Vrije meningsuiting van werknemers

Wes Holleman | 05-05-2021 | 2 Reacties » | permalink

September 2019 publiceerde Paula van Manen een kritische kroniek van een vernieuwings­project dat ze als mbo-docent had meegemaakt. Dat leidde tot haar ontslag, hetgeen onlangs in hoger beroep is bekrachtigd: het gerechtshof constateert dat de arbeids­ver­hou­ding duurzaam verstoord is. De voorzitter van de onderwijsvakbond AOb/fnv heeft verontwaardigd gereageerd (VK 24/4/2021). Op haar eigen website (25/5/2020, 27/4/2021) stelt Van Manen dat de rechter­lijke motivering van het vonnis (verstoorde arbeidsverhouding) een bedrieglijke stok is om de hond te slaan. Volgens haar mag een Nederlandse werkgever jegens de werk­nemers geen inbreuk maken op hun burgerlijke vrijheid van meningsuiting en en mag hij hen dus ook niet ontslaan vanwege de publicatie van een boek. Dat standpunt verdient vier kanttekeningen.
1. De wetgever biedt aan werkgevers wel degelijk ruimte om de vrijheid van meningsuiting van werknemers te beperken, maar die ruimte wordt heel algemeen gedefinieerd. In het nieuw Bur­gerlijk Wetboek (artikel 7:611) is namelijk bepaald dat de werkgever en de werknemer ver­plicht zijn zich als een goed werkgever en als een goed werknemer te gedragen (Van Midden 2012). Het wordt aan de wijsheid van de rechterlijke macht overgelaten de belangen af te wegen en gaandeweg jurisprudentie te ontwikkelen. Bijvoor­beeld over het recht van werknemers op een veilige werkomgeving; over het recht op bescherming van hun privacy; over hun plicht om niet uit de school te klappen (inzake vertrouwelijke bedrijfsgegevens); over hun plicht zich loyaal te betonen en het bedrijfs­belang voor ogen te houden; en over hun plicht constructief samen te werken met collega’s en hen met respect te bejegenen.
2. Bij een arbeidsconflict moet de rechter een afweging maken tussen de belangen van het bedrijf, de belangen van de werknemer en algemeen-maatschappelijke belangen. Zo bestaat er sinds 2016 de Wet Huis voor Klokkenluiders: wat moeten werknemers doen als ze concrete misstanden aan de kaak menen te moeten stellen? Doel van deze wet is onder andere te waar­borgen dat ze niet worden ontslagen (of anderszins benadeeld) op grond van het feit dat ze een misstand hebben aangekaart. Maar daarbij geldt als spelregel dat ze (het vermoeden van) een misstand in principe eerst bij het daartoe aangewezen loket binnen het bedrijf moeten melden, opdat de bedrijfsleiding de gelegenheid krijgt de (vermeende) misstand zelf aan te pakken. Analoog aan deze wettelijke spelregel, laat het gerechtshof in de affaire Van Manen door­schemeren dat ze wellicht niet als een goed werknemer heeft gehandeld indien ze tijdens het project verzuimd heeft via de interne communicatiekanalen aan de bel te trekken en pas achteraf in haar boek de noodklok heeft geluid.
3. Bij de belangenafweging in de affaire Van Manen wordt de ontslaggrond ‘duurzaam ver­stoorde arbeidsverhouding’ geenszins als een holle frase gehanteerd. Het gerechtshof con­stateert dat zij door het publiceren van haar kritische kroniek de werkrelaties met haar collega’s ernstig en onherstelbaar verstoord heeft. Haar boek kan enerzijds worden gelezen als een afstandelijk gewetens­onderzoek (zoals Het Bureau van J.J. Voskuil), maar anderzijds als een vlammend protest tegen actuele beleidsprocessen binnen een herkenbare organisatie (zoals het pamflet J’accuse van Émile Zola). Door haar oncollegiale openbaarmaking van de interne gang van zaken in het vernieuwingsproject heeft zij schade toegebracht aan haar collega’s en daarmee ook aan het functioneren van de onderwijsinstelling.
4. Paula van Manen is een onderwijsprofessional die de belangen van haar mbo-studenten voorop stelt. Wanneer die belangen ten gevolge van ondoordachte onderwijsvernieuwingen in het gedrang dreigen te komen, springt ze voor hen in de bres, eventueel ook ten koste van haar professionele verplichtingen jegens de werkgever en jegens de collega’s op het werk. Colum­niste Aleid Truijens (VK 3/5/2021) roemt haar dappere strijdbaarheid. Maar deze eigen­zinnige rolopvatting heeft volgens mij een keerzijde. Als je compromisloos voor de burgerlijke vrijheid van meningsuiting kiest, ook als dat ten koste van goed werknemerschap gaat, dan moet je niet morren wanneer je uiteindelijk door de werkgever ontslagen wordt. Wie kaatst moet de bal verwachten.

Geen toegang zonder negatief testbewijs

Wes Holleman | 27-04-2021 | 2 Reacties » | permalink

Het kabinet heeft groen licht gegeven voor een verdere versoepeling van de lockdown in het mbo (per 1 maart) en ho (per 26 april 2021). De eis van anderhalve meter en mondkapje blijft daarbij van kracht. Daarenboven wordt studenten en docenten aanbevolen zichzelf regelmatig op corona te testen met een test die gratis door OCW ter beschikking wordt gesteld. Bij een positieve testuitkomst moet men in thuisquarantaine, in afwachting van de officiële GGD-test, die bij positieve uitkomst tot thuis-isolatie leidt.
Daarnaast wil het kabinet een andere optie achter de hand houden, namelijk dat sommige onderwijsvoorzieningen in het mbo en ho uitsluitend toegankelijk zijn voor studenten die een negatief testbewijs kunnen overleggen. Daartoe is op 19 april het wetsvoorstel voor een Tijdelijke wet testbewijzen covid-19 ingediend bij het Parlement. Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel op 11 mei door de Tweede Kamer in stemming wordt gebracht. Wanneer ook de Eerste Kamer akkoord gaat, kan het kabinet de mogelijkheid tot het opleggen van dergelijke toegangsrestricties via een Algemene Maatregel van Bestuur uitwerken en invoeren. Met het oog daarop zijn er in de afgelopen maanden acht regionale pilotprojecten opgezet om te experimenteren met een negatief testbewijs in het mbo- en ho-onderwijs (zie bijvoorbeeld VK 24/4/2021).
Het is overigens nog lang niet zeker of en in hoeverre de overheid daadwerkelijk een negatief testbewijs gaat invoeren als voor­waarde voor deelname aan sommige onderwijsvoorzieningen in het mbo en ho (ScienceGuide 11/3/2021, 26/4/2021). Het enige wat zeker is, is dat de overheid sterke impulsen wil geven tot de terugkeer naar hoogwaardig campusonderwijs voor zoveel mogelijk studenten. Een negatief testbewijs wordt beschouwd als een paardenmiddel om dat doel te bereiken. Het probleem is namelijk (a) dat je zo’n testbewijs niet verplicht kunt stellen, want dat is strijdig met de burgerlijke grondrechten en (b) dat je studenten-zonder-negatief-testbewijs niet mag afschepen met onderwijs van lagere kwaliteit, want dat is discriminatie. Bij invoering van een negatief testbewijs moeten er derhalve drie parallelle onderwijsstromen van voldoende kwaliteit worden aangeboden: I. campusonderwijs met negatief testbewijs, II. campusonderwijs zonder negatief testbewijs en III. afstandsonderwijs als het niet anders kan.

Verborgen kennisbronnen van leerlingen

Wes Holleman | 21-04-2021 | 1 Reactie » | permalink

Leerlingen kunnen méér dan je denkt. Want ook buiten school hebben ze van alles opgestoken: thuis en bij familie, op straat, in contact met vrienden en vriendinnen, in zwerftochten op het internet, in sportclubs, in de BSO, in kerkelijk verband, et cetera. Leer­lingen kunnen dus putten uit verborgen kennisbronnen, of liever gezegd: ze kunnen uit kennisbronnen putten waar je als leraar geen weet van hebt. Het risico is dan dat leraren te weinig inspelen op datgene wat de leerling al weet en kan. Of erger nog, er kan storende discontinuïteit optreden tussen de schoolse en buitenschoolse belevingswereld van het kind.
In de jaren 2018-2020 hebben leerkrachten van Amsterdamse basisscholen samen met UvA-onderzoekers een project gedaan dat tot doel had die verborgen kennisbronnen aan te boren en leerlingen in staat te stellen die buitenschoolse kennis en bekwaamheden in te brengen in de klassesituatie. November 2020 werd een Praktijkboek gepubliceerd waarin leraren worden voorgelicht over de uitkomsten van het project. Verder wordt in onderstaand tekstkader een overzicht gegeven van de belangrijkste documenten van het project.
Lees verder … (PDF)

Wat is een trigger warning?

Wes Holleman | 14-04-2021 | 3 Reacties » | permalink

In de digitale Volkskrant (11/4/2021) verscheen een artikel van Emma Curvers over de zin of onzin van ‘trigger warnings’ in de publieksmedia, in het onderwijs en dergelijke. Tijdens het lezen kreeg ik een sterke behoefte om in abstractere vorm weer te geven wat (naar mijn indruk) met de term ‘trigger warning’ bedoeld wordt:
1. Een ‘trigger warning’ is een waarschuwing die ter beschikking wordt gesteld aan potentiële gebruikers van een aangeboden ervaring [bv. een aangeboden leestekst, een item uit het tv-journaal, een speelfilm, een lessituatie, een discussieavond, een trainingssessie]. Die waar­schuwing wordt verschaft in verband met de heftige gevoelens die door deze ervaring bij de gebruiker kunnen worden opgeroepen [getriggerd]. Bijvoorbeeld gevoelens van afschuw, walging, angst, ontreddering, minderwaardigheid, schaamte, pijn, ontremming, euforie, begeerte, woede, haat, agressie. [In de psychiatrie denkt men vooral aan mensen die lijden aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS), voor wie blootstelling aan de nieuwe, aangeboden ervaring tot gevolg kan hebben dat de eerdere traumatische ervaring (bv. een verkrachting) op pijnlijke wijze wordt herbeleefd.]
2. De ‘trigger warning’ wordt verschaft omdat de aangeboden ervaring voor een kwetsbare gebruiker schadelijke gevolgen kan hebben, met name als hij/zij onverhoeds aan die ervaring wordt blootgesteld, in een omgeving die voor hem/haar onvoldoende veiligheid en begeleiding biedt, zonder dat hij/zij daartoe voldoende voorzorgen heeft getroffen en zonder dat hij/zij zichzelf voldoende erop heeft voorbereid. In geval van een groepsgewijze [collectieve] ervaring kan een gebruiker ook schade oplopen door het gedrag van groepsgenoten dat getriggerd is door de aangeboden ervaring. Omgekeerd kan hij/zij ook door zijn/haar eigen gedrag schade toebrengen aan groepsgenoten.
3. De ‘trigger warning’ kan diverse (al dan niet beoogde) functies vervullen:
(a) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld weloverwogen te besluiten of hij/zij zich al dan niet aan de aangeboden ervaring wil blootstellen.
(b) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld weloverwogen te kiezen tussen de aan­geboden ervaringen waaraan hij/zij zich kan blootstellen.
(c) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld een plan te ontwikkelen hoe hij/zij zo groot mogelijk profijt kan putten en zo min mogelijk schade kan ondervinden van de aangeboden ervaring, onder meer door de nodige voorzorgen en voorbereidingen te treffen om de kans op schade te reduceren.
(d) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld met kracht van argumenten te onderhandelen over de alternatieve ervaring die hij/zij zou prefereren boven de ervaring die hem/haar in eerste instantie is aangeboden.
(e) De aanbieder verschaft een waarschuwing over de risico’s van de aangeboden ervaring teneinde te voorkomen dat de verkeerde mensen zich aan de aangeboden ervaring blootstellen (mensen voor wie die ervaring te veel risico’s met zich mee brengt); of teneinde te bevorderen dat potentiële gebruikers de nodige voorzorgen en voorbereidingen treffen om die risico’s te reduceren; of teneinde te voorkomen dat hij later door de gebruiker(s) of door toezichthouders aansprakelijk wordt gesteld voor schade die door de gebruiker(s) is opgelopen.
(f) In het kader van haar emancipatiestrijd eist een belangengroep dat kwetsende aangeboden ervaringen van een waarschuwing worden voorzien teneinde het maatschappelijk onrecht aan de kaak te stellen dat haar leden wordt aangedaan. Of omgekeerd: de leden van de gevestigde orde eisen dat alle pamperende ‘trigger warnings’ worden afgeschaft aangezien ze de funda­mentele normen en waarden van een ‘gezonde’ samenleving ondermijnen.

Vrijheid van meningsuiting van scholieren

Wes Holleman | 06-04-2021 | 1 Reactie » | permalink

Bij het Amerikaanse Hooggerechtshof dient momenteel een zaak die een leerling tegen haar highschool heeft aangespannen. Toen ze in 2017 van de middenschool kwam, hoopte ze tot het cheerleading squad van haar highschool te worden toegelaten. Ze was dan ook hevig teleur­gesteld toen ze hoorde dat ze vooralsnog in het tweederangs juniorteam was geplaatst. Het was op een vrije zater­dag en thuis op haar socialmedia-account schreef ze grove verwensingen naar aanleiding van deze tegenslag: “Fuck school, fuck softball, fuck cheer, fuck everything”. Dat was een beetje onfatsoenlijk voor iemand die als cheerleader en dus als het visite­kaartje van haar school wil optreden. Voor straf werd ze gedurende één jaar uit het juniorteam geschorst. Maar naar haar mening heeft de openbare school met deze sanctie haar recht van vrije meningsuiting geschonden. De rechtbank en het gerechtshof gaven haar gelijk, maar het schoolbestuur wenste deze zaak tot in cassatie uit te vechten. Het draait vooral om de juri­dische vraag of leerlingen door hun school gestraft kunnen worden voor uitingen die zij buiten schooltijd op hun eigen socialmedia-account hebben gedaan (The Fire 31/3/2021, EdWeek 1/4/2021).
Zie ook: Protocol Sociale Media (13/12/2011), Protocol Sociale Media II (2/1/2014), Modelprotocol Sociale Media (Verus, maart 2021)

Yale-docent ontslagen wegens politiek activisme

Wes Holleman | 05-04-2021 | 1 Reactie » | permalink

Forensisch psychiater Bandy Lee, geboren in 1970, is een nationaal en internationaal ge­respecteerd docent en onderzoeker. Ze was verbonden aan de Medical School van Yale University, maar mei 2020 werd ze ontslagen omdat ze als klokkeluider de publiciteit had gezocht. Ze was namelijk samen met vele vakgenoten tot de professionele conclusie gekomen dat president Trump qua per­soonlijkheidsstructuur een ongeleid projectiel was, dat hij in die functie een regelrecht gevaar voor de Amerikaanse samenleving vormde en dat het haar pro­fessionele plicht was zich daarover publiekelijk uit te spreken. InsideHigherEd (30/3/2021) bericht dat ze onlangs een gerechtelijke procedure is gestart om haar ontslag aan te vechten op grond van de academische vrijheid van docenten en onderzoekers (waaronder de vrijheid om wetenschappelijke bevindingen te publiceren en binnen bereik van een wijder publiek te brengen).
De werkgever, Yale University, verweet haar dat ze onprofessioneel heeft gehandeld, in strijd met haar plichten als rolmodel jegens psychiaters-in-opleiding. In de beroepscode (sectie 7:3) staat namelijk dat je geen professioneel oordeel over de geestesgesteldheid van publieke figuren mag publiceren als je hen niet face-to-face onderzocht hebt. Die bepaling staat te boek als de Goldwater Rule, verwijzend naar de actie anno 1964 van 1189 psychiaters die publiekelijk stelden dat de conservatieve presidentskandidaat Barry Goldwater psychologisch ongeschikt was voor de functie van president van de Verenigde Staten. Bovendien verbiedt de ethische code (sectie 7:3) een professioneel oordeel over een cliënt zonder diens toestemming te publiceren.
De werkneemster, Bandy Lee, stelt ter verdediging, (a) dat niet alleen face-to-face onderzoek maar ook observatie tegenwoordig algemeen aanvaard is als onderzoeksmethode om valide psychiatrische of psychologische uitspraken over een cliënt te doen; (b) dat ze haar profes­sio­nele oordeel gebaseerd heeft op minutieus onderzoek naar het publieke optreden van Donald Trump (niet alleen op onderzoek door haarzelf maar ook op onderzoek door vele vakgenoten); (c) dat de bevindingen van dat onderzoek grondig gedocu­menteerd en geboekstaafd zijn; en (d) dat clinici niet alleen moeten worden afgerekend op de Goldwater Rule (sectie 7:3, het belang van de individuele cliënt) maar ook op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid (sectie 7:0, het belang van de samenleving). Verder heeft zij gewetensvol voldaan aan de eis van Yale University dat ze te allen tijde duidelijk maakt dat haar uitspraken voor rekening van Lee-als-wetenschapper komen en beslist niet voor rekening van haar werkgever.
Zie ook: Haar persoonlijke apologie (USA Today 11/10/2019).

Beheersing van de bedrijfscontinuïteit (III):
afstandsonderwijs als back-up

Wes Holleman | 24-03-2021 | 2 Reacties » | permalink

In welke richting moet het hoger onderwijs zich ontwikkelen? Mei 2018 werd door de Neder­landse universiteiten en hogescholen een vierjarig project opgezet: het Versnellingsplan Onderwijs­innovatie met ICT. Doel is een krachtige impuls te geven aan de invoering van Informatie- en CommunicatieTechnologie in het hoger onderwijs. Het ministerie van OCW en SURF spelen een cruciale rol in de projectorganisatie. Halverwege kreeg het Versnellings­project een onverwachte duw in de rug: door de Corona­crisis moesten de universiteiten en hogescholen hun deuren sluiten en op afstandsonderwijs overstappen. Dat vereiste veel impro­visatie, want het ontbrak hun aan tijd en ervaring om tot een weldoordacht onderwijsontwerp te komen. De Open Universiteit (OU) was de enige bekostigde instelling die sinds 1984 ruime ervaring had opgedaan met het ontwerpen en organiseren van afstands­onderwijs voor deeltijdstudenten. In de eerste decennia mikte zij daarbij op schriftelijk onderwijs, maar vanaf 2005 maakte zij ook hoe langer hoe meer gebruik van de mogelijkheden die de informatie- en communicatietechnologie biedt.
Het hoger onderwijs staat nu op een tweesprong die er op het eerste gezicht aldus uitziet. a) Keren we na de Coronacrisis terug naar het Oude Normaal: de nadruk ligt op contact­onderwijs, maar dat wordt aangevuld met ICT voor zover dat tot betere diensten aan studenten, tot hogere kwaliteit van de afgestudeerden of tot lagere opleidingskosten leidt? Of kiezen we voor b): we zetten de doelen van het Versnellingsproject centraal in ons onderwijsbeleid voor de komende decennia.
Maar bij nader inzien denk ik dat we de tweesprong iets specifieker moeten definiëren. a) Keren we terug naar het Oude Normaal (verrijkt met ICT)? Of kiezen we voor b): we moeten ervoor zorgen dat het hoger onderwijs minder kwetsbaar wordt voor calami­teiten zoals de Corona­crisis. Oftewel: hoe kunnen we voorkomen dat het hoger onderwijs in geval van calamiteiten ontwricht wordt? Hoe kunnen we als onderwijsinstelling onze bedrijfscontinuïteit verbeteren als er ontwrichtende calamiteiten optreden? En hoe kunnen we de benodigde hersteltijd in zo’n geval bekorten, zodat de studievoortgang en het welzijn van studenten zo min mogelijk ge­schaad wordt en dat extra studievertraging voorkomen wordt?
Lees verder … (PDF)

Beheersing van de bedrijfscontinuïteit (II):
de stagegarantie in het mbo

Wes Holleman | 24-02-2021 | 1 Reactie » | permalink

Scholen behoren hun best te doen om hun leerlingen te beschermen tegen het risico dat een deel van het geplande onderwijs­programma door calamiteiten opgeschort of geannuleerd moet worden en dat de leerlingen daardoor in de kou blijven staan. In de bedrijfskunde wordt dat Business Continuity Management genoemd: zorg dat je ook in het geval van ‘zwaar weer’ kwaliteit kan blijven leveren en dat eventuele averij snel hersteld kan worden. Het zou geen gek idee zijn als de Onderwijsinspectie periodiek zou toetsen of de door de overheid bekostigde scholen over een geloofwaardig bedrijfscontinuïteitsplan beschikken waarin scenario’s voor diverse calamiteiten zijn uitgewerkt. Zo heeft het beroepsonderwijs een scenario nodig voor het geval dat er een tekort aan stageplaatsen optreedt (en tevens voor het geval dat kwetsbare leerlingen niet of nauwelijks kans zien tijdig een stageplaats te bemachtigen).
In 2014 diende het Kamerlid mr. Tanja Jadnanansing (PvdA) een initiatiefnota in, waarin werd voorgesteld dat mbo-scholen bij de toelating van studenten moeten garanderen dat de verplich­te stages (beroepsprakijkvorming) inderdaad beschikbaar zullen zijn en dat die stages zodanig begeleid zullen worden dat de vereiste competenties inderdaad verworven en afgetekend kunnen worden (3/3/2014). Het sluitstuk van haar voorstel was (a) dat de school de zeilen naar de wind zet en dus het toegelaten aantal studenten aanpast aan het te verwachten aantal beschikbare stageplaatsen; en (b) dat de school een vervangende praktijkopdracht moet aan­bieden als er onverhoopt geen stageplekken voorhanden blijken te zijn. In een Kamerbrief (3/7/2014) ant­woordt minister Busse­maker dat een vervangende praktijkopdracht in noodgevallen is toe­gestaan, maar dat de student ook in overweging moet worden gegeven: (c) alsnog om te zwaaien naar een andere beroepsopleiding. Wat het instellen van een numerus fixus betreft (de optie a), stelt de minister dat deze gebaseerd moet worden op structurele arbeidsmarkt­progno­ses en niet op een tijdelijk tekort aan stage­plaatsen. [Met andere woorden: het mbo moet in zijn toelatingsbeleid prioriteit geven aan de maatschappelijke vraag naar gekwalificeerde arbeids­krachten en niet aan de ethische roep om stagegaranties voor toegelaten studenten.] Uiteinde­lijk zegt de minister duidelijk waar het op staat (26/5/2016): de mbo-instelling kan worden aangesproken op het verzaken van haar zorgplicht [een inspanningsverplichting], maar zij kan niet door studenten aansprakelijk worden gesteld als er geen stageplaats kan worden gevonden en als studenten daardoor studievertraging oplopen, want op dat punt is er een gedeelde verantwoordelijkheid die bij onderwijsinstelling, student en stagebiedend bedrijfs­leven tezamen ligt.
Vier jaar later, maart 2020, moest worden geconstateerd dat deze ministeriële uitgangspunten niet toekomstbestendig zijn. Het Nederlandse onderwijs werd ontwricht door de corona­pande­mie en in rap tempo werden overheidsmaatregelen uitgevaardigd om de crisis het hoofd te bieden.
Lees verder … (PDF)

Beheersing van de bedrijfscontinuïteit (I)

Wes Holleman | 14-02-2021 | 1 Reactie » | permalink

Het categoraal gymnasium Johan van Oldenbarnevelt (JvO) is gevestigd in Amersfoort. Het is een excellente school voor ambitieuze vwo-leerlingen. Het onderwijs wordt grotendeels ver­zorgd door eerstegraadsdocenten en de resultaten liggen elk jaar boven het landelijk gemiddel­de. Om de bovenbouwleerlingen te stimuleren het beste uit zichzelf te halen, worden de toetsen van het lokale schoolexamen heel streng becijferd. Ten gevolge daarvan haalt de gemid­delde leerling op de lokale schooltoetsen niet meer dan magere zesjes of zevens, terwijl ze op de landelijke (centraal afgenomen) examenonderdelen veel hoger scoren.
Maar vorig jaar kreeg het JvO met deze toetsstrategie de kous op de kop. Het Nederlandse onder­wijs werd ontwricht door de COVID19-pandemie, waardoor het centraal-schriftelijk exa­men moest worden afgelast. Een mooie cijferlijst? Die konden de eind­examenkandidaten van het JvO op hun buik schrijven, want de schrale cijfers van de lokale schooltoetsen werden niet gecompen­seerd door de hogere cijfers die zij op het centraal-schriftelijk hadden mogen ver­wachten. De schoolleiding trachtte de paniek te bezweren met de aankondiging dat de cijfers van het lokale schoolexamen alsnog zouden worden opgehoogd aan de hand van de examen­resultaten van vorige leerlingcohorten. Maar zij werd teruggefloten door het ministerie: haar provisorische Plan B moest worden teruggedraaid.
Kortom: door onvoorziene omstandigheden (de landelijke afgelasting van het centraal-schrifte­lijk vwo-examen in 2020) werden de eindexamenkandidaten van het JvO gedupeerd. Dat kwam doordat hun toetsprestaties op het schoolexamen lager becijferd waren dan ze eigenlijk ver­diend hadden. De school heeft haar leerlingen dus schade berokkend en zij heeft daarmee zelf ook reputatie­schade opgelopen. Had dat voorkomen kunnen worden? Dat weet ik niet, maar het ziet er in elk geval naar uit dat het JvO tekort is geschoten in de planmatige beheer­sing van de continuïteit van haar bedrijfsprocessen. Door bedrijfskundigen wordt dat kort­weg aangeduid als Business Continuity Management (BCM), oftewel Beheersing van de Bedrijfscontinuïteit. Wat is BCM?
Lees verder … (PDF)

De bestorming van het Capitool

Wes Holleman | 13-01-2021 | 1 Reactie » | permalink

Dinsdag 3 november 2020 was de grote dag. Het Amerikaanse volk moest kiezen tussen de zittende president Donald Trump en zijn uitdager Joe Biden. Trump verloor. Toen het Congres op het punt stond de verkiezingsuitslag ceremonieel te bekrachtigen, 6 januari 2021, werd het Capitool bestormd door woedende Trump-aanhangers. Biden sprak van een ongekende aanval op de democratie. De volgende dag verscheen op de website van Education Week een hoofd­artikel met lesideeën: how to teach the U.S. Capitol Attack?
Ik denk dat de meeste leraren zich ertoe zullen beperken hun leerlingen voor te lichten over de formele spelregels van het democra­tisch proces en over gangbare definities van respectievelijk demonstranten, opstandelingen en ‘domestic terrorists’. Ze zullen de vingers niet willen branden aan het ware relaas over de ondermijning van het algemeen kiesrecht. In dat relaas, dat de periode van maart 2020 tot 6 januari 2021 bestrijkt, worden drie Trumpiaanse denk­stappen onderscheiden:
1. Stop postal voting: het stemmen per post is fraudegevoelig en moet dus zoveel mogelijk worden afgeremd (Wikipedia 2021a);
2. Stop counting: de stemmen die op het nippertje per post zijn uitgebracht, moeten niet worden meegeteld (YouTube 4/1/2021a; Time 4/1/2021);
3. Stop the steal: de verkiezingsuitslagen van de ‘swing states’ moeten ongeldig worden verklaard (Wikipedia 2021b; YouTube 8/1/2021b).
Maar dat relaas betreft vooral het getouwtrek (maart 2020 in gang gezet door Donald Trump) over stemmen per post. Emeritus-hoogleraar Andrew Winnick heeft in oktober 2020 een essay geschreven waarin hij laat zien dat de democratie van de Verenigde Staten in méér dan één opzicht geteisterd wordt door manipulaties waarmee het algemeen kiesrecht [one (wo)man one vote] wordt uitgehold. Het essay is gepubliceerd en vertaald door Monika Triest (2020a, 3/11/2020b).
Als leraren dergelijke fundamentele kritiek op de Amerikaanse democratie zouden uitdragen, worden ze vermoedelijk per omgaande als ‘un-American’ nestbevuilers weggezet. En ze maken zich volstrekt onmogelijk als ze bovendien (in navolging van Winnick) de invoering van het evenredig kiesrecht zouden propageren, in plaats van het Amerikaanse systeem van Winner takes all.