Afscheid: waarom, waarheen …

Wes Holleman | 31-10-2011 | permalink

Middelbarescholier PPP123 zit met een vervelend gevoel: een geliefde leraar is van de ene dag op de andere vertrokken. Hij schijnt ontslagen te zijn, maar niemand weet waarom. Hoe komen we daar meer over te weten? Op het forum (Goeie Vraag 30/10/2011) wordt gesteld dat de werkgever niet verplicht, en misschien zelfs niet bevoegd, is de leerlingen daar­over in te lichten. Anderen menen echter dat de school wel een ethische plicht heeft hun enige opheldering te verschaffen (tijdelijk contract niet verlengd? gedwongen ontslag of op eigen verzoek? overgeplaatst naar andere vestiging?) en dat het hun in elk geval vrij staat zelf contact met de betrokkene te zoeken.
Maar wordt daarmee voldoende tegemoetgekomen aan dat vervelende gevoel? De leerlingen hadden een goede band met de betrokken leraar. Behoort het dan niet tot een gezond pedagogisch schoolklimaat dat zij in de gelegenheid worden gesteld op passende wijze afscheid van hem te nemen? Gut, dat hadden we niet verwacht, we vinden het erg dat u weggaat, waarom hebt u daartoe besloten, waar gaat u naar toe? De vraag rijst of de klassementor niet het initiatief zou moeten nemen om zoiets te organiseren. Men kan zelfs poneren dat ‘de kunst van het afscheid nemen’ tot de sociale­vormingsdoelen van de school gerekend moet worden. Zowel jegens leraren die tussentijds of aan het eind van het schooljaar vertrekken, als ook jegens leer­lingen die de school voortijdig verlaten.

Nederland zwaait uit

Wes Holleman | 30-10-2011 | 1 Reactie » | permalink

Feros is twaalf jaar en spreekt goed Nederlands. Volgens de CITO-toets is hij geschikt voor de havo. Zijn ouders, uit­geprocedeerde asielzoekers uit Afghanistan, wonen in een zogenaamd Vertrekcentrum. Als leerplichtige Nederlandse ingezetene, heeft Feros recht op onderwijs, maar geen enkele school wil hem hebben. Hij was weliswaar per 1 september geplaatst op de Rijksscholengemeenschap in Ter Apel, maar die school heeft bij nader inzien geen zin in asielzoekers­kinderen die binnen de kortste keren weer vertrekken. Scholen worden immers door de Onderwijsinspectie op hun rendementscijfers afgerekend. Daarop heeft Feros een kort geding tegen de school aangespannen. Ondertussen is hij echter met zijn familie overgeplaatst naar een opvangcentrum in Katwijk. In zijn nieuwe woonplaats heeft hij geprobeerd als­nog een school te vinden, maar wederom is hij zowel bij de plaatselijke protestants-christelijke scholengemeenschap als bij drie andere scholen in de regio geweigerd. Het wemelt in Nederland van de LEERPLICHT-ambtenaren, maar wie bekommert zich om het LEERRECHT van Feros?
Bron: Joop.nl (8/4/2011); Ter Apel Digitaal (19/10/2011); Dagblad van het Noorden (28/10/2011).

Verplichte drugstest?

Wes Holleman | 28-10-2011 | permalink

Linn State Technical College, een mbo-instelling in Missouri, wil alle eerstejaars­studenten op drugsgebruik testen (Huffington Post 27/10/2011). Wie positief scoort, wordt van school gestuurd, tenzij zes weken later uit een herhaaltest blijkt dat de student inmiddels schoon is. In dat laatste geval moet de betrokkene bovendien een cursus over de gevaren van drugsgebruik volgen. De school meent dat de verplichte drugsscreening noodzakelijk is omdat vele studenten in het kader van hun opleiding met gevaarlijke stoffen of gevaarlijke machines werken.
Maar de American Civil Liberties Union heeft namens zes studenten een rechtszaak tegen deze openbare instelling aan­gespannen omdat de preventieve inspectie in strijd met de grondwet zou zijn. De student wordt immers aan een verplicht urineonderzoek onderworpen terwijl er geen concrete verdenking tegen hem of haar bestaat.
In 2008 en 2009 kwamen ook Nederlandse scholen in het nieuws. De Rotterdamse wet­houder wilde op brede schaal drugstests op middelbare scholen invoeren. In tegen­stelling tot de Amerikaanse casus, kon dit initiatief niet met gevaar­lijke stoffen of machines gerechtvaardigd worden. Wilde hij het dan over de boeg van de schoolse zorgplicht inzake gezondheid en welzijn gooien? Of meende hij de drugstests te kun­nen legitimeren uit hoofde van de handhaving van de kwantitatieve en kwalitatieve leerplicht? Het laatste wat ik weet is dat de wethouder toentertijd met alle middel­bare scholen heeft afgesproken dat de drugstest bij iedere leerling zal worden afgenomen, tenzij deze zich daartegen verzet (RTV Rijnmond 3/3/2009), maar de gemeenteraad was daar niet blij mee omdat de eerdere pilots nog niet geëvalueerd waren (6/3/2009).

De schijf van vijf

Wes Holleman | 27-10-2011 | permalink

Franse scholieren krijgen tussen de middag (tegen een bescheiden bedrag) een warme maaltijd in de schoolkantine. De regering heeft daarover nieuwe regels uit­gevaardigd: iedere leerling moet dagelijks voldoende vlees, vis, eieren of kaas, alsmede melkproducten binnenkrijgen. Ook moet er tussen de dagen van de week voldoende variatie worden aan­gebracht. Van vleesvervangers is in deze nieuwe regels geen sprake. De wetgever houdt dus geen rekening met de belangen van vlees­minderaars, vegetariërs en veganisten. Er wordt niet gegarandeerd dat zij voldoende aan hun trekken komen. Ook joodse en islamitische leerlingen dreigen tekort te komen, althans als ze liever vegetarisch lunchen dan het risico te lopen dat hun eten niet koosjer of halal is. Ter geruststelling bericht het Ministerie van Landbouw & Voeding evenwel dat de controleurs richtlijnen meekrijgen zodat de genoemde groepen ontzien kunnen worden. Maar de vraag rijst dan wie voor de kosten opdraait als de scholen en subsidiërende gemeenten zowel aan de wettelijke regels als aan de wensen van die groepen tegemoet willen komen.
Bron: Le Monde (26/10/2011).

Gekleurde schoolboeken

Wes Holleman | 25-10-2011 | permalink

Susanne Kröhnert-Othman werkt aan het Georg Eckert Institut in het West-Duitse Braunschweig. Dat unieke instituut doet internationaal onderzoek naar de inhoud van schoolboeken, vooral op het gebied van geschiedenis, aardrijkskunde en maatschap­pij­leer. Lenz Jacobsen had onlangs een interview met haar (Die Zeit 6/10/2011). Het ging over haar onderzoek naar de wijze waarop de islam en de moslims in Europese schoolboeken worden afgeschilderd. Op 15/9/2011 had haar opdrachtgever, het Duitse ministerie van buitenlandse zaken, een persbijeenkomst belegd, waar ze de samen­vatting van haar onderzoeksresultaten gepresenteerd heeft.
Het belangrijkste manco van de schoolboeken is, aldus haar onderzoeksteam, dat een dynamisch, eurocentrisch beeld van Modern Europa wordt afgezet tegen een statisch beeld van de Middeleeuwse Islam en van moslims die gevangen zitten in een orthodox-religieuze identiteit. Men gaat niet alleen voorbij aan de diversiteit in het hedendaag­se islamitische geestes­leven, maar ook aan de politieke en sociale ontwikkelingen in Zuid-Oost Europa, het Nabije Oosten, Noord-Afrika en de Derde Wereld en aan de (neo-)koloniale heerschappij waaraan die landen zich trachten te ontworstelen. Door de ge­kleurde beeldvorming in de schoolboeken krijgen autochtone en allochtone leerlingen ingeprent dat moslims niet passen in de Europese samenleving. In de rapportage worden verscheidene aanbevelingen gedaan om dat beeld bij te stellen. Misschien een idee om ook de Nederlandse schoolboeken aan zo’n onderzoek te onderwerpen?
Zie ook: Deutsche Welle (15/9/2011), Euro Islam Info (19/9/2011), Lernen aus der Geschichte (12/10/2011).

Stotteren in de klas

Wes Holleman | 24-10-2011 | permalink

Sinds 1998 wordt 22 oktober jaarlijks bestempeld als Wereldstotterdag. In de Verenigde Staten ontstond dit jaar, een paar weken vóór die dag, nationale ophef omdat een stotterende vwo-leerling van zijn geschiedenislerares te verstaan had gekregen dat hij zijn vragen en opmerkingen liever vóór of ná de les bij haar moest indienen omdat de interactieve lessen door zijn gestuntel belemmerd werden, ten koste van de overige leerlingen. Eerder berichtte ik over een soort­gelijke casus: een Vlaamse hbo-studente werd dringend verzocht niet meer volwaardig aan het werk­college te partici­peren omdat ze door haar spraakgebrek (en door haar afhankelijk­heid van een doventolk) de discussies frustreerde.
Uit een oogpunt van beroepsethiek rijst het dilemma: welke kwaliteitseisen mag men aan Passend Onderwijs stellen? Kan men als docent van deze gehandicapte leerlingen/studenten verlangen dat ze zwijgend, voor spek en bonen, aan de lessen deelnemen? Of moet een onderwijsinstelling overwegen hun met verdergaande didactische aanpassingen ter wille te zijn en hun bijvoorbeeld de mogelijkheid te geven ter plekke langs digitale weg hun eigen inbreng in de groep te leveren?

Gehandicapte mbo-studenten

Wes Holleman | 23-10-2011 | 3 Reacties » | permalink

Wie z’n vmbo-diploma heeft behaald, is daarna nog steeds leer- of kwalificatieplich­tig. Nederlandse ingezetenen zijn immers wettelijk verplicht minimaal een mbo2- of een havo-diploma te verwerven. Maar men kan z’n opleiding in het Middelbaar BeroepsOnderwijs niet voltooien tenzij men aan de bijbehorende stageverplichtingen voldaan heeft. Neder­landse ingezetenen die uit het buitenland afkomstig zijn, kunnen daardoor in de knel komen. Ze mogen geen stage lopen zolang ze geen verblijfs­vergunning hebben. Bedrijven krijgen namelijk geen tewerkstellingsvergunning om hun een stagecontract (c.q. leerwerkcontract) aan te bieden. Het kabinet-Rutte (14/10/2011) is niet bereid daar een mouw aan te passen. De betrokken jongeren kunnen dus geen kant uit: enerzijds hebben zij, net als hun leeftijdgenoten, een kwali­ficatieplicht, maar anderzijds worden ze getroffen door een wettelijke handicap ten gevolge waarvan ze niet aan die kwalificatieplicht kunnen voldoen (Besturenraad 20/10/2011).
Zouden ze dan niet een soort binnenschoolse praktijksimulaties kunnen volgen om aan hun stageverplichtingen te voldoen? Het kabinet acht dat onhaalbaar. Maar er is een radicalere optie. Geef mbo-scholen gelegenheid deze studenten een opleiding-op-maat aan te bieden, waarin het stageprogramma vervangen is door andersoortige programmaonder­delen: qua studieduur, studielast en eindniveau is de opleiding gelijkwaardig aan het reguliere programma, maar de specifieke diploma-eisen zijn afgestemd op hun arbeidsrechtelijke handicap. Op het eerste gezicht staat zo’n radicale oplossing op gespannen voet met het beroepsgerichte karakter van het mbo, maar in het Nederlandse onderwijsbestel is er zeker een precedent: volgens de Wet op het Hoger Onderwijs (artikel 7.3d) kunnen universitaire studenten een op maat gesneden programma samenstellen, zelfs binnen beroepsgerichte faculteiten zoals Geneeskunde of Rechtsgeleerdheid.
Lees verder … (PDF)

Geloof en wetenschap

Wes Holleman | 22-10-2011 | 3 Reacties » | permalink

Dr. D. is kinderlongarts en hoogleraar in Maastricht, maar hij is ook een belijdend christen. In 2010 nam hij buiten dienst­tijd deel aan een evangelisatiereis naar Birma. Zijn theologische reisgenoot, prof.dr. O., deed daarvan verslag: ‘Een team bezocht ook een boeddhistisch blindeninstituut, waar ze niet erg welkom waren; maar zij begonnen op het schoolplein gewoon voor de blinde kinderen te bidden. We weten van minstens zes blinde kinderen en een blinde oudere dat zij geheel genezen zijn (…), terwijl de kinderen ook voor elkaar begonnen te bidden in de naam van Jezus! Voor hen die erbij waren een onbeschrijfelijke en onvergetelijke ervaring. Blinde kinderen te zien die gaan zien!!!’ De reisleider, evangelist Mattheus van der S., maakte dat direct wereldkundig: ‘Seven people completely healed from blindness (…). In the team was also a dutch doctor who confirmed the miracles.’ Naar verluidt blijkt uit de gepubliceerde foto’s, dat dr. D. de bedoelde arts is geweest.
We kunnen niet aannemen dat een kinderlongarts voldoende deskundig is om te beoordelen of iemand genezen is van een oogziekte. Heeft prof.dr. D. dus de grenzen van zijn professionele expertise overschreden en misbruik gemaakt van zijn gezag als arts en als hoogleraar? Nee, dat is een voorbarige conclusie. We weten slechts dat Mattheus beweerd heeft dat door dokter D. effectieve gebedsgenezingen zijn vast­gesteld, maar die bewering is niet door dokter D. zelf bevestigd. Een journalist van het universitaire weekblad Observant (20/10/2011) heeft daarom een interview met D. aangevraagd. Maar na een aanvankelijke toezegging kreeg hij, via een persverkla­ring van Universiteitsbestuur en UMC, te horen dat prof.dr. D. geen commentaar geeft, aangezien hij niet kan worden aangesproken op uitlatingen en gedragingen die hij buiten functie, als gelovige privépersoon, zou hebben gedaan. Basta?

Huiswerkbegeleiding

Wes Holleman | 20-10-2011 | 1 Reactie » | permalink

Harm Bosma bericht over een Nijkerkse moeder die binnen de gemeente met hulp van vrijwilligers gratis huiswerk­begeleiding van de grond wil krijgen (Stentor 19/10/’11). Vele middelbarescholieren, waaronder haar zoon, ontberen de planningsvaardigheden en de zelfdiscipline die nodig zijn om hun buitenschoolse tijd verstandig in te delen. En vele ouders hebben het geld niet om een commercieel huiswerkinstituut in te schakelen. Onzin, zegt lerarenopleider Ton van Haperen, buitenschoolse huiswerk­begeleiding ontleent haar bestaansrecht aan de gemakzucht van ouders en de lam­lendigheid van scholen, en daarmee ontneemt men de leerlingen alle verantwoorde­lijkheid voor eigen schoolsucces (Volkskrant 17/10/’11). Maar de Onderwijsraad heeft een veel genuanceerder standpunt over dergelijk uitgebreid onderwijs. En wat de vermeende gemakzucht van ouders betreft, moet men niet vergeten dat beide ouders tegenwoordig gewoonlijk een baan hebben: bevordering van de arbeids­participatie is een beleidsprioriteit van de overheid! Bovendien kunnen vele ouders hun kinderen niet de nodige woonomstandigheden bieden om ongestoord huiswerk te maken, terwijl ze evenmin het opleidingsniveau bereikt hebben om hen vervolgens te kunnen overhoren. Een verlengde schooldag van 8.30 tot 17.00 zou een oplossing kunnen zijn (bij voorkeur onderbroken door een uurtje sport): met gesuperviseerde huiswerkklasjes en computerfaciliteiten om leerlingen ter plekke feedback te geven op het resultaat van hun leerwerk. Of zoals Ferry Haan ooit bepleitte: zorg dat de school de functies van het huiswerkinstituut overneemt.

Recht op een tweede leven (II)

Wes Holleman | 19-10-2011 | 1 Reactie » | permalink

Laten we hem Jan noemen. Hij is een schipperskind en hij gaat, evenals zijn oudere broer, in het voetspoor van zijn vader. Hij zit in het vierde leerjaar vmbo van de Maritieme Academie en volgend jaar gaat hij ongetwijfeld varen (beroepsbegelei­dende leerweg van het mbo). Zijn vader is uiteraard veel van huis, maar zijn moeder blijft aan de wal. Zij woont dag-in-dag-uit op een paar straten afstand van de school. De derde- en vierdeklassers zijn echter verplicht op het schoolinternaat gehuisvest. Gelukkig kreeg hij vorig jaar dispensatie, maar dit jaar worden er geen lieverkoekjes meer gebakken. De school eist dat hij naar het internaat verhuist, want ‘wonen op een kluitje’ is volgens de school een noodzakelijke initiatie tot het varend bestaan (en zo erg is dat niet, want ze mogen elk weekend naar huis). Jan vindt dat onzin, temeer daar zijn broer niet alleen in de derde maar ook in de vierde klas dispensatie heeft gekregen. Zijn moeder steunt hem daarin: Jan heeft recht op een privéleven, dus in het ouderlijk gezin, en zodoende ziet hij zijn vader ook wat meer als die thuis is. Zij spant een kort geding tegen de school aan, maar de rechter geeft haar ongelijk: regels zijn regels.
Hier staan twee redeneringen lijnrecht tegenover elkaar. Is kostschool een nood­zakelijk kwaad dat alleen gerechtvaar­digd kan worden als de ouders zelf niet voor hun schoolgaande kind kunnen zorgen of als externe opvoedingsdiscipline pedago­gisch gewenst is? Of biedt het internaat een waardevolle ervaring voor elke jongere (of in elk geval voor elke aankomende scheepsgezel), waarvoor het vermeende recht op een eigen leven moet wijken?
Bron: Leeuwarder Courant (17/10/2011), Reformatorisch Dagblad (17/10/2011); zie ook Onderwijsethiek (18/1/2010).