Meertaligheid op de basisschool (V)

Wes Holleman | 07-10-2019 | 1 Reactie » | permalink

Het Onderwijscentrum van de gemeente Gent, en de groen-linkse onderwijswethouder voorop, bepleiten een nieuwe didactiek voor anderstalige of tweetalige leerlingen in het basis- en voortgezet onderwijs: functioneel meertalig leren. De thuistaal is niet langer taboe op school: hun moedertaal moet gericht worden ingezet om Nederlandstalige teksten sneller te begrijpen en de Nederlandse taal onder de knie te krijgen. Dat is een drastische koerswijziging ten opzichte van de traditionele schone-lei-didactiek: Waalse en allochtone leerlingen werden plompverloren ondergedompeld in de Nederlandstalige schoolomgeving en moesten maar zien hoe ze de Nederlandse taal machtig werden. Het meest schrijnend was dat ze zelfs op het schoolplein niet in hun thuistaal mochten communiceren.
Maar er bestaan ook ideologische weerstanden tegen deze nieuwe didactiek. De N-VA (de Nieuw-Vlaamse Alliantie van Bart de Wever) vaart een Vlaams-nationalistische en liberaal-conservatieve koers en wenst dus op het gebied van taal en cultuur geen concessies te doen aan Walen en allochtone immigranten (Het Laatste Nieuws 25/9/2019). Van daaruit valt het te begrijpen dat het Gentse boek Meertaligheid: een Troef (2015) voor sommigen niet zozeer een eye-opener is maar veeleer een open zenuw raakt.
Zie ook: de pagina’s Meertaligheid en Taal & Meertaligheid van het Gentse Onderwijscentrum

De noodkreet van Donna Noble

Wes Holleman | 06-10-2019 | 1 Reactie » | permalink

Een jaar of tien geleden was Donna Noble een onverschrokken personage in een populaire BBC-sciencefictionserie, als metgezel van de tijdreiziger Doctor Who. Maar onlangs koos een Nederlandse hbo-docent dit strijdbare pseudoniem om een noodkreet te publiceren op het discussieforum Fok (3/10/2019). Zij poneert vier stellingen:
1. De laatste jaren is de kwaliteit van de onderwijsdienstverlening die aan hbo-studenten geboden wordt, hollend achteruit gegaan, althans in sommige hbo-instellingen.
2. Aan de docenten worden de bezuinigingen en verschralingen gewoonlijk verkocht als dynamische onderwijsinnovaties. En de professionele vakdocenten die daartegen in verzet komen, worden dus door het management weggezet als een reactionair blok aan het been. Ze lopen een fors risico dat hun arbeidscontract niet verlengd wordt.
3. In hun strijd om onderwijskwaliteit te behouden of te herstellen, hebben de goedwillende docenten de steun van studenten nodig. Serieuze kwaliteitsbeheersing vereist kritische studenten en mondige studentenvertegenwoordigers in de opleidingscommissies en mede­zeggenschapsorganen.
4. Maar de studenten gedragen zich tegenwoordig als makke schapen. Aan onderwijsevaluaties doen ze niet mee, ze willen hun tijd niet aan opleidingscommissies of dergelijke verdoen, en hun actiebereidheid is nul komma nul. Waar ligt dat aan? “Bij eerstejaars kan ik me voorstellen dat het allemaal nieuw is, en dat ze niet beter weten. Het is logisch dat je denkt ‘het zal wel zo horen’. Maar ook van ouderejaars zie ik geen of weinig verzet. Ik heb ze er wel eens naar gevraagd en kreeg dan antwoorden als ‘ik ben bang dat ik dat weer op mijn brood krijg’ of ‘ze doen toch niks met onze kritiek’.” Ten einde raad richt Donna zich nu tot de actieve discussianten in de forumsectie ‘School & Studie’ van het Fok: hoe komt het volgens jullie dat de hbo-studenten zomaar lijken te accepteren dat het hbo “serieus [wordt] uitgekleed”? Waarom pikken hbo-studenten dat? “Is dat angst? [Is het dat ze] niet op de hoogte zijn dat het anders kan? [Vinden ze het wel best zolang ze] lekker makkelijk studiepunten [kunnen] scoren? Denken [ze] ‘het zal mijn tijd wel duren’? [Is het] gebrek aan geloof dat je iets kunt bereiken?”

Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (II): plagiërende studenten gaan vrijuit

Wes Holleman | 25-09-2019 | 4 Reacties » | permalink

Sinds 1 oktober 2018 is de Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit van kracht in de Nederlandse universiteiten en hogescholen. Maar pas in juni 2019 is de bijbehorende Model-klachtenregeling door de VSNU gepubliceerd. Naar mijn indruk werken de meeste universiteiten momenteel nog met de oude klachtenregeling (geënt op de Gedragscode Wetenschapsbeoefening die tot 1 oktober 2018 van kracht was). Op zichzelf is dat niet zo’n probleem, maar voor studenten zit het venijn in de intentieverklaring die als bijlage door de universiteiten was opgesteld. Daarin staat onder meer dat ze plagiaat, gepleegd door studenten in werkstukken en scripties, ‘categorisch afwijzen, actief [zullen] bestrijden en zo nodig met de hun ter beschikking staande sancties zullen bestraffen’. Deze intentieverklaring paste bij de oude gedragscode, want die richtte zich op álle leden van de universitaire gemeenschap, dus ook op de studenten. De nieuwe code daarentegen richt zich uitsluitend op wetenschappelijk onderzoekers. Mocht een student publicatiegericht onderzoek doen en in dat verband de gedragscode schenden, dan kan alleen zijn of haar begeleider daarop tuchtrechtelijk worden aangepakt, aldus de nieuwe code.
Moet plagiaat, indien gepleegd door studenten, dus voortaan ongemoeid en ongestraft worden gelaten? Het staat buiten kijf dat studenten moeten leren om plagiaat in hun wetenschappelijke oefenwerkstukken en scripties te vermijden en misstappen te herstellen. Maar als men in dat kader tot straffen overgaat, moet dat in elk geval proportioneel zijn. De tuchtrechtelijke bestraffing van plagiaat mag voortaan uitsluitend voor de bestrijding van studiefraude en niet langer voor de ethische disciplinering van aanstaande onderzoekers worden gebruikt. Het ligt wellicht op de weg van studentenbelangenorganisaties, zoals ISO en LSVb, te bevorderen dat bij het landelijke College van Beroep Hoger Onderwijs jurisprudentie wordt ontwikkeld waarin overtrokken bestraffing van kleine vergrijpen op het gebied van plagiaat aan de kaak wordt gesteld.

De schoolprestaties van jongens (II)

Wes Holleman | 23-09-2019 | permalink

De Amsterdamse mavo-/havoschool Kiem Montessori tracht een leeromgeving aan te bieden waarin niet alleen meisjes maar ook jongens optimaal kunnen gedijen. De school is een dependance, vorig jaar opgericht, van het Metis Montessorilyceum. Metis heeft al jarenlang ervaring met niche-marketing (wereldburgerschap), mede gericht op de integratie van leerlingen uit Turkse en andere etnische minderheidsgroepen.
Over ‘het jongensprobleem’ heb ik eerder geschreven (13/8/2011), naar aanleiding van een crowdsourcing dagbladartikel van de zij-instromer Ferry Haan en de lezersbrainstorm die daarop volgde. Kiem Montessori kiest onder meer voor een huiswerkloos dagprogramma, voorafgegaan door een uurtje sport. Ik ben benieuwd wat Ferry Haan daar van vindt.
Zie ook: VOS/ABB (21/10/2016), Trouw (1/12/2018), AD (11/9/2019), Parool (16/9/2019)

Wat is integer handelen? (III)

Wes Holleman | 22-09-2019 | permalink

Van bestuurders van hogeronderwijsinstelingen mag worden verwacht dat ze niet slechts integer, maar in alle opzichten ‘gewetens­vol’ handelen. In het kwartaalblad Th&ma Hoger Onderwijs (2019-3) wordt deze stelling verdedigd door Stavros Zouridis, hoog­leraar Bestuurs­kunde aan de Universiteit Tilburg. Van onkreukbaar handelen (negatieve integriteit) spreekt hij als de actor afziet ‘van onbehoorlijk en ongeoorloofd gedrag’ (strafbare plichtsverzaking) in het licht van de regels die voor de uitoefening van zijn of haar functie gelden. Met gewetensvol handelen (positieve integriteit) bedoelt Zouridis het gedrag van een instellings­bestuurder die zich niet alleen onkreukbaar toont maar zich ook door ‘hogere en striktere morele normen’ laat leiden, waaronder normen die te maken hebben met de kwaliteit van het onderwijs [i.p.v. de uitsluitende focus op (…) studentenaantallen en geld], met deugdelijk onderzoek [i.p.v. tellen van publicaties]’ en ‘met een langetermijnperspectief [i.p.v. het bestuurlijk opportunisme van korte­termijn­doelen].’ Het gaat tevens om normen die te maken hebben met ‘excellente organisaties [i.p.v. gebureaucratiseerde organisaties]’ en met ‘professionele sturing’ [i.p.v. bureaucratische sturing].
In een eerder blogbericht (22/5/2012) heb ik het onderscheid tussen integer handelen enerzijds en gewetensvol/toegewijd handelen anderzijds trachten uit te werken. Daarbij mikte ik niet op het handelen van instellingsbestuurders in het hoger onderwijs maar op dat van rank-and-file leraren in het voortgezet onderwijs. En ik kwam niet op een eenvoudige dichotomie maar op een 2×5-tabel uit, want het onderscheid tussen integer en gewetensvol/toegewijd handelen krijgt een andere inhoud, al naargelang de referentiegroep die door de leraar of docent gekozen wordt:
Ref.1: de school waar ik werk (het bedrijfsbelang)
Ref.2: mijn professionele beroepsgroep (het belang van onze leerlingen/cliënten)
Ref.3: mijn vakbond of gilde (onze belangen als collega’s/gildebroeders)
Ref.4: mijn leefgemeenschap/samenleving (onze belangen als leden/burgers)
Ref.5: ik als zelfstandige mens (mijn eigen doelen, behoeften en belangen)

Is homoseksueel gedrag zondig? (II)

Wes Holleman | 15-09-2019 | 7 Reacties » | permalink

Minister Plasterk vroeg zich eertijds af, in hoeverre men leerlingen op een door de overheid bekostigde school mag voorhouden dat homoseksueel gedrag zondig is (7/11/2009). Kennelijk is die vraag nog steeds niet afdoende beantwoord, want minister Slob heeft bericht dat hij de Onderwijsinspectie op islamitische basisscholen afstuurt omdat ze een lesboek gebruiken waarin gesteld wordt dat homoseksueel gedrag in strijd is met Allahs geboden (NOS 12/9/2019). Okay, dat mag hij doen. Maar hij gaat volgens mij over de rechtsstatelijke schreef als hij reformatorisch-christelijke en joodse basisscholen in dat opzicht ongemoeid laat. Uit het oogpunt van Gelijke Behandeling had hij de Onderwijsinspectie in-één-moeite-door moeten opdragen te controleren of leerlingen van dié scholen eveneens de bijbelse opvattingen over de zondigheid van homoseksueel gedrag krijgen ingeprent. Uit het recente EO-programma van Jacobine over de Biblebelt (NPOstart 14/9/2019) leren we overigens dat het niet zozeer van belang is of men homoseksueel gedrag als zondig bestempelt maar hoe men met die zo­genaamde zondaars meent te moeten omgaan.

Onbedoelde effecten van het boerkaverbod

Wes Holleman | 01-09-2019 | 2 Reacties » | permalink

Sinds 1 augustus 2019 is het wettelijk verboden een gezichtsbedekkende nikab of boerka te dragen in treinen, metro’s, trams en bussen, alsmede in overheids-, onderwijs- en zorg­gebouwen en op de bijbehorende ‘erven’. Overtreding van dit verbod wordt gestraft met een forse geldboete. Het Algemeen Dagblad (31/7/2019) wijst erop dat een nikab- of boerka­draagster bij overtreding van het verbod bovendien het risico loopt hardhandig door vigilante burgers te worden aangehouden in afwachting van de komst van de politie. Dat effect had de wetgever vast niet voorzien: dat het wettelijk verbod op gezichtsbedekkende kleding, in combi­na­tie met het wettige burgerarrest, door heethoofdige burgers verstaan kan worden als een vrij­brief om nikab- en boerkadraagsters in naam der wet te molesteren. En kennelijk heeft de wet­gever evenmin beseft dat een gemolesteerde nikab- of boerkadraagster geen kant uit kan: vol­gens de letter van de wet wordt haar de toegang tot de huisarts, tot het ziekenhuis en tot de aan­giftebalie van het politiebureau ontzegd, tenzij ze zich van de gewraakte kleding ontdoet.
Bij de behandeling van het wetsvoorstel heeft de regering toegezegd de bedoelde en onbedoelde effecten van de wet daadwerkelijk in de gaten te zullen houden en na een periode van twee tot drie jaar haar bevindingen in kaart te zullen brengen (bron). In een recent NRC-artikel (20/8/2019) rapporteert mbo- en hbo-docent Karim Amghar zeer nadelige effecten voor docenten die discriminatie trachten te bestrijden en polarisering en radicalisering trachten terug te dringen. [Amghar is tevens docententrainer en onderwijs­adviseur.] Want hoe je het ook wendt of keert: met het wettelijke ‘boerkaverbod’ predikt de Nederlandse overheid luid en duidelijk dat we sommige bevolkingsgroepen botweg mogen discrimineren en dat we hun het leven onmogelijk mogen maken als zij zich niet aan onze kleedgewoonten conformeren. Op die manier worden goedwillende moslimleerlingen in het Nederlandse onderwijsbestel in ver­warring gebracht: hoe kan ik in mijn persoonlijk leven verdraagzaamheid nastreven jegens de autochtone en allochtone medemens in de Nederlandse multiculturele samenleving als de overheid zelf decreteert dat we niet verdraagzaam mogen zijn jegens het kluizenaarshabijt van sommige moslima’s? En ook Hollandse kaaskoppen worden in verwarring gebracht als ze gevoelig zijn voor extreemrechts gedachtengoed: waarom moet ik in mijn persoonlijk leven verdraagzaamheid nastreven jegens moslims in de Nederlandse samenleving als de overheid zelf decreteert dat we niet verdraagzaam hoeven te zijn jegens de buitenissige kleding­keuze van sommige moslima’s?

De dictatuur van de schoolcijfers

Wes Holleman | 21-08-2019 | 1 Reactie » | permalink

Het Nederlandse onderwijsbestel wordt geregeerd door schoolcijfers en diploma’s. In het juli­nummer van het AOb-Onderwijsblad wijst Sanne van Sadelhoff op pogingen in het middelbaar onderwijs om het aantal schoolcijfers over het schooljaar heen terug te dringen en meer nadruk te leggen op formatieve interventies: aan welke dingen moet je de komende weken nog extra werken om dit trimester op schema te blijven? In vorige blogberichten (28/9/2011, 6/5/2018, 4/5/2019) werd op dat zelfde thema geborduurd, waarbij soms ook (als neventhema) de formatieve functie van summatieve toetsen naar voren komt.
In het AOb-artikel wordt de leerling minder vaak afgerekend met een cijfer-dat-meetelt-voor-het-eindrapport, maar cijfers worden niet afgeschaft. Dat gaat dus niet zo ver als het model van Mastery Learning (beheersingsleren) dat door B.S. Bloom geïntroduceerd is. In dat model wordt de formatieve toetsing voortgezet totdat de leerling het onderwijsdoel voor 100% bereikt heeft. Uiteindelijk krijgt iedere leerling dus een tien, maar de één heeft daarvoor méér tijd nodig dan de ander. Op kleine schaal wordt dit principe soms toegepast bij maakopdrachten: je bent pas van me af als je een product met ‘zero defects’ hebt afgeleverd (6/7/2009).
Ykje Vriesinga (NRC 13/8/2019) bespreekt een andere benadering om de dictatuur van de schoolcijfers te doorbreken. Waarom kijken ouders vooral zorgelijk naar de vieren en vijven in plaats van dat ze hun ouderlijke zorg op de hoge cijfers richten: hoe zorgen we dat de sterke kanten van ons kind optimaal tot ontwikkeling worden gebracht? Op stelselniveau richt deze discussie zich op de vraag in hoeverre alle leerlingen naar een diploma van het zelfde niveau moeten worden gebracht, of dat sommige vakken op een lager c.q. hoger niveau mogen worden afgelegd, of dat men in plaats van een diploma een dossiergetuigschrift verleent, waarin precies vermeld wordt wat de abituriënt in z’n mars heeft (26/5/2008, 29/9/2010).
Hiermee komen we tevens in de buurt van de masterycertificaten: geef leerlingen de mogelijk­heid certificaten te behalen ten bewijze dat ze bepaalde, welomschreven vaardigheden/compe­tenties voor 100% beheersen (18/5/2009, 9/12/2010, 17/3/2013, 8/12/2013).

Het passief kiesrecht van de studerende burger

Wes Holleman | 18-08-2019 | 1 Reactie » | permalink

Worden politiek actieve studenten gediscrimineerd door de universiteiten en hogescholen? Student-leden van interne bestuurs- en medezeggenschapsorganen, bestuursleden van studentenverenigingen en topsporters worden coulant behandeld in hun studie en krijgen dispensatie van allerlei regels, maar gekozen volksvertegenwoordigers (zoals studenten die in de gemeenteraad zitten) vangen achter het net. De Leidse afdeling van de CDA-jongeren­organisatie (CDJA) vindt dat onrechtvaardig. Zij heeft een petitie op touw gezet om de Universiteit Leiden ertoe te bewegen studenten coulant te behandelen als ze een politieke functie vervullen of anderszins maatschappelijk actief zijn in intensief vrijwilligerswerk. Op de nieuwssite van RTV Omroep West (8/8/2019) komen studerende gemeenteraadsleden uit Den Haag (PvdA) en Katwijk (fractie Durf) aan het woord, en op de nieuwssite van de Leidse RTV Unity NU (12/8/2019) ook een studerend duo-raadslid uit Leiden (CDA).
Het CDJA heeft groot gelijk met zijn pleidooi voor verbetering van de rechtspositie van studenten die een politieke functie vervullen. In onze democratische rechtsstaat genieten burgers vanaf hun 18e levensjaar het actief en passief kiesrecht. Idealiter vormt de centrale en décentrale volksvertegenwoordiging een evenwichtige afspiegeling van de samenleving (BZK 2015, pp. 45, 64-69, 117): zodat de stem van iedere burger gehoord wordt en de belangen van iedere burger worden meegewogen. Dus ook de stem van jongeren en studerenden; de stem van have-nots en uitkeringstrekkers; en de stem van ouderen en gepensioneerden. Wat de rechtspositie van volksvertegenwoordigers in de Eerste Kamer en de décentrale overheden betreft, gaat men er tegenwoordig van uit (a) dat zij hun politieke werkzaamheden als een nevenfunctie uitoefenen, (b) dat het aanbevelenswaardig is daarnaast een hoofd­functie te blijven vervullen om de binding met de maatschappij te behouden, maar (c) dat het uit een oogpunt van belastbaarheid voor deze volksvertegenwoordigers eigenlijk ondoenlijk is hun politieke taken naast een fulltime hoofdfunctie te vervullen (BZK 2015, pp. 45-49, 79-88).
Er is dus voor de wetgever alle reden om het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 te wijzigen, zodat het bekleden van de bedoelde politieke functies als een persoonlijke omstandigheid geldt waarmee rekening moet worden gehouden bij het uitbrengen van het Bindend Studieadvies in de propedeuse. En naar analogie daarvan dienen universiteiten en hogescholen hun interne regels te veranderen, zodat niet alleen de student-leden van interne bestuurs- en medezeggenschapsorganen maar ook studerende volks­vertegenwoordigers recht hebben op coulante behandeling in hun studie.
Bronnen: Vereniging van Nederlandse Gemeenten: Rechtspositie Raads- en commissieleden; Ministerie van Binnenlandse Zaken (BZK 2015): Bijzondere ambten, een toegesneden rechtspositie: integrale visie (rechts)positie politieke ambtsdragers

VO-leerlingen: hoe kom je voor je belangen op? (II)

Wes Holleman | 11-08-2019 | 1 Reactie » | permalink

In mijn vorige blogbericht heb ik tien routes onderscheiden die vo-leerlingen kunnen kiezen om voor hun belangen op te komen. Maar vervolgens moeten ze zich bij elk van de tien alter­natieven afvragen of het in hun concrete geval ook verstandig is die route te bewandelen. Met het oog daarop zal ik proberen deze tien routes op hun bruikbaarheid te evalueren. Bij deze evaluatie moeten we rekening houden met het profiel van de modale schoolorganisatie:
a) Een vo-school is een leefgemeenschap waarin leerplichtige leerlingen in principe ettelijke jaren doorbrengen. De relatie met de school en met de medeleerlingen is dus essentieel anders dan de relatie van de klant met zijn leverancier. Het is onverstandig conflicten op de spits te drijven als daarmee een duurzaam, harmonieus lidmaatschap van de leefgemeenschap in de waagschaal wordt gesteld.
b) Alle betrokkenen verwachten van elkaar dat ze loyaal zijn aan de school en dat ze de be­langen van de school, en haar eer en goede naam, niet zullen schaden. Leerlingen en ouders die deze verwachting beschamen, hebben repercussies te duchten.
c) Een vo-school heeft een ‘staff-inmate split’ (Goffman): in het algemeen heeft de staf het voor het zeggen en moeten de leerlingen gehoorzamen en als ze dat niet doen, worden ze minder welwillend bejegend en kunnen ze gestraft of van school gestuurd worden. Binnen de organi­satie bestaat er een groot statusverschil tussen de stafleden enerzijds en de leerlingen anderzijds. De maatschappij geeft aan de school een vrij ruim mandaat in haar machts­uitoefening, aangezien de school een opvoedings- en vormingstaak heeft en aangezien het nou eenmaal een zware opgave is de de roerige jeugd in het gareel te houden. Er is weinig toezicht op de machtsuitoefening van de staf: stafleden kunnen regels dus aan hun laars lappen en hun macht misbruiken. Het is voor leerlingen onverstandig om de staf tegen zich in het harnas te jagen. En bij het indienen van klachten tegen stafleden is het in elk geval raadzaam duidelijk te vermelden op welke regels (c.q. gerechtvaardigde verwachtingen) volgens de klager inbreuk is gemaakt.
d) Een vo-school wordt door de wetgever beschouwd als een professionele organisatie, waarin de professionals zich ver­antwoordelijk gedragen jegens degenen die als cliënt in een afhankelijkheidsrelatie tot hen staan. Dat komt tot uiting in een Professioneel Statuut waarin die eigen verantwoordelijkheid is vastgelegd (tegenover de lijnverantwoordelijkheden van bestuur en directie), in een beroepsstandaard, ethische code of beroepscode waarop ze kunnen worden aangesproken en in een vorm van collegiale zelfregulering binnen de professionele staf (en eventueel een tuchtrechelijke zelfregulering binnen de beroepsgroep). In het Nederlandse voortgezet onderwijs zijn dergelijke professionele mechanismes voor de bescherming van de belangen van leerlingen naar mijn indruk onderontwikkeld.
e) In de modale schoolorganisatie vormen staf en leerlingen gesloten blokken die tegenover elkaar staan. Stafleden verwachten van elkaar dat ze collegiale loyaliteit betrachten en dat ze elkaars gezag jegens leerlingen niet ondermijnen. Van hun kant vinden leerlingen dat ze onderling solidair moeten blijven en dat ze elkaar niet mogen verlinken aan de staf. Voor beide blokken geldt dat men integer met elkaar meent te moeten omgaan binnen het eigen blok, maar dat men aan de verleiding blootstaat gebrek aan integriteit in de omgang met leden van het andere blok met de mantel der liefde te bedekken. Tussen de beide blokken bestaat dus nogal wat wantrouwen. Klachten worden al gauw, bij gebrek aan overtuigend bewijs, ongegrond verklaard.
Lees verder … (PDF)