soort ondernemingen, ongeacht of ze door de overheid gesubsidieerd worden. Ze moeten een aantrekkelijk assortiment van diensten bieden om klanten te trekken en ze moeten hun productiekosten in de hand houden. Het is dan verleidelijk een deel van de kosten op de ouders af te wentelen (bijvoorbeeld via een ‘vrijwillige’ ouderbijdrage voor de deelname aan een plusklas). Of ze kunnen in nauwe samenwerking met commerciële partners een ‘brede school’ of ‘íntegraal kindcentrum’ formeren, dat tegen marktconforme prijzen allerlei extra’s biedt. Op die manier wordt wel Passend Onderwijs aangeboden, maar niet in de kosteloze vorm die de wetgever voor ogen heeft gestaan. Wie niet genoeg geld heeft om die extra diensten te betalen, die mist de boot. Ik zou me kunnen voorstellen dat het Haarlemse schoolbestuur zich nadrukkelijk van de drie juffen distantieerde om te voorkomen dat ouders en toezichthouders gaan denken dat de school haar arbeidsintensieve begeleidingstaken naar een commerciële partner wil afschuiven. Het schoolbestuur trachtte elke verdenking van ‘ínstitutionele belangenverstrengeling’ weg te nemen.
Lees verder … (PDF)

Nepleerlingen in Veenendaal

Wes Holleman | 11-02-2019 | 4 Reacties » | permalink

De vijf undercover-leerlingen op het Christelijk Lyceum zijn binnen een week ontmaskerd. Ze waren de beoogde hoofdpersonages van een achtdelige RTL-documentaire over de belevings­wereld van scholieren. Met toestemming van de schoolleiding zouden ze drie maanden lang gefilmd worden door het productiebedrijf Vincent TV. Aan de zittende leerlingen en leraren was dringend verzocht mee te doen aan het TV-project, maar ze wisten niets van de doorgestoken kaart: dat de vijf nieuwe leerlingen, eind januari in diverse klassen ingestroomd, hun middelbareschooltijd al achter de rug hadden en dat ze geselecteerd waren om hun vroegere schoolproblemen voor het oog van de camera te herbeleven.
Nu de undercover-operatie aan het licht is gekomen, heeft RTL besloten het project te staken. De rector heeft een excuusbrief aan de leerlingen en leraren gestuurd. Door de Onderwijs­inspectie is een onderzoek aangekondigd. En de SP gaat (op 12 februari tussen 14 en 15 uur?) mondelinge Kamervragen stellen.
Ik begrijp dat de leraren en leerlingen zich bedrogen voelen. De rector had hen moeten in­lichten over het inschakelen van nep­leerlingen. Het is onvergeeflijk dat onwetende leraren (en klassementoren) kostbare tijd hebben moeten uittrekken om hen op te vangen en hun eventuele achterstanden te identificeren. En leerlingen vragen zich evenzo af waarom ze tijd hebben vrijgemaakt om de nieuwe klasgenoten wegwijs te maken, hen op te vangen en hen te helpen bij eventuele huiswerkproblemen. Laten we inzoomen op de leerlingen: heeft de schoolleiding met deze (gestrande poging tot) misleiding inbreuk gemaakt op het veilige schoolklimaat dat zij mogen verwachten?
1. De schoolleiding heeft hun vertrouwen geschonden. Sinds zij onder één hoedje blijkt te spelen met RTL, heeft de school haar geloofwaardigheid als dienstverlenende instelling ver­loren. Zij kan niet meer claimen dat zij het belang van haar leerlingen voorop stelt.
2. Door de komst van nepleerlingen, die bovendien undercover opereerden, werd het gesloten front doorbroken dat leerlingen tegenover de staf in acht plegen te nemen. Zouden de mollen de zwijgplicht (omerta) respecteren of zouden ze als verklikkers de kant van schoolleiding en docenten kiezen?
3. Verder werden de leerlingen geconfronteerd met het risico dat de nepleerlingen het roddel­circuit binnen de leerlingenpopulatie zouden aanwakkeren in de hoop dat de documentaire daardoor een sensationeler verloop zou krijgen. Ook bestaat het risico dat gevoelige informatie door de nepleerlingen wordt doorgespeeld naar de regisseur van het TV-productieteam, die belust is op hoge kijkcijfers en dus alle signalen verwelkomt die bruikbaar zijn om pakkende camerabeelden en sappige uitlatingen te arrangeren.
4. Leerlingen werden in de waan gebracht met gewone klas- of schoolgenoten van doen te hebben, met wie ze samenwerkings-, vriendschaps- of liefdesverhoudingen kunnen aangaan. Ze voelen zich bedrogen als ze merken dat deze nieuwelingen van meet af aan toneel speelden en dat ze van meet af aan van plan zijn geweest om binnen drie maanden (na een dramatisch onthullings­ceremonieel) de plaat te poetsen.
5. Leerlingen worden in hun privacy aangetast als ze zich door een undercover-leerling tot grotere openhartigheid laten verleiden dan waartoe ze geneigd zouden zijn geweest als ze weet hadden van de ware identiteit en de ware bedoelingen van hun gespreks­partner.

Scripties: de VU-redigeerservice

Wes Holleman | 05-02-2019 | 1 Reactie » | permalink

Dat is een van de positieve effecten van de internationalisering van het Nederlandse hoger onderwijs. Het besef breekt door dat je tegenwoordig niet zomaar van studenten kunt eisen dat ze een scriptie zonder taal- en spelfouten inleveren. Want tegenwoordig is het niet ongewoon dat Nederlandse, Duitse of Chinese studenten een Engelstalige opleiding volgen, of dat buiten­landse studenten (na een taalcursus) een Nederlandstalige opleiding doorlopen. Het is logisch dat scriptieschrijvers dan hulptroepen moeten in­schakelen om de taal- en spelfouten eruit te halen en om zich op ongelukkige woordkeuzes en zinsconstructies te laten attenderen.
De faculteit Geesteswetenschappen van de Vrije Universiteit is onlangs gestart met een Redi­geer­service waar VU-studenten, tegen betaling van €47,50 per uur, de eindversie van hun scriptie kunnen laten corrigeren (Advalvas 21/1/2019). Dit initiatief komt mede voort uit het feit dat vele examencommissies nogal wat bedenkingen hebben wanneer studenten zich door commerciële scriptie­bureaus niet alleen redactioneel maar ook inhoudelijk zouden laten souffleren bij het maken van hun papers en scripties.
Ik begrijp hieruit dat de VU-faculteiten het niet als een vorm van fraude beschouwen als studenten externe hulp inroepen om de taalkundige kwaliteit van hun schrijfproducten te ver­beteren. Ook neem ik aan dat de taalkundige kwaliteit door de faculteiten niet wordt mee­gewogen bij de becijfering van papers en scripties (want daarmee zouden zij studenten discrimineren die niet genoeg geld hebben om externe commerciële hulp te betalen). Maar docenten hebben natuurlijk het recht papers en scripties als onbeoordeel­baar te retourneren wanneer ze in taalkundig opzicht volstrekt onder de maat zijn.
Toch vind ik de oplossing die door de VU is gekozen, nog niet helemaal bevredigend. Uni­versiteiten en hogescholen hebben de wettelijke opdracht bij Nederlandstalige studenten de uitdrukkingsvaardigheden in het Nederlands te bevorderen (art. 1.3 lid 5 WHW). Meer in het algemeen mag men van faculteiten verwachten dat zij zich zich ten doel stellen de schriftelijke taalbeheersing van studenten te versterken, wat de voertaal betreft waarin ze hun papers en scripties moeten schrijven. De VU biedt daartoe een academic language programme: studenten kunnen zich bekwamen in academisch Engels of professioneel Nederlands en daar krijgen ze ook studiepunten voor. Verder kunnen bachelorstudenten een minortraject Engels volgen, waarin twee cursussen Academisch Engels zijn opgenomen. Het lijkt me dan een logische gedachte om de Redigeerservice uit te bouwen tot een on-the-job trainingsmodule binnen het ‘academic language programme’. Ik bedoel een studietrajectje waarin de taalkundige begeleider niet alleen productgerichte acties onderneemt om de taalkundige kwaliteit van de scriptie te verhogen, maar tegelijkertijd ook didactische interventies doet om de taalkundige competenties van de scriptieschrijver te versterken.

Onbetaalde herendiensten

Wes Holleman | 30-01-2019 | 3 Reacties » | permalink

Hij was onderzoeksdirecteur van de Graduate School of Pharmacy aan de University of Missouri (Kansas City). Een echte netwerker. Hij haalde jaarlijks tonnen aan onderzoek­subsidies binnen. Maar hij is onlangs opgestapt omdat hij de eer aan zichzelf wilde houden. Hij werd namelijk beschuldigd van machtsmisbruik jegens studenten. Hij placht ze vriendelijk doch dringend te vragen om, zonder betaling, huishoudelijke klusjes in de privésfeer voor hem op te knappen. Zij meenden dat niet te kunnen weigeren omdat ze als student afhankelijk waren van zijn goedgunstigheid. Door jarenlang willens en wetens zulke buitenprofessio­nele relaties met studenten aan te gaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan onprofessioneel gedrag. Dergelijke relaties kunnen trouwens ook rechtstreeks de professionele integriteit aantasten: wanneer ik als student gratis voor jou werk, mag ik van jou als docent ook extra coaching bij mijn werkstukken en een coulante beoordeling van mijn studieprestaties verwachten.
Het eigenaardige is dat hij allang collegiale signalen had gekregen dat zijn gedrag niet door de beugel kon. Waarom ging hij er dan toch mee door? De hoogleraar kwam oorspronkelijk uit India en zijn ‘slachtoffers’ waren Indiase studenten die met een tijdelijke verblijfsvergunning Farmacie studeerden. Ik denk dat zowel de Indiase hoogleraar als de betrokken Indiase studenten hun weder­zijdse relatie niet zozeer interpreteerden als die tussen Professional en Student, maar veeleer als die tussen Patroon en Cliënt. Als bedreven netwerker was hij actief binnen de lokale Indiase of Hindoestaanse gemeenschap en trok hij zich ook het lot van de Indiase studenten aan. Door zijn functie als docent-beoordelaar kon hij hen maken en breken, want wie z’n studie voortijdig moet beëindi­gen verliest automatisch z’n verblijfsvergunning. Maar in zijn veelkleurige patronagerol had hij het beste met hen voor. Hij nodigde hen bij zich thuis uit en bracht hen in contact met land- en geloofsgenoten. Hij behandelde hen als ‘vrienden’ (of liever: bevriende cliënten) en straalde uit dat hij vanuit zijn positie al het mogelijke wilde doen om hen in hun belangen te beschermen tegen de boze buitenwereld. Maar in zo’n etnische patronageverhouding geldt “vóór wat hóórt wat”. Zo verwachtte hij van hen dat ze in voor­komende gevallen hand- en spandiensten verleenden (aan de lokale etnische gemeenschap of natuurlijk ook aan hemzelf), net zoals de middeleeuwse landheer in West-Europa van zijn horige boeren verlangde dat ze, in ruil voor zijn bescherming, onbetaalde ‘herediensten’ (= corvées, prestations) verrichtten.
Bron: Chronicle H.E. (16/1/2019), The Kansas City Star (18/11/2018)

Zendbrief tegen zedenverwildering

Wes Holleman | 28-01-2019 | 2 Reacties » | permalink

Een hoogleraar van de openbare Technische Universiteit Delft (TUD) heeft publiekelijk een orthodox-christelijke zendbrief tegen zedenverwildering onderschreven. In deze zendbrief (de zgn. Nashvilleverklaring) wordt beweerd dat homoseksueel gedrag, evenals overspel en andere seksuele liefhebberijen, in het licht van de Bijbelse Boodschap zondig is. Daar zal niemand van opkijken. Onkuisheid wordt immers sinds mensenheugenis als één van de zeven hoofdzonden beschouwd. Maar homoseksuele studenten kunnen dit als respectloos ervaren. Zij kunnen erop wijzen dat de uitlatingen van de docent strijdig zijn met het inclusieve gedachtengoed van de TUD. Het Openbaar Ministerie heeft zelfs aangekondigd een onderzoek te starten naar de eventuele onrechtmatigheid van de Nashvilleverklaring: is dit groepsbelediging of wordt hier tot discriminatie van praktiserende homo­seksuelen opgeroepen?
Naar mijn indruk is de Nashvilleverklaring echter vooral voor intern gebruik bedoeld. De ver­talers en onderschrijvers van de zendbrief richten zich tot de leden en vrienden van orthodox-christelijke kerkgemeenschappen: bekeer u tot het smalle pad dat naar het Koninkrijk Gods leidt! En misschien richt de Verklaring zich, nog specifieker, tot de orthodox-christelijke predikanten en pastorale werkers: het is zondig om zondig gedrag te vergoelijken! houd u verre van valse profeten die de traditionele definitie van zondig gedrag willen uithollen en die de gelovigen voorspiegelen dat ze het Koninkrijk Gods wel deelachtig kunnen worden, ook al vol­harden ze in hun zedeloos gedrag! Volgens mij maken de vertalers van de Verklaring zich niet schuldig aan groepsbelediging en roepen ze hun geloofsgenoten evenmin op om praktiserende homoseksuelen te discrimineren. [Maar er bestaat wel een risico dat sommige kerkgemeen­schappen zich door de Verklaring gesterkt voelen in een neiging om praktiserende homoseksu­elen in eigen kring terecht te wijzen en eventueel ook uit de eigen kring te weren].
Er zijn ook geen aanwijzingen dat de betrokken Delftse docent misbruik tracht te maken van zijn positie met het doel de refor­matorische veroordeling van homoseksueel gedrag middels zijn onderwijs ingang te doen vinden. Ik denk dat de Verklaring voor het O.M. geen aanleiding biedt om vervolging in te stellen en dat de Delftse docent evenmin van onprofessioneel handelen beticht kan worden. Hij kan zich beroepen op zijn vrijheid van meningsuiting.
Lees verder … (PDF)