Ethische scriptiebegeleider voorkomt plagiaat

Wes Holleman | 03-11-2019 | 3 Reacties » | permalink

Ze had een éénjarige studiebeurs gekregen (inclusief het collegegeld van 2950 euro voor non-EEA students). Met ingang van 24 september 2018 volgde ze het éénjarige Engelstalige master­programma ‘Journalism and Media in Europe’ van de Vrije Universiteit Brussel. Dat is één van de varianten van de onderzoeksmaster Communicatiewetenschappen binnen de faculteit Sociale Weten­schappen. In dat kader liep ze bij de facultaire onderzoeksgroep Cemeso een vijf­maands onderzoeksstage, waarvan ze verslag deed in haar master thesis. Nadat ze deze master­scriptie had ingeleverd, kreeg ze op 16 augustus 2019 bericht dat ze op studiefraude betrapt was en dat aan de scriptie daarom het cijfer 0/20 was toegekend. Op basis van een Turnitin-scan was namelijk ge­constateerd dat ze in haar hoofdstuk ‘Literature Review’ plagiaat had gepleegd: bij haar verwijzingen naar primaire bronnen, had ze veelvuldig tekst en bronver­meldingen van ongenoemde secundaire bronnen gekopieerd (VUB OER art.118). Zij heeft het dus abusievelijk doen voorkomen dat deze teksten en verwijzingen uit haar eigen koker kwamen en ze heeft de secundaire auteurs dus ook niet de verschuldigde eer betoond.
Deze tuchtrechtelijke beschikking is bekrachtigd door het lokale beroepscollege en vervolgens door de Vlaamse Raad voor Betwistingen (14/10/2019 rolnr. 465). In het vonnis van de Raad is niet vermeld welke consequenties binnen de VUB gehecht worden aan het cijfer 0/20. Staat de nul voor ‘not submitted’ en mag ze de gereviseerde scriptie dus in de volgende examenperiode, na het eerstvolgende semester, alsnog indienen?
In haar verweer erkende de studente dat zij achteraf gezien inbreuk heeft gemaakt op de regels van integere wetenschappelijke verslaglegging, maar ze stelde dat ze uit onwetendheid heeft gehandeld en niet de bedoeling heeft gehad iemand te misleiden. Verder wijst zij erop dat ze, alvorens de eindversie van de scriptie officieel in te dienen, aan haar ‘masterpromotor’ (de scriptiebegeleider binnen Cemeso) feedback had gevraagd op de conceptversie en dat zijn feedback zeer positief was. Na al die lof van de scriptie­begeleider vindt ze het niet eerlijk dat de examencommissie haar vervolgens bij monde van de faculteitsdecaan een tuchtrechtelijke nul geeft voor haar scriptie. Zij stelt dat het tot de taak van een professionele scriptiebegeleider behoort de student te attenderen op eventuele door hem of haar gepleegde inbreuken op de regels van integere wetenschappelijke verslaglegging.
Lees verder … (PDF)

Tutoyeren in de klas

Wes Holleman | 22-10-2019 | 1 Reactie » | permalink

“Dag, ik ben Désirée, jullie nieuwe leraar Maatschappijleer. Zullen we maar ‘je en jij’ zeggen, tegen elkaar?” Sommige leerlingen moeten wel even slikken van dat getutoyeer. Vier op de vijf geënquêteerden spreken hun ouders met je en jij aan, aldus Hanny Vermaas, maar 82% van de middelbare scholieren anno 2002 zeiden in principe ‘u’ tegen hun leraar of lerares. Inmiddels zal dat percentage wel een stukje gezakt zijn, maar in het algemeen geldt nog steeds dat ouderen en gezagsdragers de aanspreekvorm ‘u’ mogen verlangen zolang ze niet uitdrukkelijk in een vrijere omgangsvorm hebben toegestemd. Overigens neigt onze egalitaire samenleving tegenwoordig wel tot het wederkerigheidsprincipe: iedere volwassene die door een Ander met ‘je en jij’ wordt aan­gesproken, verwerft daarmee het recht die Ander eveneens te tutoyeren.
Student Mark is weliswaar meerderjarig, maar hij volhardt in zijn gewoonte om ‘u’ tegen zijn docenten te zeggen (Scholierenforum 10/10/2019). Een paar forumgenoten steunen hem in die gewoonte: tegen je vrienden zeg je ‘je en jij’ maar niet tegen je leraar, je bent hem of haar nou eenmaal respect verschuldigd, of misschien is respect niet het juiste woord (want vriendschap omvat net zo goed wederzijds respect), het punt is eigenlijk dat je de leraar als je meerdere respecteert, dat je daarom formeler met hem of haar omgaat en dat je in dat verband striktere beleefdheidsregels in acht neemt. Mark heeft in zijn school- en studiecarrière echter één uitzondering gemaakt. Dat was tegenover iemand “die zich niet als een docent gedroeg. Hij maakte vaak grove grappen die ten koste gingen van de verlegen studenten in de klas. Zo maakte hij bij veel spanning al gauw (…) wat grappen over ‘die gekke Chinezen’ omdat er een geadopteerde Chinese jongen in onze klas zat. [Die klasgenoot vond dat heel onprettig], maar durfde [er] niets [van] te zeggen. Ook heeft hij een keer een studente uitgemaakt voor ‘dom wijf’ en kregen de jongens vaak dingen als ‘ezel’ en ‘varken’ naar hun hoofd als ze hem niet begrepen.” Dus wat Mark betreft, heeft deze docent, door zijn respectloze gedrag jegens z’n studenten, zijn recht op de formele aanspreekvorm verspeeld.
Lees verder … (PDF)

De Olifant in de Kamer

Wes Holleman | 16-10-2019 | 3 Reacties » | permalink

Wat bedoelt men met ‘the elephant in the room’? Daarmee verwijst men naar een levengroot probleem dat door alle aanwezigen onderkend maar welbewust doodgezwegen wordt. Men acht het probleem zó pijnlijk en onbespreekbaar dat iedereen pretendeert dat er überhaupt geen probleem is.
Op 9 oktober jongstleden was er in de Tweede Kamer een commissiedebat over het leraren­tekort. De coalitiepartijen stelden voor om de toetsen Aardrijkskunde, Geschiedenis en Natuur & Techniek te schrappen, die mbo- en havo-abituriënten tegenwoordig moeten afleggen om tot de pabo-opleiding te worden toegelaten. Eind juli hadden de pabodirecteuren (verenigd in het Lobo) namelijk gewaarschuwd dat die toelatingstoetsen een ernstig obstakel vormen bij de werving van pabostudenten.
Harm Beertema (PVV-fractie, oud-docent Nederlands en Engels en teamleider Secretariële opleidingen in het mbo) reageerde aldus op de voorgestelde afschaffing van die toetsen: “Ik zei het al eerder: meneer Van Meenen (…) weet net zo goed als ik dat hiermee de sluizen worden opengezet voor mbo’ers niveau 4. Ik ken hen als geen ander. Zij hebben uiteindelijk de [cognitieve] vermogens van mbo’ers niveau 2 en 3, want ze stromen gewoon automatisch door. (…) De algemene ontwikkeling die nodig is en die [havisten] (…) wél krijgen is een heel ander verhaal. Mijn verhaal is dat we toentertijd hebben gezegd dat de doorstroom van mbo’ers [ván] niveau 2 en niveau 3 náár niveau 4, en daarmee automatisch naar de lerarenopleidingen, geen goede zaak was, omdat er een achterstand was in kennis, in taalvaardigheid, in vreemde talen, in geschiedenis, in aardrijkskunde enzovoorts …”
Wat gebeurt er als je de sluizen openzet? Dan krijg je vermoedelijk een dramatische waters­nood. Ik krijg het gevoel dat de heer Beertema eigenlijk een gecodeerde boodschap uitsprak: “Als onderwijsman weet Paul van Meenen, net zo goed als ik, dat we hiermee de sluizen zouden openzetten voor al die moslima’s die via mavo en mbo naar de pabo willen doorstromen, en na hun pabo-diploma wordt ons Nederlandse basisonderwijs dus overstroomd door deze gehoofddoekte, allochtone leerkrachten.” Bespeur ik hier een Olifant in de Kamer? Of zie ik Leeuwen en Beren waar ze niet zijn?

Beginsel van Onbelemmerde Studievoortgang

Wes Holleman | 15-10-2019 | permalink

De Wet op het Hoger Onderwijs gebiedt dat studenten 60 studiepunten per programmajaar behalen en dat deze 60 punten voor de gemiddelde student 1680 uur werk kosten. Uit de wetsgeschiedenis valt op te maken dat met die 1680 uren 42 goedbestede weken bedoeld wordt. De wetgever gebiedt dus dat 50% van de studenten méér dan 1680 uur (en méér dan 42 weken) per programmajaar nodig hebben om hun opleiding te voltooien. Uit deze wettelijke regel vloeit voort dat velen studievertraging zullen oplopen, te meer daar de basisbeurs is afgeschaft: studenten moeten een betaalde bijbaan nemen, tenzij ze een studielening aangaan om hun college­geld te betalen (bijna 2100 euro per jaar) en in hun kosten voor studie en levens­onderhoud te voorzien.
De wetgever heeft verder geen regels gesteld om de studeerbaarheid van de opleidingen in het hoger onderwijs te waarborgen. Het wordt aan de onderwijsinstellingen zelf overgelaten om studenten tegen overbelasting te beschermen. Om die reden hebben drie leden van de Centrale Medezeggenschapsraad van de Hogeschool van Amsterdam ernstige kritiek op de HvA-regel dat je, indien gezakt voor een tentamen, weliswaar tien weken later een herkansing kan doen maar dat je anders ‘het vak volgend jaar opnieuw moet volgen, naast de vakken die je op dat moment al moet volgen’ (HvanA 7/10/2019).
Maar het kan nóg strenger. De Universiteit Utrecht hanteert bijvoorbeeld een onderwijsmodel waarin die éne herkansing niet is toegestaan, tenzij je tijdens de cursus aan alle inspan­nings­verplichtingen hebt voldaan en minimaal een 4,0 hebt gehaald (OER Rechtsgeleerdheid). Voor eerstejaarsstudenten geldt bovendien dat ze uit de opleiding worden verwijderd als ze vóór de zomer­vakantie minder dan 45 studiepunten hebben behaald.
Terug naar de drie raadsleden van de HvA. Zij staan dus kritisch tegenover het feit dat hun hogeschool zich zo weinig gelegen laat liggen aan het Beginsel van Onbelemmerde Studie­voortgang en aan het Prolongatiebeginsel: gij zult vertraagde studenten niet onnodig be­lemmeren in hun studie­voortgang en gij zult voorzieningen treffen opdat zij optimale studie­voortgang kunnen boeken.
Bron: J.W. Holleman (1979b), Rechten van scholieren en studenten. Weekblad voor leraren bij het voortgezet onderwijs, 11, 1251-3. M.J. Cohen (1981). Studierechten in het wetenschappelijk onderwijs. Dissertatie Leiden.

Godsvruchtige burgerschapsvorming

Wes Holleman | 13-10-2019 | 1 Reactie » | permalink

Er was er eens een godsvruchtig dorp met een godsvruchtige basisschool. Op een goede dag kwam de onderwijsinspecteur op bezoek. Hij moest controleren of de burgerschapsvorming op orde was. Terug in De Meern rapporteerde hij de volgende bevindingen.
1. De kinderen leren dat ze zich in hun persoonlijk leven aan Gods geboden moeten houden, zoals die geopenbaard zijn in het Heilige Boek. Ze leren dat zondaars, die willens en wetens Gods geboden verzaken, de straf van God te duchten hebben.
2. De kinderen leren dat een losbandige levenswandel, alsmede homoseksueel en transgender­gedrag, in strijd is met Gods geboden.
3. De kinderen leren dat de leden van een godsvruchtige familie en van de lokale godsvruchtige school-, geloofs- en dorps­gemeenschap bijzondere plichten jegens elkaar hebben: ze hebben tot opdracht elkaar te helpen om Gods geboden te blijven naleven en op het rechte pad te blijven. Uit deze opdracht vloeit voort dat de leden elkaar het goede voorbeeld moeten geven en elkaar tot de orde moeten roepen als ze neiging tot zondig gedrag vertonen.
4. De kinderen leren verder dat ze niet te intiem moeten omgaan met mensen die Gods geboden niet naleven: ‘je moet niet met pek omgaan want, voor je het weet, word je daardoor besmet’.
5. De kinderen krijgen geen uitsluitsel over de vraag in hoeverre men binnen de lokale school-, geloofs- en dorpsgemeenschap barmhartige verdraagzaamheid moet betrachten jegens leden die in zondig gedrag volharden.
6. Maar de kinderen leren wel dat ze de Nederlandse democratische rechtsstaat moeten respecteren, die gebouwd is op de principes van non-discriminatie en verdraagzaamheid (‘Leven en Laten Leven’). We leven in een vrij land, dus zolang burgers de landswetten naleven, staat het hun vrij om Gods geboden naast zich neer te leggen. De kinderen leren uitdrukkelijk dat burgers jegens wets­overtreders geen eigenrichting mogen toepassen en dat ze het bestraffen van zondaars aan God moeten overlaten.
7. De onderwijsinspecteur concludeert dat de kinderen op deze basisschool tot oppassende burgers worden opgevoed en dat de risico’s op extremisme of radicalisering in deze school verwaarloosbaar zijn. Volgens hem is de burgerschapsvorming dus wel op orde. Maar toch geeft hij zijn afdelingschef in overweging het conceptrapport voor akkoord naar de inspecteur-generaal door te geleiden: “Ik heb namelijk het gevoel dat de afwijzing van homoseksueel en transgendergedrag, zoals door mij geconstateerd op deze fundamentalistische/orthodoxe school, politiek misschien toch een beetje gevoelig ligt.”

Meertaligheid op de basisschool (V)

Wes Holleman | 07-10-2019 | 1 Reactie » | permalink

Het Onderwijscentrum van de gemeente Gent, en de groen-linkse onderwijswethouder voorop, bepleiten een nieuwe didactiek voor anderstalige of tweetalige leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs: functioneel meertalig leren. De thuistaal is niet langer taboe op school: hun moedertaal moet gericht worden ingezet om Nederlandstalige teksten sneller te begrijpen en de Nederlandse taal onder de knie te krijgen. Dat is een drastische koerswijziging ten opzichte van de traditionele schone-lei-didactiek: Waalse en allochtone leerlingen werden plompverloren ondergedompeld in de Nederlandstalige schoolomgeving en moesten maar zien hoe ze de Nederlandse taal machtig werden. Het meest schrijnend was dat ze zelfs op het schoolplein niet in hun thuistaal mochten communiceren.
Maar er bestaan ook ideologische weerstanden tegen deze nieuwe didactiek. De N-VA (de Nieuw-Vlaamse Alliantie van Bart de Wever) vaart een Vlaams-nationalistische en liberaal-conservatieve koers en wenst dus op het gebied van taal en cultuur geen concessies te doen aan Walen en allochtone immigranten (Het Laatste Nieuws 25/9/2019). Van daaruit valt het te begrijpen dat het Gentse boek Meertaligheid: een Troef (2015) voor sommigen niet zozeer een eye-opener is maar veeleer een open zenuw raakt.
Zie ook: de pagina’s Meertaligheid en Taal & Meertaligheid van het Gentse Onderwijscentrum

De noodkreet van Donna Noble

Wes Holleman | 06-10-2019 | 1 Reactie » | permalink

Een jaar of tien geleden was Donna Noble een onverschrokken personage in een populaire BBC-sciencefictionserie, als metgezel van de tijdreiziger Doctor Who. Maar onlangs koos een Nederlandse hbo-docent dit strijdbare pseudoniem om een noodkreet te publiceren op het discussieforum Fok (3/10/2019). Zij poneert vier stellingen:
1. De laatste jaren is de kwaliteit van de onderwijsdienstverlening die aan hbo-studenten geboden wordt, hollend achteruit gegaan, althans in sommige hbo-instellingen.
2. Aan de docenten worden de bezuinigingen en verschralingen gewoonlijk verkocht als dynamische onderwijsinnovaties. En de professionele vakdocenten die daartegen in verzet komen, worden dus door het management weggezet als een reactionair blok aan het been. Ze lopen een fors risico dat hun arbeidscontract niet verlengd wordt.
3. In hun strijd om onderwijskwaliteit te behouden of te herstellen, hebben de goedwillende docenten de steun van studenten nodig. Serieuze kwaliteitsbeheersing vereist kritische studenten en mondige studentenvertegenwoordigers in de opleidingscommissies en mede­zeggenschapsorganen.
4. Maar de studenten gedragen zich tegenwoordig als makke schapen. Aan onderwijsevaluaties doen ze niet mee, ze willen hun tijd niet aan opleidingscommissies of dergelijke verdoen, en hun actiebereidheid is nul komma nul. Waar ligt dat aan? “Bij eerstejaars kan ik me voorstellen dat het allemaal nieuw is, en dat ze niet beter weten. Het is logisch dat je denkt ‘het zal wel zo horen’. Maar ook van ouderejaars zie ik geen of weinig verzet. Ik heb ze er wel eens naar gevraagd en kreeg dan antwoorden als ‘ik ben bang dat ik dat weer op mijn brood krijg’ of ‘ze doen toch niks met onze kritiek’.” Ten einde raad richt Donna zich nu tot de actieve discussianten in de forumsectie ‘School & Studie’ van het Fok: hoe komt het volgens jullie dat de hbo-studenten zomaar lijken te accepteren dat het hbo “serieus [wordt] uitgekleed”? Waarom pikken hbo-studenten dat? “Is dat angst? [Is het dat ze] niet op de hoogte zijn dat het anders kan? [Vinden ze het wel best zolang ze] lekker makkelijk studiepunten [kunnen] scoren? Denken [ze] ‘het zal mijn tijd wel duren’? [Is het] gebrek aan geloof dat je iets kunt bereiken?”

Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (II): plagiërende studenten gaan vrijuit

Wes Holleman | 25-09-2019 | 4 Reacties » | permalink

Sinds 1 oktober 2018 is de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit van kracht in de Nederlandse universiteiten en hogescholen. Maar pas in juni 2019 is de bijbehorende Model-klachtenregeling door de VSNU gepubliceerd. Naar mijn indruk werken de meeste universiteiten momenteel nog met de oude klachtenregeling (geënt op de Gedragscode Wetenschapsbeoefening die tot 1 oktober 2018 van kracht was). Op zichzelf is dat niet zo’n probleem, maar voor studenten zit het venijn in de intentieverklaring die als bijlage door de universiteiten was opgesteld. Daarin staat onder meer dat ze plagiaat, gepleegd door studenten in werkstukken en scripties, ‘categorisch afwijzen, actief [zullen] bestrijden en zo nodig met de hun ter beschikking staande sancties zullen bestraffen’. Deze intentieverklaring paste bij de oude gedragscode, want die richtte zich op álle leden van de universitaire gemeenschap, dus ook op de studenten. De nieuwe code daarentegen richt zich uitsluitend op wetenschappelijk onderzoekers. Mocht een student publicatiegericht onderzoek doen en in dat verband de gedragscode schenden, dan kan alleen zijn of haar begeleider daarop tuchtrechtelijk worden aangepakt, aldus de nieuwe code.
Moet plagiaat, indien gepleegd door studenten, dus voortaan ongemoeid en ongestraft worden gelaten? Het staat buiten kijf dat studenten moeten leren om plagiaat in hun wetenschappelijke oefenwerkstukken en scripties te vermijden en misstappen te herstellen. Maar als men in dat kader tot straffen overgaat, moet dat in elk geval proportioneel zijn. De tuchtrechtelijke bestraffing van plagiaat mag voortaan uitsluitend voor de bestrijding van studiefraude en niet langer voor de ethische disciplinering van aanstaande onderzoekers worden gebruikt. Het ligt wellicht op de weg van studentenbelangenorganisaties, zoals ISO en LSVb, te bevorderen dat bij het landelijke College van Beroep Hoger Onderwijs jurisprudentie wordt ontwikkeld waarin overtrokken bestraffing van kleine vergrijpen op het gebied van plagiaat aan de kaak wordt gesteld.

De schoolprestaties van jongens (II)

Wes Holleman | 23-09-2019 | permalink

De Amsterdamse mavo-/havoschool Kiem Montessori tracht een leeromgeving aan te bieden waarin niet alleen meisjes maar ook jongens optimaal kunnen gedijen. De school is een dependance, vorig jaar opgericht, van het Metis Montessorilyceum. Metis heeft al jarenlang ervaring met niche-marketing (wereldburgerschap), mede gericht op de integratie van leerlingen uit Turkse en andere etnische minderheidsgroepen.
Over ‘het jongensprobleem’ heb ik eerder geschreven (13/8/2011), naar aanleiding van een crowdsourcing dagbladartikel van de zij-instromer Ferry Haan en de lezersbrainstorm die daarop volgde. Kiem Montessori kiest onder meer voor een huiswerkloos dagprogramma, voorafgegaan door een uurtje sport. Ik ben benieuwd wat Ferry Haan daar van vindt.
Zie ook: VOS/ABB (21/10/2016), Trouw (1/12/2018), AD (11/9/2019), Parool (16/9/2019)

Wat is integer handelen? (III)

Wes Holleman | 22-09-2019 | permalink

Van bestuurders van hogeronderwijsinstelingen mag worden verwacht dat ze niet slechts integer, maar in alle opzichten ‘gewetens­vol’ handelen. In het kwartaalblad Th&ma Hoger Onderwijs (2019-3) wordt deze stelling verdedigd door Stavros Zouridis, hoog­leraar Bestuurs­kunde aan de Universiteit Tilburg. Van onkreukbaar handelen (negatieve integriteit) spreekt hij als de actor afziet ‘van onbehoorlijk en ongeoorloofd gedrag’ (strafbare plichtsverzaking) in het licht van de regels die voor de uitoefening van zijn of haar functie gelden. Met gewetensvol handelen (positieve integriteit) bedoelt Zouridis het gedrag van een instellings­bestuurder die zich niet alleen onkreukbaar toont maar zich ook door ‘hogere en striktere morele normen’ laat leiden, waaronder normen die te maken hebben met de kwaliteit van het onderwijs [i.p.v. de uitsluitende focus op (…) studentenaantallen en geld], met deugdelijk onderzoek [i.p.v. tellen van publicaties]’ en ‘met een langetermijnperspectief [i.p.v. het bestuurlijk opportunisme van korte­termijn­doelen].’ Het gaat tevens om normen die te maken hebben met ‘excellente organisaties [i.p.v. gebureaucratiseerde organisaties]’ en met ‘professionele sturing’ [i.p.v. bureaucratische sturing].
In een eerder blogbericht (22/5/2012) heb ik het onderscheid tussen integer handelen enerzijds en gewetensvol/toegewijd handelen anderzijds trachten uit te werken. Daarbij mikte ik niet op het handelen van instellingsbestuurders in het hoger onderwijs maar op dat van rank-and-file leraren in het voortgezet onderwijs. En ik kwam niet op een eenvoudige dichotomie maar op een 2×5-tabel uit, want het onderscheid tussen integer en gewetensvol/toegewijd handelen krijgt een andere inhoud, al naargelang de referentiegroep die door de leraar of docent gekozen wordt:
Ref.1: de school waar ik werk (het bedrijfsbelang)
Ref.2: mijn professionele beroepsgroep (het belang van onze leerlingen/cliënten)
Ref.3: mijn vakbond of gilde (onze belangen als collega’s/gildebroeders)
Ref.4: mijn leefgemeenschap/samenleving (onze belangen als leden/burgers)
Ref.5: ik als zelfstandige mens (mijn eigen doelen, behoeften en belangen)