Kleding: performance versus identiteit

Wes Holleman | 15-05-2018 | permalink

Mag je als docent commentaar leveren op de kledingkeuze van een student(e) of getuigt dat van gebrek aan respect? Bij een eindejaarsstudente schoot het volledig in het verkeerde keelgat toen de docente bij de oefenpresentatie van haar bachelor thesis informeerde of ze van plan was volgende week, bij de officiële presentatie, die korte shorts te blijven dragen. Ze explo­deerde bijkans, deed haar overhemd, shorts en schoenen uit en vervolgde haar presentatie gekleed in haar zwarte ondergoed. En of dat nog niet genoeg was, volhardde ze de week daarop, bij de officiële, openbare presentatie, in dit uiterst ongebruikelijke negligé. Toch handelde de docente geheel conform de syllabus van de cursus Spreken in het Openbaar: het was haar taak studenten in hun oefenpresentaties te begeleiden en daarbij mede te letten op de vraag of de kledingkeuze niet teveel afbreuk doet aan het doel dat de student met de presentatie voor ogen heeft. De aanvaring kwam doordat de docent veronderstelde dat de presentatie tot doel had een bepaalde boodschap aan het publiek over te dragen, terwijl de betrokken studente vooral gepreoccupeerd was met haar wens zichzelf te blijven en geen geweld te doen aan haar persoonlijke identiteit. Misschien was haar weigering te buigen voor opgelegde dress codes tevens ingegeven door het gevoel dat ze weliswaar een opleiding in de USA volgde maar haar Aziatische roots niet mocht verloochenen.
De aanvaring tussen docent en student was in dit geval een conflict tussen Kwalificatie (publieksgericht leren spreken in het openbaar) enerzijds en (recht op autonome) Persoons­vorming anderzijds. Maar de betrokken studente had geen oog voor de kwalificatierol die de docent trachtte te vervullen (gericht op de best mogelijke technische performance): zij had veeleer het gevoel dat de docente er domweg op uit was dat studenten zich conformeerden aan de maatschappelijk gedefinieerde kledingnormen (Socialisatie).
Bron: Inside Higher Ed (14/5/2018)

Propaganda in de klas

Wes Holleman | 13-05-2018 | 1 Reactie » | permalink

Mag een docent tijdens een werkcollege reclame maken voor een politieke partij en flyers uitdelen? Ja dat mag, laat het Bureau van de Universiteit desgevraagd weten: ‘het is docenten niet verboden (…) om stelling te nemen, ook niet in colleges’ (Ukrant 9/5/2018). De steen des aanstoots is het partijdige optreden van sommige docenten (c.q. student-assistenten of –promovendi) in het kader van de verkiezingsstrijd voor de studentengeleding van de Gro­ningse universiteitsraad. Als men dat bij het Bureau van de Universiteit zomaar meent te mogen goedpraten, dan heeft men daar weinig kaas gegeten van de professionele beroepsethiek van docenten.
In de eerste plaats geldt als belangrijk ethisch principe dat docenten (of personeelsleden die onder hun verantwoordelijkheid opereren) hun professionele gezag en het vertrouwen van hun studenten niet mogen misbruiken om zieltjes te winnen of ideologische opvattingen op te dringen (E.I. #2.j). Pas bij schrijnende gewetensnood, zoals in de casus van Cleveringa anno 1940, mogen docenten hun professionele terughoudendheid laten varen (Holleman 2006 p. 56). Kennelijk baseert het Bureau van de Universiteit het vermeende recht op het bedrijven van propaganda op de academische vrijheid van docenten en onderzoekers. Wettelijk is vastgelegd dat zij wetenschappelijke of morele standpunten mogen aanhangen en dat ze deze ongestraft mogen verdedigen en publiceren. Het Bureau vergeet echter dat de academische vrijheid van docenten begrensd wordt door hun plicht om controversiële stof evenwichtig aan te bieden en voldoende recht te doen aan concurrerende opvattingen (op.cit. p. 29-30). Michael Lewis karakteriseert de kluwen van onevenwichtig onderwijs en regelrechte propaganda als één van de zeven hoofdzonden in het hoger onderwijs (op.cit. p. 109).
In de tweede plaats stelt de American Association of University Professors (1990) nog een andere grens aan de uitoefening van de academische vrijheid door docenten, namelijk de grens die gelegen is in het studiecontract tussen docent en student: ‘it is improper for an instructor persistently to intrude material that has no relation to the subject, or to fail to present the subject matter of the course as announced to the students and as approved by the faculty in their collective responsibility for the curriculum.’ Studenten mogen verlangen verschoond te blijven van wijdlopige escapades van de docent die, in het licht van het overeengekomen onderwerp van de cursus, buiten de orde zijn.

Proefproces BSA nog steeds gewenst

Wes Holleman | 08-05-2018 | permalink

De propedeuse heeft een voorbereidende, oriënterende, selecterende en allocerende functie. Wat de selecterende functie betreft, kijkt de faculteit aan het eind van het eerste studiejaar naar het aantal behaalde studiepunten. Aan ongeschikte studenten wordt geadviseerd de opleiding te verlaten en onder bepaalde voorwaarden kan de faculteit ook een bindend advies (BSA) uitbrengen, hetgeen betekent dat de studie in deze opleiding niet mag worden voortgezet. Vijf jaar geleden heeft de Erasmus Universiteit de regel ingevoerd dat studenten in hun eerste verblijfsjaar alle zestig studiepunten moeten behalen: alle eerstejaarsstudenten die studie­vertraging hebbben opgelopen, worden (behoudens persoonlijke omstandigheden) uit de opleiding verwijderd. Het Landelijk Studenten Rechtsbureau (LSR) heeft deze selectieregel aanhangig gemaakt in een proefproces bij het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs, dat op 26 april jongstleden vonnis heeft gewezen. Volgens de drie CBHO-rechters handelt de Erasmus Universiteit niet in strijd met de wet.
Deze rechters zijn gespecialiseerd in het bestuursrecht maar ze hebben geen specifieke deskundigheid op het gebied van het hogeronderwijsrecht. Wetgevingsjurist Peter Kwikkers daarentegen is nauw betrokken geweest bij de totstandkoming van de hogeronderwijswetten en hij is redacteur van de geannoteerde, jaarlijkse SDU-editie van de Wet op het Hoger Onderwijs. Hij stelt dat de rechters in hun vonnis geen rekening hebben gehouden met de bedoelingen van de wetgever en dat het CBHO dus ten onrechte meende te mogen volstaan met een grammaticale interpretatie van de wetsteksten (ScienceGuide 2/5/2018). Bovendien waarschuwt de ervaren rechtsjournalist mr. Michel Knapen (2014) dat bestuursrechters tegenwoordig een lijdelijke rol plegen te kiezen: ze wegen de rechtsgronden die door de procespartijen zijn aangedragen maar verzaken hun bevoegdheid (of hun plicht?) om zelf te onderzoeken in hoeverre de gewraakte bestuursbeslissing rechtmatig is. In dat geval moeten de initiatiefnemers van een proefproces, als ze geen gelijk krijgen, dus niet bij de pakken neerzitten: ze moeten de volgende keer gewoon betere rechtsgronden aandragen. De conclusie van het LSR (AD 30/4/2018) dat studentenorganisaties na het gewraakte vonnis alleen nog maar bij de wetgevende macht op verduidelijking van de wetstekst kunnen aandringen, is in dat licht prematuur.
Lees verder … (PDF)

Opbrengstgericht onderwijzen en toetsen

Wes Holleman | 06-05-2018 | permalink

Leren kost tijd en het is dan ook onprofessioneel om studietijd te verspillen: een professionele docent tracht de leeropbrengst van geïnvesteerde studietijd te optimaliseren. In ScienceGuide (17/4/2018) pleit Tamara van Schilt voor een ‘íntegraal onderwijs- en toetsbeleid’ in hbo-opleidingen. Men moet zorgen dat niet alleen onderwijsdeelname en studie maar ook de deelname aan tentamens en toetsen een optimale leeropbrengst geeft. Zo wordt in Faculty Focus (18/4/2018) verslag gedaan van een introductieprogramma waarin iedere eerstejaars­student na het tentamen moet reflecteren op de studiestrategie die gevolgd werd in de cursus, op de factoren die bevorderlijk zijn voor tentamensucces, en ook op de gemiste tentamenvragen (wat is het juiste antwoord? waarom? wat maakte dat je niet op het juiste antwoord kwam?). Op deze insteek wordt voortgeborduurd door de Chronicle H.E. (19/4/2018): hoe kan de formatieve functie van summatieve toetsen en tentamens worden versterkt? Inmiddels is ruime ervaring opgedaan met ‘Two-Stage Exams’. Direct na inlevering van de gemaakte tentamen­vragen kan de student een bonus verdienen door dezelfde tentamen­vragen nog een keer in een kleine groep te beantwoorden; de groepsprestatie telt voor een klein deel mee in het uit­einde­lijke, individuele tentamencijfer. Gilley & Clarkston (2014) demonstreren dat deze tweetraps opzet kan bijdragen aan de uiteinde­lijke leeropbrengst en Rieger & Heiner (2014) laten zien dat deze opzet door de meeste studenten positief gewaardeerd wordt.

Maatschappelijke diensttijd

Wes Holleman | 22-04-2018 | permalink

Bij de formatie van het kabinet-Rutte III is vorig jaar overeengekomen dat er een Maat­schappelijke Diensttijd voor jongeren zal worden opgetuigd. Een soort Maatschappelijke Stage, maar dan voor meerderjarige jongeren en dus ook niet meer geworteld in het voortgezet onderwijs. De initiatiefnemers, CDA en CU, zijn eigenlijk voorstander van een verplichte variant (maatschappelijke dienstplicht), maar dat idee heeft geen politiek draagvlak gevonden, niet voor minderjarige en evenmin voor meerderjarige jongeren.
Staatssecretaris van VWS, Paul Blokhuis (ChristenUnie), denkt nog een jaar nodig te hebben om op basis van ervaringen in proef­tuinen een definitieve opzet te maken, zodat de Maat­schappelijke Diensttijd in de zomer van 2019 zou kunnen worden ingevoerd. Maar er moeten nog wel wat knopen worden doorgehakt, want op dit moment zijn er ten aanzien van de Maatschappelijke Diensttijd nog aanmerkelijke accentverschillen tussen CDA enerzijds en ChristenUnie anderzijds en tussen het Regeerakkoord van Rutte-III enerzijds en de voorlopige koers van staatssecretaris Blokhuis anderzijds. Die verscheidenheid van accenten wil ik hieronder zichtbaar maken.
Lees verder … (PDF)

Radicalisering?

Wes Holleman | 12-04-2018 | permalink

Het Franse dagblad Libération berichtte onlangs over een sociologisch onderzoek onder 7000 Franse middelbare scholieren van vijftien tot zeventien jaar, woonachtig in stedelijke achterstandsgebieden. Men wilde onderzoeken in hoeverre zij gevoelig zijn voor radicalisering. Een flink percentage (45%) van de geënquêteerde moslimleerlingen (tegen zo’n 18% van de geënquêteerde niet-moslims) kan de moordaanslag van januari 2015 op de redactie van Charlie Hebdo niet voor de volle honderd procent veroordelen en 20% vindt het aanvaardbaar dat mensen in bepaalde gevallen, in de hedendaagse samenleving de wapens opnemen om voor hun godsdienst te strijden. Elsevier Weekblad (5/4/2018) vermeldt in aanvulling daarop nog enkele andere cijfers: dat 80% van alle geënquêteerden (waaronder ook zo’n 73% van de geënquêteerde niet-moslims) van oordeel is dat je niet de spot mag drijven met religies en dat 25% van alle geënquêteerden (en misschien wel een grote meerderheid van de geënquêteerde moslimleerlingen) in dat verband van mening is dat de redactie van het satirisch weekblad Charlie Hebdo ‘het er zelf een beetje naar gemaakt heeft’.
Volgens mij is het lastig om dit soort enquêteresultaten eenduidig te interpreteren. Moet uit deze cijfers worden opgemaakt dat een aanmerkelijk percentage van de moslimleerlingen, afkomstig uit stedelijke achterstandsgebieden, vatbaar is voor radicalisering? Of verwoorden ze gewoon wat iedere leerling op school wordt bijgebracht:
= dat je fatsoenlijk moet omgaan met je medeleerlingen/medeburgers, dat je hen niet mag discrimineren of uitsluiten (bv. op grond van ras, godsdienst of nationaliteit) en dat je hen niet mag vernederen of bespotten omdat ze anders zijn;
= dat ieder voor zijn mening mag uitkomen, maar dat daarbij bij voorkeur de vorm van een constructieve discussie moet worden gekozen, zonder opponenten belachelijk te maken of de grond in te boren;
= dat een samenleving (c.q. schoolgemeenschap) functioneert bij de gratie van wetten en regels en bij de gratie van een autoriteit die naleving afdwingt, brute machtsuitoefening beteugelt en bescherming biedt aan enkelingen en minderheidsgroepen;
= dat je geen fysiek geweld mag gebruiken, maar dat je je mag verweren als je fysiek wordt aangevallen;
= dat je je moet onthouden van pestgedrag en dat pestgedrag gestraft wordt, maar dat voor pesters ook geldt: wie kaatst moet de bal verwachten;
= dat het verdedigbaar (of in elk geval begrijpelijk) is als onderdrukte volkeren of bevolkings­groepen tegen heersers of bezetters in opstand komen, hetzij door geweldloos verzet dan wel gewapenderhand, om hun fundamentele rechten en vrijheden te verdedigen.
Lees verder … (PDF)

OU: leermaterialen niet doorverkopen?

Wes Holleman | 04-04-2018 | 2 Reacties » | permalink

In het februarinummer van Modulair (2018) worden de studenten van de Open Universiteit vermaand dat ze haar leermaterialen niet doorverkopen en dat ze ernstige straffen riskeren als ze dit verbod in de wind slaan. Opmerkelijk is dat de auteurs van het artikel niet de moeite nemen te verwijzen naar concrete wet- of regelgeving waarop dit verbod en de bijbehorende sancties gebaseerd zijn. Waarom mogen OU-studenten hun studieboeken niet doorverkopen, terwijl studenten van andere universiteiten en hogescholen dat wel mogen? Uit het Studentenstatuut van de OU worden we niet veel wijzer. In §5.2 staat slechts dat ze (de aan hen ter beschikking gestelde) OU-publicaties niet mogen openbaar maken of vermenigvuldigen, behoudens kopieën voor eigen gebruik. We moeten concluderen dat de OU haar professionele plicht verzaakt om studenten adequaat en in gewone mensentaal voor te lichten over hun rechten en plichten die in het studiecontract besloten liggen en over de maatregelen die ze bij contractbreuk te duchten hebben. Het lijkt er zelfs op dat de auteurs niet voor faliekante misleiding terugdeinzen: zij suggereren dat de doorverkoper niet alleen civielrechtelijke claims maar ook strafrechtelijke vervolging en tuchtrechtelijke heenzending te wachten staat.
Lees verder … (PDF)

Plagiaat op bestelling (II)

Wes Holleman | 25-03-2018 | 1 Reactie » | permalink

Naarmate men het collegegeld verder opschroeft, komen studenten sterker in de verleiding om te frauderen bij het uitvoeren van hun opgedragen studietaken en -toetsen. Naar verluidt hebben vorig jaar meer dan 20.000 Britse studenten gebruik gemaakt van de diensten van ‘essay mills’: webwinkels waar je tegen betaling een paper of scriptie kunt bestellen die aan je eigen specificaties beantwoordt. Wanneer ze dat werkstuk vervolgens als ware het eigen werk bij de docent indienen, maken ze zich aan plagiaat schuldig. Maar de kans dat ze bij dit soort ‘contract-cheating’ door de mand vallen, is niet groot. Detectieprogramma’s zoals Ephorus en Turnitin slaan immers pas op rood als ze in hun database een tekst vinden die geheel of gedeeltelijk overeenkomt met de digitale tekst die door de student is ingediend.
Maar Turnitin heeft aangekondigd dat ze ook een Authorship Investigation programma op de markt gaan brengen voor het geval dat men twijfels heeft of een werkstuk door de student zelf geschreven is. Met deze software controleert men of de schrijfstijl van een ingediend werkstuk overeenkomt met de schrijfstijl van de student zelf (Daily Telegraph 1/2/2018).
Overigens tracht men de webwinkels ook rechtstreeks aan te pakken, niet alleen via het strafrecht maar ook via de Reclamecode (Daily Telegraph 21/3/2018). Naar aanleiding van een klacht van de Quality Assurance Agency voor het Britse hoger onderwijs is een grote speler, UK Essays, op het matje geroepen door de Britse Reclamecode-commissie ASA, omdat de potentiële klanten op de website van deze leverancier onvoldoende werden gewaarschuwd dat ze strafbaar zijn indien ze zich als auteur van het geleverde product zouden uitgeven. UK Essays heeft zijn website inmiddels aangepast.

Elke school een eigen Professioneel Statuut

Wes Holleman | 18-03-2018 | 1 Reactie » | permalink

Vóór 1 augustus 2018 moet elke school in het primair en voortgezet onderwijs een Pro­fessioneel Statuut hebben vastgesteld. Dat zijn ze wettelijk verplicht. Het gaat om een door schoolbestuur, schoolleiding en leraren gedragen beleidsdocument waarin waarborgen worden geschapen aangaande de zeggenschap (de eigen professionele ruimte) die leraren uit hoofde van hun professionele verantwoordelijkheden nodig hebben over hun werk. Het mbo heeft reeds sinds 2009 een landelijk Professioneel Statuut dat desgewenst op instellingsniveau kan worden aangevuld. Maar in het po en vo wil het nog niet erg vlotten. De VO-raad heeft, evenals de onderwijsvakbonden, een leidraad gepubliceerd. Daarin worden echter geen inhoudelijke uitspraken gedaan over de professionele verantwoordelijkheden van leraren.
De wetgever gaat ervan uit dat leraren niet zomaar werknemers zijn die klakkeloos moeten doen wat de baas zegt, maar dat ze, gegeven hun professionele deskundigheid, hun pro­fessionele relatie met de leerling en diens ouders en hun bijzondere takenpakket, eigen professionele verantwoordelijkheden hebben jegens de leerling, jegens diens ouders en jegens de maatschappij. In sommige beroepsgroepen, zoals de medische, kunnen beroepsbeoefenaren in geval van onprofessioneel handelen zelfs tuchtrechtelijk gestraft worden. Als leraren samen met hun schoolbestuur een Statuut opstellen om hun zeggenschap over hun werk te waar­borgen, moeten ze dus weet hebben van de professionele verantwoordelijkheden waarop ze kunnen worden aangesproken door de leerlingen en hun ouders, door hun beroepsgroep en door de samenleving. Het was de bedoeling dat de Onderwijscoöperatie die verantwoordelijk­heden tijdig zou codificeren in een Professionele Standaard voor Leraren, maar dat is tot nu toe nog niet gelukt.
Lees verder …. (PDF)

Onderwijsraad: de leerling centraal?

Wes Holleman | 04-03-2018 | 1 Reactie » | permalink

Vorig jaar juli heeft de Onderwijsraad op verzoek van het ministerie van OCW een advies­rapport uitgebracht over de vraag in hoeverre de po-, vo- en mbo-leerling (c.q. -student) meer centraal gesteld moet worden gesteld in het onderwijs. Het ministerie heeft aangekondigd dat we uiterlijk 31 maart een beleidsreactie kunnen verwachten van de nieuwe ministers Van Engelshoven (D66) en Slob (CU). Ik ben benieuwd, want het is nogal een wollig rapport geworden. Dat begon al met de steeds wolliger versies van de vraagstelling. In 2015 was de vraag van Bussemaker (PvdA) en Dekker (VVD) nog klip en klaar: we willen de leerling c.q. student centraler stellen, maar er zijn belemmeringen en randvoorwaarden en we weten niet precies hoe we daarmee moeten omgaan? Gaandeweg is die vraag echter steeds wolliger geworden. Kregen de bewindslieden koudwatervrees? Zijn ze teruggefloten door hun politieke achterban of door het onderwijsveld (waar ze later misschien een bestuurlijke werkkring willen vinden)? Of kon de Onderwijsraad niet uit de voeten met de oorspronkelijke adviesvraag van OCW? Dat is natuurlijk allemaal speculatie, maar als je de drie opeenvolgende versies bekijkt, blijft het een wonderlijke draai van De Leerling Centraal!!! naar De Leerling Centraal???
Versie 1 (adviesvraag OCW d.d. 4/6/2015): a) Onder welke condities kunnen leerlingen meer centraal komen te staan in het onderwijs; b) hoe kunnen belemmeringen binnen het bestel op een verantwoorde manier worden weggenomen; en c) welke rand­voorwaarden horen daarbij in acht genomen te worden?
Versie 2 (definitieve adviesaanvraag OCW d.d. 23/3/2016): a) Wat betekent het om de leerling meer centraal te stellen in het onderwijs; b) waar, voor wie en vanuit welk perspectief is dit wenselijk en waar stuiten we op grenzen en paradoxen; en c) wat betekent een beter begrip voor de complexiteit van het centraal stellen van de leerling voor de vormgeving, organisatie en de sturing van het onderwijs?
Versie 3 (herformulering door de Onderwijsraad in de inleiding van zijn eindrapport d.d. 4/7/2017): a) Wat betekent het om de leerling meer centraal te stellen in het onderwijs (dus: wat bedoelt men zoal als men deze ambitie heeft) en b) waar ontmoet deze ambitie grenzen (dus: hoe wenselijk en hoe haalbaar is het om de leerling centraal te stellen)?
Lees verder … (PDF)