Oudjaar 2019: criminalisering van slordigheden

Wes Holleman | 31-12-2019 | 3 Reacties » | permalink

Dit jaar verschenen er 54 blogberichten op Onderwijsethiek.nl. De inhouds­opgave tref je HIER aan. Wat heeft me dit jaar het meest beziggehouden? Ik heb me nogal druk gemaakt over de manier waarop scriptiestudenten door de universiteiten worden belaagd op verdenking van frauduleus plagiaat (16/9/2018, 25/9/2019, 3/11/2019). Op basis van metingen met de plagiaat­scanner van de Amerikaanse softwareleverancier Turnitin, worden ze tuchtrechtelijk gestraft, zelfs als het in werkelijkheid slechts om kleine kwaliteitsgebreken gaat.
Bezien in het licht van de vigerende gedragscode voor onderzoekers (pp. 23-24), heeft het er alle schijn van dat men met twee maten meet. Onlangs zijn professor Dymph van den Boom (voormalig rector magnificus van de UvA) en doctor Ad van Liempt (vermaard onderzoeks­journalist) vrijgepleit van de beschuldiging dat zij in hun proefschriften plagiaat zouden hebben gepleegd: door de hooggeleerde integriteitsinspecteurs worden hun misstappen als vergefelijke slordigheden afgedaan (Folia 17/12/2019, UK 20/12/2019). Maar indien geconstateerd bij studenten, worden diezelfde kwaliteitsgebreken tot halsmisdrijven opgeblazen. Tot voor kort heb ik altijd gedacht dat de opleiders deze praktijken voor zichzelf rechtvaardigden met drie argumenten: (a) dat studenten tot gewetensvolle onderzoekers moeten worden gevormd, (b) dat studiefraude met kracht bestreden moet worden, en (c) dat opleidingen willen voorkomen dat ze tijdens visitaties op deficiënte kwaliteitsbeheersing betrapt worden. Maar in een recent dagbladartikel (VK 22/12/2019) waarschuwen de universiteitsrectoren dat de instellingen zich te zeer laten leiden door een streven naar digitale doelmatigheidsverhoging, ten koste van de Nederlandse normen en waarden die door de universiteiten behoren te worden omarmd. De rectoren maken daarbij uitdrukkelijk gewag van de digitale detectiediensten van Turnitin. Misschien heeft men tot nu toe dus een vierde motief gehad om de conceptuele definitie van frauduleus plagiaat draconisch op te rekken, name­lijk: (d) dat men zodoende tijdrovende bewijsrechtelijke problemen naar aan­leiding van de operationele meetuitkomsten van Turnitin voorkomt.
Dit misbruik van de tuchtrechtelijke bevoegdheden steekt des te meer daar de gedragscode voor onderzoekers sinds 1 oktober 2018 niet langer maatgevend is voor de rechtspositie van scriptie­studenten. Tot 2018 gold als tuchtrechtelijk uitgangspunt dat alle leden van de universitaire gemeenschap – onderzoekers, docenten en studenten – aan dezelfde wetenschappelijke integriteitsnormen moesten voldoen. Dat was vastgelegd in de Gedragscode Wetenschaps­beoefening. Bovendien werd in de bijlage van de bijbehorende model-klachtenregeling de strafwaardigheid van plagiaat in studiewerkstukken en scripties nog eens extra onderstreept. Men ging eertijds dus voorbij aan de bijzondere aard van de ‘wetenschapsbeoefening’ van studenten, namelijk dat er door de studieleiding harde deadlines worden gesteld en dat hoge studie­belasting en gebrekkige scriptietraining en –begeleiding tot kwaliteitsgebreken in werkstukken en scripties kunnen leiden. Maar per 1 oktober 2018 zijn de universiteiten van hun dwaling teruggekomen. Er werd een nieuwe gedragscode (met model-klachtenregeling) ingevoerd die uitsluitend op het handelen van wetenschappelijke onderzoekers van toepassing is. Sindsdien vallen studenten dus niet meer onder het tuchtrecht dat voor onderzoekers geldt. Voor studenten strekt het tuchtrecht zich voortaan wel tot studiefraude uit, maar niet meer tot kwaliteitsgebreken in werkstukken en scripties. We kunnen concluderen dat het voortaan de taak van de scriptiebegeleider is om kwaliteitsgebreken ‘tijdens de rit’ te detecteren (al dan niet met behulp van Turnitin), zodat deze tijdig hersteld kunnen worden door de student. Als dat de pan uit rijst, zal dat tot een lager cijfer voor de scriptie leiden. Tuchtrechtelijke criminalisering van scriptiestudenten op grond van kwaliteitsgebreken die aan hun scriptie kleven, is sinds 1 oktober 2018 in strijd met de Nederlandse normen en waarden die door de universiteiten omarmd worden.
Het is hoog tijd dat de gewraakte beslissingsregels (de excessieve, universitaire beslissings­regels inzake de definiëring, opsporing en bestraffing van plagiaat in studiewerkstukken en scripties) binnen de grenzen van een juridisch verdedigbare definitie van studiefraude worden gebracht. En misschien kan men ook eens wat haast maken met het opstellen van een ethische gedragscode voor docenten en scriptiebegeleiders.

De vrijwillige ouderbijdrage van Slob (III)

Wes Holleman | 17-12-2019 | 4 Reacties » | permalink

Hoe zit het inmiddels met de beleidsontwikkeling rond de vrijwillige ouderbijdrage in het basis- en voortgezet onderwijs? In aan­sluiting op mijn eerdere updates (5/12/2018 en 17/3/2019), wordt het tijd voor een nieuwe update. Zoals bekend, hebben de SP en GroenLinks op 30 okto­ber 2018 druk op de ketel gezet door een initiatiefwetsvoorstel (nummer 35063) in te dienen dat twee clausules omvat:
a) In de schoolgids wordt vermeld dat het niet voldoen van de vrijwillige ouderbijdrage er niet toe leidt dat leerlingen worden uitgesloten van deelname aan activiteiten; en
b) De deelname van leerlingen aan activiteiten die geen onderdeel uitmaken van het verplichte onderwijsprogramma en die worden georganiseerd onder verantwoordelijkheid van het be­voegd gezag, wordt niet afhankelijk gesteld van een vrijwillige ouderbijdrage.
De zgn. profielscholen (zoals tweetalig onderwijs, technasium, topsporttalentscholen, dans- of muziekscholen) zijn tegen deze clausules gekant omdat zij bij aanneming van dit wetsvoorstel niet langer mogen eisen dat ouders (op straffe van uitsluiting van de leerling uit het verrijkte programma) een “vrijwillige” ouderbijdrage betalen. VVD en CDA hebben daartoe een amendement (35063-12) ingediend, inhoudende:
c) Clausule b) blijft buiten werking in geval van langdurige activiteiten die geen onderdeel uitmaken van het verplichte onderwijs­programma (bv. buitenlandse excursies). Minister Slob heeft dit amendement ontraden.
Verder is door D66 een variant (35063-9) van dat amendement ingediend:
d) Clausule c) met als bijkomende voorwaarde dat er een financiële voorziening wordt gescha­pen voor ouders die niet kunnen (of willen???) betalen, nader te regelen via een AMvB.
Op dinsdag 17 december heeft de Tweede Kamer het wetsontwerp met inbegrip van clausule d) aanvaard. Het wachten is nu op de behandeling van het wetsontwerp in de Eerste Kamer.

Zorgplichten van de lerarenopleiding

Wes Holleman | 11-12-2019 | 3 Reacties » | permalink

Er is een groot verschil van opvatting aan het licht gekomen tussen de Algemene Onderwijs­bond (AOb/fnv) enerzijds en het onderwijsveld anderzijds. Volgens de AOb zijn de onderwijs­werkgevers verplicht om de vierdejaarsstudenten van de tweedegraadsleraarsopleiding in het kader van hun afsluitende praktijkperiode een tripartiet Leerarbeidscontract met een bijbehorend cao-loon aan te bieden (Onderwijsblad 19/11/2019). Het modelcontract is in bijlage 2 van de CAO 2018-2019 opgenomen. De onderwijswerkgevers en de leraars­opleidingen zijn daarentegen van mening dat onderwijswerkgevers ook mogen kiezen voor een tripartiet Stagecontract, waarbij ze zelfs niet verplicht zijn een stagevergoeding toe te kennen (Bron/fontys 3/12/2019).
De onderwijswerkgevers staan overigens best positief tegenover het Leerarbeidscontract. Het schept weliswaar financiële verplichtingen, maar in tijden van personeelsschaarste is zo’n leraar-in-opleiding wel een redder in de nood. De lio’s-als-werknemer worden namelijk slechts op afstand gesuperviseerd en begeleid. Ze hebben eigen klassen, die ze zelfstandig mogen bedienen. De lio’s-als-stagiair daarentegen maken geen deel uit van de onderwijsformatie, mogen geen bestaande vacature vervullen en mogen niet als vervangend docent optreden. Ze worden toegevoegd aan een zittende docent en voeren een deel van zijn of haar taken onder zijn of haar supervisie uit. In de praktijk betekent dit dat de begeleidende docent op roepafstand beschikbaar behoort te zijn om de stagiair bij te staan (CNV-Onderwijs).
Waar loopt de vakbond nou over te morren? De AOb kan moeilijk bezwaar maken tegen het feit dat scholen de mogelijkheid hebben om vierdejaarsstudenten via een Stagecontract te bedienen. Kennelijk doelt de AOb op het risico dat ontvangende scholen, in tijden van personeelsgebrek, de bepalingen van het Stagecontract onvoldoende nakomen: dat ze te weinig begeleiding en supervisie geven, dat ze de student met professionele verantwoordelijkheden opzadelen die een stagiair nog niet hoeft te dragen, en dat ze de student niet de financiële beloning geven die in verhouding staat tot de productieve arbeid die door hem of haar verricht wordt. In de tweede plaats wordt door de AOb gesuggereerd dat onderwijswerkgevers sjoemelen met het loon dat aan de lio’s-als-werknemer wordt uitbetaald: ze krijgen minder salaris dan in de CAO 2018-2019 met de bonden is afgesproken.
Naar aanleiding van het AOb-artikel in het Onderwijsblad heeft Roelof Bisschop (SGP) schriftelijke Kamervragen (6/12/2019) aan de OCW-ministers gesteld. Eén van de vragen betreft de zorgplicht van de lerarenopleidingen. De lerarenopleiding is contractpartij, zowel in het tripartiete Leerarbeidscontract van de lio-als-werknemer als in het tripartiete Stagecontract van de lio-als-stagiair [zie bijvoorbeeld de Handleiding Werkplekleren van de Hogeschool van Amsterdam]. Naar mijn bescheiden mening heeft zij als contractpartij mede tot taak toe te zien op de studielast en studeerbaarheid van de afsluitende praktijkperiode en op de omvang en kwaliteit van de begeleiding die door de praktijkschool geboden wordt. Maar uit een oogpunt van professionele beroepsethiek heeft zij tevens tot taak erop toe te zien dat de tripartiete overeenkomsten zodanig worden ingericht en nageleefd dat de praktijkschool zich jegens de student, noch gewild noch ongewild, aan machtsmisbruik en uitbuiting schuldig maakt.

Inzagerecht tentamens (III)

Wes Holleman | 20-11-2019 | 2 Reacties » | permalink

Een medische student aan de Erasmusuniversiteit te Rotterdam vertrouwde de uitslag van het door hem afgelegde meerkeuze­tentamen niet. Maar in haar streven de itembank tegen lekken te beschermen, weigerde de studieleiding de tentamenvragen, de antwoordsleutel en het beoordeelde werk over te leggen. De student zocht het hogerop, doch het lokale College van Beroep stelde hem slechts ten dele in het gelijk (Erasmusmagazine 18/11/2019): de examen­commissie Geneeskunde moest de student een kosteloze kopie van zijn ingevulde antwoord­formulier verschaffen. Daar kon het beroepscollege niet onderuit omdat het Europese Hof van Justitie (20/12/2017) in het kader van de Ierse zaak-Nowak heeft bepaald dat het beoordeelde tentamenwerk tot de persoons­gegevens behoort. Op grond van artikel 15 lid 3 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG) heeft de student recht op een kosteloze kopie van de persoons­gegevens die door de universiteit worden verwerkt en opgeslagen.
De student nam geen genoegen met deze uitspraak van het beroepscollege: om zijn tentamen­uitslag aan te vechten had hij niet alleen een afschrift van zijn antwoordformulier nodig, maar ook een kopie van de tentamenvragen en van de antwoordsleutel. Het beroepscollege ging daar niet in mee, want deze documenten bevatten geen persoonsgegevens van de student. Dat had anders gelegen als het een tentamen met open vragen was geweest, waarbij de examinator evaluerende commentaren of becijferingen in de marge van het antwoordformulier had geplaatst. In dat geval had het Rotterdamse beroepscollege het oordeel van het Hof wel moeten volgen: dat de student recht heeft op een kopie van het gehele, geannoteerde formulier, want de evaluaties die door de beoordelaar zijn opgesteld, behoren wel degelijk tot de persoons­gegevens van de betrokken student.
De student gaat nu in hoger beroep bij het landelijke College van Beroep voor het Hoger Onderwijs. Ik neem aan dat hij daar zal verwijzen naar de Wet op het hoger onderwijs: in artikel 7.13 lid 2 is bepaald dat studenten niet alleen inzagerecht hebben in hun beoordeelde tentamenwerk maar dat ze ook in de gelegenheid moeten worden gesteld kennis te nemen van de vragen van het afgenomen tentamen en van de antwoordsleutel aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden. Maar ook bij de interpretatie van deze twee wetsbepalingen moet worden meegewogen dat de AVG door het Europese Hof (op.cit.) heel streng wordt uitgelegd. In punt 57 van het arrest wordt namelijk gememoreerd dat de AVG aan de verwerkingsverantwoordelijke faculteit opdraagt de examinandus over zijn verwerkte persoonsgegevens te informeren opdat hij zijn eventuele rechten op bescherming van zijn persoonlijke levenssfeer (rectificatie, uitwissing en afscherming) kan uitoefenen. De student moet dus in staat worden gesteld de juistheid (“nauwkeurigheid en rechtmatigheid”) van de opgeslagen persoongegevens te controleren. Daartoe heeft hij niet alleen een kopie van zijn ingeleverde antwoordformulier nodig maar ook kopieën van de meerkeuzevragenlijst en van de beoordelings­sleutel die bij de evaluatie en becijfering van zijn antwoorden gebruikt zijn. Als ze niet over deze drie documenten kunnen beschikken, staan studenten weerloos tegenover de eventuele kwaliteitsgebreken van multiple-choice tentamens.

Leidt het leenstelsel tot overbelasting en stress?

Wes Holleman | 17-11-2019 | 1 Reactie » | permalink

In het Onderwijsblog van NRC.nl (13/11/2019) signaleert Felienne Hermans uit eigen ervaring dat het leenstelsel de studiedruk en stress bij studenten in het hoger onderwijs vergroot. Als universitair hoofddocent Informatica wordt ze in de eerste plaats ge­confronteerd met de gestegen studiedruk. De afschaffing van de basisbeurs (2015) heeft tot gevolg gehad: a) dat een groter percentage van de voltijdstudenten niet op kamers gaat maar thuis bij hun ouders blijft wonen en b) dat een groter percentage het verlies van de basisbeurs tracht te compen­seren met betaald werk naast hun studie. Zowel door het forensen als door hun werk­student­schap houden ze wekelijks minder tijd voor de studie over. Wat de studie betreft lopen ze dus meer risico om in tijdnood te komen. Verder wordt hun tijdbudget kwetsbaarder voor OV-storingen en voor conflicten tussen werk- en studieroosters. Al met al stijgt het risico dat ze studie­vertraging oplopen doordat ze niet aan hun studieverplichtingen kunnen voldoen.
In de tweede plaats constateert Hermans dat studenten psychisch gestrest raken door de risico’s op studievertraging. Naarmate ze meer studievertraging oplopen, stijgt het saldo van hun opleidingskosten (de som van collegegeld, zorgpremie en kosten van levensonderhoud, gerekend over hun gehele studieduur), hetgeen zal doorwerken in de hoogte van hun eventuele studieschuld die ze na hun afstuderen, rente op rente, moeten terugbetalen. Hermans wijst erop dat deze stress niet alleen veroorzaakt wordt door het leenstelsel maar door de combinatie van het leenstelsel met eerdere bezuinigingsmaatregelen. Ik neem aan dat ze hier doelt op de jaarlijkse verhogingen van het collegegeld (inmiddels bijna 2100 euro), de beperkte duur van de aanvullende studiebeurs, de steeds strengere studievoortgangsnormen in de propedeuse (op straffe van verwijdering uit de opleiding) en de afgenomen flexibiliteit van de onderwijs- en tentamenprogramma’s (zoals de toegenomen schoolsheid, de beperkte herkansings­mogelijk­heden voor tentamens, de beperkte geldigheidsduur van tentamens en deeltentamens, de invoering van de harde knip tussen de bachelor- en masterfase, et cetera). Die afgenomen flexibiliteit maakt dat een eenmaal opgelopen vertraging zichzelf automatisch versterkt: de student loopt een groot risico dat kleine studievertragingen niet meer kunnen worden ingehaald maar, integendeel, tot exponentiële verlenging van de studieduur en groei van de studieschuld leiden.
Hermans baseert deze waarnemingen op eigen ervaring. Want als docent in het hoger onderwijs wordt zij sinds 2015 overstelpt met noodsignalen van haar studenten, voortkomend uit overbelasting en stress. Ze kloppen bij haar aan doordat ze in tijdnood komen, vragen dispensatie van aanwezigheidsverplichtingen en deadlines, bereiden werkcolleges onvoldoende voor en vragen dien­tengevolge vaker extra uitleg van de docent. Ook in de tentamenperioden klinken de noodsignalen alom: studenten protesteren tegen tentamenuitslagen en vermeende kwaliteitsgebreken in tentamens, of ze doen beroep op de coulance van de docent/beoordelaar.
Gezien het bovenstaande moge het trouwens duidelijk zijn dat de vervanging van de basisbeurs door het leenstelsel tevens heeft geleid tot een hogere werklast voor de docenten. En Hermans spreekt bovendien van de persoonlijke stress die daarmee gepaard gaat: moet ik me doof en blind houden voor de nijpender noden waaronder studenten sinds het leenstelsel gebukt gaan, of moet ik barmhartig zijn?

Ethische scriptiebegeleider voorkomt plagiaat

Wes Holleman | 03-11-2019 | 3 Reacties » | permalink

Ze had een éénjarige studiebeurs gekregen (inclusief het collegegeld van 2950 euro voor non-EEA students). Met ingang van 24 september 2018 volgde ze het éénjarige Engelstalige master­programma ‘Journalism and Media in Europe’ van de Vrije Universiteit Brussel. Dat is één van de varianten van de onderzoeksmaster Communicatiewetenschappen binnen de faculteit Sociale Weten­schappen. In dat kader liep ze bij de facultaire onderzoeksgroep Cemeso een vijf­maands onderzoeksstage, waarvan ze verslag deed in haar master thesis. Nadat ze deze master­scriptie had ingeleverd, kreeg ze op 16 augustus 2019 bericht dat ze op studiefraude betrapt was en dat aan de scriptie daarom het cijfer 0/20 was toegekend. Op basis van een Turnitin-scan was namelijk ge­constateerd dat ze in haar hoofdstuk ‘Literature Review’ plagiaat had gepleegd: bij haar verwijzingen naar primaire bronnen, had ze veelvuldig tekst en bronver­meldingen van ongenoemde secundaire bronnen gekopieerd (VUB OER art.118). Zij heeft het dus abusievelijk doen voorkomen dat deze teksten en verwijzingen uit haar eigen koker kwamen en ze heeft de secundaire auteurs dus ook niet de verschuldigde eer betoond.
Deze tuchtrechtelijke beschikking is bekrachtigd door het lokale beroepscollege en vervolgens door de Vlaamse Raad voor Betwistingen (14/10/2019 rolnr. 465). In het vonnis van de Raad is niet vermeld welke consequenties binnen de VUB gehecht worden aan het cijfer 0/20. Staat de nul voor ‘not submitted’ en mag ze de gereviseerde scriptie dus in de volgende examenperiode, na het eerstvolgende semester, alsnog indienen?
In haar verweer erkende de studente dat zij achteraf gezien inbreuk heeft gemaakt op de regels van integere wetenschappelijke verslaglegging, maar ze stelde dat ze uit onwetendheid heeft gehandeld en niet de bedoeling heeft gehad iemand te misleiden. Verder wijst zij erop dat ze, alvorens de eindversie van de scriptie officieel in te dienen, aan haar ‘masterpromotor’ (de scriptiebegeleider binnen Cemeso) feedback had gevraagd op de conceptversie en dat zijn feedback zeer positief was. Na al die lof van de scriptie­begeleider vindt ze het niet eerlijk dat de examencommissie haar vervolgens bij monde van de faculteitsdecaan een tuchtrechtelijke nul geeft voor haar scriptie. Zij stelt dat het tot de taak van een professionele scriptiebegeleider behoort de student te attenderen op eventuele door hem of haar gepleegde inbreuken op de regels van integere wetenschappelijke verslaglegging.
Lees verder … (PDF)

Tutoyeren in de klas

Wes Holleman | 22-10-2019 | 1 Reactie » | permalink

“Dag, ik ben Désirée, jullie nieuwe leraar Maatschappijleer. Zullen we maar ‘je en jij’ zeggen, tegen elkaar?” Sommige leerlingen moeten wel even slikken van dat getutoyeer. Vier op de vijf geënquêteerden spreken hun ouders met je en jij aan, aldus Hanny Vermaas, maar 82% van de middelbare scholieren anno 2002 zeiden in principe ‘u’ tegen hun leraar of lerares. Inmiddels zal dat percentage wel een stukje gezakt zijn, maar in het algemeen geldt nog steeds dat ouderen en gezagsdragers de aanspreekvorm ‘u’ mogen verlangen zolang ze niet uitdrukkelijk in een vrijere omgangsvorm hebben toegestemd. Overigens neigt onze egalitaire samenleving tegenwoordig wel tot het wederkerigheidsprincipe: iedere volwassene die door een Ander met ‘je en jij’ wordt aan­gesproken, verwerft daarmee het recht die Ander eveneens te tutoyeren.
Student Mark is weliswaar meerderjarig, maar hij volhardt in zijn gewoonte om ‘u’ tegen zijn docenten te zeggen (Scholierenforum 10/10/2019). Een paar forumgenoten steunen hem in die gewoonte: tegen je vrienden zeg je ‘je en jij’ maar niet tegen je leraar, je bent hem of haar nou eenmaal respect verschuldigd, of misschien is respect niet het juiste woord (want vriendschap omvat net zo goed wederzijds respect), het punt is eigenlijk dat je de leraar als je meerdere respecteert, dat je daarom formeler met hem of haar omgaat en dat je in dat verband striktere beleefdheidsregels in acht neemt. Mark heeft in zijn school- en studiecarrière echter één uitzondering gemaakt. Dat was tegenover iemand “die zich niet als een docent gedroeg. Hij maakte vaak grove grappen die ten koste gingen van de verlegen studenten in de klas. Zo maakte hij bij veel spanning al gauw (…) wat grappen over ‘die gekke Chinezen’ omdat er een geadopteerde Chinese jongen in onze klas zat. [Die klasgenoot vond dat heel onprettig], maar durfde [er] niets [van] te zeggen. Ook heeft hij een keer een studente uitgemaakt voor ‘dom wijf’ en kregen de jongens vaak dingen als ‘ezel’ en ‘varken’ naar hun hoofd als ze hem niet begrepen.” Dus wat Mark betreft, heeft deze docent, door zijn respectloze gedrag jegens z’n studenten, zijn recht op de formele aanspreekvorm verspeeld.
Lees verder … (PDF)

De Olifant in de Kamer

Wes Holleman | 16-10-2019 | 3 Reacties » | permalink

Wat bedoelt men met ‘the elephant in the room’? Daarmee verwijst men naar een levengroot probleem dat door alle aanwezigen onderkend maar welbewust doodgezwegen wordt. Men acht het probleem zó pijnlijk en onbespreekbaar dat iedereen pretendeert dat er überhaupt geen probleem is.
Op 9 oktober jongstleden was er in de Tweede Kamer een commissiedebat over het leraren­tekort. De coalitiepartijen stelden voor om de toetsen Aardrijkskunde, Geschiedenis en Natuur & Techniek te schrappen, die mbo- en havo-abituriënten tegenwoordig moeten afleggen om tot de pabo-opleiding te worden toegelaten. Eind juli hadden de pabodirecteuren (verenigd in het Lobo) namelijk gewaarschuwd dat die toelatingstoetsen een ernstig obstakel vormen bij de werving van pabostudenten.
Harm Beertema (PVV-fractie, oud-docent Nederlands en Engels en teamleider Secretariële opleidingen in het mbo) reageerde aldus op de voorgestelde afschaffing van die toetsen: “Ik zei het al eerder: meneer Van Meenen (…) weet net zo goed als ik dat hiermee de sluizen worden opengezet voor mbo’ers niveau 4. Ik ken hen als geen ander. Zij hebben uiteindelijk de [cognitieve] vermogens van mbo’ers niveau 2 en 3, want ze stromen gewoon automatisch door. (…) De algemene ontwikkeling die nodig is en die [havisten] (…) wél krijgen is een heel ander verhaal. Mijn verhaal is dat we toentertijd hebben gezegd dat de doorstroom van mbo’ers [ván] niveau 2 en niveau 3 náár niveau 4, en daarmee automatisch naar de lerarenopleidingen, geen goede zaak was, omdat er een achterstand was in kennis, in taalvaardigheid, in vreemde talen, in geschiedenis, in aardrijkskunde enzovoorts …”
Wat gebeurt er als je de sluizen openzet? Dan krijg je vermoedelijk een dramatische waters­nood. Ik krijg het gevoel dat de heer Beertema eigenlijk een gecodeerde boodschap uitsprak: “Als onderwijsman weet Paul van Meenen, net zo goed als ik, dat we hiermee de sluizen zouden openzetten voor al die moslima’s die via mavo en mbo naar de pabo willen doorstromen, en na hun pabo-diploma wordt ons Nederlandse basisonderwijs dus overstroomd door deze gehoofddoekte, allochtone leerkrachten.” Bespeur ik hier een Olifant in de Kamer? Of zie ik Leeuwen en Beren waar ze niet zijn?

Beginsel van Onbelemmerde Studievoortgang

Wes Holleman | 15-10-2019 | permalink

De Wet op het Hoger Onderwijs gebiedt dat studenten 60 studiepunten per programmajaar behalen en dat deze 60 punten voor de gemiddelde student 1680 uur werk kosten. Uit de wetsgeschiedenis valt op te maken dat met die 1680 uren 42 goedbestede weken bedoeld wordt. De wetgever gebiedt dus dat 50% van de studenten méér dan 1680 uur (en méér dan 42 weken) per programmajaar nodig hebben om hun opleiding te voltooien. Uit deze wettelijke regel vloeit voort dat velen studievertraging zullen oplopen, te meer daar de basisbeurs is afgeschaft: studenten moeten een betaalde bijbaan nemen, tenzij ze een studielening aangaan om hun college­geld te betalen (bijna 2100 euro per jaar) en in hun kosten voor studie en levens­onderhoud te voorzien.
De wetgever heeft verder geen regels gesteld om de studeerbaarheid van de opleidingen in het hoger onderwijs te waarborgen. Het wordt aan de onderwijsinstellingen zelf overgelaten om studenten tegen overbelasting te beschermen. Om die reden hebben drie leden van de Centrale Medezeggenschapsraad van de Hogeschool van Amsterdam ernstige kritiek op de HvA-regel dat je, indien gezakt voor een tentamen, weliswaar tien weken later een herkansing kan doen maar dat je anders ‘het vak volgend jaar opnieuw moet volgen, naast de vakken die je op dat moment al moet volgen’ (HvanA 7/10/2019).
Maar het kan nóg strenger. De Universiteit Utrecht hanteert bijvoorbeeld een onderwijsmodel waarin die éne herkansing niet is toegestaan, tenzij je tijdens de cursus aan alle inspan­nings­verplichtingen hebt voldaan en minimaal een 4,0 hebt gehaald (OER Rechtsgeleerdheid). Voor eerstejaarsstudenten geldt bovendien dat ze uit de opleiding worden verwijderd als ze vóór de zomer­vakantie minder dan 45 studiepunten hebben behaald.
Terug naar de drie raadsleden van de HvA. Zij staan dus kritisch tegenover het feit dat hun hogeschool zich zo weinig gelegen laat liggen aan het Beginsel van Onbelemmerde Studie­voortgang en aan het Prolongatiebeginsel: gij zult vertraagde studenten niet onnodig be­lemmeren in hun studie­voortgang en gij zult voorzieningen treffen opdat zij optimale studie­voortgang kunnen boeken.
Bron: J.W. Holleman (1979b), Rechten van scholieren en studenten. Weekblad voor leraren bij het voortgezet onderwijs, 11, 1251-3. M.J. Cohen (1981). Studierechten in het wetenschappelijk onderwijs. Dissertatie Leiden.

Godsvruchtige burgerschapsvorming

Wes Holleman | 13-10-2019 | 3 Reacties » | permalink

Er was er eens een godsvruchtig dorp met een godsvruchtige basisschool. Op een goede dag kwam de onderwijsinspecteur op bezoek. Hij moest controleren of de burgerschapsvorming op orde was. Terug in De Meern rapporteerde hij de volgende bevindingen.
1. De kinderen leren dat ze zich in hun persoonlijk leven aan Gods geboden moeten houden, zoals die geopenbaard zijn in het Heilige Boek. Ze leren dat zondaars, die willens en wetens Gods geboden verzaken, de straf van God te duchten hebben.
2. De kinderen leren dat een losbandige levenswandel, alsmede homoseksueel en transgender­gedrag, in strijd is met Gods geboden.
3. De kinderen leren dat de leden van een godsvruchtige familie en van de lokale godsvruchtige school-, geloofs- en dorps­gemeenschap bijzondere plichten jegens elkaar hebben: ze hebben tot opdracht elkaar te helpen om Gods geboden te blijven naleven en op het rechte pad te blijven. Uit deze opdracht vloeit voort dat de leden elkaar het goede voorbeeld moeten geven en elkaar tot de orde moeten roepen als ze neiging tot zondig gedrag vertonen.
4. De kinderen leren verder dat ze niet te intiem moeten omgaan met mensen die Gods geboden niet naleven: ‘je moet niet met pek omgaan want, voor je het weet, word je daardoor besmet’.
5. De kinderen krijgen geen uitsluitsel over de vraag in hoeverre men binnen de lokale school-, geloofs- en dorpsgemeenschap barmhartige verdraagzaamheid moet betrachten jegens leden die in zondig gedrag volharden.
6. Maar de kinderen leren wel dat ze de Nederlandse democratische rechtsstaat moeten respecteren, die gebouwd is op de principes van non-discriminatie en verdraagzaamheid (‘Leven en Laten Leven’). We leven in een vrij land, dus zolang burgers de landswetten naleven, staat het hun vrij om Gods geboden naast zich neer te leggen. De kinderen leren uitdrukkelijk dat burgers jegens wets­overtreders geen eigenrichting mogen toepassen en dat ze het bestraffen van zondaars aan God moeten overlaten.
7. De onderwijsinspecteur concludeert dat de kinderen op deze basisschool tot oppassende burgers worden opgevoed en dat de risico’s op extremisme of radicalisering in deze school verwaarloosbaar zijn. Volgens hem is de burgerschapsvorming dus wel op orde. Maar toch geeft hij zijn afdelingschef in overweging het conceptrapport voor akkoord naar de inspecteur-generaal door te geleiden: “Ik heb namelijk het gevoel dat de afwijzing van homoseksueel en transgendergedrag, zoals door mij geconstateerd op deze fundamentalistische/orthodoxe school, politiek misschien toch een beetje gevoelig ligt.”