Warffumroute: het duimdiploma

Wes Holleman | 20-07-2011 | 3 Reacties » | permalink

Middelbare scholieren mogen tegenwoordig eindexamenvakken op een hoger niveau afleggen. Een havist mag bijvoorbeeld het eindexamenvak havo-Nederlands door vwo-Nederlands vervangen. Maar mag het ook andersom? Het Hogeland College in Warffum heeft de kat de bel aangebonden. Ze hebben zeven eindexamenkandidaten die voor het vwo-examen gezakt waren, alsnog voor het havo-examen aangemeld. Dankzij het feit dat het havo-examen niet zeven maar zes vakken omvat, kon één onvoldoende cijfer met de duim der liefde worden bedekt. Inmiddels hebben ze dus het havo-diploma op zak. Maar de Onderwijsinspectie tracht deze zeven diploma’s alsnog op procedurele gronden geannuleerd te krijgen. En de minister laat weten dat zij deze maas in de wet wil dichten: ze wil de regel invoeren dat kandidaten ten minste één eindexamenvak op het ‘eigen’ niveau moeten afleggen.
Het ministerie voert een inconsequent zwabberbeleid. Enerzijds wil men dat jongeren zo min mogelijk doubleren op de middelbare school en zo snel mogelijk een bachelordiploma halen. Maar anderzijds heeft men er bezwaar tegen dat zwakke vwo-leerlingen een jaar trachten te winnen door via de Warffumroute toegang te krijgen tot een bacheloroplei­ding in het hoger onderwijs. Wat is er op tegen om deze sluikroute als formele optie in de wet op te nemen? Geef gezakte examenkandidaten de wettelijke mogelijkheid via een duimprocedure alsnog voor een lager diploma te opteren.
Voor de gezakte eindexamenkandidaten anno 2011 en 2012 heeft de Warffumroute nog een extra voordeel. De komende jaren worden namelijk binnen de eindexamens strengere compensatieregels ingevoerd, die ook onverkort voor de vavo-route gelden. Het duimdiploma kan dan voor zwakke kandidaten een welkome optie zijn om te voorkomen dat ze onder dat strengere regiem gaan vallen.
Bron: RTV-Noord (20/7/2011), Telegraaf (20/7/2011), NOS (20/7/2011)

Onderwijsassistenten in de krant

Wes Holleman | 20-07-2011 | 2 Reacties » | permalink

Gisteren publiceerde onderwijswethouder Lodewijk Asscher een persbericht over het taalvaardigheidsniveau van de onderwijsassistenten op de Amsterdamse basisscholen. De kop luidde: ‘Aanvullende scholing onderwijsassistenten noodzakelijk’. Met ingang van het examenjaar 2013/2014 wordt namelijk van alle MBO-4 gediplomeerden een hoger taalvaardigheidsniveau geëist dan voorheen, en de Amsterdamse schoolbestu­ren willen dat ook de zittende assistenten aan dat verhoogde niveau gaan beantwoor­den. Bij een eerste toetsronde onder 164 assistenten is gebleken dat sommigen nog niet aan dat niveau voldoen. In november volgt een tweede toetsronde, onder de overige assistenten die in het Amsterdamse basisonderwijs werkzaam zijn. Wie het persbericht oppervlakkig leest, komt tot de conclusie dat 58% van de assistenten niet aan de nieuwe norm voor Begrijpend Lezen voldoet. Maar de Amsterdamse pers­voorlichter heeft een steekje laten vallen: zij laat onvermeld hoeveel procent van de 164 assistenten aan de deeltoets Begrijpend Lezen heeft deelgenomen en evenmin behandelt zij de vraag of de getoetste assistenten een representatieve steekproef uit alle Amsterdamse onderwijsassistenten vormen.
Het ANP heeft geen boodschap aan dit soort subtiliteiten en bijna alle kranten publiceren gretig het nieuwsbericht van dit persbureau, onder de tendentieuze kop: ‘Onderwijsassistenten kunnen niet begrijpend lezen’. Die aanhalingstekens zijn trouwens uit de lucht gegrepen, want de bodytekst van het nieuwsbericht biedt geen enkele indicatie dat de koptekst uit een spraakmakende mond is opgetekend. Alleen de NOS-redactie en het persbureau Novum hebben de moeite genomen het oor­spronkelijke Amsterdamse persbericht te raadplegen.
Conclusie: de nieuwsmedia zijn uiterst onzorgvuldig tewerk gegaan en hebben het Nederlandse onderwijs ten onrechte zwartgemaakt. Het valt te hopen dat de onderwijsredacties alsnog het een en ander rechtzetten. Bovendien zou van hen verwacht mogen worden dat zij iets meer context geven: over de arbeidsmarkt voor onderwijsassistenten, over de doorstroom van MBO-gediplomeerden naar de PABO-opleiding en over de toelatingsselectie (taal- en rekentoets) waar­aan ze aldaar onderworpen worden. Maar dat neemt niet weg dat de onderwijsredacties ook nog eens kritisch zouden mogen onderzoeken hoe het tegenwoordig met de kwaliteit van de MBO-opleiding tot Onderwijsassistent gesteld is.

General Teaching Council: exit (II)

Wes Holleman | 17-07-2011 | 1 Reactie » | permalink

De General Teaching Council for England (GTCE) bestaat nu elf jaar, maar het ziet er naar uit dat hij z’n langste tijd gehad heeft. De regering van conservatieven en liberaal-democraten heeft haar Education Bill door het Lagerhuis geloodst en in het Hogerhuis ontmoet zij evenmin veel weerstand. Men wil de zelfstandige bestuurs­organen en de ‘bijbehorende bureaucratische rompslomp’ wegsnijden en de overheids­macht bij het Ministerie van Onderwijs concentreren. Daarmee zal ook de professionele zelfregulering van de leraren verdwijnen, die in het beroepsregister, de gedragscode en het tuchtrecht van de GTCE gestalte heeft gekregen. De zelf­regulerende Teaching Councils van de rijksdelen Noord-Ierland, Schotland en Wales blijven overigens ongemoeid.
De Daily Telegraph (14/7/2011) bericht dat het Ministerie inmiddels een korte lijst met Teachers’ Standards aanvaard heeft waaraan Engelse leraren met ingang van 1 september 2012 moeten voldoen.

Sociale dienstplicht

Wes Holleman | 16-07-2011 | 1 Reactie » | permalink

Per 1 juli jongstleden is in de Duitse Bondsrepubliek de dienstplicht afgeschaft. Voorheen moesten achttienjarige mannen negen maanden militaire dienstplicht vervullen. In plaats van deze Wehrdienst konden ze ook voor Zivildienst opteren: negen maanden sociale dienstplicht. Eén op de vier mannen koos dit alternatief. Tegen een bescheiden zakgeld vulden zij jaarlijks 90.000 fulltime arbeidsplaatsen in de zorgsector, het jeugdwerk, etc. Nu de militaire en sociale dienstplicht is afgeschaft, dreigen die arbeidsplaatsen onvervuld te blijven. Men tracht het ontstane gat enigszins te dichten door jongeren te stimuleren na hun middelbare school 6 tot 24 maanden fulltime vrijwilligerswerk te verrichten. Maar er zijn ook tegengeluiden. In hoeverre heeft de sociale dienstplicht de reguliere arbeidsmarkt verstoord? Hoe groot is het risico dat laaggekwalificeerde werkzoekenden op de arbeidsmarkt verdrongen worden door goedkope fulltime vrijwilligers? En in hoeverre wordt de kennis­economie geschaad als jongeren hun school- en studieloopbaan onderbreken met zo’n omvangrijke stage in het vrijwilligerswerk?
In Nederland bestaat de militaire dienstplicht al sinds 1996 niet meer. In de plaats daarvan wilde het CDA een sociale dienstplicht van drie maanden invoeren, voor alle leerlingen in het voortgezet onderwijs. Vooralsnog bleek dat politiek niet haalbaar, maar onlangs heeft het CDA toch een eerste succesje geboekt. Terwijl de sociale dienstplicht in Duitsland is afgeschaft, wordt zij in Nederland opgetuigd. Op 5 juli jongstleden is door de Eerste Kamer het fundament gelegd: met ingang van het komend schooljaar zijn alle leerlingen verplicht tijdens hun schoolloopbaan een Maatschappelijke Stage van minimaal 30 uur in het georganiseerde vrijwilligerswerk te lopen. In eerste instantie is dat een peuleschil, doch via een simpele Algemene Maatregel van Bestuur kan het verplichte urental naar bevind van zaken verhoogd worden. De vraag is dus bij welk urental deze verplichte ‘community service’, onder het mom van sociale, maatschappelijke of burgerschapsvorming, in dwangarbeid ontaardt.
Bron: Das Ende des Zivildienstes (The European 25/2/2011)

Langstudeerders: schrijnende gevallen

Wes Holleman | 07-07-2011 | 5 Reacties » | permalink

Op de laatste dag vóór het zomerreces, verleden dinsdag, heeft de Eerste Kamer de langstudeerderswet erdoorheen gejast. Vertraagde studenten krijgen een college­geld­toeslag van 3000 euro. De staatssecretaris heeft toegezegd te bekijken of hij de gevolgen van de wettelijke maatregelen kan repareren voor enkele studentengroepen die onevenredig getroffen worden: deeltijdstudenten; student-bestuurders; deelnemers van pre-master deficiëntieprogramma’s; en gehandicapte studenten die geen extra jaar prestatiebeurs hebben genoten. Er zijn echter een paar groepen die definitief het pleit verloren hebben: (a) de omzwaaiers en (b) de spijtoptanten. Wat de omzwaaiers betreft, worden met name de snelle switchers onredelijk zwaar getroffen. Je komt in het eerste trimester tot de conclusie dat je een verkeerde studie hebt gekozen. Je beëindigt de inschrijving per 1 november, maar als je volgend jaar per 1 september in een nieuwe studie start, heb je volgens de OCW-boekhouding automatisch een jaar studievertraging aan de broek. Wat de spijtoptanten betreft, gaat het om studenten die hun studie sinds 1991 onverrichterzake hebben afgebroken maar die nu alsnog een diploma willen behalen. Ook voor hen geldt dat elk studiejaar waarin ze ooit op 1 oktober bij een opleiding in het hoger onderwijs ingeschreven stonden, door OCW automatisch als opgelopen studievertraging wordt bijgeschreven. Dit zijn schrijnende gevallen, maar in staatkundig opzicht is het meest schrijnend dat onze volks­vertegenwoordigers het lot van deze twee groepen domweg hebben doodgezwegen. Wir sind unschuldig, denn wir haben es nicht gewusst.

Een gevoelig onderwerp

Wes Holleman | 05-07-2011 | 1 Reactie » | permalink

Op 15/16 juli zou in de Engelse badplaats Bridlington, ten Noorden van Hull, een volksopera worden opgevoerd. Ook 300 kinderen van een plaatselijke basisschool zouden eraan meedoen. In één van de scènes staat de hoofdpersoon tegenover een groep opgeschoten jongens. Hij zingt desgevraagd: Homo ben ik inderdaad / Vandaar verliet ik huis en haard / Dus als je denkt tezamen / Dat ik als wakkere werkgezel / Meer op mannen dan meiden val / Dan moet ik dat beamen. Toen de basisschool daar lucht van kreeg, eiste zij dat deze scène geschrapt werd. Weliswaar hadden de kinderen part noch deel aan de scène, maar toch verbood de school dat vier- tot elf­jarigen op deze wijze met homoseksualiteit geconfronteerd zouden worden. De librettist, een nationale grootheid, was echter niet bereid de school op dit punt tegemoet te komen. Zo is dit community project van de Opera North op de valreep in duigen gevallen.
Het behoort tot de professionele plichten dat leraren hun pupillen geen schade toe­brengen. Gevoelige onderwerpen moeten omzichtig behandeld worden. Maar is dit onderwerp echt zó schadelijk dat kinderen er niet aan mogen worden blootgesteld? De plaats van Sex & Relationship Education (SRE) is een omstreden thema in het Engelse basisschool­curriculum. Tot op heden hebben ouders formeel het recht hun kinderen aan de SRE-lessen te onttrekken. Het opera­project viel echter onder Kunst­zinnige Vorming.
Bron: The Guardian 3/7/2011, 4/7/2011; Persbericht Opera North 4/7/2011.

Kenniseconomie: 50% een ho-diploma?

Wes Holleman | 04-07-2011 | 1 Reactie » | permalink

Wat is er mis gegaan in het hbo, vroeg NRC-redacteur Bart Funnekotter zich onlangs af. Hij noemde drie ontwikkelingen: (I) schaalvergroting van de hogescholen als organisaties, (II) invoering van competentiegericht opleiden, samen met elementen van Het Nieuwe Leren, en (III) onstuimige groei van de studentenaantallen. Die derde ontwikkeling interesseert me. Sedert de jaren 1950 streefde men naar externe demo­cratisering van het algemeen-voortgezet en hoger onderwijs: gelijke onderwijskansen voor iedereen. Maar in het HogerOnderwijsPlan 2004 werd daaraan een nieuw beleidsdoel toegevoegd. Men wil dat in 2020 minimaal 50% van de beroepsbevolking in de leeftijdsklasse van 25 tot 44 jaar een ho-diploma bezit. Deze beleidslijn betekent tevens dat zo’n 50% van de uitstroom van het secundair onderwijs, al dan niet via het mbo, met succes een hbo- of wo-opleiding zou moeten doorlopen.
In het algemeen kun je verwachten dat je een hoger inkomen toucheert naarmate je een hoger opleidingsniveau bereikt hebt. Als de helft van de beroepsbevolking een ho-diploma op zak heeft, dan ben je een loser als je niet meer dan een havo-, vwo- of mbo-diploma gehaald hebt: je moet vrezen dat je in de onderste helft van de in­komensladder zal blijven steken. De nieuwe beleidslijn leidt dus tot een maatschappe­lijke depreciatie van de mbo-diploma’s. Je bent een dief van je eigen portemonnee als je niet doorstroomt naar het hbo. En zo komt het, aldus Funnekotter, dat het hbo gebukt gaat onder een onstuimige groei van de studentenaantallen.
Lees verder … (PDF)

Misdragingen buiten schoolverband

Wes Holleman | 03-07-2011 | permalink

Mag een leerling tuchtrechtelijk worden aangepakt voor schunnige, onwelgevoeglijke of kwetsende uitlatingen en gedragingen welke in strijd zijn met fundamentele beginselen van beschaving en fatsoen? Ja, zei het Amerikaanse Hooggerechtshof in 1986, de leerling kan zich in dat geval niet beroepen op de vrijheid van menings­uiting. Maar in twee verwante rechtzaken oordeelde een lager gerechtshof onlangs anders: als de gewraakte uitlatingen en gedragingen buiten schoolverband (bij­voorbeeld op Facebook) gedaan zijn, dan vallen ze onder de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting, ook al hebben ze betrekking op schoolpersoneel. Het schoolse tuchtrecht eindigt bij de poort en daarbuiten heersen de rechten en plichten die voor iedere burger gelden. Het ging om spottende uitlatingen over de rector en over de vermeende geringe lengte van diens geslachtsorgaan.
In Nederland speelde onlangs een soortgelijke kwestie. Radio 538 had een prijsvraag uitgeschreven: wie is de slechtste leraar van het jaar? doe een voordracht, geef de beste [of olijkste?] argumenten om je voordracht te ondersteunen en vergaar zoveel mogelijk stemmen. Een vijftienjarige vwo-leerling had haar leraar onder meer als Monster van Loch Ness gekarakteriseerd en daarmee won ze de prijs: de hele klas kreeg samen met het slachtoffer een kaartje voor de film Bad Teacher. Maar de leerling had niet bedacht dat de leraar nu door haar toedoen met naam en toenaam op internet te boek stond als de slechtste leraar van Nederland. Op school legde de rectrix haar een schorsing op.
Als we even afzien van de vraag of de rectrix misschien beter iets minder spastisch had kunnen reageren, dan resteert hoe ze deze maatregel zou kunnen rechtvaardigen, bijvoorbeeld tegenover een denkbeeldige Amerikaanse rechter. Ik leg haar dan het volgende in de mond. We waren op school verontwaardigd en boos, ook al zijn de gewraakte uitlatingen buiten schoolverband gedaan. Als dat een schoenmaker of een advocaat overkomen was, zou hij het ook niet over z’n kant laten gaan. Zo’n on­verdiend stigma op internet, daar komt die leraar moeilijk meer van af. Maar we zijn professionals van wie verwacht wordt dat ze hun leerlingen met respect bejegenen. We kunnen een leerling die zich onheus over ons uitlaat dus niet met gelijke munt terugbetalen. En een gang naar de rechter ligt ook niet zo voor de hand. Het enige wat we konden doen was: de leerling tijdelijk de toegang tot de reguliere lessen te ontzeggen. Met die schorsing hebben we dat ten uitvoer gebracht. Maar wat we in zo’n geval eigenlijk nodig hebben, is een soort afkoelklas (binnenschoolse time-out klas) om bij wijze van ordemaatregel de verstoorde relatie te herstellen.
Bronvermeldingen (PDF)

SER: geen prijsverhoging voor deeltijdstudie

Wes Holleman | 02-07-2011 | permalink

In een recent advies wordt door de Sociaal-Economische Raad (SER) gewaarschuwd tegen de prijsverhogingen voor deeltijdstudies in het hoger onderwijs. Door de koppeling van studieduur en collegegeld (de langstudeerderswet) kan de deelname aan deeltijdopleidingen onder druk komen te staan, aldus de SER (p.21), hetgeen de beoogde groei van het aantal hogeropgeleiden kan belemmeren. Ook de invoering van het hoge instellingscollegegeld voor een tweede studie heeft volgens de SER ernstige risico’s voor de op-, bij- en nascholing van werkenden (p.33). De raad adviseert om ‘het collegegeldkrediet en de studiefinanciering beschikbaar te stellen voor studenten boven de dertig jaar en (…) de [fiscale] aftrekbaarheid van studie­kosten te verruimen, zodat de financiële drempels van studeren op latere leeftijd worden verminderd.’
Het kabinet-Rutte slaat de waarschuwingen van de SER in de wind. In het strategi­sche Hoger Onderwijsplan ‘Kwaliteit in verscheidenheid’ (1/7/2011, p.39-40) wordt geen woord vuil gemaakt aan de prijsverhogingen voor deeltijdstudenten. Behalve dat hij wettelijk wil vastleggen dat een premasterprogramma van maximaal 30 studiepunten tegen het reguliere collegegeld kan worden gevolgd (p.38). Wel zegt de staatssecretaris toe de Tweede Kamer eind dit jaar te zullen informeren hoe hij belemmeringen in wet- en regelgeving wil wegnemen om te komen tot een flexibel en kwalitatief hoogwaardig [hoger] onderwijs voor werkenden, onder meer door een collegegeldkrediet. Ook zal binnenkort een kamerbrief ‘Duurzame inzetbaarheid’ worden uitgebracht, waarin eventuele verruiming van fiscale faciliteiten voor opleiding en scholing aan de orde komt.
Wat de collegegeldverhoging voor ‘langstuderende’ deeltijdstudenten betreft: dat wetsontwerp wordt aanstaande dinsdag door de Eerste Kamer in stemming gebracht. Zoals het zich nu laat aanzien, blijft de staatssecretaris bij zijn plan deeltijdstudenten 3000 euro bovenop het wettelijk collegegeld in rekening te brengen als ze meer dan een jaar studie­vertraging oplopen, waarbij de cursusduur van de voltijdse opleiding als ijkpunt geldt. Maar, wie weet, doet hij maandag nog water in de wijn.