Verwarrende beleidslijnen

Wes Holleman | 28-04-2020 | 4 Reacties » | permalink

De overheid behoort in deze coronatijden duidelijk onderscheid te maken tussen adviezen en bindende voorschriften. Ik gun mijzelf de luxe om eenmaal per week samen met mijn wandel­vriendin per auto naar een klompenpad te rijden om daar een frisse neus te halen. Ik heb be­grepen dat dit weliswaar niet door de overheid gestimuleerd wordt, maar dat dit niet verboden is en dat we ten op­zichte van elkaar ook niet de anderhalvemeter-norm in acht hoeven te nemen. Mijn naasten menen echter dat ik zodoende bindende overheidsvoorschriften overtreed. Ik vraag me af wat er is misgegaan in de overheidscommunicatie dat weldenkende mensen tot zulke tegenstrijdige interpretaties van de geldende regels kunnen komen.
Maar verleden zondag bleek de verwarring ook bij overheidsdienaren en in de media te hebben toegeslagen. In het zesuurjournaal van de NOS werd een Utrechtse BOA ten tonele gevoerd die een drietal jonge vrouwen vriendelijk doch dreigend waarschuwde dat ze in overtreding waren. Ze zaten samen op het gras in het park, keurig anderhalve meter uit elkaar. In het nieuwsitem werd niet uitgelegd welke overheidsregels overtreden werden. Konden de drie vrouwen zich niet beroepen op artikel 2.2 van de Utrechtse noodverordening d.d. 3 april 2020?
Dit is allemaal klein bier, vergeleken met de verwarrende beleidslijnen die in het Servicedocu­ment Hoger Onderwijs (OCW 24/4/2020) zijn opgenomen. In artikel 7.51 WHW is bepaald dat studenten die door bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen, financiële onder­steuning kunnen aanvragen bij het Profileringsfonds van hun instelling. Eén van de gronden die daarbij kunnen worden aangevoerd (lid 2f) is dat de opleiding onvoldoende studeerbaar is, d.w.z. dat een normstudent het aangeboden curriculum niet zonder studievertraging kan doorlopen. Maar de minister ziet de bui al hangen. In §2.8.1 van het Servicedocument haast ze zich te verklaren dat de wetgever niet bedoeld heeft dat Onvoldoende Studeerbaarheid kan worden aangevoerd als deze het gevolg is geweest van ‘de noodgedwongen aanpassingen in het onderwijsprogramma die de instelling als gevolg van de kabinets­maatregelen heeft moeten doen.’ Een overmachtssituatie voor studenten geldt dus niet indien deze voortkomt uit een overmachts­situatie van hun instelling. Deze curieuze civielrechtelijke wetsinterpretatie mag nog wel eens ter toetsing aan de bestuursrechter (CBHO) worden voorgelegd. De desbetreffende publiekrechtelijke aanspraken worden hun ontzegd, terwijl hun publiekrechtelijke verplich­tingen (de betaling van collegegeld) gehandhaafd worden en terwijl niet ontkend wordt dat ze te lijden hebben van de lockdown van hun universiteit of hogeschool en van hun stage­biedende instellingen.
Onvoldoende studeerbaarheid speelt trouwens ook een rol in de wettelijke regeling van het Bindend Studieadvies Propedeuse (artikel 7.8b WHW). Wegstuurbeslissingen mogen namelijk niet worden uitgebracht tenzij men in de propedeutische fase ‘zorgt voor zodanige voorzie­ningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd’. Met andere woorden: aan het eind van het eerste verblijfsjaar mag een eerstejaarsstudent niet wegens onvoldoende studievoortgang worden verwijderd uit de opleiding als de mogelijkheden voor het boeken van goede studievoortgang in het eerste verblijfsjaar niet zijn gewaarborgd. In §3 van haar eerste Servicedocument (19/3/2020) trok de minister de terechte conclusie dat een wegstuurbeslissing, gezien de lockdown, pas kan worden uitgebracht in het tweede verblijfsjaar van de student. Dit stuitte echter op weerstand bij sommige opleidingen omdat de opleidings­capaciteit van de postpropedeuse niet voldoende was om al die nieuwe studenten op te vangen (ScienceGuide 20/3/2020). In haar nieuwe Servicedocument d.d. 24/4/2020 stelt de minister dat opleidingen ‘er ook voor (kunnen) kiezen nadere richtlijnen vast te stellen die voor studenten duidelijk maken wanneer zij voor uitstel van [de wegstuurbeslissing van het eerste naar het tweede verblijfsjaar] in aanmerking komen. Maar ik vraag me af in hoeverre dat binnen de kaders van de Wet Hoger Onderwijs mogelijk is.

Naar een exitstrategie

Wes Holleman | 19-04-2020 | 2 Reacties » | permalink

De po- en vo-leerlingen zitten nu ruim een maand thuis en de meesten willen dolgraag weer naar school. Maar de vraag is wanneer de Regering daartoe groen licht geeft. Zij laat zich hierover adviseren door de deskundigen van het Outbreak Management Team. Maar behalve door virologische overwegingen laat de Regering zich ook door economische en maat­schappe­lijke belangen leiden. Het zou bijvoorbeeld mooi zijn als de basisscholen en de buiten­schoolse opvang snel kunnen worden opgestart, want dan kunnen de ouders zich weer voor de volle 100% aan hun betaalde werkzaamheden wijden. Bovendien is het basisonderwijs essentieel om alle leerlingen gelijke kansen op een optimale schoolloopbaan te bieden en om hen daarop gedegen voor te bereiden.
Anderzijds hebben kinderen onder de dertien jaar, vergeleken met hun oudere broers en zusters, weinig te lijden van het corona­regiem. Volgens de overheidsregels d.d. 23 maart hoeven ze noch binnen- noch buitenshuis de 1,5 meter afstand in acht te nemen, en ze mogen (onder toezicht van ouders of voogden) buitenspelen. Volgens de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s moet de Regering zich veeleer zorgen maken over de jongeren bóven de twaalf jaar (WNL.tv 18/4/2020). In elk geval tot 28 april wordt van hen verwacht dat ze zoveel mogelijk thuis blijven en slechts spaarzaam bezoek ontvangen. Niet alleen is hun school gesloten, maar ook hun betaalde baantjes en hun sportactiviteiten zijn opgeschort. Samenscholing van twee of meer personen in de publieke ruimte is verboden, tenzij de veilige afstand van 1,5 meter in acht wordt genomen. Voorzitter Bruls van het 25-koppige Veiligheidsberaad stelt dat deze maat­regelen na 28 april geleidelijk voor jongeren versoepeld moeten worden, want ze zijn voor hen steeds moeilijker vol te houden.
Voor jongeren van middelbareschoolleeftijd is de school en de sportclub een belangrijk tref­punt. Ze wonen verder weg van hun vrienden, vergeleken met de buurt- en wijkgebonden sociale horizon van kinderen in de basisschoolleeftijd. Door de lockdown dreigen ze te ver­eenzamen en dat risico neemt toe als er binnen het afstandsonderwijs te weinig ruimte wordt gecreëerd voor sociale interactie met klasgenoten. In Education Week (16/4/2020) wordt door twee ontwikkelingspsychologen uitgelegd dat jongeren van middelbareschoolleeftijd (adoles­centie en pre-adolescentie) in hun ontwikkeling worden geschaad als ze, ingesloten in het ouderlijke gezin, worden afgesneden van hun eigen sociale kring van vrienden, vriendinnen en leeftijdgenoten.
En dan is er ook nog die vergeten groep: de bewoners van studentenflats en studentenhuizen. Het zijn kamerbewoners die samen met z’n tienen een keuken, douche en wc en vaak ook een woonkamer en een balkonterras of tuin delen. De juridische vraag is of zij, net als een gezin, een huishouden vormen. Of moeten ze gewoon worden beboet als ze niet de veilige afstand van 1,5 meter in acht nemen? Er zijn al bewoners getroffen door een boete van 390 euro. Advocaat Justin Kötter maakt zich daar boos over, vooral ook omdat het hier om een strafbeschikking gaat, die op je strafblad komt.

Gehandicapt: recht op redelijke aanpassingen (III)

Wes Holleman | 13-04-2020 | 1 Reactie » | permalink

Hoe gaan we met gehandicapte leerlingen om? Moeten zij zich aanpassen aan ons, of moeten wij ons ook aanpassen aan hen? Vroeger was dat duidelijk: ze mogen blij zijn dat we hen toe­laten tot onze school en ze moeten geen kapsones krijgen. Volgens hedendaagse wetgeving en jurisprudentie hebben ze echter recht op redelijke aanpassingen, opdat ze net als ieder ander kunnen participeren aan het dagelijkse schoolleven.
Laten we haar Maria noemen. Ze is een rolstoelgebonden leerling van het Michaël College. Dat is een dependance van de dalton­school Markenhage, die tot de Katholieke Scholengemeen­schap Breda behoort en die bestuurlijk onder de Stichting Katholiek V.O. Breda en Omgeving valt. Per augustus 2017 trok het Michaël College (Vrije School) samen met het Orion Lyceum (Pleion) bij hun vernieuwbouwde grote broer Markenhage in. Ze delen dus een modern, drie­ledig gebouw, en de bedoeling is dat ze wat de havo- en vwo-bovenbouw betreft intensief gaan samenwerken. Maar ze hebben elk een eigen vestigingsdirecteur.
We hadden het dus over Maria. Toen ze in 2017 als brugpieper met haar rolstoel het nieuwe gebouw binnenreed, stuitte ze op twee obstakels. Bij de centrale toegangsdeur moest ze de hulp van anderen inroepen, want op eigen houtje kwam ze er niet in. Vervolgens was er nog een dub­bele branddeur die toegang gaf tot het Michaël College. De magneetdeuren werden elke avond vanuit de centrale portiersloge gesloten en de volgende ochtend werd de conciërge geacht de deuren weer open te zetten. Soms werd dat vergeten en misschien werden de deuren ook wel eens per abuis door een leerling of leraar dichtgetrokken. En dan stond Maria weer voor een dichte branddeur en moest ze iemand vinden om haar van dienst te zijn.
Maria’s ouders hebben sinds augustus 2017 herhaaldelijk verzocht deze twee problemen te verhelpen. Maar na twee jaar (september 2019) hadden ze er genoeg van. Ze dienden een klacht in, bij het College voor de Rechten van de Mens (CRM): onze gehandicapte dochter wordt gediscrimineerd. Uiteindelijk is de centrale toegangsdeur in de laatstleden kerstvakantie aangepast. Maria kan deze deur nu van beide zijden met een elektronisch mechanisme openen. Maar de branddeur vormt nog steeds een obstakel. Het CRM, de Nederlandse waakhond op het gebied van discriminatie, heeft in februari uitspraak gedaan: de Stichting (het bevoegd gezag van het Michaël College) heeft Maria gediscrimineerd door niet binnen een redelijke termijn, ten behoeve van haar, doeltreffende aan­pas­singen te verrichten. Tevens heeft het CRM brieven aan de verantwoordelijke ministers van Binnenlandse Zaken (bouwregelgeving) en Onderwijs (po/vo) gestuurd om hen aan de hand van deze casus erop te attenderen dat de normen van het scholenbouwbeleid verduidelijkt moeten worden en dat er jegens scholen een activerend beleid moet worden gevoerd om de fysieke toegankelijkheid van bestaande schoolgebouwen te ver­beteren.
Bron: Oordeel 2020-9 van het CRM (11/2/2020); Briefadviezen d.d. 25/2/2020 aan minister Knops (biza) en minister Slob (ocw)

Beetje dom

Wes Holleman | 08-04-2020 | 2 Reacties » | permalink

Marc van Oostendorp werkt aan de Radboud Universiteit en aan het Meertens Instituut van de Koninklijke Akademie. Hij is hoog­leraar Nederlands en Academische Communicatie. Op 1 april heeft hij niets van zich laten horen. Maar op 2 april schreef hij een column in het online tijdschrift Neerlandistiek onder de titel Laten we pas op de plaats maken. Op 3 april werd de tekst (met zijn toestemming?) herplaatst in het Nijmeegse Vox-magazine. Hij pleit ervoor dat dit rampzalige semester per omgaande beëindigd wordt, omdat de staf door het verzorgen van online onderwijs en online tentamens overbelast raakt. Zijn universitaire collega’s reageren positief. Als de onderwijs- en tentamenactiviteiten in dit coronasemester gestaakt worden, blijven de maandelijkse salaris­betalingen gewoon op hun bankgiro binnenstromen. En als de druk van de onderwijsketel af is, kunnen ze eindelijk weer wat meer tijd in hun onderzoek steken.
Maar er reageren ook ettelijke studenten en hun reacties zijn negatief. Ten gevolge van de corona-lockdown zijn ze hun betaalde bijbaantjes kwijt. Sportbeoefening is nagenoeg onmoge­lijk geworden, Als nu de druk van de studie- en tentamenketel eveneens op nul wordt gezet, dan zijn zij veroordeeld om een half jaar lang werkeloos terneer te zitten. Onderwijl moeten ze blijven eten en wonen en ook hun andere vaste lasten (waaronder collegegeld?) lopen door. Zij moeten zich dus extra in de schulden steken om het hoofd boven water te houden en boven­dien wordt de duur van hun betaalde beroepsloopbaan met een half jaar bekort.
Wat moeten we vinden van deze column? Weinig empathisch? Hij leeft zich wel in het lot van de universitaire staf in, maar hij ver­geet dat de universiteit in maatschappelijk opzicht failliet gaat als zij geen oog meer heeft voor het lot van haar klanten. Ik houd het op: beetje dom.

Grade Point Average

Wes Holleman | 07-04-2020 | 5 Reacties » | permalink

Verleden woensdag, dat was toevallig 1 april, heeft Anthony Salandy (een internationale stu­dent van de UvA) een petitie opgestart op de website Change.org. Hij wil dat de Universiteit van Amsterdam tijdelijk stopt met de gewoonte om tentamenprestaties op een tienpunts schaal te beoordelen en dat zij in plaats daarvan een tweepunts schaal hanteert: pass or fail (geslaagd of gezakt). Hij stelt dus voor dat de huidige tentamens niet meetellen in de berekening van het GPA (het gemiddeld behaalde cijfer). De GPA-gegevens van de bachelorfase spelen een cen­trale rol in de toelatingsselectie tot de masterfase en in de toekenning van exameniudicia (zoals cum laude). Maar ze kunnen ook tijdens de bacheloropleiding een rol spelen (bv. bij de toe­lating tot honourstrajecten of bij de toe­stemming voor een studiesemester in het buitenland).
De petitie is bedoeld om de gevolgen van de corona-lockdown op te vangen. Vele studenten zijn, in afwachting van beter tijden, naar hun ouders teruggekeerd en trachten vandaaruit het aan­geboden afstandsonderwijs te volgen. Dat geeft allerlei stressvolle pro­blemen, zoals voor die student die momenteel bij zijn ouders in Lahore zit. Hij heeft een soortgelijke petitie onder­tekend, gericht aan Columbia University en Barnard College. Ter toelichting schreef hij: ‘All my classes are from 1-6am. Plus the internet isn’t as stable in Pakistan.’ Hij vond het onrecht­vaardig als hij niet alleen zou worden afgerekend op de vakken die hij onder deze barre omstan­dig­heden voltooid heeft, maar ook op de hoogte van de cijfers (letter-grades) die hij daarmee heeft verworven.
Inmiddels hebben vele Amerikaanse universiteiten, waaronder Columbia, Harvard, Stanford en het Massachusetts Institute of Technology, tijdelijk met hun traditionele beoordelingssysteem gebroken en het pass-fail systeem ingevoerd. Andere instellingen hebben besloten dat studenten mogen kiezen tussen een pass-fail tentaminering enerzijds en de traditionele letter-grading ander­zijds. De letter-grades (Aplus, A, Aminus, en zo door tot F=faliekant gezakt) vormen de basis voor de berekening van het Grade Point Average. Een hoog GPA is de gouden sleutel tot een goede masteropleiding en tot een goede beroepscarrière. Maar zoals Allison Stanger betoogt (Chronicle HE 19/3/2020), is handhaving van de traditionele letter-grading in het lopende semester eigenlijk niet verdedigbaar. Want het is bijna onmogelijk om studenten evenwichtig op een tienpunts schaal naar hun prestatie te rangordenen. Bij afstandsonderwijs kan de kwaliteit van de beoordeling immers worden ondermijnd door persoonlijke omstandig­heden die het leveren van de beoordeelde prestatie hebben belemmerd (een tentamensessie om twee uur ’s nachts) en door frauduleuze factoren die het leveren van die prestatie hebben begunstigd.
De basisvoorwaarde voor het rangordenen van studenten is a level playing field voor alle tentaminandi. Aan die basisvoorwaarde kan bij toetsing-op-afstand nauwelijks worden voldaan. Op zichzelf is het niet zo erg indien men de prestaties van studenten tijdens de coronacrisis met een veel te gedifferentieerd arsenaal van cijfers (of letters) blijft beoordelen. Maar het is onaanvaardbaar indien men op basis van die onbetrouwbare cijfers (of letters), als een kip zonder kop, beslissingen neemt die verregaande consequenties hebben voor de studie- en beroepsloopbaan van de student.

Pre-teaching

Wes Holleman | 04-04-2020 | 3 Reacties » | permalink

We hebben het over een variant van bijspijkeronderwijs. Op de website instructiegemist.nl wordt uitgelegd wat het betekent: ‘(pre-teaching is dat je) het kind voorafgaand aan de les instructie geeft over de les die gaat komen. Hierdoor hoort de leerling de uitleg (…) tweemaal.’ De website, oorspronkelijk bestemd voor zieke leerlingen, hoort bij het afstandsonderwijs van de basisschool Noorderlicht in Den Bosch. Met behulp van pre-teaching zorgen de leerkrachten dat de aan huis gekluisterde kinderen hun achter­standen sneller kunnen inhalen zodra ze weer terugkomen op school.
De gewestelijke overheid in Vlaanderen (3/4/2020) introduceert pre-teaching als leidend principe voor het afstandsonderwijs dat scholen in verband met de coronacrisis aanbieden. Daarbij worden twee randvoorwaarden voorgesteld:
a) ‘De leertijd van leerlingen mag maximaal de helft bedragen van de werkelijke leertijd in de klas. Want online zelfstandig leren is een pak intensiever dan les krijgen in de klas. D.w.z. dat leerlingen 3 tot maximaal 4 uur per dag aan het werk zijn voor school.’
b) ‘Druk (de ouders) op het hart dat hun rol bestaat uit de juiste context creëren om hun kind te laten leren en dat ze dus geen “vervang-leraren” zijn.’ ‘Beperk (hun) actieve betrokkenheid (…) bij de opdrachten van hun kind tot maximaal 2 uur per week en hou ook daarbij rekening met (hun on-)mogelijkheden.’ En ‘beperk ook de tijd die ouders moeten stoppen in effectieve instructie of begeleiding.’
Advies: maak voor alle zekerheid even een pdf-print van dit doortimmerde Vlaamse overheids­document.

Online tentamens: hoe voorkom je fraude?

Wes Holleman | 02-04-2020 | 4 Reacties » | permalink

Op de website van de Universiteit Maastricht is een pagina gewijd aan de preventie van fraude in online tentamens. Geadviseerd wordt een tentamenopzet te kiezen die zo min mogelijk gevoelig is voor fraude, bijvoorbeeld een essaytentamen met enerzijds een strakke tijdslimiet maar anderzijds de mogelijkheid om het studieboek en persoonlijke aantekeningen te raad­plegen. Zo’n ten­tamenopzet (openboektentamen met tijdslimiet) remt enigszins af dat de student zich tijdens de tentamensessie door anderen laat souffleren.
Maar zo’n opzet is natuurlijk niet waterdicht. De ‘School of Business and Economy’ heeft een tentamen onder 100 masterstudenten afgenomen. Vervolgens wees controle met de plagiaat­checker uit dat enkele vragen door tien studenten in exact dezelfde bewoor­dingen zijn be­antwoord (Observant 2/4/2020). Ze moeten nu aan de examencommissie uitleggen hoe dat gekomen is.
Laten we eens aannemen dat die tien studenten zich niet aan fraude hebben schuldig gemaakt. In dat geval zouden ze de identieke antwoorden misschien kunnen verklaren als ze bij de voor­bereiding van het tentamen intensief hebben samengewerkt, hetgeen dan zou zijn uitgemond in hoge tekstuele overeenkomsten tussen hun persoonlijke aantekeningen. Of hebben ze de tekst van de opge­geven hoofdstukken uit het studieboek (en de tekst van de ondersteunende col­leges?) in digitale vorm opgeslagen en hebben ze een slimme zoekfunctie gebruikt om daaruit hun antwoorden te destilleren? Of hebben ze misschien bij het voorbereiden en afleggen van het tentamen een andere tekst geraadpleegd, bijvoorbeeld een standaarduittreksel dat op sites zoals Stuvia.nl wordt aangeboden?

Wie betaalt de laptop voor afstandsonderwijs?

Wes Holleman | 29-03-2020 | 4 Reacties » | permalink

Nu de leerplichtige leerlingen in verband met het coronavirus niet naar school kunnen, wordt van de scholen verwacht dat ze af­standsonderwijs verzorgen. In veel gevallen moet iedere leerling daartoe thuis over een eigen laptop en een emailverbinding be­schikken. Wie moet die laptop(s) betalen? De wetgever heeft bepaald dat de schoolboeken gratis zijn. Daarom kwam de Onderwijs­inspectie in 2017 tot het volgende antwoord: ‘Op het moment dat scholen [in het vo] volledig of grotendeels schoolboeken ver­vangen door digitaal lesmateriaal en het bezit van een laptop of tablet voor het leerproces noodzakelijk is geworden, dienen scholen hierin zelf te voorzien’. Hoe moeten we de hier gestelde voorwaarde interpreteren? Ik denk dat de bedoelde voorwaarde al vervuld is als één van de vakdocenten in één klas de papieren leermiddelen van zijn vak afschaft en volledig overgaat op digitale leer­middelen. Daarmee ontstaat voor de school een verplichting om aan de betrokken leerlingen gratis een laptop voor thuisgebruik te fourneren, althans indien van hen verwacht wordt dat ze de huiswerktaken voor dat schoolvak thuis op hun laptop maken.
In 2018 stelde de minister in antwoord op schriftelijke Kamervragen: ‘Als een school volledig overgaat op digitale leermiddelen dan moet de school in laptops of tablets voor­zien als ouders deze niet kunnen of willen betalen.’ De minister voegt daaraan toe: ‘Scholen mogen ouders niet verplichten om een laptop of tablet te betalen. Als een school volledig overgaat op digitale leermiddelen dan moet de school in laptops of tablets voorzien. De school mag hiervoor een bijdrage van de ouders vragen, maar is verplicht om te be­nadrukken dat die bijdrage vrijwillig is. Als de vrijwillige bijdrage niet wordt betaald, dient de school zelf in een alternatief te voor­zien.’ Hier wordt bedoeld dat de school in dat geval, als passend alternatief, niet-digitale leermiddelen moet aanbieden.
Het blijft echter een kronkelige stellingname. Is het niet logischer scholen te verplichten om voor thuisgebruik in een gratis laptop of tablet te voorzien tenzij ze kunnen aantonen dat het apparaat niet noodzakelijk is voor volwaardige deelname aan het aangeboden onderwijs- en leersysteem? In 2019 wilde de minister er nog niet aan, maar hij schoof wel een stukje in die richting op. In een Kamerbrief stelde hij: ‘Een andere belangrijke kostenpost voor ouders in het voortgezet onderwijs is de aanschaf van een laptop of tablet voor hun kind. Hoewel volledig digitaal werken geen doel op zich is, moet ieder kind de kansen die digitale leermiddelen bieden kunnen benutten. Werken op papier is daarbij geen volwaardig alternatief van een digitale leeromgeving. Op het moment dat het bezit van een laptop of tablet voor het leerproces noodzakelijk is geworden, dienen scholen hierin zelf te voorzien als ouders deze zelf niet kunnen aanschaffen.’
Maar nu de coronacrisis anno 2020 is ingetreden, blijkt dat de aangedragen voorwaarden voor het gratis gebruik van een laptop volstrekt achterhaald zijn: de laptop is niet alleen essentieel voor het aanbieden van digitale leermiddelen, maar ook voor het organiseren van afstands­onder­wijs en voor de communicatie tussen school en leerling, tussen leraar en leerling en tussen leerlingen onderling.
Lees verder … (PDF)

Wat is academische vrijheid? (VIII)

Wes Holleman | 22-03-2020 | 3 Reacties » | permalink

Zoals eerder bericht, heeft een van onze openbare universiteiten nieuwe regels ingevoerd om commerciële en ideële reclame tegen te gaan. Zo is het voortaan verboden op de campus propaganda te bedrijven voor politieke partijen of religieuze/levensbeschouwelijke instellingen (DUB 1/7/2019). Het is eigenlijk wel begrijpelijk dat een universiteit regels wil stellen om te voorkomen dat binnen haar muren en terreinen activiteiten worden ontplooid die vreemd zijn aan de wetenschappelijke en intellectuele dialoog, aan het streven naar academische vorming en aan de ontwikkeling van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Maar toch is zo’n verbod op het maken van propaganda of anti-propaganda nogal tricky. Het is nog maar een kleine stap verder en het universiteitsbestuur verbiedt studenten ook zich demonstratief op de campus tegen Johnson Molenaar uit te spreken.
In de Verenigde Staten is het ondenkbaar dat een universiteitsbestuur politiek of religie uit de campus zou weren. Openbare universiteiten maken namelijk deel uit van het staatsapparaat en moeten zich dientengevolge houden aan het grondwettelijke First Amendment, waarin de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd wordt (alsook de vrijheid om opvattingen niet te onderschrijven).
Maar John Kroger denkt daar anders over (Inside Higher Ed 3/3/2020). Kroger is jurist, geboren in 1966. Hij was Minister van Justitie van de staat Oregon (2009-2012) en bestuurde vervolgens zes jaar lang een gerenommeerd ‘liberal arts college’ (het Reed College in Portland, Oregon). Verwijzend naar bestaande Amerikaanse jurisprudentie meent Kroger dat de universiteit als rechtspersoon aanspraak kan maken op een institutionele vrijheid van meningsuiting en dat de universiteit dus ook bevoegd is te besluiten dat bepaalde opvattingen niet vanuit haar spreekgestoelten (c.q. zeepkisten) verkondigd mogen worden als ze strijdig zijn met haar intellectuele missie. Volgens hem kunnen instellingsbestuurders uit dien hoofde de komst van anti-intellectuele gastsprekers of agitatoren op de campus blokkeren. Maar deze door hem verhoopte bevoegdheid van instellingsbestuurders vereist nog wel nadere rechterlijke toetsing. Volgens mij zal de rechter met name moeten toetsen in hoeverre een dergelijke bevoegdheid van het universiteitsbestuur een bedreiging vormt voor de academische vrijheid van onderzoekers, docenten en studenten.
Lees verder … (PDF)

Is homoseksueel gedrag zondig? (III)

Wes Holleman | 15-03-2020 | 2 Reacties » | permalink

Rechtzinnige confessionele scholen handelen niet in strijd met hun wettelijke burgerschaps­opdracht als ze verkondigen dat homoseksueel gedrag zondig is, of haram (zoals de moslims in het Arabisch zeggen), of chata/awon/pesja/sjaga (zoals de joden in het Hebreeuws onderschei­den). Dat staat in het langverwachte rapport van de Onderwijsinspectie, dat verleden vrijdag (13/3/2020) gepubliceerd is. Maar deze kwalificatie (zondigheid) is volgens de Inspectie alleen acceptabel als tegelijkertijd de basiswaarden van de democratische rechtsstaat worden door­gegeven en voorgeleefd aan de betrokken leerlingen (p.22). Hun moet worden bijgebracht dat ze verdraagzaamheid moeten betrachten jegens mensen met een afwijkende seksuele geaard­heid, óók als die geaardheid in afwijkende seksuele gedragingen wordt omgezet. Verder moeten ze leren dat die mensen niet gediscrimineerd of uitgescholden mogen worden.
In haar rapport doet de Inspectie verslag van een onderzoek dat is opgezet naar aanleiding van een verzoek van minister Slob, toen bekend werd dat islamitische basisscholen een lesboek gebruiken waarin gesteld wordt dat homoseksueel gedrag in strijd is met Allah’s geboden (Onderwijsethiek 15/9/2019). De Onderwijsinspectie besloot toen het onderzoek te verbreden tot een ‘dispropor­tio­neel gestratificeerde steekproef’ uit alle Nederlandse po-, vo- en mbo-scholen (incl. het speciaal onderwijs). Op die manier werd voorkomen dat rechtzinnige confes­sio­nele scholen van andere denominaties buiten schot zouden blijven.
Zie ook de berichtgeving van Trouw (13/3/2020).