Behaalde studiepunten blijven staan (III)

Wes Holleman | 27-02-2017 | permalink

Zoals gemeld in vorige blogberichten (15/2/2016, 15/6/2016) heeft het Parlement besloten dat de geldigheidsduur van behaalde tentamens niet mag worden beperkt tenzij de getentamineerde kennis c.q. vaardigheden aantoonbaar achterhaald zijn. Maar OCW heeft toentertijd aan de Eerste Kamer beloofd het nieuwe wetsartikel nog niet in werking te doen treden omdat er een storende fout in de tekst was geslopen: anders dan bedoeld, was aan tentamens van studenten die door persoonlijke omstandigheden studie­vertraging hadden opgelopen, een ongelimiteerde geldigheidsduur toegekend. Op 13 december jongstleden heeft de minister een vervangend wetsartikel (7.10 lid 4 WHW) aan de Tweede Kamer voorgesteld:
‘Het instellingsbestuur kan de geldigheids­duur van met goed gevolg afgelegde tentamens beperken, behoudens de bevoegdheid van de examencommissie die geldigheidsduur in een individueel geval te verlengen. De geldigheids­duur van een met goed gevolg afgelegd tentamen kan uitsluitend worden beperkt, indien de getentamineerde kennis of het getentamineerde inzicht aantoonbaar verouderd is, of indien de getentamineerde vaardigheden aantoonbaar verouderd zijn. Het instellingsbestuur stelt nadere regels vast omtrent de uitvoering van dit lid en over de wijze waarop bij het beperken van de geldigheidsduur in redelijkheid rekening wordt gehouden met bijzondere omstandigheden in de zin van artikel 7.51, tweede lid. De geldigheidsduur van met goed gevolg afgelegde tentamens wordt in geval van bijzondere omstandigheden als bedoeld in artikel 7.51, tweede lid, ten minste verlengd met de duur van de op grond van artikel 7.51, eerste lid, toegekende financiële ondersteuning.’
Op 23 februari is deze herziene tekst door de Tweede Kamer aanvaard (DUB 24/2/2017), zodat deze nu (in het kader van wets­ontwerp 34355) ter goedkeuring aan de Eerste Kamer kan worden voorgelegd. Maar het is mij nog steeds volstrekt onduidelijk hoe de wetgever het in zijn hoofd heeft kunnen halen dat de uiterste houdbaarheids­datum van een product (een behaald tentamen) afhankelijk wordt gesteld van de privésituatie van de klant. Bij­voorbeeld: aan een vertraagde student-bestuurder wordt een langere houdbaarheids­termijn van behaalde tentamens toegekend dan aan een vertraagde deeltijdstudent. De student-bestuurder kan dus z’n diploma krijgen terwijl de eertijds getentamineerde kennis en vaardigheden inmiddels schromelijk achterhaald zijn, terwijl de deeltijd­student eerder behaalde tentamens opnieuw moet afleggen. Dat is, dunkt mij, in strijd met artikel 1 van de Grondwet.

Plagiaat op bestelling

Wes Holleman | 26-02-2017 | permalink

De Britse minister van hoger onderwijs wil een wetsvoorstel indienen om medepleging of medeplichtigheid bij het bedrijven van plagiaat strafrechtelijk te kunnen vervolgen (Guardian 21/2/2017). Het gaat om webwinkels (essay mills) waar studenten tegen betaling een paper of scriptie kunnen bestellen (contract cheating). Studenten bedrijven plagiaat als ze het aldus verkregen werkstuk bij de docent/examinator inleveren als zouden ze het zelf geschreven hebben. Indien ze door de mand vallen (maar die kans is klein), worden ze tuchtrechtelijk aangepakt door de universiteit c.q.hogeschool. Uiteraard speelt de leverancier de vermoorde onschuld: wij wisten niet dat onze klant iets kwaads in de zin had. Onlangs verscheen in de International Journal for Educational Integrity een juridisch artikel over de wetswijzigingen die nodig zijn om de kwalijke toeleveranciers voor de rechter te brengen.

Survival skills vs. Academic skills

Wes Holleman | 30-01-2017 | permalink

Het dagblad The Guardian heeft een rubriek die The Secret Teacher heet. Onlangs (28/1/2017) was daar een docent aan het woord die lesgeeft in de bovenbouw van havo/vwo. In het werkstuk van één van zijn leerlingen trof hij een ernstige vorm van plagiaat aan en hij vroeg zijn collega’s om raad: hoe gaan jullie daarmee om? Hun antwoord schokte hem vreselijk. Ze knijpen een oogje toe, want bestrijding van plagiaat is vechten tegen de bierkaai.
Op het eerste gezicht getuigt deze anekdote van een schoolcultuur waarin tekortschietend professioneel plichtsbesef en gebrek aan professionele integriteit hoogtij vieren. Dat is een schoolcultuur waarin alleen de examenresultaten tellen en waarin de vormings­doelstellingen niet meer serieus genomen worden. Vermoedelijk wordt ook bij groeps­gewijze werkvormen alleen naar de kwaliteit van de output gekeken en worden meeliftende klaplopers op de koop toe genomen. Of is er wat anders aan de hand?
Misschien ondervinden de collega’s, wat hun vormingsopdracht betreft, een ethisch dilemma. Moeten we onverkort vasthouden aan de oude, academische vormingsdoelen en daarmee afbreuk doen aan de survival skills die leer­lingen nodig hebben om succesvol te opereren in de harde maatschappij? Of moeten we leerlingen de ruimte geven om zich desgewenst te oefenen in de laatstbedoelde survival skills en een oogje toeknijpen als ze de oude, academische normen en waarden minder serieus nemen? In tabel A geef ik een tentatieve omschrijving van de normen en waarden waarop die survival skills geënt zijn.
Lees verder … (PDF)

Vingers in de klas

Wes Holleman | 25-01-2017 | 2 Reacties » | permalink

Wanneer steek je als leerling je vinger op? Vaak op eigen initiatief: omdat je iets wilt vragen. Maar vaak ook op initiatief van de leraar: wie weet het antwoord op mijn vraag? Pedro De Bruyckere wijst in zijn weblog (6/1/2017) op een recente onderzoeks­rapportage (Psychological Science 19/12/2016) waarin gewaarschuwd wordt tegen lespraktijken waardoor middle-class leerlingen telkens weer in de gelegenheid worden gesteld zichzelf in het zonnetje te zetten en de lower-class klasgenoten het nakijken te geven. Door hun grotere taalvaardigheid en hun groter zelfvertrouwen steken ze sneller hun vinger op ten bewijze dat ze het antwoord weten. Daar­door raken lower-class leerlingen ontmoedigd en dat druist tegen het gelijkekansenbeleid in. Hun leerproces verloopt beter als ze niet telkens het (al dan niet juiste) signaal krijgen dat ze het minder goed doen dan middle-class leerlingen.
Op zich zijn dit interessante sociologische bevindingen, maar ze belichten slechts een miniem deel van de dagelijkse onderwijs­praktijk. De Britse didacticus Dylan Wiliam bracht in 2010 een tweedelige BBC-documentaire met een veel bredere focus uit. Indien je opbrengstgericht wilt werken, moet je álle leerlingen bij de les betrekken. Daartoe moet je niet alleen sociaal-economische klasseverschillen, maar ook vele andere verschillen tussen leerlingen over­bruggen: verlegenheid vs. assertiviteit, mondelinge taal­vaardigheid, denk- en leertempo, vorderingenniveau, et cetera. Als je telkens de beurt geeft aan leerlingen die het eerst hun vinger opsteken, dan is het risico te groot dat vele andere leerlingen niet aan hun trekken komen en afhaken.
Zie ook: Onderwijslessen (7/10/2014), Trouw (13/1/2017), Volkskrant (24/1/2017)

Wat is academische vrijheid? (VI)

Wes Holleman | 08-01-2017 | 2 Reacties » | permalink

Ruim een jaar geleden (19/11/2015) schreef mr. Peter Kwikkers een juridische beschouwing over de academische vrijheid in het Nederlandse hoger onderwijs, waarbij hij een wetshistorische invalshoek koos. Dr. Wes Holleman, publicist op het grensvlak tussen onderwijsrecht en beroepsethiek van docenten, betoogt dat men méér invalshoeken in de beschouwing moet betrekken. Hij illustreert dat aan enige praktijkvoorbeelden.
Lees verder … (PDF)

Docent en activist (II)

Wes Holleman | 04-01-2017 | permalink

Is politicoloog George Ciccariello-Maher een linkse activist? Dat kan ik niet helemaal beoordelen, maar hij is in elk geval niet op zijn mondje gevallen. Hij is als docent en onderzoeker verbonden aan de Drexel University in Philadelphia, 150 kilometer ten zuidwesten van New York City. Hij is specialist op het gebied van sociale bewegingen in Latijns-Amerika, hij toont begrip voor de revolutionairen aldaar, en hij verdedigt de beginselen van een fatsoenlijke, multi­culturele samenleving. Met zijn ideeën staat hij dus lijnrecht tegenover de extreem-rechtse aanhangers van White Supremacy en Alt(ernative)-Right. Vorige maand liet hij weer eens van zich horen. Hij twitterde wat voor cadeautje hij onder de kerstboom wilde: geef mij maar White Genocide. Aldus dreef hij de spot met de extreem-rechtse slogan dat de blanken één front moeten vormen om te voorkomen dat ze worden uitgeroeid door sluipende immigratie en rasvermenging. Maar zijn tweet is wel een doordenkertje. Hij is een blanke voorvechter van de multiculturele samenleving, maar hier omarmt hij de karikatuur die zijn tegenstanders ervan maken. Door deze sarcastische omkering wekt hij dus per saldo de schijn niet-blanken te willen aanmoedigen om de blanken uit de weg te ruimen.
Het bestuur van de Drexel University voelde zich derhalve genoodzaakt zich per omgaande publiekelijk te distantiëren van deze, op het eerste gezicht haatzaaiende boodschap. Maar vervolgens moesten de bestuurders zich verdedigen tegen de aantijging dat ze inbreuk maakten op de vrijheid van meningsuiting en de academische vrijheid waaraan de leden van de academische gemeenschap het recht ontlenen ongestoord deel te nemen aan het academisch debat over wetenschappelijke en maatschappelijke kwesties. Amerikaanse universiteiten trachten soms tegen dergelijke aantijgingen in te brengen dat medewerkers en studenten weliswaar de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting genieten, maar dat deze uitings­vrijheid begrensd wordt door vormvoorschriften die voor het academisch debat gelden en dat docenten bovendien het goede voorbeeld moeten geven aan studenten. In de Amerikaanse verhoudingen begeven ze zich daarmee op glad ijs. Toch heb ik, kijkend vanuit de Nederlandse ver­houdingen, het gevoel dat Ciccariello-Maher met het publiceren van zijn twitterbericht onprofessioneel gehandeld heeft. Docenten moeten zich onthouden van racistische ‘hate speech’, ook al bezweren goede verstaanders dat de ondertitel Maar-Niet-Heus-Dikke-Neus luidt.
Bron: Philly.com (26/12/2016), Counterpunch (28/12/2016), Inside HigherEd (29/12/2016)