Plagiaat in commissie

Wes Holleman | 24-11-2013 | 1 Reactie » | permalink

Sommige paperopdrachten worden groepsgewijs gemaakt. Hoe moet de examencommissie handelen als een groepspaper bij een digitale plagiaat-scan door de mand valt? Kunnen de groepsleden collectief aansprakelijk worden gesteld voor het feit dat één van hen zich aan plagiaat schuldig heeft gemaakt, terwijl de anderen van niets wisten? Deze vraag werd opgeworpen in een oude discussiedraad (30/5/2011) die onlangs op het Fok-forum heropend werd. Het is onbevredigend dat iemand voor plagiaatsfraude gestraft zou worden als hem of haar niets te verwijten valt. In de Regels en Richtlijnen (artikel 19) van een facultaire examencommissie trof ik de volgende bepaling aan: ‘Indien bij groepswerk plagiaat wordt geconstateerd, wordt het plagiaat aan ieder van de groepsleden in gelijke mate toegerekend. Op het groepslid berust de bewijslast van het tegendeel.’ Maar hoe komen gedupeerde studenten te weten wat als bewijs van onschuld aanvaard wordt? In de bijlage worden drie casussen samengevat die in de Fok-discussie aan de orde werden gesteld.
Lees ook de bijlage (PDF)

Free speech on campus (II)

Wes Holleman | 20-11-2013 | 2 Reacties » | permalink

De locatie Chatanooga van de openbare University of Tennessee heeft in de open lucht een Speakers Corner, waar studenten, docenten en buitenstaanders, mits regulier aangemeld, hun zegje mogen doen, al dan niet met behulp van een geluids­versterker. Om de spreker te beschermen is in een straal van circa tien meter met sierbestrating en plastic kegels het gebied gemarkeerd dat de toehoorders niet mogen betreden. De orde wordt bewaakt door universitaire veiligheids­medewerkers. De afgelopen weken nam de hagepreker Angela Cummings het woord, tot misschien wel 75 decibel versterkt, om de zondige goegemeente met hel en verdoemenis te bedreigen. Op 15 november kwam student Cole Montalvo langsgefietst en hij kreeg genoeg van dat orthodox-christelijke geluidsgeweld. Om zich verstaanbaar te maken fietste hij tot over de rand van de cirkel, viel de evangelist in de rede en riep haar toe: misschien moet u eens ophouden iedereen zondaars te noemen en iedereen te beschreeuwen. Binnen de kortste keren stonden er een paar veiligheidsmedewerkers om hem heen. En omdat hij niet terstond gevolg had gegeven aan hun sommatie zich buiten de cirkel te begeven, werd hij tegen de grond gewerkt en geboeid afgevoerd. Het incident werd door een medestander van Cummings gefilmd en op haar YouTube-sectie geplaatst.
Het incident roept de volgende vragen op. (a) De universiteit kan studenten niet dwingen aan extracurriculaire bijeenkomsten deel te nemen. In hoeverre moet de universiteit in dat verband voorkomen dat diegenen die aan de spreker geen boodschap hebben, ongewild aan zijn of haar geluidsgeweld worden blootgesteld: is het niet beter de sprekerslijst wekelijks te publiceren en sprekers te verbieden méér geluidsversterking te gebruiken dan nodig is om zich verstaanbaar te maken tegenover het publiek (if any) dat zich rond de cirkel heeft opgesteld? (b) De openbare universiteit moet ervoor zorgen dat sprekers hun recht op vrije meningsuiting kunnen uitoefenen, maar in hoeverre moet zij als bestuurder van de learning community tevens waarborgen dat toehoorders (zoals Cole Montalvo) gelegenheid krijgen met gelijke wapens (75 decibel) met de spreker in discussie te gaan?
Bron: Huffington Post (17/11/2013), het YouTubefilmpje (15/11/2013)

Zessen en tienen

Wes Holleman | 19-11-2013 | 2 Reacties » | permalink

Waarom krijgen studenten bij ons nooit een tien voor hun tentamen, scriptie of eindwerkstuk? Dat vraagt een docent van de Hogeschool Rotterdam zich af (Profielen 1/10/2013). Hij wijst op de vijfpunts ‘grading scale’ (A t/m E) die de Europese universiteiten en hogescholen in de periode 2003-2008 hanteerden om de prestaties van uitwisselingsstudenten internationaal vergelijkbaar te maken (tabel 1). Gepostuleerd werd dat de beste 10% van de geslaagde tentamendeelnemers een uitmuntende prestatie leveren en dus een A verdienen, 25% een B, 30% een C, 25% een D en 10% een kale E. Welnu, zegt docent Bart Siebelink, we moeten dan ook niet schromen om studenten met het schoolcijfer negen of tien te verblijden. Zodoende worden ze beloond voor hun bovenmatige prestatie en worden ze nadrukkelijker aangemoedigd hun uiterst best te blijven doen.
In Profielen (15/11/2013) werd nog een ander cijferprobleem aan de orde gesteld: hoe kun je een GPA (grade point average) berekenen als sommige vakken niet met een schoolcijfer maar met een Pass gehonoreerd plegen te worden? Een oudere­jaarsstudent wilde na zijn hbo-diploma naar de universiteit doorstromen, maar voldeed niet aan de toelatingseis (een GPA van minimaal 7,1) ten gevolge van het feit dat een Pass (evenals een Vrijstelling) door de computer als een schoolcijfer zes wordt verwerkt. Uiteindelijk is daar een mouw aangepast: de desbetreffende universiteit ging ermee akkoord dat de Pass-beoor­delingen bij het berekenen van het GPA buiten beschouwing werden gelaten. Maar de HR heeft daar lering uit getrokken: de faculteiten wordt aanbevolen voortaan zo veel mogelijk met schoolcijfers in plaats van met Pass/Fail-beoordelingen te werken. Dat is tevens van belang als men wil berekenen of een student voor een Cum Laude in aanmerking komt.
Lees verder … (PDF)

Dubbel collegegeld voor honours tracks

Wes Holleman | 18-11-2013 | 1 Reactie » | permalink

Het kabinet Rutte-2 heeft bij het parlement een ontwerpbesluit (15/11/2013) ter visie gelegd dat universiteiten en hogescholen bij wijze van experiment de mogelijkheid geeft een hoger collegegeld (tot maximaal het dubbele collegegeld) in rekening te brengen voor de deelname aan een honours track. Zo’n honoursprogramma is een verzwaarde variant van een bestaande opleiding, waarmee excellente studenten in staat worden gesteld een rijker eindrepertoire te verwerven dan de deelnemers van de reguliere opleiding. Dus eigenlijk vergelijkbaar met een gymnasium, technasium, leonardotraject of tweetalige opleiding als verzwaarde variant van de reguliere vwo-opleiding. Maar het verschil is dat leerlingen in het voortgezet onderwijs geen lesgeld verschuldigd zijn en dat scholen dus slechts een vrijwillige ouderbijdrage kunnen heffen.
Het kabinet acht het van groot belang voor de Nederlandse kenniseconomie dat iedere jongere zijn of haar talenten optimaal kan ontwikkelen. Maar men is niet bereid de onderwijsinstellingen extra financiële middelen te verschaffen om hoog­getalenteerden aan hun trekken te doen komen. Daarom ziet het kabinet als enige oplossing dat de betrokken studenten zelf in de beurs tasten om deze aanvullende, passende onderwijsfaciliteiten te financieren. Van de instellingen wordt wel verwacht dat ze korting geven aan studenten die het verhoogde collegegeld niet kunnen opbrengen.
Na lezing van het ontwerpbesluit blijf ik nog wel met een aantal vragen zitten, die ik hieronder op een rijtje zal zetten.
Lees verder … (PDF)

Jonge mantelzorgers

Wes Holleman | 17-11-2013 | 5 Reacties » | permalink

Tien november was de Dag van de Mantelzorg. In het Algemeen Dagblad (9/11/2013, p.10) werd de dag ingeluid met een pagina over jonge mantelzorgers. Dat zijn jongeren die zonder substantiële betaling zorgtaken vervullen jegens leden van hun ouderlijk gezin (ouders, broers, zusters, inwonende familieleden) of jegens anderen die tot het sociale netwerk van hun ouders behoren. Ik wil proberen te omschrijven wanneer men van mantelzorg door jongeren kan spreken.
Kenmerkend is het verplichte karakter van de zorgtaken: het zijn nu eenmaal huisgenoten (c.q. netwerkgenoten) jegens wie je familiale (c.q. sociale) verplichtingen ervaart. Eventueel wordt de vervulling van die zorgtaken zelfs afgedwongen door de ouders en opvoeders, die immers in een gezagsrelatie tot de jonge mantelzorger staan. In dat opzicht is deze mantelzorg verwant aan normale huishoudelijke corveediensten (bv. stofzuigen, boodschappen doen) die van jongeren worden verlangd om het ouderlijk gezin draaiende te houden, de arbeidsinzet die sommige jongeren geacht worden te leveren aan het functioneren van het ouderlijke bedrijf, of de arbeidsverplichtingen die zij jegens derden moeten aangaan om hun eigen zak-, kleed- en vakantiegeld te verdienen.
Maar van mantelzorg wordt pas gesproken als de begunstigde een zorgtekort heeft. De begunstigde (bijvoorbeeld een vader of moeder) is niet voldoende in staat voor zichzelf te zorgen en de eigen taken te vervullen. De mantelzorger levert vervangende zorg om dat tekort op te vullen. Van mantelzorg is tevens sprake bij leniging van een zorgtekort dat bij de begunstigde (bijvoorbeeld een broertje of zusje) ontstaan is doordat hij of zij niet de zorg (bijvoorbeeld van ouders) krijgt die binnen familiale of sociale verhoudingen verwacht had mogen worden.
Mantelzorg kan zowel fysieke arbeid als psychosociale ondersteuning omvatten. Gewoonlijk spreekt men pas van mantelzorg als de zorgrelatie van langere duur is en als deze voor de zorgverlener een relatief grote tijdsbelasting of psychische belasting met zich meebrengt. Het gaat dus om méér dan de hand- en spandiensten, zorg en belangstelling die de leden van een normaal gezin of netwerk jegens elkaar behoren op te brengen. In onderstaande tabel zal ik een aantal voorbeelden geven van mantelzorg door jongeren. Vervolgens zal ik verduidelijken waarom dat thema relevant is voor de onderwijsethiek.
Lees verder … (PDF)

Tweetalig onderwijs in Vlaanderen

Wes Holleman | 10-11-2013 | 1 Reactie » | permalink

Met ingang van volgend schooljaar mag maximaal 20% van de lessen in het voortgezet onderwijs in een andere taal dan het Nederlands worden gegeven. Dat heeft de Vlaamse regering onlangs besloten (Klasse 8/11/2013). Daarbij worden echter twee voorwaarden gesteld: de betrokken docenten moeten die taal op C1-niveau beheersen en de onder­dompelingslessen worden óók in het Nederlands gegeven. Dus als de aardrijks­kunde­lessen in het Engels worden aangeboden, is de school verplicht diezelfde lessen daarnaast in het Nederlands aan te bieden. Een leerling mag de Engelstalige lessen slechts volgen indien zowel de docentenvergadering als de ouders daarmee instemmen.
Eerder had de Vlaamse regering een soortgelijk uitgangspunt voor het basisonderwijs geformuleerd: basisscholen mogen op termijn vervroegd vreemdetalenonderwijs aanbieden, maar uitsluitend aan leerlingen die geen taalachterstand in het Standaard­nederlands hebben (Talennota 2011, p.20). Het valt te hopen dat de Nederlandse wetgever diezelfde voorwaarde stelt bij de invoering van Engelstalig onderdompelings­onderwijs op basisscholen. En om kleurrijke scholen te behouden, dient daaraan als voorwaarde te worden toegevoegd dat ze Nederlandstalig onderdompelingsonderwijs moeten blijven aanbieden voor leerlingen die dat naar het oordeel van de groepsleerkracht of de ouders nodig hebben.

Leerlingen geweigerd: zusje is crimineel

Wes Holleman | 09-11-2013 | 1 Reactie » | permalink

Na de eindexamenfraude op Ibn Ghaldoun (IG) heeft OCW per 1 november de bekostiging van deze Rotterdamse school stopgezet. Gelukkig kwamen de leerlingen niet in de kou te staan: een christelijk schoolbestuur was bereid de islamitische school tot volgend schooljaar op de zelfde locaties voort te zetten. De doorstart, na de herfstvakantie, liet echter op zich wachten en daarom krijgen de leerlingen tot de kerstvakantie een 32-urige schoolweek om deze achterstand in te lopen.
Drie IG-leerlingen werd echter de toegang ontzegd: één omdat ze verdachte is in de examenfraude en twee omdat ze broer of zus van de verdachte zijn. Volgens het christelijke schoolbestuur vormen zij een bedreiging van de veiligheid op school. Hun aanwezigheid zou namelijk tot onrust en pesterijen kunnen leiden. Bovendien wenste het bestuur een onbesproken reputatie te vestigen: zij wil voortaan op geen enkele wijze met de examenfraude in verband kunnen worden gebracht. Maar de ouders van het drietal stapten naar de rechter en deze heeft het schoolbestuur teruggefloten. De verdachte leerling mag worden geweigerd, maar haar familieleden moeten worden toegelaten.
Ook zeven andere IG-leerlingen werden geweigerd. Hun islamitische ouders hadden zich tot op het laatst actief verzet tegen de opheffing van Ibn Ghaldoun en ze weigerden een contract te tekenen waarmee ze de grondslag van de doorgestarte school moesten onderschrijven en tevens moesten beloven de pers niet meer te woord te staan. De ouders van twee leerlingen stapten naar de rechter, die hen in het gelijk stelde. Hun eerdere activisme ten gunste van Ibn Ghaldoun wijst niet noodzakelijkerwijs op verzet tegen de grondslag van de nieuwe school en ze mogen niet worden beknot in hun vrijheid van meningsuiting.
Bron: AD (6/11/2013), Telegraaf (6/11/2013, 8/11/2013)

Online surveillance

Wes Holleman | 06-11-2013 | permalink

Behoort het tot de zorgplicht van een onderwijsinstelling om de online gedragingen en uitlatingen van haar leerlingen of studenten te monitoren, voor zover ze daarbij gebruik maken van haar ICT-voorzieningen? En mag haar surveillance zich ook tot hun off-campus gedrag op de sociale media uitstrekken? Dat is de vraag die de New York Times (28/10/2013) aan de orde stelt. Zolang men zich ten doel stelt wapengebruik en gewelddadige aanslagen te verijdelen, zullen burgers daar vrede mee hebben, ook al vormt dergelijke online surveillance een inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer. Maar de volgende stap is dat men langs die weg ook daders en slachtoffers van cyberpesterij, kindermisbruik of suïcidaal gedrag op het spoor wil komen (Wilfred Rubens 3/11/2013). En voordat je het weet, ziet men er geen been in, alle online uitlatingen van leerlingen, zowel on-campus als off-campus, te monitoren en te bestraffen zodra die in strijd met de schoolregels zijn. Dat staat niet alleen op gespannen voet met het recht op privacy, maar bestraffing botst ook alras met de vrijheid van meningsuiting die in de Amerikaanse grondwet verankerd is.
Het artikel in de NYTimes gaat uitsluitend over surveillance van online gedragingen en uitlatingen. Maar in de internationale editie van The Guardian (22/10/2013) wordt dat door een actievoerder van FIRE in een bredere context geplaatst. Hij wijst erop dat steeds meer Amerikaanse onderwijsinstellingen hun toezicht op de gedragingen en uitlatingen van hun studenten en personeelsleden verscherpen. Niet alleen wordt hun emailverkeer en onlinegedrag gemonitord, maar ook worden ze lijfelijk gevolgd met closed-circuit camera’s en traceerbare identiteitskaarten. Ook de doelen van de surveillance worden steeds meer opgerekt. Men beperkt zich allang niet meer tot basale beveiliging van lijf en goed. Men is bijvoorbeeld ook gespitst op uitlatingen en gedragingen die de reputatie van de onderwijsinstelling of van haar docenten kunnen schaden. Verder wijst de auteur op wettelijke ontwikkelingen die ertoe kunnen leiden dat zelfs de lichtste vormen van ‘harassment’ (belaging van docenten, seksuele intimidatie van vrouwen, etc.) via politionele surveillance worden aangepakt.
Wat moeten we aan, met dit soort Big Brother berichten? Ik denk dat medezeggen­schaps­organen van hun onderwijsinstelling moeten eisen dat zij in haar leerlingen- of studentenstatuut open kaart speelt over de surveillanceprocedures die door of namens haar worden ingezet, waarbij ook de doelen en grenzen worden vermeld die zij in dat verband in acht neemt.

Docenten die mijn mails niet beantwoorden

Wes Holleman | 03-11-2013 | 1 Reactie » | permalink

Gregor volgt een hbo-opleiding. Hij klaagt over het feit dat docenten zijn mails niet beantwoorden (Fok 1/11/2013). Hij werkt hard om zijn tentamens te halen en loopt tegen iets aan wat hij niet snapt. Per mail vraagt hij om uitleg. Op college hebben docenten gezegd dat ze per mail bereikbaar zijn. Maar ze laten niets van zich horen, zelfs niet binnen het tijdsbestek van een hele week. Kan dat zomaar?
Op het discussieforum van Fok wordt van gedachten gewisseld over wat je in redelijkheid van docenten mag verwachten. Het kan zijn dat ze door ontelbare mails overstelpt worden, je moet je een beetje in hun werksituatie verplaatsen. Misschien is het handig eerst nog eens de schriftelijke studiematerialen te raadplegen of anders medestudenten te hulp te roepen om je pro­bleem op te lossen. Of had je hem (haar) niet beter na college even aan kunnen schieten? Of is er niet een soort spreekuur? Gregor weet van geen spreekuren, en afgezien daarvan stelt hij retorisch: is internet niet veel doelmatiger dan een wachtkamer vol studenten die van heinde en verre zijn toegestroomd om hun vragen aan de spreekuurdocent voor te leggen?
De kwestie waar het om gaat, betreft het begeleidingscontract dat met studenten gesloten is. In de eerste plaats vraagt Gregor naar de sterkte van het contract: in hoeverre behoren docenten zich te committeren aan een goed verloop van het leerproces van hun studenten? In een zwak contract wordt slechts een beperkt dienstenpakket beloofd, bijvoorbeeld alleen een reeks hoorcolleges en eventueel bijbehorende opdrachten. Een sterk contract stoelt daarentegen op het uitgangspunt dat de docent zijn (haar) uiterste best zal doen om alle deelnemers naar de eindstreep te brengen. Maar bij Gregor lijkt ook de articulatie van het contract in het geding te zijn: heeft de docent voldoende duidelijk gemaakt welke diensten geleverd worden en welke voorwaarden daaraan verbonden zijn? En in de derde plaats stelt Gregor een elementaire fatsoensnorm aan de orde: mogen studenten niet verlangen dat docenten hun mails openen en binnen een week iets van zich laten horen, al was het maar om (gezien de grenzen van het begeleidingscontract) te melden niet bij machte te zijn de gestelde vraag te beantwoorden?
Lees verder … (PDF)

Maximaal 28 leerlingen per klas

Wes Holleman | 01-11-2013 | 7 Reacties » | permalink

Kent ons onderwijs klassen met meer dan 28 leerlingen? Door de bank genomen overschrijden middelgrote basisscholen (100 tot 200 leerlingen) in tien à elf procent van hun klassen deze norm. En op grotere basisscholen (meer dan 200 leerlingen) geldt dat zelfs voor veertien à vijftien procent van de klassen. Deze cijfers zijn door OCW verstrekt in antwoord op recente kamer­vragen (29/10/2013, 15/11/2012). Hierbij blijft buiten beschouwing hoeveel fte’s (van groepsleerkrachten, vakleerkrachten, stagiairs, assistenten, intern begeleiders, remedial teachers en onbetaalde vrijwilligers) in de desbetreffende klassegroepen worden ingezet. Maar in elk geval lopen Nederlandse basisscholieren dus een flink risico met meer dan 28 leerlingen in één bedompte, rommelige en lawaaiige ruimte te worden opgehokt. Uit een recent vragenlijstonderzoek van de Algemene Onderwijsbond komt naar voren dat ook het voortgezet onderwijs veel klassen met meer dan 28 leerlingen kent (hoewel de AOb daarover helaas geen cijfers rapporteert).
Voor de vakbond Leraren in Actie is dat aanleiding om een burgerinitiatief te starten teneinde 40.000 handtekeningen te verzamelen. Dat aantal is de staatsrechtelijke drempel om de Tweede Kamer te dwingen zich uit te spreken over de vraag of er een wettelijke maximumgrens gesteld moet worden aan de groepsgrootte. Uiteraard kan bij een dergelijke normering ook de ontbindende voorwaarde ‘Pas toe of leg uit’ worden aangelegd, die de Onderwijsinspectie in haar toezichtskader hanteert.
In eerdere blogberichten (9/1/2010, 15/12/2009) heb ik de discussie over de groepsgrootte gekenschetst als het conflict tussen rationalisering en humanisering van de leeromgeving. De Onderwijsraad (2009) zat op de lijn van de rationalisering, waarbij een groepsgrootte van 50 à 75 leerlingen zeker doenlijk werd geacht. Studeerkamergeleerden verdedigen zelfs de extreme stelling dat verhoging of verlaging van de groepsgrootte nauwelijks invloed heeft op de effectiviteit van het onderwijs. Maar pragmatische onderwijs­professionals denken daar anders over. Zeker als je een heterogene klas met een stuk of wat zorgleerlingen hebt, is de norm van 28 leerlingen volgens hen het absolute maximum voor een veilig en opbrengstgericht leerklimaat.
Zie ook: Onderzoek Onderwijs (30/8/2012, 13/8/2013, 29/9/2013)