Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit

Wes Holleman | 16-09-2018 | 1 Reactie » | permalink

Op 1 oktober 2018 treedt de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI) in werking. Hij komt in de plaats van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (NGW 2004, laatstelijk gewijzigd in 2014). Uit hoofdstuk 1 van de nieuwe gedragscode kan worden afgelezen dat hij qua reikwijdte beduidend van zijn voorganger afwijkt: hij heeft uitsluitend betrekking op het handelen van onderzoekers (waaronder promovendi en ‘projectleiders, begeleiders, onderzoeksdirecteuren en leidinggevenden voor zover zij de opzet en uitvoering van het onderzoek mede bepalen’). Anders dan de NGW betreft de nieuwe gedragscode dus niet het handelen van onderwijsgevenden, studerenden en examinatoren in het hoger onderwijs. Als enige uitzondering daarop geldt dat studenten zich in het kader van hun onderzoeksstages (dus in het kader van publicatiegericht, al dan niet praktijkgericht onderzoek) wél aan de gedragscode moeten houden. In dat geval kan de student echter niet tuchtrechtelijk worden aangepakt, want de onder­zoekers door wie de stage begeleid wordt, dragen qua wetenschappelijke integriteit de eindverantwoordelijkheid voor het handelen van de stagiair.
Het zal nog wel even duren voordat alle medewerkers en studenten van universiteiten en hogescholen de finesses van de nieuwe gedragscode in de vingers hebben. Maar in de nacht van 30 september op 1 oktober worden de universitaire bestuursorganen met een zeer abrupte transitie van de oude naar de nieuwe gedragscode geconfronteerd:
A) Het is niet langer toegestaan studenten tuchtrechtelijk te straffen voor het plegen van plagiaat, althans niet meer op grond van schending van hun wetenschappelijke integriteit, zoals bepaald was in het kader van de NGW. De universiteiten moeten dus hun bestaande regels en motiveringen voor het bestrijden van plagiaat, gepleegd door studenten, heroverwegen en herdefiniëren.
B) In de nieuwe gedragscode zijn geen normen opgenomen over professioneel handelen van docenten en examinatoren, terwijl de desbetreffende NGW-bepalingen vanaf 1 oktober niet langer van kracht zijn. Het gaat om de volgende bepalingen: 1.6 t/m 1.11; 2.5; 3. (definitie) en 3.5; 4. (definitie) en 4.1, 4.5, 4.6; 5. (definitie) en 5.1. De universiteiten dienen ernstig te overwegen in de ontstane leemte te voorzien door, naast de NGWI, een Gedragscode voor Docenten te ontwikkelen.
Lees verder … (PDF)

Rentetarief tien jaar vast

Wes Holleman | 09-09-2018 | 3 Reacties » | permalink

Het kabinet Rutte III kondigde in zijn Regeringsverklaring (10/10/2017) een wetswijziging over de studieleningen aan zodat “wordt (…) aangesloten bij de 10-jaarsrente.” Hoe moesten we dat interpreteren? Een naïeve burger begreep daaruit dat de schuldenaar een iets hogere rente betaalt, maar dat die rente dan ook gedurende tien kalenderjaren ongewijzigd blijft. Dat noem je ‘tien jaar vast’, net zoals bij een hypotheek: je kunt kiezen voor een lage variabele rente, maar dan loop je het risico volgend jaar een hogere rente te moeten betalen, of je kiest voor ‘vijf of vijftien of dertig jaar vast’ en dan betaal je een hogere rente. Met die rente-opslag dekt de financier het risico dat hij er komende jaren rentepenningen bij inschiet in verhouding tot de ontwikkeling van de markt­rente.
Stom, stom, stom! In het recente wetsvoorstel (4/9/2018) staat iets heel anders, namelijk dat de huidige duur van de lening voor nieuwe instroomcohorten in het hoger onderwijs telkens ‘vijf jaar vast’ is, en dat daar niet aan getornd wordt, maar dat bij de bepaling van de hoogte van het rentetarief niet langer wordt aangesloten bij de actuele 5-jaarsrente maar bij de actuele 10-jaarsrente op Nederlandse staatsobligaties. Verder staat in de vigerende Wet Studie­finan­ciering 2000 (artikel 6.4 en 6.5) dat de rente wordt berekend op basis van samengesteld interest, dus rente op rente, en dat de clausule ‘vijf jaar vast’ pas geldt vanaf tijdstip T (het begin van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de student is opgehouden studie­financiering te genieten). Vóór tijdstip T heeft de lening een variabel rentetarief, dat telkens per 1 januari gewijzigd kan worden. En dat zal, volgens het wets­voorstel, weer aansluiten bij de actuele 10-jaarsrente.
Redacteur KleinJan van het dagblad Trouw (7/9/2018) heeft dus duidelijk zijn huiswerk niet gedaan als hij de lezer voorspiegelt dat de rente van studieleningen voortaan ‘tien jaar vast’ is. En hij slikt de ministeriële stelling voor zoete koek dat de huidige gunstige rentetarieven niet meer passen bij een studielening met een looptijd van 35 jaar. Redacteur Frans van Heest van de webkrant ScienceGuide (5/9/2018) zette evenmin het licht op rood toen hij melding maakte van de ministeriële stelling dat de huidige lage rente niet hoort bij de gemiddelde looptijd van de studielening. Maar ook andere media hebben boter op hun hoofd: door niemand wordt geopperd dat de 10-jaarsrente op Nederlandse staatsleningen tussen 2018 en 2050 wel eens zou kunnen stijgen van 0 % naar 5% of misschien zelfs naar 8%. Die stijging wordt elke jaar doorberekend aan studenten die studiefinanciering genieten, en elke vijf jaar aan de resterende studenten en aan de afgestudeerden en studiestakers. Welke gevolgen heeft dat voor de ontwikkeling van hun studieschuldenlast tot hun 60e of 65e levensjaar, voor studenten die 21.000 euro dan wel een veelvoud daarvan geleend hebben?

Naar een lagere BSA-drempel (II)

Wes Holleman | 05-09-2018 | permalink

Hoe is minister Van Engelshoven tot haar initiatief gekomen om de hoogte van de BSA-drempel te maximeren? In 2015 sprak het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) zijn twijfels uit over de rechtmatigheid van de BSA-regels van de Erasmus­universiteit Rotterdam (EUR): hoe kan men staande houden dat eerstejaarsstudenten ongeschikt zijn als ze in twaalf maanden niet alle 60 studiepunten weten te halen? Omstreeks de jaarwisseling 2017/18 startte het Landelijk StudentenRechtsbureau (LSR) een proefproces tegen de EUR, maar bij nader inzien vonnisten de CBHO-rechters jongstleden april dat de EUR niet in strijd met de letter van de wet handelt. De LSR concludeerde daarop dat de wet moet worden aangescherpt om dergelijke uitwassen te bestrijden. Met haar recente initiatief geeft de D66-minister te kennen dat zij het met de studentenorganisaties eens is.
Maar we kunnen ook dieper graven. Ingrid van Engelshoven bekleedde van 2010 tot 2017 de functie van wethouder Onderwijs in de gemeente Den Haag. Ze heeft dus aan den lijve ervaren hoe de botte bezuinigingen van de rijksoverheid via lagere overheden en andere publieke instellingen worden afgewenteld op de burgers. Ze heeft ongetwijfeld een zesde zintuig ontwikkeld voor dergelijke mechanismes. Zoals de wijze waarop universiteiten en hogescholen elkaar beconcurreren om een groter deel van het hoger­onder­wijs­budget te bemachtigen: onlangs heeft ze aangekondigd dat ze het systeem van onderwijsfinanciering gaat aanpassen om te voorkomen dat de instellingen uit geldbejag nog meer opleidingen gaan verengelsen en nog meer buitenlandse studenten gaan werven. Maar ook de hoge BSA-drempels zijn een teken dat het hoger onderwijs door onderlinge concurrentie is dolgedraaid: door middel van scherpere selectie (aan de poort en in de propedeuse) trachten universiteiten en hogescholen hun prestatie­afspraken (gemaakt met OCW) na te komen en ministeriële boetes af te wenden, want wie de betere studenten en vlottere studeerders binnen­haalt, kan betere slaagpercentages realiseren, en instellingen die daarin niet meegaan, krijgen dus de ministeriële boetes aan hun broek. De minister roept daaraan nu een halt toe, aan deze neoliberale concurrentieslag ten koste van studenten.

Naar een lagere BSA-drempel: 40 studiepunten

Wes Holleman | 04-09-2018 | 1 Reactie » | permalink

D66-minister Van Engelshoven wil aan het Parlement voorstellen de BSA-drempel in de propedeuse te verlagen (OCW 3/9/2018a). Zij wil dat eerstejaarsstudenten hun studie mogen vervolgen, als ze in hun eerste verblijfsjaar minimaal veertig van de zestig studiepunten halen. Verder gaat het als vanouds: bij minder dan veertig punten krijgen ze (behoudens persoonlijke omstandigheden) een negatief Bindend StudieAdvies: ze moeten vertrekken omdat ze ongeschikt worden geacht voor de gekozen opleiding.
Momenteel wordt de lat door de universiteiten en hogescholen hoger gelegd: ergens tussen de 45 en 60 studiepunten (NOS 3/9/2018). Eerstejaarsstudenten krijgen alleen dispensatie als ze vertraagd zijn geraakt door ziekte, zwangerschap, functie­beperking, familieomstandigheden of bestuurlijke verplichtingen (Uitvoeringsbesluit WHW 2008). De minister voert de volgende argumenten tegen de huidige, hoge selectiedrempels aan (OCW 3/9/2018a, OCW 3/9/2018b):
a) ze maken dat geschikte studenten ten onrechte worden heengezonden;
b) ze werpen onnodige barrières op waardoor geschikte studenten worden afgeschrikt;
c) ze mikken op excellentie ten koste van toegankelijkheid en diversiteit;
d) ze ontnemen gelijke kansen aan kwetsbare categorieën studenten die wel de nodige capacitei­ten hebben (bv. eerste­generatie­studenten, wier ouders geen hoger onderwijs genoten hebben);
e) ze benadelen laatbloeiers en studenten die wat meer tijd nodig hebben om zich aan te passen aan hun nieuwe leven als student;
f) ze leiden tot overbelasting (te grote werkdruk) en te grote psychische druk bij studenten, en ze belemmeren daarmee tevens hun bredere (ook extracurriculaire) ontwikkeling.
Lees verder … (PDF)

Islamitisch basisonderwijs in Nederland

Wes Holleman | 22-08-2018 | permalink

Ze heet Marietje Beemsterboer. Na haar havo-opleiding aan het interconfessionele Bonhoeffer College behaalde ze in 2005 het diploma van de interreligieuze iPabo in Alkmaar. Vervolgens wist ze naast haar baan in het basisonderwijs de bacheloropleiding Geschiedenis (UvA), de masteropleiding Wereldgodsdiensten (Universiteit Leiden) en een promotietraject bij het Leidse Centre for the Study of Islam and Society te voltooien. Sinds 12 juni jongstleden ligt haar dissertatie in de boekhandel: Islamitisch basis­onderwijs in Nederland.
Ze heeft zelf nooit op islamitische scholen lesgegeven, maar in het boek geeft ze, op basis van interviews met directieleden, groeps­leerkrachten en godsdienstleerkrachten, een geloofwaar­dig beeld hoe de religieuze identiteit van de scholen zich tot de Neder­landse maatschappelijke context verhoudt. Haar persoonlijke conclusie is dat islamitische basisscholen een brug slaan tussen de islamitische thuissituatie en de gevestigde Nederlandse samenleving en dat ze zo­doende de integratie kunnen bevorderen. In dat verband wordt met nadruk vermeld dat Neder­lands de voertaal is op islamitische scholen, dat moslim-sollicitanten een pré hebben als ze niet alleen de Nederlandse taal uitstekend beheersen maar ook de Nederlandse cultuur van binnen­uit kennen, en dat een aanzienlijk percentage van de leerkrachten zelf geen moslim is.
De auteur concentreert zich op de religieuze identiteit van islamitische scholen. Dat roept bij mij de vraag op of er nog méér dimensies zijn waarin islamitische basisscholen zich mogelij­ker­wijs van de modale Nederlandse basisschool onderscheiden. Ik noem hieronder vijf di­mensies waarin de eigenheid van islamitische scholen wellicht, in aanvulling op de religieuze dimensie, kan worden uitgedrukt.
Lees verder … (PDF)

Burgerschapsopdacht

Wes Holleman | 15-08-2018 | 3 Reacties » | permalink

In het Regeerakkoord-2017 van Rutte III kondigden VVD, D66, CDA (RK en PC) en Christen­Unie (orthodox PC) aan dat de burgerschapsopdracht van het primair en secundair onder­wijs zal worden aangescherpt en dat vooraf getoetst zal worden of nieuwe scholen in dat opzicht aan de deugdelijkheidseisen voldoen. Begin juni 2018 is de voorlopige versie van hun wetsvoorstel ter consultatie uitgezet en in juli zijn de reacties gepubliceerd, onder meer van VOS/ABB (openbaar en algemeen-bijzonder), VBS (klein algemeen-bijzonder), Verus (RK en PC), VGS (reformatorisch), VBSO (reformatorisch) en NVLM (leraren Maatschappijleer).
In de reactie van de VGS wordt minister Slob (ChristenUnie) opgeroepen open kaart te spelen over de ware bedoeling van het wetsvoorstel. De VGS betwijfelt ‘of de olifant in de kamer (…) nu echt benoemd wordt. Bekend is dat er veel problemen in de grote steden zijn met tweede en derde generatie migranten en hun verhouding tot de Nederlandse samenleving. Dat wordt door politici breed erkend. Is het niet eerlijker dat een plaats te geven in de memorie van toelich­ting? Daar zit een flink punt van zorg ook rond burgerschap. Hoe helderder het probleem wordt geschetst hoe beter en passender de oplossing kan worden geformuleerd.’
Wordt de ware bedoeling van het wetsvoorstel inderdaad verbloemd? Naar mijn indruk wil men met het wetsvoorstel de vrijheid van meningsuiting beteugelen opdat scholen in al hun uitingen de door de Staat gestelde grenzen in acht nemen. De Staat eist dat al hun uitingen in lijn zijn met de waarden van de democratische rechtsstaat (zoals verankerd in de Grondwet) en van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Maar in het wetsontwerp wordt inderdaad niet expliciet gesteld dat men op die manier wil tegengaan dat scholen door hun uitingen de integratie (of assimilatie?) van hun allochtone leerlingen in de Nederlandse samen­leving belemmeren en onvoldoende weerwerk bieden tegen radicalisering en extremistisch (bv. islamistisch) gedachtengoed. In de verkiezingsprogramma’s van CDA en VVD treffen we soortgelijke verholen beleidslijnen aan. Scherpe toelatingsselectie in de lerarenopleidingen (CDA, VVD): teneinde te voorkomen dat (onvoldoende geassimileerde) migrantenkinderen het leraarsdiploma zullen halen? Drempels voor het oprichten van scholen (CDA): teneinde de groei van het islamitisch onderwijs in te dammen en te voorkomen dat islamitische scholen de assimilatie van migrantenkinderen belemmeren?
Een olifant in de Kamer… De olifant van de islamitische vijfde colonne spookt alom in het hoofd van landsbestuurders en Kamer­leden, maar in het politieke debat wordt hij verpakt in mistige abstracties van Kwaliteit en Deugdelijkheid om lastige vragen over constitutionele rechten en vrijheden van minderheden te ontlopen. Als de overheid generieke wetsregels invoert met de bedoeling deze slechts in specifieke gevallen (namelijk in relatie tot allochtone leerlingen en/of leraren) toe te passen, maakt zij inbreuk op artikel 1 van de Grondwet: ‘Allen die zich in Nederland bevinden, worden in gelijke gevallen gelijk behandeld (…).’

Weekendschool voor Syrische kinderen

Wes Holleman | 12-08-2018 | 2 Reacties » | permalink

Somer Al Abdallah is een journalist die uit Syrië gevlucht is. Op 31 juli publiceerde hij samen met Anneke Stoffelen een dubbel­artikel in De Volkskrant (* **). Maar als auteur heb je niet in de hand welke koppen door de eindredactie gekozen worden. Het eerste artikel kreeg op de VK-website als titel: Syrische statushouders richten weekendscholen op zodat hun kinderen Arabisch kunnen leren, terwijl de auteurs in hun intro van informele weekendscholen spreken. Op de voorpagina van de papieren krant wordt gelukkig een rustiger kop gekozen: Syriërs sturen kinderen naar weekendscholen. Maar bij het vervolgartikel raakte de eindredactie het spoor echt bijster. Op bladzij zes van de papieren krant kopte ze: Extra les om een band met Syrië te behouden, terwijl de auteurs van een band met hun Arabische wortels of met de cultuur van hun land van herkomst spreken. En op de website kopte de eindredactie met de retorische vraag: Staan weekendscholen de integratie van Syrische kinderen in de weg? – terwijl de auteurs in de intro aankondigen de vraag te zullen beantwoorden in hoeverre de weekendscholen met hun Arabische les (gecombi­neerd met lessen over de Syrische cultuur en soms ook over de islam) de integratie in Nederland bevorderen dan wel belemmeren. Kennelijk heeft de eindredactie geen idee van integratie (met-behoud-van-eigenheid) en kan zij alleen maar aan botte assimilatie denken (waarbij de nieuwkomer van zijn ‘roots’ wordt afgesneden). Kennelijk is de eindredactie ontevreden met de strekking van het artikel: dat het doodnormaal is dat expats en nieuwkomers hun kinderen naar een weekendschool sturen om de kloof tussen oud en nieuw te overbruggen en om de mogelijkheid van (al dan niet gedwongen) terugkeer vooralsnog open te houden.
In dit blogbericht ben ik vooral geïnteresseerd in de wijze waarop dit dubbelartikel ontvangen is. Hierboven richtte ik de blik op de eindredactie van De Volkskrant die (samen met haar Nieuws-chef van dienst) het voorpaginanieuws selecteerde en de koppen bedacht die op 31 juli gepubliceerd werden. Maar het dubbelartikel bracht eveneens ophef bij tweedekamerleden teweeg: zowel de PVV als de VVD stuurden op 1 augustus Kamervragen naar de portefeuille­houder Integratie en inburgering (SZW-minister Kool­mees) en naar de bewindslieden van OCW. De PVV roept de regering op deze ‘islamscholen’ direct te sluiten en de Syrische asiel­zoekers en statushouders per omgaande te repatriëren. En de VVD-fractiewoordvoerster voor Integratie en inburgering stelt in haar Kamervragen dat de weekendscholen moeten worden verboden tenzij ze ‘de kernwaarden van de Nederlandse samenleving onder­schrijven’. Voor het gemak vergeet zij even dat inburgeraars wel een Participatieverklaring moeten ondertekenen, maar daarin beloven ze slechts de Nederlandse kernwaarden te zullen respecteren. Een politieke partij die pal staat voor de burgerlijke vrij­heden, zal toch beseffen dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen respectering (van andermans vrijheid om de Nederlandse kern­waarden te omarmen) en onderschrijving van die kernwaarden (waarmee de eigen gedachten en uitlatingen worden afgezworen als deze met die kernwaarden in botsing komen).

Gehandicapt: recht op redelijke aanpassingen (II)

Wes Holleman | 07-08-2018 | 1 Reactie » | permalink

HBO-student P is bijna klaar met zijn bacheloropleiding in de technische sector. Hij moet alleen nog het afstudeerproject doen, maar daar zit de bottleneck: geen enkel bedrijf wil hem hebben (discussieforum FOK 31/7/2018). Weliswaar leidde één op de vijf sollicitaties tot een intakegesprek, maar bij nader inzien wil niemand een project met hem aangaan. Ze taxeerden namelijk dat hij meer begeleiding nodig zou hebben dan zij kunnen leveren. Hij beaamt dat hun vrees enigszins gegrond is, want hij heeft een stoornis in het autistisch spectrum (ASS). In de opstartfase van het project moet je in overleg met de stagewerkgever tot een afstudeeropdracht (in casu een sluitende formulering van de doelstelling en planning van het afstudeerproject) komen die voor beide partijen interessant is. Maar door zijn stoornis loopt dat overleg uiterst moeizaam. Als de opstartfase eenmaal achter de rug is, denkt hij het project wel zonder extra begeleiding te kunnen klaren.
In 2013 heeft het College voor de Rechten van de Mens een brochure uitgebracht over het recht op gelijke behandeling voor studenten met een handicap of chronische ziekte. Op grond van de desbetreffende wetgeving kunnen ASS-studenten aanspraak maken op redelijke aanpassingen als dat nodig is om de opleiding met succes te doorlopen, ook al kost dat aan de onderwijs­instelling meer geld of inspanning dan voor ‘gewone’ studenten is uitgetrokken. In het concrete geval van student P zou men dan kunnen denken aan extra bemiddeling en begeleiding vanuit de hogeschool bij het zoeken naar een stageplaats en bij het doorlopen van de opstartfase van het afstudeerproject. Het Expertisecentrum Handicap+Studie geeft in dat verband diverse adviezen over Begeleiding, Flexibele leerroutes, Stage zoeken en Stage lopen. Daarbij kan echter een probleem rijzen als de hogeschool aan het afstudeerproject niet alleen een leer- en oefenfunctie maar ook een beoordelingsfunctie heeft toebedacht: indien de examinandus te veel begeleiding wordt gegund, kan niet meer worden vastgesteld of hij bij afstuderen alle competenties bezit die vereist zijn voor de toekenning van het diploma. Misschien eist de examencommissie dat de student, in ruil voor de extra begeleiding, extra opdrachten vervult om aannemelijk te maken dat hij in elk geval hard gewerkt heeft om de ontbrekende competenties bij te spijkeren.
In de discussie op het FOK-forum krijgt P het advies om aan te kloppen bij de bedrijven waar hij eerder in de opleiding praktijk­stages heeft gelopen. Maar dat vindt hij geen goed idee, want hij ambieert een project waarin beroep wordt gedaan op ontwerpers- of adviseurscompetenties, terwijl een afstudeerproject bij die eerdere stagebedrijven slechts uitvoerende competenties zou vereisen. Ik vergun mij nu enige fantasie: student P heeft in zijn studie hoge cijfers gehaald en zoekt dan ook naar een ambitieus afstu­deer­project, maar hij loopt nu voor het eerst tegen obstakels aan: door zijn autistische stoornis ontbeert hij bepaalde competenties die hij nodig heeft om projecten op het gebied van Ontwerpen of Adviseren te acquireren en op te starten. Het lijkt me dat student P in verband met zijn handicap een tweeledige aanpassing van het normale curriculum nodig heeft: (a) extra bemiddeling en begeleiding bij het zoeken naar een stageplaats en bij het doorlopen van de opstartfase van het afstudeerproject en (b) extra loopbaanoriëntatie en –begeleiding om zijn mogelijkheden en grenzen te onderzoeken en tot realistische loopbaandoelen te komen.

Wat is academische vrijheid? (VII)

Wes Holleman | 05-08-2018 | permalink

Anderhalf jaar geleden schreef ik een essay over de vraag wat academische vrijheid (artikel 1.6 WHW) inhoudt. In sectie 1.4 stelde ik voor, de academische vrijheid op te vatten als een afspiegeling en verbijzondering van de klassieke grondrechten (en met name vrijheidsrechten) die voor de individuele burgers gelden in hun relatie tot de Nederlandse overheid. Academische vrijheid verwijst naar de vrijheidsrechten waarop individuele onderzoekers, docenten en studenten aanspraak mogen maken tegenover hun Nederlandse universiteit of hogeschool, als een afspiegeling en verbijzondering van de vrijheidsrechten waarop de individuele burgers aanspraak mogen maken tegenover de Nederlandse overheid. Maar in sectie 1.3 maakte ik wel een voorbehoud: de bedoelde vrijheidsrechten moeten hun rechtvaardiging vinden in de wette­lijke taken van het hoger onderwijs. In de secties 2.2 en 2.3 werden overigens nog twee andere bronnen genoemd om academische vrijheid te rechtvaardigen (de vrijplaats die volgens de universitaire traditie geboden moet worden voor de kritische bespreking van allerhande ideeën, en de ruimte die studenten geboden moet worden voor hun persoonlijke ontplooiing).
In aansluiting op mijn essay stel ik hieronder, in Bijlage 1, de deelverzameling van burgerlijke vrijheidsrechten voor die naar mijn indruk vertaald kan worden naar de academische vrijheids­rechten van onderzoekers, docenten en studenten. Bij deze vertaling zal in elk geval de clausule ‘zonder inmenging van enig openbaar gezag’ (I, III, IV) moeten worden geschrapt. Door hun recht op academische vrijheid worden onderzoekers, docenten en studenten immers niet zozeer beschermd tegen schadelijke inmenging vanwege de overheid maar veeleer tegen schadelijke inmenging vanwege bestuursorganen van de universiteit of hogeschool.
Maar misschien kunnen we beter in het midden laten door wie de academische vrijheid zoal bedreigd kan worden. We kunnen zelfs als uitgangspunt kiezen dat de bestuursorganen mede tot taak hebben de academische vrijheid van onderzoekers, docenten en studenten te bewaken en beschermen. In sectie 1.1 van mijn essay wees ik er bijvoorbeeld op dat de academische vrijheid van studenten volgens de wetgever anno 1986 mede omvat een vrijwaring van indoctrinatie, het recht dus om een eigen mening te kunnen vormen en niet door de docent geïndoctrineerd te worden. Men zou zich kunnen voorstellen dat faculteits- en instellings­bestuurders in dezen een toezichthoudende taak hebben. Meer in het algemeen werd in sectie 3 van mijn essay de vraag opgeworpen in hoeverre de verticale verplichting van bestuursorganen om de academische vrijheid van hun medewerkers en studenten te respecteren ook een hori­zontale werking heeft: hebben medewerkers en/of studenten ook jegens elkaar verplichtingen krachtens hun academische vrijheid (bv. de verplichting om in het kader van het academische debat elkaars vrijheid van meningsuiting te respecteren)?
Lees ook Bijlage 1 (PDF)

Safe spaces (II)

Wes Holleman | 29-07-2018 | permalink

In de Verenigde Staten is grondwettelijk vastgelegd dat meerderjarige burgers (onder bepaalde voorwaarden) het recht hebben een handvuurwapen bij zich te hebben om zichzelf te ver­dedigen. Tot de eeuwwisseling waren studenten uitgesloten van dit recht: op de campus mochten ze geen vuurwapen dragen. Maar zoals bijgaand kaartje anno 2017 laat zien, wordt het vuurwapenbezit op de campus van Amerikaanse universiteiten sindsdien met rasse schreden geliberaliseerd.
Met ingang van 1 augustus 2016 was de Austinse vestiging van de University of Texas (UT) aan de beurt. De universiteits­bestuurders stonden niet te trappelen, maar als staatsuniversiteit hadden ze geen keus. Drie docenten spanden een proces aan, tegen het universiteitsbestuur en tegen de State of Texas (Alcalde 7/7/2016). Ze vonden het intimiderend dat sommige studenten (je weet nooit wie) met een vuurwapen op zak aan hun colleges zouden deelnemen. Met name wat gevoelige onderwerpen (bv. abortus) betreft, voelden ze zich daardoor beknot in hun academische vrijheid: de vrijheid om voor je eigen mening uit te komen en de vrijheid om contrasterende standpunten in discussie te brengen. Zij eisten dus het recht op om gewapende studenten de toegang tot hun colleges en werkgroepen te ontzeggen. Bij de rechtbank hebben ze geen gelijk gekregen en hun zaak dient nu bij het gerechtshof. Daarbij worden vragen geopperd over de juridische status van de academische vrijheid (Lehrfreiheit) van individuele docenten (The Fire 23/7/2018, Chronicle H.E. 24/7/2018).
In een eerder blogbericht (18/9/2016) schreef ik over Amerikaanse studenten die ‘safe spaces’ eisen waarin ze over controversiële onderwerpen een eigen mening kunnen vormen, voordat ze voor de leeuwen worden geworpen in een polemisch debat met anders­gezinden. Ik dacht toen dat ze zich in eerste instantie willen beschermen tegen agressieve debatingtechnieken (en eventueel ook tegen pogingen het debat te verstoren). Maar ik kan me inmiddels voorstellen dat voorstanders van ‘safe places’ zich tevens willen beschermen tegen persoonlijke intimidatie en geweld: ze willen een vuurwapenvrije gespreksruimte, die niet toegankelijk is voor vuur­gevaarlijke fanatici. Want in het huidige, gepolariseerde Amerika zijn de universiteiten een strijdperk geworden waarin ‘conservatives’ en ‘liberals’ elkaar heftig bevechten om studenten voor hun standpunten te winnen.