Burgerschapsopdracht (V): bijzondere scholen

Wes Holleman | 04-08-2020 | permalink

Na de zomervakantie wordt het Wetsontwerp Aanscherping Burgerschapsopdracht (nr. 35352) plenair behandeld in de Tweede Kamer. Het schoolbestuur moet ervoor zorgen, aldus het wetsontwerp, dat de schoolcultuur niet in strijd is met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat en dat de leerlingen op school actief kunnen oefenen hoe je met die waarden kan omgaan. In een vorig blogbericht wees ik erop dat dit wetsontwerp wellicht op gespannen voet staat met de grondwettelijke vrijheid van onderwijs: in hoeverre kunnen bijzondere scholen zich aan hun nalevingsplicht onttrekken als ze aannemelijk maken dat ze anders in strijd met hun grondslag zouden handelen?
In 2011 was er een casus bij de R.K. scholengemeenschap Don Bosco College in Volendam. Een moslima uit de vmbo-afdeling vroeg of ze een hoofddoek mocht gaan dragen. Dat werd geweigerd door de school. De leerling verzocht vervolgens de CGB (het tegen­woordige College voor de Rechten van de Mens) om daarover een oordeel te vellen. De CGB concludeerde dat de school zich aan discriminatie op grond van geloofsovertuiging schuldig maakte. Maar de civiele rechter, het Amsterdamse gerechtshof, oordeelde anders. Weliswaar wordt door de school niet verlangd dat de ouders van aspirant-leerlingen de R.K. grondslag van de school onderschrijven, maar toch heeft de school het volste recht de hoofddoek te verbieden als zij dat nodig vindt om haar R.K. grondslag te verwezenlijken.
Misschien moet nog ter verduidelijking worden opgemerkt dat het dorp Volendam vanouds her een strijdbaar katholiek bolwerk in een overwegend protestantse regio is. Een ander gegeven is dat bij de laatste verkiezingen voor de Provinciale Staten (2019) meer dan zestig procent van de stemmen uit het dorp naar de partij van Baudet of naar die van Wilders ging. De school beschouwt het als haar opdracht herkenbaar te zijn voor iedereen binnen de plaatselijke be­volking en de regio.
Sinds het vonnis van 2011 hoeven confessionele scholen zich dus iets minder zorgen te maken over de vraag of hun eventuele hoofd­doekverbod in strijd is met de wet. Maar er doemen rond de burgerschapsopdracht nieuwe zorgen op. In de eerste plaats is de vraag opgeworpen of scholen actief mogen uitdragen dat homoseksueel gedrag zondig is. Op verzoek van OCW heeft de Onder­wijs­inspectie uitgezocht of men zich daarmee aan discriminatie schuldig maakt. Half maart heeft de Inspectie uitsluitsel gegeven: confessionele scholen mogen homoseksueel gedrag zondig noemen, mits ze tegelijkertijd onderstrepen dat je jegens homoseksuelen verdraagzaam­heid moet betrachten en dat je hen niet mag discrimineren.
In de tweede plaats is het denkbaar dat de Onderwijsinspectie ooit in het kader van de wette­lijke burgerschapsopdracht zal uit­werken aan welke eisen de schoolcultuur moet voldoen op het punt van de ‘freedom of opinion and expression’ en de vrijheid van meningsvorming. Ik kan niet taxeren of sommige scholen zich in dat geval zorgen moeten gaan maken. Bij wijze van voor­beeld geef ik in de bijlage bij dit blogbericht een overzicht van wat het Don Bosco College hier­over momenteel op zijn website vermeldt.
Lees de Bijlage (PDF)

Burgerschapsopdracht van scholen (IV): bescherm mijn vrijheid van meningsvorming

Wes Holleman | 29-07-2020 | 1 Reactie » | permalink

Ik ben veertien jaar oud en zit in de derde klas van de middelbare school. Ik begrijp dat de Tweede Kamer na de zomervakantie het wetsontwerp 35352 in stemming brengt, waarmee de burgerschapsopdracht van scholen zodanig wordt aangescherpt dat wan­prestatie door de Onderwijsinspectie kan worden aangepakt. Ik heb ernstig bezwaar tegen het wetsontwerp omdat mijn vrijheid van meningsvorming onvoldoende gerespecteerd en beschermd wordt. Eerst zal ik de nieuwe burgerschapsopdracht van scholen kort omschrijven, waarna ik mijn bezwaren zal toelichten. Het wetsontwerp omvat een drieledige opdracht:

  • (a) Ons moet op school kennis van en respect voor de basiswaarden van de democratische rechts­staat worden bijgebracht (alsmede kennis van en respect voor de mensenrechten).
  • (b) Bij ons moeten de sociale en maatschappelijke competenties worden ontwikkeld die ons in staat stellen deel uit te maken van de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving en zelf bij te dragen aan die samenleving.
  • (c) De school moet ervoor zorgen dat de schoolcultuur niet in strijd is met de bedoelde basis­waarden en dat wij op school actief kunnen oefenen hoe je met die waarden kan omgaan.

Ik leg hieronder uit waarom mijn vrijheid van meningsvorming door deze drieledige opdracht ondermijnd wordt: 1. het wetsontwerp legitimeert de indoctrinatie van leerlingen; 2. het wets­ontwerp zet de sluizen open voor nationalistische en xenofobe propaganda; en 3. het wetsont­werp ondermijnt een schoolcultuur waarin zelfstandig kritisch denken en onderzoeken centraal staat.
Lees verder … (PDF)

Vrijheid van meningsvorming (II)

Wes Holleman | 26-07-2020 | 1 Reactie » | permalink

Ik kwam toevallig een oud artikel tegen, op de website van de stichting Earth Matters (3/8/2013). De auteurs willen dat professio­nele journalisten een ethische code opstellen, inhoudende dat het publiek door journalisten in staat moet worden gesteld op basis van de beschikbare feiten een eigen mening te vormen. In de kop van hun Engelse vertaling spreken de auteurs van de Freedom of opinion. Voor mij is dit een nieuwe aanleiding om te proberen de vrijheid van meningsvorming goed te omschrijven en mijn eerdere blogbericht onder dezelfde titel te verbeteren.
‘Freedom of opinion’ is de naam van één van de internationaal erkende, klassieke grond­rechten. Artikel 19 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens luidt: Everyone has the right to freedom of opinion and expression; this right includes freedom to hold opinions without interference and to seek, receive and impart information and ideas through any media and regardless of frontiers. En artikel 18 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens bepaalt evenzo dat de vrijheid van (menings-)uiting tevens omvat: free­dom to hold opinions and to receive and impart information and ideas without interference by public authority and regardless of frontiers. Het grondrecht ‘freedom of opinion’ houdt dus in, dat je er een eigen mening op na mag houden en dat overheidsinstanties jou niet mogen be­lemmeren in jouw meningsvorming. Maar de auteurs van Earth Matters zouden te ver gaan als ze zouden suggereren dat het tot de grondrechten van burgers behoort om (door wie-dan-ook) te worden gefaciliteerd in hun meningsvorming.
Voordat we verder gaan, moeten we ingaan op de vraag wat bedoeld wordt met de term ‘mening’ of ‘opinie’. In artikel 7 van de Nederlandse Grondwet wordt niet gesproken van meningen of opinies. De wetgever spreekt van gedachten en gevoelens. Eigenlijk gaat het om alles wat bedacht en geuit kan worden: opvattingen, overtuigingen, standpunten, denkbeelden, visies, fantasieën, maar ook voornemens en plannen, attituden, affiniteiten/aversies, beelden en voorstellingen die je door het hoofd spoken, de pijn die je ervaart, et cetera. De ‘freedom of opinion’ houdt in dat je niet belemmerd mag worden om gedachten en gevoelens, welke dan ook, te koesteren. De ‘vrijheid van meningsvorming’ is dat je niet belemmerd mag worden om nieuwe gedachten en gevoelens te ont­wikkelen of eerder gekoesterde gedachten en gevoelens te corrigeren. En de ‘freedom of expression’ houdt in dat je ge­dachten en gevoelens, welke dan ook, mag uiten en openbaar mag maken.
Hoe zit het met de rechten van leerlingen en studenten? Is de vrijheid van meningsvorming een grondrecht dat in het onderwijs gerespecteerd moet worden? Waar de overheid een leer- of kwalificatieplicht afdwingt, moet de overheid, dunkt me, erop toezien dat leerlingen en studen­ten niet belemmerd worden in hun vrijheid van meningsvorming. En meer in het algemeen kan men argumen­teren dat dit grondrecht in acht moet worden genomen waar het onderwijs­bestel geheel of grotendeels door de overheid bekostigd wordt. Maar misschien is het effectiever dat leraren en docenten door de overheid gestimuleerd worden als beroepsgroep ethische codes op te stellen waarin de vrijheden van leerlingen en studenten zijn vastgelegd.
Hieronder zal ik inventariseren welke aspecten van de vrijheid van meningsvorming (en van de ‘freedom of opinion’) zoal onder­scheiden worden in het onderwijs.
Lees verder … (PDF)

Toelatingstoetsen pabo vormen een bottleneck (II)

Wes Holleman | 28-06-2020 | 3 Reacties » | permalink

In 2015 zijn extra toelatingseisen voor de pabo ingevoerd, die uitsluitend van toepassing zijn op abituriënten van havo en mbo4. Anders dan vwo-abituriënten, moeten zij een toets Geschiede­nis, Aardrijkskunde en Natuur&Techniek afleggen om tot de pabo te worden toegelaten. Dat heeft tot gevolg gehad dat de instroom van aspirant-studenten met een niet-westerse immigra­tieachtergrond dramatisch gedaald is (CPB 2019 p.14). Men denke bijvoorbeeld aan aspirant-studenten met Marokkaanse, Turkse, Caraïbische of Surinaamse wortels.
Researchnet geeft deze toelatingsselectie vorig jaar geëvalueerd. In het rapport (2019) wordt aanbevolen te onderzoeken hoe het afschrikeffect voor mbo’ers met een migratieachtergrond verminderd kan worden en hoe de slaagkans voor de toetsen “meer cultuurneutraal” kan worden gemaakt. De toelatingstoetsen zijn afgestemd op het niveau dat havisten aan het eind van het derde leerjaar bereikt hebben. Vooral bij de toelatingstoets Geschiedenis vallen erg veel onvoldoendes. Een commissie van lectoren uit de pabosector gaat nu onderzoeken in hoeverre aspirant-studenten met een niet-westerse migratieachtergrond door ‘westerse of talige voor­ingenomenheid’ van de toetsconstructeurs benadeeld worden (NU.nl 15/6/2020).
In onderstaand tekstkader geef ik een voorproefje van hun mogelijke onderzoeksuitkomsten. Ik heb namelijk een officiële oefen­variant 2016/2017 van de toelatingstoets Geschiedenis onder de loep genomen (2016a, 2016b).
Lees verder … (PDF)

De beul van Utah

Wes Holleman | 14-06-2020 | 1 Reactie » | permalink

Op de eerste dag van het najaarssemester (augustus 2019) sloeg professor Shively de hand aan zichzelf. Hij was toen 73 jaar oud. Maart 2019 was hij geschorst met behoud van salaris. Al jaren gaf hij de undergraduate semestercursus Humane Anatomie aan aanstaande studenten Geneeskunde, Tandheelkunde en Verpleegkunde. Zijn leven viel in duigen toen hem in augustus nog steeds de toegang tot de collegezaal ontzegd was.
Hij was een begaafde docent en hij was bereid zich ten volle voor zijn studenten in te zetten. Maar hij vergde het uiterste van hen. Hij beschouwde het als zijn levenstaak om hun de nauw­gezetheid en het arbeidsethos bij te brengen die van professionals in de gezondheidszorg ver­wacht worden. Ze moesten zich volledig uit de naad werken om het dikke studieboek, dat Shively zelf geschreven had, binnen dat ene semester door te worstelen. Eén op de vier deel­nemers kon de hoge studiebelasting niet opbrengen en schreef zich al tijdens de cursus uit (UVU-Review 5/11/2014). En de multiple-choice tentamens waren een slachting (althans voor studenten die een hoog Gradepoint Average moesten halen om tot Medical c.q. Dental School te worden toegelaten). Toch waren de tentamen­uitslagen niet bijzonder slecht aangezien de verdeling van de ‘lettergrades’ (van uitmuntend tot zeer onvoldoende) keurig aan de standaard­normaalcurve beantwoordde.
Hij beschouwde zichzelf als streng doch rechtvaardig, maar rechtvaardig was hij niet. In het licht van de universitaire reglementen was de studielast van zijn cursus veel te hoog. De vragen van de multiple-choice tentamens waren sadistisch geformuleerd en sommige waren zelfs onbeantwoordbaar. De beoordeling was op z’n minst gezegd ondoorzichtig. En hij gedroeg zich onbehouwen en intimiderend als mensen of dingen hem niet bevielen.
Met zijn onprofessioneel en onheus gedrag jegens studenten had hij nog eindeloos door kunnen gaan, want naar hun klachten werd niet geluisterd. Pas toen stafleden tegen zijn autoriteit (en tegen zijn onheuse en intimiderende optreden jegens hen) in het geweer durfden te komen, voelde zijn werkgever (Utah Valley University) zich genoodzaakt de ingebrachte beschuldi­gingen te onderzoeken. Daar kwam bij dat hij zich niet aan de nieuwe universitaire regels over belangenverstrengeling bleek te houden (hij had de in­komsten uit zijn dure studieboek niet op zijn eigen bankrekening mogen laten bijschrijven). Maart 2019 werd hem, hangende het tuchtrechtelijke onderzoek, de toegang tot de universiteit ontzegd.
Het onderzoek nam ettelijke maanden in beslag. Hij werd verscheidene keren gehoord, maar het conceptrapport werd pas in juli aan hem voorgelegd. En gezien de onprofessionele wijze waarop hij met studenten en stafleden placht om te gaan, had men besloten hun getuigenissen anoniem te rapporteren. De lokale afdeling van de American Association of University Professors (UAAP) heeft zijn zaak kritisch gevolgd. Naar hun oordeel zijn de regels voor een behoorlijke rechtsgang geschonden. Inmiddels heeft de familie, na zijn overlijden, ook een rechtszaak tegen de universiteit aangespannen.
Bron: uvu-aaup.blogspot.com (13/5/2020)

Inzagerecht tentamens (IV)

Wes Holleman | 10-06-2020 | 1 Reactie » | permalink

Het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) heeft vandaag een belangrijke uitspraak gedaan in een zaak die was aangespannen door een geneeskundestudent van de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Over de aanloop van het geschil schreef ik al eerder (20/11/2019). De studenten hadden een deeltentamen in de vorm van meerkeuzevragen afgelegd, vervolgens had de docent de ingeleverde antwoordformulieren beoordeeld en tenslotte had de docent hen in kennis gesteld van hun behaalde cijfer. Maar onze student vroeg daarop inzage in zijn beoordeelde werk, in de gestelde vragen en in de normen aan de hand waarvan de beoordeling had plaatsgevonden. Hij deed dus beroep op zijn wettelijke inzage­recht (artikel 7.13 WHW). Maar in de lokale examenregeling was dat wettelijke inzagerecht buiten werking gesteld voor de bloktoetsen die tijdens de coschappen werden afgenomen. Op die manier konden de meerkeuzevragen telkens worden hergebruikt voor nieuwe generaties studenten. Het verzoek van onze student werd dus afgewezen, maar daar nam hij geen genoegen mee. Hij ging in beroep bij het lokale College van Beroep voor de Examens en vervolgens bij het CBHO. En dat landelijke College van Beroep heeft hem vandaag in het gelijk gesteld.
Bron: Artikel 7.13 van de Wet op het hoger onderwijs luidt:
1. Het instellingsbestuur stelt voor elke (…) opleiding (…) een onderwijs- en examenregeling vast. (…)
2. In de onderwijs- en examenregeling worden (…) de geldende procedures en rechten en plichten vastgelegd met betrekking tot het onderwijs en de examens. Daaronder worden ten minste begrepen: (…)
p. de wijze waarop en de termijn gedurende welke degene die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk,
q. de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een schriftelijk afgenomen tentamen en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden,
r. (…)

De doelgroepen van passend onderwijs

Wes Holleman | 07-06-2020 | 2 Reacties » | permalink

Hoe zit het met de aanvullende voorzieningen voor ‘makkelijk lerende en (hoog)begaafde kinderen en jongeren’ in het funderend onderwijs en in het mbo? Als deze faciliteiten in een dringende ondersteuningsbehoefte voorzien, worden ze tot het passend onderwijs gerekend en mogen de kosten ervan niet op de ouders worden afgewenteld. Dat was het standpunt dat het ministerie van OCW in 2016 innam tegen een Nijmeegse onderwijsstichting die een verplichte ouderbijdrage factureerde als hoogbegaafde leerlingen aan het aanbevolen plusprogramma deelnamen. De afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde het ministerie in het gelijk (7/2/2018). En deze beleidslijn zien we terug in de Kamerstukken van de kabinetten Rutte-2 en Rutte-3, geschreven door staatssecretaris Dekker (31/8/2017), door de vier coalitiepartners in Rutte-3 (10/10/2017 p. 9) en door minister Slob (3/7/2018, 19/9/2019, 19/12/2019).
Hebben makkelijk lerende en hoogbegaafde leerlingen hiermee het recht verworven om onderwijs op maat te krijgen? Nee, door de wetgever zijn hun geen rechten toegekend. De afzonderlijke, décentrale Samenwerkingsverbanden voor Passend Onderwijs zijn bevoegd het toegekende budget voor extra ondersteuning in hun regio te verdelen, op basis van de dringende ondersteunings­behoef­ten die zij menen aan te treffen. De wetgever had daarbij in de eerste plaats de zorgleerlingen voor ogen: leerlingen met een stoornis of handicap. Met de term Passend Onderwijs werd gedoeld op de zorgvuldige afwegingen die moesten worden gemaakt om die leerlingen bij scholen in het regulier dan wel speciaal onderwijs onder te brengen. Maar in het recent verschenen Eindrapport Evaluatie Passend Onderwijs (mei 2020) wordt geconstateerd (en ernstig betreurd!) dat de termen “zorgleerling” en “label” uit het beleidsjargon geschrapt zijn en dat de Samenwerkingsverbanden zelf mogen bepalen op welke doelgroepen zij zich richten bij de invulling van Passend Onderwijs. Uit eerdere rapportages (2018, 2019) blijkt bovendien dat het vaak niet voldoende duidelijk is wat van de scholen verwacht wordt: op welke basisondersteuning mogen de leerlingen rekenen, naast de extra ondersteuning die via het Samenwerkingsverband gefinancierd wordt?
Ik ben slechts een buitenstaander, maar als ik het goed begrijp komen de gelden voor Passend Onderwijs tegenwoordig dus ten goede aan drie categorieën leerlingen die dringend extra ondersteuning nodig hebben: de zorgleerlingen met een stoornis of handicap; de leerlingen met een hoog IQ; en de leerlingen die het reguliere onderwijsprogramma niet kunnen bijbenen. Weliswaar wordt de extra ondersteuning aan de laatstbedoelde categorie ten dele ook langs andere weg gefinancierd, namelijk via de onderwijsachterstandsgelden (2,5- tot 14-jarigen) en via de één- à tweejarige NT2-taalondersteuning voor nieuwkomers. Maar om de missie van het basisonderwijs te verwezenlijken, is tevens financiering vanuit de Samenwerkingsverbanden noodzakelijk. Want idealiter moet ieder kind zodanig worden begeleid dat het de basisvaar­dig­heden van Nederlandse Taal en Rekenen aan het eind van groep 8 op 2F-niveau beheerst. Dat is het niveau dat jongeren nodig hebben om goed mee te komen in het voortgezet onderwijs en dat niveau hebben jongvolwassenen ook nodig om volwaardig te participeren in de Neder­landse samenleving (PISA-rapport 2019; Onderwijsinspectie 2020a, 2020b).
In een recent blogbericht (10/5/2020) kwam ik tot de tentatieve conclusie dat met name deficiënties op het gebied van leesvaar­dig­heid heden ten dage ná het basisonderwijs niet meer kunnen worden bijgespijkerd. Want na hun intrede in de brugklas kunnen de meeste jongeren zich er niet meer toe zetten om voor hun plezier boeken te lezen. Dat komt door hun gedigitaliseerde levensstijl.

Verwarrende beleidslijnen (II): geldelijke compensatie voor vertraagde student

Wes Holleman | 20-05-2020 | 1 Reactie » | permalink

Ter compensatie van de financiële gevolgen van de coronacrisis (weggevallen bijverdiensten alsmede opgelopen ‘studievertraging in het laatste studiejaar die niet altijd te voorkomen of in te halen is’), krijgen ‘alle studenten die van september 2020 tot uiterlijk eind januari 2021 een mbo-, hbo- of een masterdiploma in het wo behalen, in het eerste kwartaal van 2021 eenmalig een bedrag (…) ter hoogte van maximaal drie maanden les-/cursus-/collegegeld’ (Kamerbrief 15/5/2020). ISO, de behartiger van studenten­belangen, is blij met dit behaalde onderhande­lings­resultaat (nieuwsbericht 15/5/2020). Maar Frank Futselaar (SP) stelt een kritische Kamervraag (18/5/2020): op welke grond meent de minister te mogen aannemen dat de overige studenten ‘die niet in het jaar van afstuderen zitten en [wel ten gevolge van de coronacrisis] studievertraging oplopen, dit nog kunnen inhalen?’ Futselaar slaat de spijker op zijn kop:
1. De universitaire bacheloropleiding is een opzichzelfstaande opleiding. Waarom zijn de abituriënten van deze bacheloroplei­dingen uitgesloten van de aangekondigde compensatie­regeling? Het is uiterst onwaarschijnlijk dat zij hun coronavertraging tijdens hun Nederlandse masteropleiding kunnen inlopen (ook al zouden ze dispensatie van de ‘harde knip’ krijgen). En het is überhaupt nog maar de vraag of zij na hun bachelordiploma een (Nederlandse) master­opleiding gaan volgen.
2. Zestig maal 28 uur. Wettelijk is vastgelegd a) dat studenten in het hoger onderwijs zestig studiepunten per cursusjaar moeten behalen, en b) dat de mediane student 28 uur nodig heeft om één studiepunt te behalen. De wettelijke studielast van de mediane student is 1680 uur per cursusjaar (42 weken à 40 uur). Het is dus een wezenskenmerk van het Nederlandse hoger­onderwijssysteem dat het onderwijs is afgestemd op de betere student en dat de helft van de studenten studievertraging oploopt: ze moeten jaarlijks 1680 à 2000 uur studeren om het programma bij te benen en dat gaat hun belastbaarheid te boven. Ergo: alleen al gezien de zwaarte van de hogeronderwijsprogramma’s is het irreëel te veronderstellen dat studenten hun corona-vertraging wel weer kunnen inlopen.
3. Doorgeschoten rendementsdenken. In de afgelopen decennia hebben de universiteiten en hogescholen, mede onder druk van het ministerie, alles in het werk gesteld om de door­stroom­snelheid in de bachelor- en masteropleiding te vergroten. Daartoe werden allerlei maatregelen verzonnen om uitstelgedrag te ontmoedigen: wie niet horen wil, moet voelen. Of anders gezegd: wie de euvele moed heeft achterop te raken, krijgt van ons zo’n ongenadige schop dat hij nog verder achterop raakt. Dat wetende legt Frank Futselaar het vuur aan de ministeriële schenen: mogen we uit uw redenering opmaken dat u met de universiteiten en hogescholen heeft afgesproken dat ze hun draconische beleid beëindigen en dat ze hun studenten van nu af aan toegewijd gaan helpen om hun coronavertraging in te lopen?
4. Profileringsfonds. Futselaar had er ook nog op kunnen wijzen dat de minister met haar redenering inbreuk maakt op de systematiek die in de wettelijke regeling van het Profilerings­fonds (artikel 7.51 WHW) gevolgd wordt. In een van de Service­documenten Hoger Onderwijs (24/4/2020) wordt bevestigd dat studenten die door persoonlijke omstandigheden in verband met de coronacrisis vertraagd zijn geraakt, een beroep kunnen doen op het Profileringsfonds van hun instelling: ‘Het gaat hierbij om studenten die te maken hebben met opgelopen of verwachte studievertraging doordat zij zelf ziek zijn (geweest) door het coronavirus, of vanwege (mantelzorg voor) zieke familieleden. Ook [gaat het hierbij om] studerende ouders die vanwege de coronamaatregelen onderwijs moeten combineren met zorg voor kinderen die thuis zijn en daardoor studievertraging oplopen of verwachten op te lopen.’ Bij het recht op de desbetref­fende uitkeringen wordt niet als ontbindende voorwaarde gesteld dat het mogelijk ware geweest de opgelopen studievertraging in te lopen!

Hoe liep het afstandsonderwijs in april?

Wes Holleman | 18-05-2020 | 1 Reactie » | permalink

In de tweede helft van april heeft de Onderwijsinspectie telefonisch bij een steekproef van scholen rondgevraagd hoe het afstands­onderwijs liep. Op 13 mei heeft zij haar bevindingen per sector gerapporteerd. Tevens werden er afzonderlijke rapportages uit­gebracht over onderwijs­sectoren waar afstandsonderwijs een bijzondere uitdaging vormt: het speciaal onderwijs (ver­deeld over de vier clusters); het voorgezet speciaal onderwijs (idem); de orthopedagogisch-didactische centra; en de justitiële jeugd­inrich­tingen en gesloten jeugdzorginstellingen.
De Inspectie is van plan nader onderzoek te doen naar het functioneren van het afstands­onder­wijs tijdens de coronacrisis, en naar de mogelijke effecten ervan voor leerlingen en studenten. Dat past bijvoorbeeld bij haar toezichthoudende taak ten aanzien van het basis- en voortgezet onderwijs aan nieuwkomers (waaronder de eerste opvang van anderstaligen). De Inspectie heeft trouwens ook een toezichthoudende taak ten aanzien van de sector die in deze coronatijd geheel op de kurk van de ouderparticipatie dreef: de voor- en vroegschoolse educatie aan 2,5- tot 6-jarigen.
Alle minderjarigen die in Nederland wonen, zijn vanaf vijfjarige leeftijd leerplichtig. Zij móéten naar school en hebben dan ook récht op passend onderwijs. Voor kinderen met een taal­achterstand geldt het recht op voor- en vroegschoolse educatie reeds als ze 2 of 2,5 jaar oud zijn. Dat geldt dus eveneens voor kinderen en jongeren die in asielzoekerscentra wonen (of die in afwachting van uitzetting in gezinslocaties verblijven). Maar sinds de coronalockdown wordt er online afstandsonderwijs geboden en de azc’s zijn daar niet voldoende op ingericht. Er zijn niet genoeg pc’s, laptops en tablets en de internetverbindingen schieten tekort. Onlangs is hier­over bericht in het Algemeen Dagblad (8/5/2020) en op 11 mei hebben PvdA, GroenLinks en D66 hierover Kamervragen gesteld aan staatssecretaris Broekers (die de opvang van asiel­zoe­kers in haar portefeuille heeft) en aan minister Van Engelshoven (OCW).
Onlangs beantwoordde minister Slob (24/4/2020) trouwens Kamervragen van GroenLinks en PvdA over een andere kwestie: dat minderjarige asielzoekers belemmerd worden in het aan­leren van de Nederlandse taal ten gevolge van de vele gedwongen ver­huizingen tijdens de asielprocedure.

De leesvaardigheid van vijftienjarigen

Wes Holleman | 10-05-2020 | 7 Reacties » | permalink

De Onderwijsinspectie heeft onlangs haar jaarlijkse rapport De Staat van het Onderwijs gepubliceerd. Zij slaat alarm naar aan­leiding van de laatste PISA-rapportage (3/12/2019) over de leesvaardigheid van Nederlandse vijftienjarigen. Het ging dit keer om een steekproef van 4.765 leerlingen, afkomstig van 156 vo-scholen.
Wat leesvaardigheid betreft is de gemiddelde toetsscore van de vijftienjarige leeftijdscohorten in de afgelopen acht jaar gedaald van 511 (2012) via 503 (2015) naar 485 (2018). Daarmee zijn we ónder de gemiddelde toetsscore (492) van de vijftien ‘oude’ EU-landen terechtgekomen. We scoren nu significant slechter dan Duitsland, België, Frankrijk, het VK, Ierland, Dene­marken, Zweden en Fin­land. Verder scoren we binnen Europa significant slechter dan Noor­wegen, Estland, Polen en Slovenië, en in OESO-verband ook significant slechter dan de VS, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Korea en Japan.
Het ging hierboven om de gemiddelde toetsscore binnen de gehele Nederlandse steekproef, maar er zijn tevens gegevens beschik­baar over de spreiding rond het gemiddelde. Onder de Nederlandse vijftienjarigen is het percentage ‘onvoldoende geletterden’ (toetsscore < 407) gestegen van 14% (2012) via 18% (2015) naar 24% (2018). Deze categorie leerlingen is op z’n best in staat ‘expliciet geformuleerde informatie in een tekst te vinden, de hoofdgedachte of auteursintentie in een tekst te herkennen en eenvoudige verbindingen te leggen tussen de informatie in de tekst en alledaagse kennis.’ Dat is minder dan nodig is om goed te kunnen functioneren in het voortgezet onderwijs. Hoe komt het dat Nederlandse vijftienjarigen zo slecht scoren op leesvaardigheid en wat kunnen we er aan doen? Ik waag me aan een éénpersoons brainstormpje (§§1-9). Vervolgens laat ik deskundigen, beleidsmakers en kwaliteitsbewakers aan het woord (§§10-12). En in een laatste paragraaf maak ik de balans op.
Lees verder … (PDF)