Vrijwaring van indoctrinatie

Wes Holleman | 11-11-2018 | permalink

1. Als de ouders dat verlangen, moet hun zoon of dochter in het openbaar onderwijs worden vrijgesteld van deelname aan religieuze handelingen die ingaan tegen hun overtuiging. Dat staat in een motie die de Tweede Kamer op 6 november heeft aangenomen. De motie werd niet alleen door de drie christelijke partijen maar ook door de VVD, de PVV, het FvD en 50PLUS gesteund. De aan­leiding was dat scholen in het kader van hun burgerschapsonderwijs excursies organiseren naar kerken, synagoges en moskeeën en dat kinderen, naar verluidt, wel eens gestimuleerd worden ter plaatse in woord en gebaar na te doen hoe moslims bidden. Het lijkt een onschuldige exercitie, maar voor rechtzinnige gelovigen is het net een stap te ver: voor hen is het zoiets als dat men niet-katholieken bij zo’n excursie aan den lijve laat ervaren hoe een hostie smaakt of hoe je een kruisje slaat.
2. Minister Slob heeft toegezegd de motie uit te voeren, althans indien de wet nog niet in dergelijke vrijstelling voorziet. Dat is een goed idee, want het is in strijd met de mensenrechten, in casu de vrijheid van gedachte en de vrijheid van meningsuiting, dat iemand geprest zou worden verbaal of door lichaamstaal te getuigen van opvattingen waar hij of zij niet achter staat. Bij onmondige kinderen gaat het dan niet (of niet alleen) om strijdigheid met de eigen opvattingen maar ook met die van hun ouders.
3. Maar waarom richten de initiatiefnemers (SGP, CU, CDA, VVD) zich in hun motie uitsluitend op het openbaar onderwijs? Waarom hoeven leerlingen in het bijzonder onderwijs niet door de overheid tegen religieuze indoctrinatie beschermd te worden? Er zijn bijzondere scholen die aspirant-leerlingen slechts toelaten op voorwaarde dat hun godsdienstige grondslag door de ouders onderschreven wordt. Maar op de meeste scholen hoeven de ouders slechts te verklaren dat ze de grondslag zullen respecteren. In dat laatste geval is het een redelijk uitgangspunt dat leerlingen en hun ouders hun grondrechten behouden: dat leerlingen niet actief aan rituelen en gezangen hoeven deel te nemen waarin getuigd wordt van opvattingen die zij niet onderschrijven.
4. Vrijwaring van indoctrinatie is overigens een beginsel dat zich niet alleen tot religieuze opvattingen uitstrekt. Ook op het bredere levensbeschouwelijke, maatschappelijke en politieke terrein mag iedere burger (waaronder de minderjarige burger) aanspraak maken op het recht om een eigen mening te vormen en van hersenspoeling verschoond te blijven. Een markant voorbeeld is de Pledge die in de Verenigde Staten aan het begin van elke schooldag met de hand op het hart wordt opgezegd: “I pledge allegiance to the Flag of the United States of America, and to the Republic for which it stands, one Nation under God, indivisible, with liberty and justice for all.” Op grond van de vrijheid van gedachte en meningsuiting kunnen leerlingen zich ongestraft aan deze patriottische ceremonie onttrekken (vergelijk ook de artikelen 12-14 van het Kinderrechtenverdrag). In een eerder blogbericht heb ik erop gewezen dat het wetsvoorstel ter aanscherping van de burgerschapsopdracht van het primair en secundair onderwijs, dat momenteel in de pipeline zit, in dit opzicht kritisch moet worden doorgelicht.

Kinderverwaarlozing door Zweedse bril

Wes Holleman | 29-10-2018 | permalink

Jennifer Pettersson heeft onlangs een mediaprijs Prix Europa 2018 gewonnen voor haar negen audiopodcasts onder de titel ‘Opgejaagd’. De VPRO heeft ook een aantal afleveringen op Radio Doc uitgezonden. De serie gaat over kinderverwaarlozing op Nederlandse crèches, kinderdagverblijven en basisscholen. Van fysieke en psychische kindermishandeling en -verwaarlozing pleegt men vooral in de context van de kinderbescherming te spreken, met name in het perspectief van ondertoezichtstelling of ontzetting uit de ouderlijke macht (Louwerse 2014, NJI 2015). Maar waarom zou men alleen de ouderlijke zorg langs die meetlat leggen, terwijl de ouderlijke opvoedings- en zorgtaken gedurende een groot deel van de dag worden overgenomen door crèches, kinderdagverblijven en basisscholen? Pettersson laat zien dat daar van alles mis is: men komt onvoldoende tegemoet aan de basisbehoeften van de kinderen en men kan daardoor schade toebrengen aan hun ontwikkeling.
Is Jennifer Pettersson gewoon een zwartgallige documentairemaakster, die spijkers op laag water zoekt? Nee, zij en haar partner kennen de problemen uit eigen ervaring, als werkende jonge ouders met anderhalve betaalde baan en met twee dochters van ónder de vijf jaar. Bovendien woont Jennifer weliswaar al lange tijd in Nederland, samen met haar Nederlandse partner, maar ze is in Zweden opgegroeid en ze heeft nog genoeg voeling met de Zweedse samenleving om te weten hoe jonge kinderen daar tegenwoordig opgroeien. Ze kan dus beurtelings met een Nederlandse en met een Zweedse bril naar de Nederlandse opvang van baby’s, peuters en kleuters kijken.
De aanleiding voor het maken van de podcastserie was een studie van het Sociaal en Cultureel Planbureau die begin maart 2016 gepubliceerd werd. De SCP-studie ging over de geringe wekelijkse arbeidsduur van vrouwen: waarom is er bij hen zo weinig animo voor een voltijdse of bijna voltijdse baan, terwijl de overheid toch heeft gezorgd voor ‘goede en betaalbare kinderopvang en verlofregelingen’ (p.12)? De geciteerde zinsnede schoot Pettersson in het verkeerde keelgat. Ze stuurde een pittig opiniestuk naar NRC-Handelsblad (18/3/2016): ‘Waarom Zweedse vrouwen wel fulltime werken — en niet opgejaagd zijn’. Door de bijval die zij daarmee oogstte, werd ze gestimuleerd om het tweejarige journalistieke onderzoeksproject te ondernemen dat in de negendelige podcastserie is uitgemond.
Nederlandse moeders voelen zich opgejaagd, ook al werken ze slechts parttime. Dat begint al in het eerste levensjaar van hun baby. Zweedse ouders hebben 480 dagen betaald ouder­schapsverlof, dus ze kunnen hun baby thuis verzorgen. Nederlandse ouders zijn van meet af aan op externe opvang aangewezen en zowel de kwaliteit ervan als het beschikbare budget is naar Zweedse maatstaven beneden peil. Nederlandse jonge moeders hebben alle reden zich zorgen te maken over de wijze waarop hun kinderen overdag worden opgevangen en daarom nemen ze genoegen met een parttime baan. Door Jaap Peters & Judith Pouw (2004) werd het klimaat in Nederlandse arbeidsorganisaties gekarakteriseerd als ‘intensieve menshouderij’. De kwaliteit van vakmanschap en professionaliteit wordt opgeofferd aan ‘scientific management’ (rationalisering van het arbeidsproces). En in de educatieve en zorgverlenende sector wordt de menshouderij in het kwadraat verheven: niet alleen het arbeidsklimaat van de vaklieden en professionals op de werkvloer maar ook hun opgehokte cliëntèle valt ten offer aan de rationaliserings- en bezuinigingsdrift van de managers en bestuurders en van de calculerende overheid.

Groepsopdrachten voor cijfer

Wes Holleman | 14-10-2018 | 1 Reactie » | permalink

Op het Scholierenforum (5/10/2018) entameerde Anne803 een discussie over groepsopdrach­ten. Ze heeft niets tegen groeps­opdrachten, maar volgens haar moeten de groepsprestaties niet beloond worden met een groepscijfer, als dat vervolgens in de individuele cijferlijst van de afzonderlijke groepsleden wordt opgenomen en dus meetelt bij het berekenen van het rapportcijfer. Anne803 richt de aandacht dus op het spanningsveld tussen twee beleidslijnen van een middelbare school: enerzijds het creëren van een aantrekkelijke en uitdagende leeromgeving waarin probleemgericht en samenwerkend leren een belangrijke plaats inneemt, en anderzijds de systematische meting, becijfering en verantwoording van leeruitkomsten en vorderingen, culminerend in de periodieke rapportcijfers van de individuele leerling. Hieronder doe ik verslag van de discussie. In een naschrift (§7) wijs ik op mogelijke andere gezichtshoeken, die in de discussie verwaarloosd zijn.
Lees verder … (PDF)

Burgerschapsopdracht (II): respect bijbrengen

Wes Holleman | 02-10-2018 | 1 Reactie » | permalink

Begin juni 2018 heeft het ministerie van O&W de voorlopige versie van een wetsvoorstel ter consultatie uitgezet, dat tot doel heeft de burgerschapsopdracht van het primair en secundair onderwijs te verduidelijken en aan te scherpen. Ik schreef er al eerder over. Vorige week heeft de Onderwijsraad commentaar geleverd op (deze voorlopige versie van) het wetsvoorstel. De Raad is het met de minister eens dat de huidige wet anders geformuleerd moet worden en doet daarbij een paar tekstsuggesties. Enerzijds sluit de Raad zich bij de tekst van het wetsvoorstel aan, namelijk dat het burgerschapsonderwijs zich moet richten op ‘het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat’. Maar anderzijds wenst de Raad dat het burgerschaps­onderwijs zich tevens richt op het bijbrengen van respect voor en kennis van ‘de universeel geldende en fundamentele rechten en vrijheden van de mens’. Dat lijkt me een waardevolle aanvulling.
Maar wat wordt verstaan onder het bijbrengen van respect (voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en voor de rechten en vrijheden van de mens)? In het inleidend hoofdstuk (§1) van de memorie van toelichting (MvT) wordt deze vraag beantwoord. Voor een constructieve en vreedzame manier van samenleven is het nodig dat de burgers gedeelde spelregels van de democratische rechtsstaat hanteren. Zij moeten die spelregels dus niet alleen kennen, maar ze ook van harte onderschrijven en praktiseren. En zij moeten niet alleen de fundamentele rechten en vrijheden van de burger kennen, maar ze ook van harte onder­schrij­ven en de rechten en vrijheden van hun medeburgers respecteren.
Lees verder … (PDF)

Kwetsende uitlatingen en gedragingen

Wes Holleman | 30-09-2018 | 2 Reacties » | permalink

Hoe bevorder je, als onderwijsinstelling, dat mensen (studenten, docenten etc.) fatsoenlijk met elkaar omgaan? Bij onprofessioneel gedrag kan je docenten tot de orde roepen en minderjarige studenten kan je op pedagogische gronden aanpakken. Ook kan je gebruik maken van het recht om de interne orde op de campus te handhaven. En in het uiterste geval kan je tuchtrechtelijke maatregelen nemen of politie en justitie inschakelen. Maar waar het om kwetsende uitlatingen en gedragingen gaat, lopen onderwijsinstellingen al gauw tegen de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting aan. In Amerika speelt dat nog sterker, omdat openbare instellingen in de V.S. juridisch verplicht zijn zich aan de grondwet te houden. Bovendien zijn er in de V.S. minder uitzonderingen op de vrijheid van meningsuiting, want ‘hate speech’ (groepsbelediging) blijft daar onbestraft. Zo opereerde de openbare University of Oklahoma in 2015 op het scherpst van de snede, toen leden van een blanke ‘student fraternity’ in besloten kring een clublied hadden aangeheven waarin gezworen werd dat African-Americans nooit lid mogen worden en dat je ze veeleer aan de hoogste boom kunt hangen.
Maar Amerikaanse hogeronderwijsinstellingen hebben er iets op gevonden om kwetsende uitlatingen en gedragingen te bestrijden zonder de vrijheid van meningsuiting te schenden: vele universiteiten bieden een vorm van slachtofferhulp voor studenten en docenten die door ‘bias’ (bevooroordeelde of discriminerende uitlatingen of gedragingen ten koste van minderheids­groepen) getroffen zijn of daarvan getuige zijn geweest. Zij kunnen bij het loket van het Bias Response Team (BRT) aankloppen. Daarin hebben niet alleen ‘zachte’ hulpverleners zitting, maar ook ambtelijke vertegenwoordigers die het slachtoffer eventueel kunnen adviseren een klacht in te dienen bij de campuspolitie of bij een van de tuchtrechtelijke organen van de universiteit. Eén van de methoden die in het kader van de hulpverlening kunnen worden gekozen, is dat ‘daders’ worden uitgenodigd om (op basis van vrijwilligheid) hun handelwijze toe te lichten en in gesprek te gaan met hun slachtoffers.
Lees verder … (PDF)

Docent Natuurkunde betwijfelt nine-eleven

Wes Holleman | 23-09-2018 | 3 Reacties » | permalink

Het was dinsdag 11 september 2018. Wat is er precies gebeurd op die protestants-christelijke school in Zutphen? De natuurkunde-les van 3-vwo moest beginnen. Ik denk dat het aldus is gegaan. Eén van de leerlingen had via via gehoord dat de docent ooit de ineenstorting van de WTC-gebouwen in zijn les had behandeld: welke krachten zijn er in het spel als een wolken­krabber recht­standig in duigen valt? De leerling hoopte het begin van de dinsdagse les nog even te vertragen en vroeg: ‘Wat is uw mening over de aanslag van 9/11 op de Twin Towers?’ De docent liet zich niet uit de tent lokken en volstond met de kortst mogelijke samen­vatting van zijn persoonlijke mening: ‘Volgens mij is 9/11 geen moslim-terroristische aanslag geweest.’ En hij had er nog bij kunnen zeggen: ‘Dat wil ik best een keer toelichten, maar daar hebben we nu even geen tijd voor.’ Maar toen was de beer al los. De moeder van één van de leerlingen is columniste bij het regionale dagblad De Stentor. Per e-mail riep ze de docent ter verant­woording; zijn antwoord zinde haar niet; en ze spuugde haar gal in haar zaterdagse column. Volgens haar moeten docenten zich aan de algemeen geaccepteerde feiten houden en hebben zij tot taak kennis over te brengen.
Een relletje was geboren, gecoverd door de nieuwsredacties van De Stentor en het Algemeen Dagblad. De docent heeft zich verder in stilzwijgen gehuld. Hij heeft alleen nog verklaard dat hij desgevraagd tegenover de leerlingen heeft ontkend dat de Amerikaanse regering achter de aanslag kan hebben gezeten.
De rector van de school heeft nog niet met de docent gesproken maar laat al wel aan de journalist weten: “Als docent kun je zo’n uitspraak niet doen. Je hebt met jonge mensen te maken. Als prikkel voor een discussie kan het wel en als privépersoon mag je het in je eigen omgeving ook zeggen, maar je kunt het niet als waarheid brengen. Ik moet er met hem nog over praten. En onderzoeken hoe het echt zit.” Een nader gesprek tussen de docent en de school­leiding was voor 20 september geagendeerd.
De woordvoerster van de VO-raad stelt desgevraagd dat leerlingen dingen van verschillende kanten moeten kunnen bekijken, maar anderzijds: “Als docent moet je je bewust zijn van je eigen waarden en visie en van de opdracht om zo veel mogelijk ruimte te laten voor andere waarden en visies. Als een docent zijn eigen mening ventileert, dan moet dat passen binnen die onderwijscontext.”
Onderwijskundig hoogleraar Casper Hulshof reageert aldus: “Het is eenvoudig: als een leraar louter zijn mening verkondigt, zon­der die mening toe te lichten, dan is diegene geen leraar maar eerder een demagoog. Lesgeven gaat over feiten of over een mening die wordt onder­steund met argumenten.”
Lees verder … (PDF)

Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit

Wes Holleman | 16-09-2018 | 1 Reactie » | permalink

Op 1 oktober 2018 treedt de Nederlandse Gedragscode Wetenschappelijke Integriteit (NGWI) in werking. Hij komt in de plaats van de Nederlandse Gedragscode Wetenschapsbeoefening (NGW 2004, laatstelijk gewijzigd in 2014). Uit hoofdstuk 1 van de nieuwe gedragscode kan worden afgelezen dat hij qua reikwijdte beduidend van zijn voorganger afwijkt: hij heeft uitsluitend betrekking op het handelen van onderzoekers (waaronder promovendi en ‘projectleiders, begeleiders, onderzoeksdirecteuren en leidinggevenden voor zover zij de opzet en uitvoering van het onderzoek mede bepalen’). Anders dan de NGW betreft de nieuwe gedragscode dus niet het handelen van onderwijsgevenden, studerenden en examinatoren in het hoger onderwijs. Als enige uitzondering daarop geldt dat studenten zich in het kader van hun onderzoeksstages (dus in het kader van publicatiegericht, al dan niet praktijkgericht onderzoek) wél aan de gedragscode moeten houden. In dat geval kan de student echter niet tuchtrechtelijk worden aangepakt, want de onder­zoekers door wie de stage begeleid wordt, dragen qua wetenschappelijke integriteit de eindverantwoordelijkheid voor het handelen van de stagiair.
Het zal nog wel even duren voordat alle medewerkers en studenten van universiteiten en hogescholen de finesses van de nieuwe gedragscode in de vingers hebben. Maar in de nacht van 30 september op 1 oktober worden de universitaire bestuursorganen met een zeer abrupte transitie van de oude naar de nieuwe gedragscode geconfronteerd:
A) Het is niet langer toegestaan studenten tuchtrechtelijk te straffen voor het plegen van plagiaat, althans niet meer op grond van schending van hun wetenschappelijke integriteit, zoals bepaald was in het kader van de NGW. De universiteiten moeten dus hun bestaande regels en motiveringen voor het bestrijden van plagiaat, gepleegd door studenten, heroverwegen en herdefiniëren.
B) In de nieuwe gedragscode zijn geen normen opgenomen over professioneel handelen van docenten en examinatoren, terwijl de desbetreffende NGW-bepalingen vanaf 1 oktober niet langer van kracht zijn. Het gaat om de volgende bepalingen: 1.6 t/m 1.11; 2.5; 3. (definitie) en 3.5; 4. (definitie) en 4.1, 4.5, 4.6; 5. (definitie) en 5.1. De universiteiten dienen ernstig te overwegen in de ontstane leemte te voorzien door, naast de NGWI, een Gedragscode voor Docenten te ontwikkelen.
Lees verder … (PDF)

Rentetarief tien jaar vast

Wes Holleman | 09-09-2018 | 5 Reacties » | permalink

Het kabinet Rutte III kondigde in zijn Regeringsverklaring (10/10/2017) een wetswijziging over de studieleningen aan zodat “wordt (…) aangesloten bij de 10-jaarsrente.” Hoe moesten we dat interpreteren? Een naïeve burger begreep daaruit dat de schuldenaar een iets hogere rente betaalt, maar dat die rente dan ook gedurende tien kalenderjaren ongewijzigd blijft. Dat noem je ‘tien jaar vast’, net zoals bij een hypotheek: je kunt kiezen voor een lage variabele rente, maar dan loop je het risico volgend jaar een hogere rente te moeten betalen, of je kiest voor ‘vijf of vijftien of dertig jaar vast’ en dan betaal je een hogere rente. Met die rente-opslag dekt de financier het risico dat hij er komende jaren rentepenningen bij inschiet in verhouding tot de ontwikkeling van de markt­rente.
Stom, stom, stom! In het recente wetsvoorstel (4/9/2018) staat iets heel anders, namelijk dat de huidige duur van de lening voor nieuwe instroomcohorten in het hoger onderwijs telkens ‘vijf jaar vast’ is, en dat daar niet aan getornd wordt, maar dat bij de bepaling van de hoogte van het rentetarief niet langer wordt aangesloten bij de actuele 5-jaarsrente maar bij de actuele 10-jaarsrente op Nederlandse staatsobligaties. Verder staat in de vigerende Wet Studie­finan­ciering 2000 (artikel 6.4 en 6.5) dat de rente wordt berekend op basis van samengesteld interest, dus rente op rente, en dat de clausule ‘vijf jaar vast’ pas geldt vanaf tijdstip T (het begin van het kalenderjaar volgend op het jaar waarin de student is opgehouden studie­financiering te genieten). Vóór tijdstip T heeft de lening een variabel rentetarief, dat telkens per 1 januari gewijzigd kan worden. En dat zal, volgens het wets­voorstel, weer aansluiten bij de actuele 10-jaarsrente.
Redacteur KleinJan van het dagblad Trouw (7/9/2018) heeft dus duidelijk zijn huiswerk niet gedaan als hij de lezer voorspiegelt dat de rente van studieleningen voortaan ‘tien jaar vast’ is. En hij slikt de ministeriële stelling voor zoete koek dat de huidige gunstige rentetarieven niet meer passen bij een studielening met een looptijd van 35 jaar. Redacteur Frans van Heest van de webkrant ScienceGuide (5/9/2018) zette evenmin het licht op rood toen hij melding maakte van de ministeriële stelling dat de huidige lage rente niet hoort bij de gemiddelde looptijd van de studielening. Maar ook andere media hebben boter op hun hoofd: door niemand wordt geopperd dat de 10-jaarsrente op Nederlandse staatsleningen tussen 2018 en 2050 wel eens zou kunnen stijgen van 0 % naar 5% of misschien zelfs naar 8%. Die stijging wordt elke jaar doorberekend aan studenten die studiefinanciering genieten, en elke vijf jaar aan de resterende studenten en aan de afgestudeerden en studiestakers. Welke gevolgen heeft dat voor de ontwikkeling van hun studieschuldenlast tot hun 60e of 65e levensjaar, voor studenten die 21.000 euro dan wel een veelvoud daarvan geleend hebben?

Naar een lagere BSA-drempel (II)

Wes Holleman | 05-09-2018 | permalink

Hoe is minister Van Engelshoven tot haar initiatief gekomen om de hoogte van de BSA-drempel te maximeren? In 2015 sprak het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) zijn twijfels uit over de rechtmatigheid van de BSA-regels van de Erasmus­universiteit Rotterdam (EUR): hoe kan men staande houden dat eerstejaarsstudenten ongeschikt zijn als ze in twaalf maanden niet alle 60 studiepunten weten te halen? Omstreeks de jaarwisseling 2017/18 startte het Landelijk StudentenRechtsbureau (LSR) een proefproces tegen de EUR, maar bij nader inzien vonnisten de CBHO-rechters jongstleden april dat de EUR niet in strijd met de letter van de wet handelt. De LSR concludeerde daarop dat de wet moet worden aangescherpt om dergelijke uitwassen te bestrijden. Met haar recente initiatief geeft de D66-minister te kennen dat zij het met de studentenorganisaties eens is.
Maar we kunnen ook dieper graven. Ingrid van Engelshoven bekleedde van 2010 tot 2017 de functie van wethouder Onderwijs in de gemeente Den Haag. Ze heeft dus aan den lijve ervaren hoe de botte bezuinigingen van de rijksoverheid via lagere overheden en andere publieke instellingen worden afgewenteld op de burgers. Ze heeft ongetwijfeld een zesde zintuig ontwikkeld voor dergelijke mechanismes. Zoals de wijze waarop universiteiten en hogescholen elkaar beconcurreren om een groter deel van het hoger­onder­wijs­budget te bemachtigen: onlangs heeft ze aangekondigd dat ze het systeem van onderwijsfinanciering gaat aanpassen om te voorkomen dat de instellingen uit geldbejag nog meer opleidingen gaan verengelsen en nog meer buitenlandse studenten gaan werven. Maar ook de hoge BSA-drempels zijn een teken dat het hoger onderwijs door onderlinge concurrentie is dolgedraaid: door middel van scherpere selectie (aan de poort en in de propedeuse) trachten universiteiten en hogescholen hun prestatie­afspraken (gemaakt met OCW) na te komen en ministeriële boetes af te wenden, want wie de betere studenten en vlottere studeerders binnen­haalt, kan betere slaagpercentages realiseren, en instellingen die daarin niet meegaan, krijgen dus de ministeriële boetes aan hun broek. De minister roept daaraan nu een halt toe, aan deze neoliberale concurrentieslag ten koste van studenten.

Naar een lagere BSA-drempel: 40 studiepunten

Wes Holleman | 04-09-2018 | 2 Reacties » | permalink

D66-minister Van Engelshoven wil aan het Parlement voorstellen de BSA-drempel in de propedeuse te verlagen (OCW 3/9/2018a). Zij wil dat eerstejaarsstudenten hun studie mogen vervolgen, als ze in hun eerste verblijfsjaar minimaal veertig van de zestig studiepunten halen. Verder gaat het als vanouds: bij minder dan veertig punten krijgen ze (behoudens persoonlijke omstandigheden) een negatief Bindend StudieAdvies: ze moeten vertrekken omdat ze ongeschikt worden geacht voor de gekozen opleiding.
Momenteel wordt de lat door de universiteiten en hogescholen hoger gelegd: ergens tussen de 45 en 60 studiepunten (NOS 3/9/2018). Eerstejaarsstudenten krijgen alleen dispensatie als ze vertraagd zijn geraakt door ziekte, zwangerschap, functie­beperking, familieomstandigheden of bestuurlijke verplichtingen (Uitvoeringsbesluit WHW 2008). De minister voert de volgende argumenten tegen de huidige, hoge selectiedrempels aan (OCW 3/9/2018a, OCW 3/9/2018b):
a) ze maken dat geschikte studenten ten onrechte worden heengezonden;
b) ze werpen onnodige barrières op waardoor geschikte studenten worden afgeschrikt;
c) ze mikken op excellentie ten koste van toegankelijkheid en diversiteit;
d) ze ontnemen gelijke kansen aan kwetsbare categorieën studenten die wel de nodige capacitei­ten hebben (bv. eerste­generatie­studenten, wier ouders geen hoger onderwijs genoten hebben);
e) ze benadelen laatbloeiers en studenten die wat meer tijd nodig hebben om zich aan te passen aan hun nieuwe leven als student;
f) ze leiden tot overbelasting (te grote werkdruk) en te grote psychische druk bij studenten, en ze belemmeren daarmee tevens hun bredere (ook extracurriculaire) ontwikkeling.
Lees verder … (PDF)