Kerstmis op school (II)

Wes Holleman | 25-12-2017 | 2 Reacties » | permalink

Openbare basisschool De Wateringe te Hellevoetsluis telt ongeveer 135 leerlingen. Op deze opbrengstgerichte ‘high performance school’ wordt samengewerkt en geïnnoveerd om alle leerlingen te laten excelleren, al naar hun individuele capaciteiten. De Oudervereniging (OV) telt maximaal negen leden, die gekozen worden door de ouders. Zij beheert het schoolfonds, dat gevoed wordt door de vrijwillige ouderbijdragen (dit schooljaar door de Medezeggen­schaps­raad vastgesteld op 50 euro per kind, maar minvermogende ouders kunnen beroep doen op het gemeentelijke Sport- en Cultuurfonds). Van dit bedrag worden onder meer het schoolreisje, de feesten en de sportactiviteiten betaald. De leden van de OV assisteren en coördineren bij vele schoolactiviteiten en vormen samen met het onderwijsteam de ruggegraat van de school­organisatie. De OV komt maandelijks in openbare vergadering bijeen, waar ook leden van het onderwijsteam en van de directie aanschuiven.
Op donderdagavond 21 december zou een kerstmaaltijd worden gehouden en de leerlingen zouden ieder één gerecht meebrengen. Maar de OV had besloten dat leerlingen van deze kerstviering zouden worden uitgesloten als hun vrijwillige ouderbijdrage niet was betaald. De ouders van zeventien leerlingen werden daarover aangeschreven, waarna de ouders van tien leerlingen hun ‘schuld’ alsnog vereffenden.
Twee ouders (waaronder Doortje, een dissident uit de OV) waren zó verontwaardigd over deze financiële chantage dat ze het Algemeen Dagblad (19/12/2017) inseinden met de aankondiging dat ze op eigen houtje voor de zeven resterende kinderen een concurrerende kerstmaaltijd in het Buurthuis organiseerden. Uiteindelijk haalde de school bakzeil: ook de kinderen van de ‘wanbetalers’ mochten naar de kerstviering op school. Maar Doortje werd uit de OV gezet omdat ze uit de school had geklapt.

Wereldvreemde geschiedenisleraar

Wes Holleman | 20-12-2017 | 1 Reactie » | permalink

Ik zit op de havo. De havo-afdeling heeft in het tweede leerjaar twee parallelklassen. De Geschiedenislessen zijn voor de ene klas op maandagochtend en voor de andere klas op dinsdag verroosterd. Als dinsdagklas kunnen we dus profiteren van de toetservaringen van de maandagklas. We hoorden dat zij een schriftelijke overhoring (SO) hadden gekregen en nogal wat klasgenoten lieten zich maandagmiddag briefen over de opgaven die hun waren voorgeschoteld. Er werden dinsdag opvallend veel tienen gescoord, want de dinsdagse SO bleek identiek te zijn aan die van maandag.
Drie weken later kregen we een proefwerk (PW) Geschiedenis. Inmiddels wijs geworden, lieten velen van mijn klasgenoten zich maandagmiddag informeren over de opgaven. Ik heb daar niet aan meegedaan, want dat is mijn eer te na (ik ben vrij goed in Geschiedenis). Maar ja hoor: we kregen dinsdag precies hetzelfde proefwerk. Op het mentoruur, woensdagmiddag, heb ik mijn beklag gedaan over die wereldvreemde toetsgewoonten van de geschiedenisleraar.
Blijkbaar heeft de mentor vervolgens contact opgenomen met de geschiedenisleraar, want de volgende dag kregen we een mail van hem dat hij ons afgelegde proefwerk ongeldig had verklaard en dat we de volgende dinsdag een herkansing zouden krijgen.
Bij mijn klasgenoten ben ik nu de gebeten hond, terwijl ik toch naar eer en geweten gehandeld heb, in het belang van de kwaliteit die we op school mogen verwachten. Mijn klasgenoten kunnen hun pijlen beter richten op die vermaledijde geschiedenisleraar, die eerst (uit wereldvreemdheid? of uit luiheid?) de professionele regels der kunst verzaakt heeft en die óns dan voor de gevolgen daarvan laat opdraaien.
Bron: forum Fok.nl (26/11/2017)

Competitief onderwijs

Wes Holleman | 18-12-2017 | 1 Reactie » | permalink

In Vlaanderen is het niet ongebruikelijk dat leerlingen voor elk vak niet alleen hun eigen cijfer op hun voortgangsrapport te zien krijgen, maar ook het gemiddelde of mediane rapportcijfer van hun klas. De openbaaronderwijskoepel (GO!) vindt het ongewenst, zo bericht De Standaard (30/11/2017), dat leerlingen op die manier gedwongen worden de eigen prestaties te vergelijken met die van hun klasgenoten. Door Kris van den Branden (20/11/2017) worden vier argumenten genoemd waarom men dat niet in het belang van de zwakkere leerling acht. Maar in zijn boek Klaskit (2017) draagt Pedro de Bruyckere ook een argument aan om medianen niet helemaal overboord te gooien: dergelijke kengetallen kunnen de leerkracht informeren over ‘hoe de groep presteert en zo (…) over de kwaliteit van het onderwijs dat [hij/zij] aan de leerlingen heeft aangeboden’ (Van den Branden op.cit.).
Dit moge gelden voor rapportcijfers in het basisonderwijs, maar in het secundair en postsecundair onderwijs hebben dergelijke cijfers ook een rechtspositionele functie voor de leerlingen en studenten. Voor hen is het van groot belang dat ze per omgaande op de hoogte worden gebracht van het gemiddelde cijfer of het percentage onvoldoendes dat gescoord is op de door hen afgelegde summatieve toets of het door hen afgelegde tentamen. Op basis daarvan kunnen zij afwegen of er aanleiding is om inzage te vragen in het beoordeelde werk en zo nodig bezwaar te maken tegen de beoordeling. Ook kan er aanleiding zijn voor collectieve actie tegen de moeilijkheidsgraad c.q. validiteit van de toets, tegen de geringe voorbereidingstijd die hun gegund is, tegen de kwaliteit van de aangeboden onderwijs- en voorlichtingsactiviteiten of tegen de reglementaire consequenties van de behaalde cijfers.
Verder is er nog de invalshoek van hoogpresterende, ambitieuze leerlingen en studenten: welke ondersteuning hebben zij nodig om hun aspiratieniveau te handhaven? Zij beginnen zich zorgen te maken als ze zevens voor hun kiezen krijgen in plaats van achten en negens. Die zorgen zouden worden weggenomen als ze wisten dat ze met die zevenscore nog altijd tot de 5% besten van de klas behoorden. Is het een idee dat men hoog­presteerders gelegenheid geeft zich te abonneren op de rapportage van hun percentielscore? In de trant van: met deze zeven zit je op het 95e percentiel van de prestatieverdeling van jouw klas.

Seksrelaties met meerderjarige studenten (II)

Wes Holleman | 26-11-2017 | permalink

Heeft u kennisgenomen van het Volkskrantbericht (24/10/2017) dat een docent van de Arnhemse toneelschool eertijds seksrelaties had met zijn studenten? Het Tweedekamerlid Corinne Ellemeet (GroenLinks) stelde daarover zes vragen aan de kersverse minister van Onderwijs. Op 20 november kwam het antwoord van minister Ingrid van Engelshoven (D66). De minister vindt het onacceptabel als docenten de gepaste professionele afstand (ten opzichte van een student) uit het oog verliezen, misbruik maken van de kwetsbaarheid van die student (die in een afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van de professionele docent verkeert) en zich schuldig maken aan seksueel grensoverschrijdend gedrag (jegens die student), te meer daar zodoende schade wordt gedaan aan de veilige leeromgeving (die docenten moeten bieden om de gestelde leerdoelen te bereiken).
De minister legt dus de nadruk op de bestrijding van psychisch of fysiek (seksueel) geweld dat gepleegd wordt jegens een kwetsbare partij. Daarmee sluit zij aan bij de uitgangspunten van het beleidsproject Geweld in Afhankelijkheidsrelaties, dat al vele decennia op de overheidsagenda staat en dat vooral gericht is op de bescherming van vrouwen, kinderen en ouderen tegen huiselijk geweld.
Maar in haar Kamervragen koos Ellemeet een ruimere invalshoek, die méér omvat dan daders en slachtoffers van machtsmisbruik. Zij spreekt niet van een afhankelijkheidsrelatie maar van de hiërarchische (en daarmee ongelijke oftewel asymmetrische) relatie tussen docent en student. Daarmee opent ze het zicht op een breed scala van risico’s die arbeidsorganisaties of professionele beroepsgroepen lopen als leidinggevenden of professionals te hechte persoonlijke relaties met hun medewerkers of cliënten aanknopen. In de Gedragscode voor universitaire onderzoekers, docenten en examinatoren (NGW artikel 1.9) wordt bijvoorbeeld gesteld dat ze zich niet moeten begeven in persoonlijke relaties die een redelijke twijfel zouden kunnen wekken aan de objectiviteit van hun beslissingen.
Lees verder … (PDF)

Mongooltje (II)

Wes Holleman | 27-06-2017 | permalink

Mag een leraar ons voor Mongooltje uitmaken als we iets doms zeggen of iets doms doen? In een vorig blogbericht werd gesteld dat een dergelijke kwalificatie beledigend en vernederend is tegenover de betrokken leerling. Dat geldt al voor een kwalificatie in de trant van Uilskuiken of Sufferd, maar het is helemaal onbehoorlijk een incidentele gedraging (dom gedrag) te kwalificeren als de manifestatie van een onveranderlijk persoonlijkheidskenmerk (een verstandelijke handicap).
Bovendien is deze handelwijze ook in ander opzicht onprofessioneel: zij werkt discriminatie in de hand. De term Mongooltje bezigend, ontkracht de leraar namelijk de norm dat je gehandicapte mensen (zoals iemand die aan het Syndroom van Down lijdt) niet mag aanspreken met een benaming van hun handicap. Hé mongool, luister eens! Hé schele! Hé hinkepoot! Hé hakkelaar! De leraar ondergraaft het ethische uitgangspunt dat een dergelijke bejegening van gehandicapten respectloos is, en dat het (meer in het algemeen) onbehoorlijk is mensen aan te spreken met de denigrerende benaming van een persoonskenmerk waarin ze zich van de modale medemens onderscheiden (zoals in: Hé, jij daar dikzak! Hé vuurtoren! Hé spleetoog! Hé nikker!). Het behoort tot de vormingsopdracht van de school leerlingen te doordringen van het ethische uitgangspunt dat mensen in gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden en dat ze niet vernederd en achtergesteld mogen worden op grond van persoonskenmerken die niet ter zake doen.

Mongooltje

Wes Holleman | 07-06-2017 | 1 Reactie » | permalink

Ik heb een leraar die ons, als we iets verkeerd doen, meteen voor Mongooltje uitmaakt. Kun je tegen zo iemand aangifte doen bij de politie? Dat is de vraag die BasBas voorlegt aan het Scholierenforum (24/5/2017). Volgens Elin3 heeft dat geen zin, want schelden is niet strafbaar. Ik deel Elins taxatie dat aangifte niet tot justitiële vervolging en veroordeling zal leiden, maar haar argumentatie klopt niet. Het is beledigend om iemand voor Mongool uit te schelden met de bedoeling hem of haar als een verstandelijk gehandicapte neer te zetten, en belediging is wel degelijk een strafbaar feit, althans als de gedupeerde of diens wettelijke vertegenwoordiger een formele klacht indient.
Maar Elin3 en Mark52 dragen een beter alternatief aan: wend je tot de mentor of de teamleider en vraag hun om deze leraar tot de orde te roepen. Misschien heeft de leraar het zo niet bedoeld, maar hij maakt zich aan onprofessioneel gedrag schuldig. Het is onprofessioneel om leerlingen te vernederen en hun zelfrespect te ondermijnen. En als bepaalde leerlingen week-in-week-uit door een leraar vernederd worden, moet dat tevens als pestgedrag worden aangemerkt.
Voor de teamleider is er bovendien reden om ernstige vraagtekens te zetten bij de taakopvatting van deze leraar. Door leerlingen denigrerend als Mongooltjes te bestempelen, suggereert de leraar dat de strubbelingen in hun leerproces uitsluitend te wijten zijn aan factoren die buiten zijn eigen invloedssfeer liggen. Hij straalt onprofessionele zelfgenoegzaamheid uit: “Met mijn didactiek is niets mis. En van mij kan niet worden verwacht dat ik nóg meer didactische energie in hen steek, want gezien hun verstandelijke ontwikkelingsstoornis is dat onbegonnen werk.”

Het feestje van de CITO-toets

Wes Holleman | 22-05-2017 | permalink

Basisschool De Stokland (Son & Breugel) is opbrengstgericht: zij helpt de kinderen het beste uit zichzelf te halen om vervolgens een optimale start te maken in het voortgezet onderwijs. De school wachtte dan ook met kloppend hart op de uitkomsten van de Eindtoets Basisonderwijs van het CITO. Zullen de individuele CITO-scores van de leerlingen aan de prognose beantwoorden die de leerkrachten in hun eerdere schooladvies geformuleerd hebben? Alle leerlingen van groep 8 waren woensdag in de gymzaal verzameld waar de uitslagen geopenbaard zouden worden. Maar de schooldirectie had ook een cameraploeg van het Jeugdjournaal uitgenodigd, want zij had een verrassing in petto (NOS 12/5/2017). Maud werd naar voren geroepen en zij kreeg te horen dat zij, in heel Nederland, één van de vijf leerlingen is die dit jaar alle 220 items goed hebben beantwoord. Luid applaus. Bovendien bleek maarliefst 32% van het Stoklandse uitstroomcohort minder dan 20 items fout te hebben beantwoord, wat hun (evenals Maud) de hoogst mogelijke score (550 punten) oplevert. Om in aanmerking te komen voor het vwo hebben leerlingen minimaal 545 punten nodig (zie tabel I), maar mede dankzij deze uitblinkers kwam het rekenkundig gemiddelde van groep 8 als geheel op 545,2 uit (ED 11/5/2017). Lisette van den Beld heeft zich echter groen en geel geërgerd aan deze reportage van het Jeugdjournaal. In een open brief op haar Facebook­pagina legt ze uit waarom.
Lees verder … (PDF)

Moederdag versus inclusief onderwijs

Wes Holleman | 14-05-2017 | 1 Reactie » | permalink

Het is vandaag de tweede zondag van mei, de dag dus waarop vele kinderen in familiekring Moederdag vieren. Basisscholen laten dat niet ongemerkt voorbijgaan. In de afgelopen week hebben de kinderen op school een mooie tekening of een ander knutselwerk gemaakt om vanochtend hun moeder te verrassen. Maar Brussel is een internationale stad. De Franstalige school Singelijn (niet-confessioneel bijzonder basisonderwijs) is afgestapt van deze moederdagtraditie, want bij vele leerlingen wordt Moederdag thuis op een andere dag gevierd. Bijvoorbeeld Franse en Marokkaanse gezinnen die in Brussel wonen, vieren Moederdag op de laatste zondag van mei. Een ander probleem is dat de Moeder- en Vaderdagfestiviteiten op een traditionele gezinssamenstelling gestoeld zijn, terwijl vele leerlingen in een éénoudergezin leven. Hun ouders zijn gescheiden, hun vader of moeder is overleden of met de noorderzon vertrokken, etcetera. En dan zijn er ook nog de kinderen die in een gezin met twee vaders of twee moeders opgroeien. De leerkrachten vinden het eigenlijk ongepast om, in de week vóór Moeder- c.q. Vaderdag, te doen of hun neus bloedt. Het is onprofessioneel en wreed een vader- of moederloos kind op te dragen een verrassing te bereiden voor een ouder die er niet (of niet meer) is.
Maar je kon er vergif op innemen: de directie van de aloude basisschool van Mme Singelijn heeft de hele wereld over zich heen gekregen. Zelfs vanuit de Vlaamse regering spraken de Onderwijsminister en haar Turks-Koerdische collega voor Gelijke Kansen er schande van. Het culturele nationalisme en antiglobalisme viert immers hoogtij. De protesteerders beroepen zich op de Vlaams-Nederlandse (c.q. Belgische) normen en waarden. ‘Het traditionele twee­oudergezin is de hoeksteen van de samenleving en Moeder­dag (resp. Vaderdag), op de tweede zondag van mei (resp. juni), is een onverbrekelijk onderdeel van de nationale traditie. Wij zijn bereid afwijkende samenlevings­vormen en afwijkende familietradities te tolereren, maar op school en in het openbare leven mag niet aan de viering van ons aller Moeder- en Vaderdag getornd worden.’
Bron: Nieuwsblad (12/5/2017), De Telegraaf (12/5/2017a, 12/5/2017b), RTL Nieuws (12/5/2017)

Meervoudige relaties: een risico?

Wes Holleman | 01-05-2017 | permalink

Samen met een manlijke collega bestiert ze groep 5/6 van een katholieke dorpsschool in West-Brabant. Maar sinds kort heeft ze een relatie met iemand (een man? een vrouw?) wiens kind in haar klas zit. De ouders van dat kind zijn gescheiden. De directeur en het regionale school­bestuur vinden dat zo’n complexe relatie niet kan. Ze wordt per direct overgeplaatst naar een schoolvestiging elders in de regio. Het hele dorp reageert verontwaardigd: waarom wordt zij gestraft in haar prille geluk? Zit meneer pastoor daar soms achter, vanwege de onverbreke­lijk­heid van het heilige huwelijk, vanwege de zondigheid van een lesbische relatie, of omdat leerkrachten het goede voorbeeld moeten geven? Of vindt de school dat de relatie tussen leerkracht en leerling éénduidig moet blijven? Dat zou dan iets nieuws zijn, want eertijds kreeg één van de leerkrachten wel haar bloedeigen kinderen in de klas!
Ik denk dat er volgens de school teveel risico’s kleven aan de dubbele relatie tussen de leer­kracht enerzijds en haar cliëntsysteem (het kind en zijn/haar gescheiden ouders) anderzijds, wanneer zij tevens als nieuwe partner van één van de voormalige echtelieden, als stiefmoeder van hun kind en misschien ook als splijtzwam tussen de voormalige huwelijkspartners fungeert. In 2004 schreef Stephen Behnke een artikel over de nieuwe ethische code voor Amerikaanse psychologen. Het ging over de vraag hoe professionele therapeuten moeten omgaan met ‘multiple relationships’ jegens hun cliënt (bv. een kind) of jegens naasten van hun cliënt (bv. de ouders van dat kind). De ethische stelregel is dat ze meervoudige relaties moeten vermijden als die schade kunnen toebrengen aan hun objectiviteit, aan de kwaliteit en effectiviteit van hun professionele handelen of aan de belangen van hun cliënt. De betrokkenen moeten dus serieus taxeren in hoeverre de leerkracht in de nieuwe verhoudingen een professionele relatie met haar leerling en met de beide ouders kan realiseren.
Bron: BN DeStem (29/4/2017a, 29/4/2017b), Brabants Dagblad (29/4/2017)

Immorele didactiek (II)

Wes Holleman | 17-04-2017 | permalink

‘Zo ga je niet met je studenten om!’ In een eerder blogbericht had ik het over de immorele didactiek van een veeleisende afstudeerdocent op een conservatorium. In de Orlando Sentinel (11/4/2017) en InsideHigherEd (14/4/2017) wordt een ander creatuur uit de kunstsector beschreven: een praktijkdocent (zelf een gevestigd beeldend kunstenaar) wordt berispt nadat een studente had geklaagd over zijn ongezouten/ongekuiste/onheuse commentaren op haar werkstukken. De berisping geldt met name zijn respectloze, ongekuiste, onbehouwen taalgebruik bij het beoordelen van werkstukken. Maar uit de docentevaluaties op de website Rate My Professors blijkt dat zijn commentaren niet alleen qua vorm maar ook in inhoudelijk opzicht nogal uit subjectieve onderbuikgevoelens voortkomen. Een bloemlezing: 1. He is often offensive in his discourse with females and never gives any worthwhile feedback. 2. Some paintings he will absolutely hate and won’t give feedback on how to fix the problem. 3. He singles out select students he doesn’t like and never gives them a chance; never lets students talk or critique work of their peers; always talks about politics and never lets you have a say in the matter. 4. When it comes to the actual critiques, he is extremely black or white; if it is not exactly up to his standards (which he doesn’t specify ever) he will give you an Incomplete. 5. His grading system is kind of arbitrary. 6. If he doesn’t like your style, you’ll have to re-do all of your paintings; it’s frustrating because he doesn’t look at the quality, he just looks at if he likes it or not. 7. Very passionate man, so it is no suprise there will be outbursts if you impress him but also if you disrespect him. Vele studenten zijn vol lof over hun ambachtelijke goeroe: ze hebben veel van hem geleerd. Maar naar professionele maatstaven voldoet hij niet aan de eisen die men aan een docent (een reflective practitioner) pleegt te stellen.