Orde en tucht bij Anna van Rijn

Wes Holleman | 18-11-2011 | 1 Reactie » | permalink

Er zijn orde- en tuchtmaatregelen op school. Het verschil is in het doel gelegen: gaat het om het handhaven van de orde of gaat het om disciplinaire straffen zoals schorsing? Maar er zijn ook tussenvormen, bijvoorbeeld als een leerling de les uit wordt gestuurd. Volgens de geldende prakijkregels van het Anna van Rijn College (AvR) wordt deze maatregel slechts bij hoge uitzondering toegepast. Doch de LWOO-afdeling De Linie moet leerlingen met sociaal-emotionele en leerachter­standen in het gareel houden. In dat verband pleegt men ongedurige leerlingen voor vijf minuten de gang op te sturen om af te koelen, aldus de directeur. Dat is een lichte ordemaatregel.
Dat klinkt allemaal prachtig, maar dan dreigen we te vergeten dat het AvR een zero-tolerancebeleid voert. Tekenend is artikel 3a van het Schoolreglement. Daar staat dat de politie wordt gewaarschuwd zodra een leerling de Nederlandse wet overtreedt. In principe kan dus reeds een handgemeen tussen leerlingen op het schoolplein (mishan­deling) of een onheuse uitlating jegens een leraar (belediging) tot politieel ingrijpen leiden. En bovenop zo’n aangifte behoudt de school zich het recht voor, jegens de betrokken wetsovertreder eigen tuchtmaatregelen te treffen. Volgens landelijke cijfers staan fysiek geweld tussen leerlingen, storend gedrag in de les en verbaal geweld tegen personeel in de top-drie redenen voor schor­sing.
Onlangs kwam een dertienjarige leerling van De Linie in het nieuws die al ettelijke schorsingen achter de rug had. Dit­maal werd hij geschorst omdat hij geweigerd had op aanwijzing van de leraar het lokaal te verlaten. Ik denk dat het AvR er goed aan zou doen dat voorval nog eens goed te evalueren: waarom gaf de leerling geen gehoor aan het bevel van de leraar? Zijn vader zegt dat de jongen zich onrechtvaar­dig behandeld voelde. Hem werd de deur gewezen terwijl hij ditmaal onschuldig was, althans niet schuldiger dan andere klasgenoten. Maar de directeur suggereert dat het slechts om een lichte ordemaatregel ging: hij moest alleen even afkoelen en had verder niets te duchten. Ik geloof er niks van. Bij nadere analyse zal vermoedelijk blijken dat de weigerachtigheid van de leerling voortkwam uit het feit dat hij meende te moeten vrezen buiten zijn schuld opnieuw geschorst te worden. De fundamentele vraag rijst dan of die vrees terecht was: zijn er binnen het AvR voldoende waarbor­gen geschapen voor een eerlijke binnenschoolse rechtsgang, meer in het bijzonder als op grond van een geëffectueerde ordemaatregel zware tuchtmaatregelen kunnen worden opgelegd? Wie geschorst dreigt te worden, heeft recht op een eerlijk proces.

Elckerlyc

Wes Holleman | 14-11-2011 | 3 Reacties » | permalink

Mijn naam is Elckerlyc en ik woon in Nergenshuizen. We vinden het vreselijk dat onze Jan zo ongezeglijk en opstandig is. Gelukkig hebben we een vmbo-school gevonden die met dit soort pubers weet om te gaan. Kleine klassen met veel struc­tuur. Er heer­sen strenge regels. Prima. Als het kind drie keer de klas is uitgestuurd, krijgt hij een rode kaart en moet hij een week lang nablijven. En bij verbaal of fysiek geweld tegen leraren wordt direct de politie gewaarschuwd. Dat is onze zoon dit jaar één keer gebeurd en we hebben de indruk dat hij daar wat van geleerd heeft.
Maar laat ik vertellen wat ons deze week overkwam. Er ontstond ruzie tussen twee klasgenoten en Jan raakte daarbij betrokken. De leraar pikte hem eruit en stuurde hem voor straf naar de afdelingsleider. Mijn zoon weigerde. Hij vond het niet eerlijk dat hij zodoende een rode kaart aan de broek kreeg, terwijl de beide andere klas­genoten vrijuit gingen. Waar er drie ruzie maken, hebben er drie schuld. Het eind van het lied was dat de afdelingsleider erbij werd gehaald. Hij greep Jan bij zijn kladden en gooide hem met geweld het lokaal uit. Jan kwam ongelukkig terecht en hield er een geschaafde knie aan over.
Thuis vertelde hij het hele verhaal en wij waren geschokt. Juist tegenover dit soort kinderen moet de school het goede voorbeeld geven en zich van fysiek geweld ont­houden. Toen hij de leraar eertijds voor klootzak uitmaakte, of iets in die trant, werd hij per omgaande door de politie meegenomen. Dat is ‘all in the game’. Maar nu had de afdelingsleider van zijn kant fysiek geweld tegen onze Jan gebruikt! Ik kon mijn emotie niet bedwingen en heb diezelfde middag nog aangifte bij de politie gedaan.

Penn State football scandal

Wes Holleman | 13-11-2011 | 1 Reactie » | permalink

Vorige week barstte de bom. Een Grand Jury in Pennsylvania maakte bekend dat een voormalige assistent-coach van Penn State University minimaal negen jonge jongens heeft misbruikt (Chronicle H.E. 10/11/2011). Inmiddels zijn de universiteitspresident en de hoofdcoach ontslagen, want er zijn ernstige aanwijzingen dat de universiteit het misbruik in de doofpot heeft trachten te stoppen. Topsport is big business in het Amerikaanse hoger onderwijs. De instellingen delen beurzen uit om de beste sport­lieden aan te trekken. Hun wedstrijden brengen de universiteit niet alleen hoge stadion­recettes in het laatje, maar succesvolle teams leveren ook een krachtige bijdrage tot haar PR-targets en tot haar aantrekkingskracht voor aspirant-studenten, studenten en alumni.
In elk boek over ‘academic ethics’ is een lang hoofdstuk gewijd aan bedenkelijke toelatings- en diplomeringspraktijken rond deze sporthelden. Maar zoals uit de recente affaire weer eens blijkt, wordt de betrokken studenten en hun coaches ook bij crimineel gedrag de hand boven het hoofd gehouden. Want ‘the show must go on’.
Zou zoiets ook in Nederland voorkomen, dat wo- of hbo-instellingen hun professionele missie en hun wettelijke ver­plichtingen laten wijken voor hun zakelijke belangen? Wat het onderwijs- en studentenbeleid betreft, zou men misschien kunnen denken aan bepaalde vormen van kennisvalorisatie (contractonderwijs zonder toegevoegde waarde voor de instelling zelf) of aan het werven van ongeschikte studenten die eigenlijk met behulp van diagnostische entreetoetsen aan de poort hadden moeten worden heengezonden. Ook kan men denken aan de kostbare voorzieningen die aan topsporters en student-ondernemers geboden worden. In zakelijk en PR-opzicht zijn dat interessante doelgroepen, maar in het licht van de  onderwijsmissie van uni­versiteiten en hogescholen vallen dergelijke faciliteiten nauwelijks te rechtvaardigen (en al helemaal niet als men de overige deeltijdstudenten in de kou laat staan). En hoe zit het met die aanstaande ingenieurs die op kosten van de universiteit race-auto’s op zonnekracht ontwikkelen en in verre landen uittesten? De vraag is of het geld en de tijd die in dergelijke PR-activiteiten worden gestoken, in het licht van haar onderwijs- en onderzoeksmissie verdedigbaar zijn.

Bijles onder de loep

Wes Holleman | 12-11-2011 | 1 Reactie » | permalink

Vorig jaar kwam een highschool in het nieuws die voor een bepaalde cursus een integriteitscode had opgesteld: leerlingen mochten zich niet laten helpen door familie, bijlesleraren of medeleerlingen. Ze moesten de cursus dus solo, geheel op eigen kracht doorlopen. Op die manier wilde men alle leerlingen gelijke kansen bieden om hoge cijfers te halen. In een addendum op een recent blogbericht koos ik diezelfde invals­hoek: handelen universitaire opleiders on-ethisch als ze kapitaalkrachtige studenten tegen betaling bijles aanbieden om hun slaagkansen voor het tentamen te verhogen? Deze week publiceerde het Leids universitair weekblad Mare (35:9) een nieuwe casus. De rechtenfaculteit windt zich op over een repetitor die zijn klanten ondersteunt bij het maken van thuisopdrachten en die op zijn website reclame maakt voor de doel­matige wijze waarop hij de tentamenstof weet te ordenen en over te dragen. De Leidse juristen hebben er geen bezwaar tegen dat hun commerciële tegenspeler geld voor zijn diensten vraagt, maar wel dat zijn klant overmatig wordt geholpen, wat hun soms zelfs naar fraude riekt. En op het forum Goeie Vraag (10/11/2011) was er een moeder, ongetwij­feld ambitieus en hoogopgeleid, die haar lagereschoolkind intensief coacht bij het maken van huiswerk. Haar zus vindt dat ze dat niet kan maken: het kind haalt op die manier ‘onverdiend’ hoge cijfers.
Dat zijn dus welgeteld al vier bijles-casussen waaraan onderwijsprofessionals hun brein kunnen scherpen, zowel in didactisch als in ethisch perspectief. En dan heb ik het nog niet eens over die advertentie in Erasmus Magazine waarin een commercieel instituut aanbiedt scripties op fouten te corrigeren.

Herijking bekwaamheidseisen leraren

Wes Holleman | 11-11-2011 | permalink

Vlaamse studenten die leraar willen worden in het secundair onderwijs, worden didactisch geschoold in de Specifieke LerarenOpleiding (SLO). Eén van de modules is Leraar en Verantwoordelijkheden (LEV). Dat gaat over onderwijsrecht (de rechts­positie van leraren en leerlingen) en over de juridische en morele plichten van leraren (professionele deontologie). Soms wordt ook geoefend in het aanpakken van beroeps­ethische dilemma’s (ethische competentie). Deze module leidt tot één van de wettelijk vereiste basiscompetenties op: de leerkracht kan zich documenteren over de eigen rechtspositie en die van de leerlingen (7.4).
In Nederland zijn er eveneens wettelijke bekwaamheidseisen waaraan leraren moeten voldoen en waar dus aan gewerkt moet worden in de lerarenopleiding. De Onderwijs­coöperatie (de voormalige SBL) wil die competentielijst herijken en roept leraren op daaraan hun bijdrage te leveren. In haar Discussienota (30/9/2011, blz. 8) wordt echter als uitgangspunt gesteld dat deontologische en ethische aspecten van het leraarsberoep niet tot de wettelijke basiscompetenties kunnen worden gerekend: ‘In bekwaamheid zijn vakkennis en vakkunde nauw verweven met de persoonlijkheid van de leraar en zijn beroepshouding. Toch blijft de beroepshouding in de bekwaam­heidseisen grotendeels buiten beeld. Beroepshouding is een kwestie van intenties en betrokkenheid, van moraal en beroepsethiek. Bekwaamheidseisen krijgen kracht van wet. Eisen ten aanzien van het weten en kunnen, zijn voor te schrijven. Moraal en ethiek echter niet, dat is geen zaak van de overheid. Die moet de beroepsgroep zelf, van binnenuit, waarborgen en regelen.’
Lees verder … (PDF)

Jongeren berechten jongeren

Wes Holleman | 08-11-2011 | 1 Reactie » | permalink

Ahmed Marcouch (PvdA) wil jeugdrechtbanken invoeren (Spitsnieuws 4/11/2011). Samen met CDA en GL heeft hij daartoe in de Tweede Kamer een motie ingediend. Wat hij bedoelt is niet een ‘juvenile court’, maar een ‘peer court’ (ook wel ‘teen court’ of wel youth court genoemd): jongeren die zich aan kleine vergrijpen schuldig hebben gemaakt, worden door jongeren berecht. Volgens de indieners is dit soort rechtspleging in de V.S. zeer effectief gebleken. De recidive van aldus berechte ‘first offenders’ is namelijk lager dan die van jeugdige wetsovertreders wier zaak door de politierechter (c.q. door functionarissen van het bureau HALT) is afgedaan. Er wordt overigens niet toegelicht of de wetsovertredingen in de vergelijkingsgroep even zwaar waren, noch of recidivisten in die groep buiten beschouwing zijn gelaten.
Op verzoek van staatssecretaris Teeven is de motie aangehouden, onder de toezeg­ging dat hij de haalbaar- en wenselijk­heid serieus zal onderzoeken en dat hij binnen drie maanden met een reactie zal komen. Inmiddels hebben de HALT-bureaus en de Raad voor de Rechtspraak al laten weten dat ze de voorgestelde denkrichting interessant vinden (Nu.nl 6/11/2011).
Lees verder … (PDF)

De macht van de managers

Wes Holleman | 07-11-2011 | 4 Reacties » | permalink

Waarom krijgen directeuren en afdelingsleiders een hoog salaris? Is het omdat ze meer verantwoordelijkheden dragen dan hun medewerkers? Ja, maar óók omdat ze meer bevoegdheden hebben. Ze hebben gelegenheid hun macht te mis­bruiken, tot eigen gewin en tot gewin van hun vrienden. Om hun persoonlijke winzucht te kanaliseren, krijgen ze een hoog salaris. Daardoor komen ze minder in de verleiding zichzelf en hun vrienden op onoorbare wijze te verrijken of bevoordelen. Het hogere inkomen is een bonus op integer handelen.
Wat is integer handelen? Een directeur handelt integer als hij (zij) het bedrijfsbelang boven het eigen belang stelt. Voor afdelingsleiders valt integriteit iets moeilijker te definiëren. Zij moeten het afdelingsbelang boven hun persoonlijke belangen stellen. Maar waar de kleine afdelingsbelangen met de grotere bedrijfsbelangen botsen, staan ze voor een rolconflict. Volgens de integriteitscodes die in het bedrijfsleven gangbaar zijn, moeten ze in dat geval de grotere bedrijfs­belangen voorop stellen. Om hen daarvoor te belonen, wordt hun zo nodig een gouden handdruk (vertrekpremie) in het vooruitzicht gesteld.
Wat is het bedrijfsbelang? In het bedrijfsleven is dat duidelijk. Het bedrijfsbelang is het belang van de aandeelhouders, op langere maar misschien ook op de korte termijn. In nonprofit-organisaties ligt dat wat anders. Daar is de groei en bloei van de organisatie een important criterium, maar soms is men al blij als men het blote voort­bestaan van de instelling weet te waarborgen, al dan niet door het aangaan van fusies.
Is integer handelen consciëntieus? Nee, het geweten heeft er niets mee te maken. Directeuren en afdelingsleiders krijgen een hoog salaris om hen ertoe te bewegen hun persoonlijke geweten uit te schakelen, voor zover het bedrijfs- c.q. afdelingsbelang dat eist. Maar voor professionele organisaties doemt hier een probleem op.
Lees verder … (PDF)

Bijles voor eigen parochie

Wes Holleman | 04-11-2011 | 6 Reacties » | permalink

In mijn vorige blogbericht kwam StudyBoost ter sprake: het contractonderwijs dat de Rotterdamse opleiding Economie & Bedrijfseconomie (E&B) aan haar eigen eerste­jaarsstudenten aanbiedt. Ik weet niet precies wat ik daarvan denken moet. Studenten betalen 275 euro per vak voor acht bijlessen in groepen van minimaal acht personen. De organisatie is ondergebracht bij EURAC BV (alias ESAA BV). Dat is een werk­maatschappij van EUR Holding BV, die het contract­onderwijs en -onderzoek van de Erasmusuniversiteit beheert. Wat drie struikelvakken betreft, is contractueel vastgelegd dat studenten die voor het tentamen slagen, het bijlesgeld gerestitueerd krijgen (ten laste van het E&B-opleidingsbudget).
In de onderwijsethiek geldt als stelregel dat docenten geen betaalde bijlessen mogen geven aan leerlingen uit hun klas (Holleman 2006, p.16). In dat geval kan namelijk belangenverstrengeling optreden: door hun taken in de klas te laten versloffen, kunnen ze hun bijlesklandizie (en dus hun eigen inkomsten) vergroten. Voor scholen of faculteiten kan een soortgelijk mechanisme optreden. Door hun zwakke leer­lingen/studenten contractonderwijs aan te bieden, kunnen zij de onderwijskosten drukken die ten laste van hun eerstegeldstroombudget komen. Het is zelfs denkbaar dat de faculteit in de joint venture met EURAC winst maakt indien zij personeelsleden voor het verzorgen van de StudyBoost-lessen bij EURAC detacheert of dat haar personeelsleden persoonlijke neveninkomsten trekken uit deze bijlesarbeid.
Enerzijds is het dus niet uitgesloten dat kansloze eerstejaars als melkkoe gebruikt worden. Maar anderzijds kan het zijn dat de faculteit geheel te goeder trouw handelt. De hele eerste geldstroom, voorzover voor het onderwijs bestemd, wordt besteed om goed onderwijs te geven. Maar dat geld is niet toereikend om zwakke studenten intensief te ondersteunen. Zij heeft deze constructie bedacht om hen toch in groten getale door de propedeuse heen te slepen. Maar dan zou zij in elk geval maatregelen moeten treffen om de schijn van belangenverstrengeling weg te nemen.

Draconische BSA-praktijken

Wes Holleman | 03-11-2011 | 1 Reactie » | permalink

Bij de opleiding Economie & Bedrijfseconomie (EUR) maakt men zich zorgen over de instroom van ongeschikte studenten die door een andere opleiding met een bindend studieadvies (BSA) heengezonden zijn. Via intakegesprekken tracht men hen tot een gefundeerde studiekeuze te brengen (Onderzoek van Onderwijs, juni 2011). Een probleem is echter dat deze risicostudenten zich vaak pas eind augustus of begin september aanmelden en dat is niet verwonderlijk, want sommigen krijgen pas in de tweede helft van augustus definitief uitsluitsel of ze hun eerstgekozen studie mogen voortzetten. Opleidingen zouden eigenlijk een zodanig BSA-criterium moeten kiezen dat het al vóór de zomervakantie duidelijk is of studenten hun opleiding mogen vervolgen. Op die manier krijgen ze na een negatieve BSA-beschikking voldoende tijd om hun studiekeuze te herzien en zich op hun nieuwe studie voor te bereiden. Een andere oplossing die men zou kunnen overwegen, is dat men de propedeuse als brugjaar inricht, waarna studenten kunnen doorstromen naar een opleiding waarvoor ze geschikt zijn gebleken. Maar afgezien daarvan mag de Rotterdamse economie­opleiding nog wel eens goed naar de studeerbaarheid van haar propedeuse kijken. Zij maakt zich zorgen over de ongeschiktheid van aankomende studenten, terwijl er méér reden is de geschiktheid van haar propedeuseprogramma in twijfel te trekken.
Lees verder … (PDF)

Leraar in vrijetijdskleding

Wes Holleman | 01-11-2011 | 2 Reacties » | permalink

Alweer zo’n Goeie Vraag (30/10/2011): is het acceptabel dat leraren vrijetijdskleding dragen op school? Laten we proberen een soort argumentenkaart op te stellen.
a) Ja, om een goede relatie met onze leerlingen op te bouwen, moeten we ons in onze kleding niet te zeer van hen distantiëren.
b) Ja, met vrijetijdskleding is niets mis, zolang de leraar er verzorgd uitziet (fris gewassen en gekapt, geen slonzige kledij).
c) Ja, het leraarschap is een veeleisend beroep en we moeten dan ook gemakkelijk zittende kleding (en dito schoeisel) aantrekken om onze taken zo goed mogelijk te kunnen vervullen.
d) Ja, van parttimers, stagiairs en personeelsleden in de lagere salarisschalen kan men moeilijk verlangen dat ze uit eigen beurs representatieve beroepskleding aanschaffen.
e) Hangt ervan af: uit hoofde van onze voorbeeldfunctie moeten we in elk geval de kledingvoorschriften naleven die bij ons op school voor de leerlingen gelden.
f) Tevens hangt het van de fysieke arbeidsomstandigheden af: bijvoorbeeld als het binnenklimaat in het schoolgebouw abominabel is, menen we onze kleding daaraan te mogen aanpassen.
g) Nee, om onze gezagsrelatie jegens leerlingen te handhaven, moeten we ons correct kleden.
h) Nee, we fungeren als rolmodel voor onze opgroeiende leerlingen en we moeten dus laten zien aan welke kleding­normen volwassen beroepsbeoefenaars (c.q. mensen van onze gezindte) hebben te voldoen.
i) Nee, indien wij als leraren de maatschappelijke status van professional (c.q. beroepsbeoefenaar met een Publieke Taak) opeisen, is representatieve kleding een eerste vereiste. En in onze contacten met ouders geldt dat eens te meer.
j) Laten we ’t algemener stellen: niet alleen in ons beroepsmatig handelen, maar ook in ons uiterlijk moeten leraren zich dienstbaar stellen aan het onderwijsleerproces; alle uiterlijkheden die een taakgericht les- en leerklimaat kunnen ver­storen, zijn uit den boze.