Jeugdzonden

Wes Holleman | 31-05-2010 | permalink

Leerlingen en studenten die in de afgelopen vier jaar met Justitie in aanraking zijn geweest, lopen het risico geen Verklaring omtrent het Gedrag (VOG) te verkrijgen. Dat kan betekenen dat ze niet aan hun stageverplichtingen kunnen voldoen en dat ze hun opleiding dus niet kunnen voltooien. Met name voor stages in de onderwijs- en zorgsector is een VOG verplicht. Onlangs is het Ministerie van Justitie een proef­project gestart om voortijdige schooluitval van Rotter­dam­se MBO-leerlingen te bestrijden. Alleen al in Rotterdam zijn er jaarlijks zo’n 150 leerlingen aan wie een VOG ge­weigerd wordt. In het kader van het proefproject krijgen ze op voorspraak van de stagebieder een voorwaardelijke VOG als ze de afgelopen twee jaar geen strafbare feiten hebben gepleegd. Dit bericht verdient de volgende kanttekeningen.
a) Door het bestaande zero-tolerance beleid lopen steeds meer jongeren het risico ook bij kleine misdragingen met Justitie in aanraking te komen. Door een hardvochtig VOG-beleid dreigen zij dubbel gestraft te worden.
b) Kenmerkend voor stagiairs is dat ze onder strakkere supervisie werken dan nor­male werknemers. Dat vormt volgens mij al voldoende grond om stageplaatsen onder een coulanter VOG-regiem te stellen dan normale arbeidsplaatsen. En misschien zou het ministerie voor aanvragers met een justitieel verleden als bijkomende voorwaarde kunnen stellen dat de werkgever, de school of de Reclassering adequate supervisie biedt om het risico te verkleinen dat ze zich op de stage­plaats misdragen.
c) Waarom bieden onderwijsinstellingen niet de mogelijkheid vervangende studie­onderdelen te doorlopen, die in de plaats komen van de geprogrammeerde stages? Waarom zou het opdoen van werkervaring essentieel zijn voor het bereiken van de onderwijsdoelen: kan die werkervaring niet worden uitgesteld tot ná het behalen van het diploma? Anders gezegd: als sommige studenten gebukt gaan onder een handicap (hetzij een functiebeperking dan wel een justitiële historie) die hen verhindert de regu­liere opleiding te doorlopen, waarom biedt men hun dan geen programma-op-maat?
Bron: Pilot VOG onder voorwaarden voor jongeren van start in Rotterdam (27/5/2010)

Educatieve minor: vijf hypothesen

Wes Holleman | 28-05-2010 | permalink

De educatieve minor (wetsvoorstel 32270) is op 27 april jongstleden door de Eerste Kamer aanvaard. Dat houdt in dat je na drie jaar universitaire studie een beperkte leraarsbevoegdheid hebt en na 4,5 jaar een eerstegraads bevoegdheid. Voorwaarde is dat je tijdens je bacheloropleiding een halfjaar aan pedagogisch-didactische vakken besteedt, waaronder een beroepsstage van 500 uur. Anderhalf jaar later, bij het vol­tooien van je educatieve masteropleiding, heb je in totaal 3,5 jaar wetenschappe­lijke studie en één jaar leraarsopleiding achter de rug. Via een educatieve minor in de bachelorfase heb je dus een halfjaar eerder je eerstegraadsbevoegdheid op zak (maar daartoe heb je een halfjaar vakwetenschappe­lijke studie opgeofferd). Een bijkomend voordeel is dat je via een betaalde deeltijdbaan kunt voldoen aan je stage­verplich­tingen voor de educatieve masteropleiding.
Ieke Oud heeft rondgevraagd hoe dat in de praktijk uitpakt (Onderwijs van Morgen 17/2 en 26/5/2010). Haar gesprekken leveren de volgende hypothesen op: (1) De educatieve minor heeft niet alleen een beroepsvoorbereidende functie maar dient ook als snuffelstage om te toetsen of je leraar wilt worden; voor die tweede functie was een tweemaands stage vol­doende geweest; (2) Voor sommige bachelorstudenten is een beroepsstage van 500 uur te kort om de nodige praktische vaardigheden te verwerven; zij krijgen de educatieve minor pas afgetekend als ze hun stagetraject verlengd hebben. (3) De driejarige bacheloropleiding biedt onvoldoende basis om zelfstandig voor de klas te staan, tenzij voorzien wordt in gedegen coaching voor beginnende leraren. (4) Bijna geen enkele deelnemer verzilvert z’n beperkte les­bevoegdheid per direct; wie leraar wil worden, stroomt meteen naar de educatieve masteropleiding door en tracht pas bij de start van het laatste semester een betaalde deeltijdbaan te vinden om aan z’n stageverplichtingen te voldoen.
Bij de evaluatie van de educatieve minor moet men volgens mij ook nog een andere hypothese toetsen: (5) Universitaire studenten die op twintigjarige leeftijd voor een educatieve minor kiezen, komen in een loopbaanfuik terecht, waarmee studie- en beroepsmogelijkheden buiten het leraarsambt geblokkeerd worden.

Verkeersexamen

Wes Holleman | 25-05-2010 | permalink

Op 15 april is in groep 7/8 het schriftelijk verkeersexamen van Veilig Verkeer Nederland (VVN) afgenomen. Voor de geslaagden kan de school vervolgens het VVN- praktijkexamen organiseren. De PVV-fractie uit de Haagse gemeenteraad stelde daarover schriftelijke vragen aan B&W. Zij wilde graag weten hoeveel procent van de Haagse leerlingen het basisonderwijs verlaat zonder voor beide examens geslaagd te zijn. B&W kon daar geen antwoord op geven, behalve dan dat 96% van de deelnemers van het praktijkexamen uiteindelijk slaagt, eventueel na herkansing. Onvermeld blijft hoeveel procent van de leerlingen niet aan het theoretisch examen deelneemt, hoeveel procent van de deelnemers uiteindelijk niet voor dat examen slaagt en hoeveel procent van de geslaagden niet aan het praktijkexamen deelneemt. In 2008 berichtte het College dat 60% van de Haagse basisscholen hun leerlingen niet aan een praktijkexamen onderwierp, onder meer omdat er niet genoeg leenfietsen voorhanden waren.
Het punt is dat scholen niet verplicht zijn aan deze beide VVN-examens deel te nemen. Ze moeten slechts bevorderen dat leerlingen zich als verkeersdeelnemer zelfredzaam leren te gedragen (kerndoel nr.35). Ze hoeven niet aan te tonen dat iedere leerling bij het verlaten van de basisschool veilig als voetganger en fietser aan het verkeer kan deelnemen.
Lees verder … (PDF)

Een sociaal leenstelsel

Wes Holleman | 22-05-2010 | 1 Reactie » | permalink

De modale uitwonende student in het hoger onderwijs consumeert ruim 12.000 euro per jaar. Dat is het maximale leenbedrag dat de IB-groep uitkeert, inclusief 1.620 euro collegegeldkrediet en een OV-kaart ter waarde van 960 euro. Onder bepaalde voorwaarden wordt van dat leenbedrag maximaal 7.020 euro kwijtgescholden: €960 OV-studentenkaart, €2.860 aanvullende beurs (i.v.m. minvermogende ouders) en €3.200 basisbeurs. Maar die kwijtschelding geldt lang niet voor iedere student. Wie pech heeft, moet alles terugbetalen, vermeerderd met 2,4% rente op rente. En in de verkie­zingsprogramma’s tekent zich een meerderheid voor uitbreiding van het sociaal leenstelsel af: de basisbeurs wordt vervangen door een lening die niet wordt kwijt­gescholden.
Het sociaal leenstelsel wordt, evenals een hoog collegegeld, verdedigd met het profijtbeginsel. Studenten hebben profijt van diploma’s, want daarmee kunnen ze goedbetaalde banen verwerven. Daarom vindt men het redelijk dat ze een forse eigen bijdrage betalen. Een tweede argument voor zo’n eigen bijdrage berust op het doelmatigheidsbeginsel: naarmate men langer of ondoelmatiger van de schaarse, kostbare overheidsmiddelen gebruik maakt, moet men een hogere eigen bijdrage betalen. Wie een jaar studievertraging oploopt, moet daarvoor boeten met een extra jaar collegegeld en een hogere studieschuld. En wie geen diploma haalt, verspeelt het betaalde collegegeld en moet behalve de leningen ook de ontvangen beurs en de waarde van de OV-kaart terugbetalen. Vormen het profijt- en het doelmatigheids­beginsel een gezonde basis voor een sociaal leenstelsel of zitten daar asociale kantjes aan?
Lees verder … (PDF)

Veilige publieke taak (III)

Wes Holleman | 16-05-2010 | permalink

Het Ministerie van Binnenlandse Zaken voert campagne om publieke functionarissen, waaronder leraren, te beschermen tegen agressie en geweld. Onlangs heeft het Ministerie van Onderwijs in dat verband een eigen project op touw gezet: Veilige Publieke Taak Onderwijs. Het Centrum School & Veiligheid (onderdeel van het Algemeen Pedagogisch Studie­centrum APS) geeft daar voorlichting over. Je zou verwachten dat zo’n project was ingebed in een schoolveilig­heids­beleid dat niet alleen leraren maar ook leerlingen beoogt te beschermen. Maar dat is slechts tot op zekere hoogte het geval. Op de voorlichtingssite wordt bijvoorbeeld verwezen naar het Handelingsprotocol Schoolveiligheid (16/4/2007), opgesteld door de Algemene Onderwijsbond (AOb). Fysieke en verbale geweldpleging of pesterij gepleegd door leraren: aan de aanpak daarvan wordt geen woord vuil gemaakt. Blijkbaar gaat de AOb ervan uit dat leraren, gezien de zwaarte van hun beroep, in principe moeten worden gevrijwaard van vervolging wegens wangedrag jegens leerlingen. Dat is een zeer eenzijdige interpretatie van de eigen internationale gedragscode, waarin staat dat leraren ‘shall safeguard and promote the interests and well-being of students and make every effort to protect students from bullying and from physical or psychologi­cal abuse.’ Alleen in het hoofdstuk Seksuele Intimidatie van het AOb-Protocol (p.21) wordt erkend dat leraren niet alleen slachtoffer maar ook dader kunnen zijn.

Ferry Haan: de kwaliteit van schoolexamens

Wes Holleman | 15-05-2010 | 2 Reacties » | permalink

Volgens de Onderwijsinspectie mag het gemiddeld cijfer voor het schoolexamen (SE) niet veel hoger zijn dan dat voor het centraal schriftelijk examen (CE). Dat staat in het Toezichtkader voor het voortgezet onderwijs (p.29), nader uitgewerkt in de toe­lichting bij de Opbrengstenkaart. Want een dergelijke discrepantie zou de opbreng­sten van een school on­verdiend flatteren: als haar leerlingen gemiddeld veel beter sco­ren op het SE dan op het CE, worden ze kennelijk gematst door hun leraren.
De kritische Volkskrantcolumnist Ferry Haan (12/5/2010) vindt dat deze redenering rammelt. Zo’n discrepantie kan namelijk evengoed uit een andere factor voortkomen. Hoge SE-cijfers verleiden tot lage CE-cijfers: wie op het SE zevens of achten heeft gehaald maar met zesjes genoegen neemt, zal bij het voorbereiden en afleggen van het CE minder inspanning leveren. Volkskrantlezer Tenred noemt nog twee andere factoren die kunnen verklaren waarom de CE-cijfers bij de SE-cijfers achterblijven: (a) de leerlingen zijn minder vertrouwd met de wijze waarop hun stofbeheersing op het CE getoetst wordt; en (b) de vragen op het CE zijn minder afgestemd op de wijze waarop de stof in de klas is aangeboden. Maar er zijn veel meer factoren die discre­panties tussen CE en SE kunnen rechtvaardigen: (c) het SE is opgesplitst in kleine deeltentamens die over een lange periode gespreid zijn, zodat ijverige kandidaten door gericht blokken hun SE-cijfers kunnen opvijzelen; (d) SE-deeltentamens kunnen herkanst worden om slechte stofbeheersing alsnog bij te spijkeren; (e) het SE omvat bijvoorbeeld spreekvaardigheid, werkstukken en praktijkopdrachten en meet dus andere onderwijsdoelen en eindtermen dan het CE; (f) wellicht zijn de CE-prestaties onbetrouwbaar omdat ze, meer dan de SE-prestaties, vertekend worden door externe factoren zoals stressbestendigheid, taalvaardigheid Nederlands en algemene intelligentie. De bovenstaande opsomming is mede ontleend aan het geannoteerde literatuuroverzicht van Ben Wilbrink.
Verder moet worden bedacht dat een grote discrepantie tussen SE- en CE-cijfers op zichzelf niet hoeft te wijzen op sjoemelarij rond de zak/slaaggrens. Zij kan immers evengoed worden veroorzaakt door afwijkende decisieregels bij het toekennen van zeer lage of zeer hoge cijfers. Ferry Haan concludeert dat de discrepantie tussen de gemiddelde cijfers van CE en SE geen goede indicator is van de kwaliteit van het schoolexamen. Hij geeft de voorkeur aan een transparante maat, zoals het per­centage van de geslaagde kandidaten dat gezakt zou zijn als de cijfers van het schoolexamen buiten beschouwing waren gelaten.

Nita galofuh

Wes Holleman | 14-05-2010 | permalink

Mijn kleindochter leert schrijven. Haar spelling lijkt nergens op. Maar ‘nergens’ is het woord niet … Ze luistert naar de fonetiek van het gesproken Nederlands. Of eigenlijk: ze tracht het Standaardnederlands te reconstrueren door minutieus naar zichzelf en naar anderen te luisteren. Ze spelt alsof elk woord een luisterwoord is.
Op jeugdige forum- en chat-sites worden soms gelijksoortige schrijfsels gebezigd. Is dat het werkschuwe schrift van halve analfabeten? Of is het een noest oefenschrift waarmee NT2-sprekers zich de uitspraak van het Standaardnederlands eigen pro­beren te maken? Of is het een ludiek geheimschrift van SMS-spelers, die met zo min mogelijk letters, leestekens en spaties met elkaar communiceren? Of is het soms een gekscherend spotschrift in de eeuwige strijd tussen de gene­raties: kijk nou hoe die verwaten volwassenen in het dagelijks mondeling spraakgebruik hun moedertaal maltraiteren!

Bestuurlijke integriteit

Wes Holleman | 13-05-2010 | 5 Reacties » | permalink

Ziehier een interessante casus. Een staatssecretaris van defensie heeft sinds geruime tijd een seksuele relatie met zijn persoonlijke adjudant. De adjudant was aan zijn gezag onderworpen. Hij is bestuurlijk verantwoordelijk voor een beleidssector van het departement, maar hij is zelf geen ambtenaar. Hij kan dus niet strafrechtelijk wegens ontucht vervolgd worden. Uiteindelijk is zij overgeplaatst. Moet de staats­secretaris naar jouw oordeel eveneens opstappen? Zo ja, waarom?
Ter toelichting kan het volgende dienen. Volgens artikel 249 van het Wetboek van Strafrecht wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of geldboete van de vierde categorie: a) hij die ontucht pleegt met zijn minderjarig kind, stiefkind of pleegkind, zijn pupil, een aan zijn zorg, opleiding of waakzaamheid toevertrouwde minderjarige of zijn minderjarige bediende of ondergeschikte: b) de ambtenaar die ontucht pleegt met een persoon aan zijn gezag onderworpen of aan zijn waakzaam­heid toevertrouwd of aanbevolen; c) de bestuurder, arts, onderwijzer, beambte, opzichter of bediende in een gevangenis, rijksinrichting voor kinderbescherming, weeshuis, ziekenhuis, of instelling van weldadigheid, die ontucht pleegt met een persoon daarin opgenomen; d) degene die, werkzaam in de gezondheidszorg of maatschappelijke zorg, ontucht pleegt met iemand die zich als patiënt of cliënt aan zijn hulp of zorg heeft toevertrouwd.
Vergelijk ook de Gedragscode Bestuurlijke Integriteit 2009 van de Gemeente Apeldoorn (art. 7.6): Een bestuurder die een meer dan vriendschappelijke relatie heeft met een ambtenaar of collega-bestuurder of met iemand die anderszins aan de gemeente is verbonden en welke relatie vermoedelijk in strijd met het gemeente­belang is, meldt deze relatie in het college of de raad. Is deze relatie in strijd met het gemeentebelang dan worden er maatregelen getroffen door het college of de raad. Als er binnen de gemeente sprake is van een hiërarchische verhouding én er is een meer dan vriendschap­pe­lijke relatie, dan is dit altijd in strijd met het gemeentebelang.

UvA-regeling in strijd met de wet

Wes Holleman | 11-05-2010 | 3 Reacties » | permalink

De opleiding Psychologie van de UvA heeft de regel ingesteld dat studenten bij de examencommissie toestemming moeten vragen als ze per semester extra cursussen willen volgen. Dat wil zeggen: cursussen waarmee de student zich een nominale studielast van meer dan 40 uur per week op de hals haalt. Maar die regel is in strijd met de wettelijke studie­vrijheid. Jasper van Dijk (SP) verzocht de minister oktober vorig jaar deze misstand een halt toe te roepen. Daarop be­loofde de UvA die regel in te trekken. Maar de studentenorganisatie ASVA constateerde op 21/1/2010 dat de Onderwijs- en Examenregeling nog steeds niet was aangepast. Van Dijk herhaalde zijn verzoek aan het ministerie. De staats­secretaris antwoordde onlangs dat de regel niet meer naar de letter is toegepast en dat de regel dus niet meer aan de orde is. Wat een belachelijk antwoord! De gewraakte regel is aan de orde zolang hij niet is ingetrokken. Uit de digitale versie van de Onderwijs- en Examenregeling (OER art. 4.1) die studenten vandaag de dag op de facultaire website kunnen raadplegen, moeten ze concluderen dat de gewraakte regel dit hele studiejaar nog volop van kracht is. De staatssecre­ta­ris had moeten erkennen dat de Onderwijsinspectie heeft verzuimd te controleren of de UvA haar belofte gestand deed en zij had in elk geval moeten toezeggen dat de Inspectie per omgaande zal controleren of deze onwettige regel uit de OER geschrapt is. Zo’n krachtige Inspectierol ter bescherming van zwakke marktpartijen past echter niet in haar CDA-straatje.
Lees verder … (PDF)

Thuiszitters, leerplicht en leerrecht

Wes Holleman | 10-05-2010 | 1 Reactie » | permalink

Minderjarige kinderen van vijf tot achttien jaar zijn niet alleen onderworpen aan de leerplicht (c.q. kwalificatieplicht), maar hebben ook een leerrecht. En zelfs vierjarigen hebben recht op onderwijs. Onlangs heeft de minister kamervragen beantwoord over het leerrecht van langdurig zieke leerlingen. Het wettelijke uitgangspunt is dat de eigen school verantwoordelijk blijft voor de continuïteit van het leerproces, maar dat de hulp kan worden ingeroepen van consulenten uit de onderwijsbegeleidingsdiensten of de academische ziekenhuizen. Niet zo lang geleden heeft de minister de Onder­wijs­inspectie verzocht onderzoek te doen naar de kwaliteit van het onderwijs aan zieke leerlingen. De kamervragen gingen overigens met name over ICT-voorzieningen voor afstandsonderwijs (zoals KlasseContact). Meer informatie over voorzieningen voor langdurig of chronisch zieke scholieren vindt men op de website Ziezon.nl.
Er zijn echter ook andere categorieën jongeren voor wie er fricties kunnen optreden tussen leerplicht en leerrecht. Men denke aan minderjarige (kinderen van) asiel­zoekers en illegalen die (al dan niet uitgeprocedeerd) in Nederland verblijven. Ook zijn er vele jongeren die thuiszitten omdat er vooralsnog geen passend onderwijs voorhanden is of omdat ze op hun eigen school niet langer te handhaven zijn. Men streeft ernaar tijdelijke buitenschoolse voorzieningen aan te bieden om aan hun leerrecht tegemoet te komen (transferia, time-out, rebound, op de rails, herstart). Maar misschien moet het leerrecht ook steviger verankerd worden in de schoolcultuur van het reguliere onderwijs.
Lees verder … (PDF)