Bacheloropleidingen zonder BSA

Wes Holleman | 23-06-2019 | permalink

Bijna alle wo- en hbo-opleidingen in den lande hanteren een Bindend StudieAdvies: studenten worden uit de bacheloropleiding verwijderd als ze in hun eerste verblijfsjaar niet genoeg studievoorgang weten te boeken. Zoals in een eerder blogbericht (4/9/2018) te lezen valt, staat minister Van Engelshoven zeer kritisch tegenover de huidige BSA-praktijk. Oorspronkelijk was het BSA namelijk bedoeld om ongeschikte studenten heen te zenden, maar in de laatste decennia is de BSA-norm gaandeweg door faculteiten op­gehoogd om studenten meedogenloos achter de vodden te zitten (en werkstudenten te weren).
Maar in de Maastrichtse faculteit Gezondheid, Geneeskunde en Levenswetenschappen gelden schappelijker regels. Bijvoorbeeld voor de studenten Geneeskunde: niemand wordt weg­gestuurd, eenmaal behaalde studiepunten blijven geldig, en als je in het eerste verblijfsjaar minimaal 33 van de 60 studiepunten hebt behaald, kun je voorwaardelijk tot het programma van het tweede cursusjaar worden toegelaten.
De faculteit Business, Media en Recht van de hogeschool Windesheim gaat met ingang van komend studiejaar ook die kant op (WIN’ 16/5/2019, 6/6/2019): je wordt niet weggestuurd en eenmaal behaalde studiepunten blijven staan. Maar bij BMR wordt een zeer hoge toe­latingsdrempel tot het tweede cursusjaar gehanteerd. Pas als je 54 van de 60 propedeutische studiepunten hebt gehaald, mag je (naast het resterende propedeuseprogramma) aan het tweede cursusjaar beginnen. Wie daaronder zit, wordt dus met gedwongen leegloop geconfronteerd. Dat beantwoordt nauwelijks aan het beleidsperspectief dat het College van Bestuur van Windesheim voor ogen heeft gestaan (WIN’ 17/1/2019a, 17/1/2019b, 28/2/2019, 28/3/2019, 1/4/2019).
Een veel positievere insteek wordt gekozen in de opleiding Huidtherapie van de Hogeschool Utrecht (Trajectum 17/6/2019, 7/2/2018). Evenals bij de Geneeskunde in Maastricht kent deze opleiding toelatingsselectie aan de poort (decentrale selectie op grond van een numerus fixus), hetgeen een nadere propedeutische selectie minder urgent maakt (Holleman 25/2/2013, 1/9/2014). Het bindend studieadvies wordt met ingang van het komende studiejaar afgeschaft. De studenten worden begeleid in hun individuele studieplanning. Een strikte drempel is slechts dat studenten niet aan hun derdejaarsstage mogen beginnen voordat alle 60 prope­deutische studiepunten vergaard zijn.

Demonstratievrijheid: geen demonstratieplicht

Wes Holleman | 11-06-2019 | permalink

Nederlandse en Vlaamse scholieren demonstreren sinds begin dit jaar voor een actiever klimaatbeleid. Ik schreef er al eerder over. Scholen kunnen daar verschillend mee omgaan. De meest tegemoetkomende variant is dat de deelname aan een klimaat­demonstratie door de school erkend wordt als een (facultatieve) leeractiviteit in het kader van het reguliere onderwijsprogramma. In het licht van de leerplichtwet rijst dan wel een probleem: hoe controleren we of de leerling inderdaad aan de demonstratie heeft deelgenomen en dus niet gespijbeld heeft?
Op 12 maart publiceerde de Vlaamse onderwijsminister een handreiking waarin als uitgangs­punt gehanteerd werd dat de deelname aan een manifestatie mag worden opgevat als een schoolexcursie, mits de deelname voor alle leerlingen verplicht is. Over verplichte deelname aan demonstraties waren de Vlaamse meningen echter verdeeld (HLN 14/3/2019). Daarom heeft de minister daarover alsnog advies gevraagd aan de Commissie Zorgvuldig Bestuur. Vorige week is het advies van de commissie door het ministerie gepubliceerd: indien de boodschap van een demonstratie in politiek opzicht gevoelig ligt, kan de deelname aan de excursie niet verplicht worden gesteld en moet dus voor de weigeraars een alternatief programma worden georganiseerd. Uit de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting volgt immers dat men niet verplicht kan worden demonstratief een mening te verkondigen waar men niet achter staat.

Onbehoorlijke wetgeving

Wes Holleman | 03-06-2019 | permalink

Op 20 januari 2015 heeft de Eerste Kamer het wetsvoorstel nr. 34035 van het paarse kabinet Rutte II aanvaard: de basisbeurs voor studenten in het hoger onderwijs werd vervangen door een ‘sociaal leenstelsel’. Dat was een soort ‘deal’ die de wetgever met de toekomstige studenten sloot: zij verloren weliswaar hun basisbeurs, maar in plaats daarvan konden ze op zeer gunstige voorwaarden een studielening verkrijgen. In de Memorie van Toelichting (blz. 17) waren die voorwaarden uiteengezet: de aflossings­termijn wordt maximaal 35 jaar; de rente blijft telkens vijf jaar vast; maar de rentevoet wordt iets verhoogd (namelijk zo hoog als de Staat blijkt te moeten betalen op de vijfjarige staatsschuld). Geconcludeerd werd dat deze verhoging zou leiden ‘tot meer evenwicht [tussen] de rentekosten die de staat betaalt op de kapitaalmarkt en de rentekosten die bij de student in rekening worden gebracht.’
Maar het rechtse kabinet Rutte III speurde naar nieuwe mogelijkheden om op het overheids­budget te bezuinigen. In zijn regeringsverklaring (10/10/2017), nog geen drie jaar nadat de wet was aangenomen, werd een nieuwe wetswijziging aangekondigd: de rentevoet voor nieuwe studenten­generaties zou opnieuw worden verhoogd (namelijk naar de rente die de Staat moet betalen op de tienjarige staatsschuld). Het nieuwe wetsvoorstel (35007) werd 5 september 2018 ingediend, samen met het advies van de Raad van State. Opmerkelijk is dat de RvS geen bezwaren opperde, terwijl daar alle reden toe was: de oude ‘deal’ werd open­gebroken, terwijl de regeringscoalitie geen nieuwe argumenten aandroeg die dat konden rechtvaardigen. Maar het zag er naar uit dat het wetsvoorstel wel door het Parlement kon worden geloodst, aangezien de regeringscoalitie binnen beide Kamers in de meerderheid was. Dat veranderde echter toen een voormalig lid van de VVD-fractie in de Eerste Kamer zich tegen het wetsvoorstel keerde, kort nadat zij wegens een integriteitskwestie uit de fractie was gestoten. Het kabinet besloot vandaag de eer aan zichzelf te houden en het wetsvoorstel in te trekken voordat het in stemming kwam.
Op het nippertje is voorkomen dat Regering en Parlement zich schuldig zouden maken aan onbehoorlijk landsbestuur, of meer in het bijzonder: onbehoorlijke uitoefening van hun wetgevende macht. Bij aan­vaarding van dit wetsvoorstel zouden de algemene beginselen van behoorlijk bestuur namelijk ernstig zijn geschonden. Resumerend: in 2015 was een ‘deal’ gesloten en de burgers mochten erop vertrouwen dat die ‘deal’ door de overheid werd nagekomen, tenzij zich nieuwe omstandigheden zouden hebben voorgedaan waardoor de overheid in redelijkheid zou worden ontslagen van deze morele plicht. Welnu: de overheid heeft in 2018/2019 geen nieuwe omstandigheden aangevoerd. Dus werd door haar het Vertrouwens­beginsel geschonden als zij het wetsvoorstel 35007 zou hebben aanvaard. Daarnaast is het Rechtszeker­heidsbeginsel in het geding. Aanstaande studenten moeten bij de planning van de studie- en beroeps­loopbaan hun financiële risico’s calculeren en de ouders moeten in het kader van hun financiële planning calculeren in hoeverre ze hun meerderjarige kinderen financieel moeten blijven ondersteunen. Als de overheid telkenmale de regels verandert – regiem X voor het oudere kind, regiem Y voor het jongere zusje en regiem Z voor het nakomertje – weten de burgers niet meer waar ze aan toe zijn en ontstaat bij hen de indruk dat de overheid zichzelf het recht toekent elk contract open te breken en elke spelregel per omgaande te schrappen of te herzien, als haar dat beter uitkomt.

Vrije meningsuiting en professionele terughoudendheid

Wes Holleman | 27-05-2019 | permalink

Het Franse parlement behandelt momenteel een wetsontwerp voor het basis- en voortgezet onderwijs: L’école de la Confiance. De vakbonden maken zich nogal druk over het openings­artikel, dat de professionele grenzen van de vrije meningsuiting aanstipt. Werknemers in het openbaar onderwijs dienen professionele terughoudendheid (le devoir de réserve) te betrachten en kunnen dus beknot worden in hun uiting van onderwijspolitieke opvattingen. Voor Neder­landse ambtenaren geldt een soortgelijk uitgangspunt (art. 125a lid 1 Ambtenarenwet): “De ambtenaar dient zich te onthouden van het openbaren van gedachten of gevoelens (…) indien door de uitoefening van deze rechten de goede vervulling van zijn functie of de goede functio­nering van de openbare dienst, voor zover deze in verband staat met zijn functievervulling, niet in redelijkheid zou zijn verzekerd.” Voor werknemers in de particuliere sector is een dergelijke verplichting geïmpliceerd in de wettelijke bepalingen over goed werknemerschap (Semra Yalcin 2016 p.20). De vraag rijst in hoeverre het gebod van professionele terughou­dend­heid ook van toepassing is op een recente casus bij het inter­confessionele Sweelinck­college, een mavo/havo-school met veel moslimleerlingen, vlakbij het Museumplein in Amster­dam.
Een docente twitterde naar aanleiding van een terroristische aanslag in Marseille: ‘Iedereen die zegt dat de islam net is als alle andere religies, is een grote leugenaar’ en ‘Dat verrekte “Allahu akbar”: het wordt mij te opvallend vaak gebruikt bij bloedvergie­ten, onschuldige levens vernietigen, terreur’ (Telegraaf 18/4/2019). De moslimcollega’s binnen het Sweelinck­college riepen haar, mede namens de moslimleerlingen, ter verantwoording over deze aan­tijging dat de islam in wezen een gewelddadige godsdienst of ideologie zou zijn. Maar de PVV-fractie uit de Tweede Kamer nam het in Kamervragen voor haar op: ‘Bent u van mening dat een docent het recht heeft zich, buitenschools, kritisch uit te laten over de islam (…)?’ Minister Slob heeft deze vraag bevestigend beantwoord (22/5/2019). Maar helaas heeft de minister in zijn antwoord geen onderscheid gemaakt tussen de verticale en de horizontale werking van de grondwettelijke vrijheid van meningsuiting. Verticaal (strafrechtelijk) valt de docente niets te verwijten, maar horizontaal (arbeidsrechtelijk) is dat nog maar de vraag. De school had arbeidsrechtelijke maatregelen kunnen overwegen als haar werkneemster met deze tweet de belangen van het Sweelinckcollege en meer in het bijzonder de vertrouwensrelatie met de moslimleerlingen en –collega’s geschaad heeft. Maar uiteindelijk heeft de docente zelf haar biezen gepakt.

Beste Puddingpower

Wes Holleman | 22-05-2019 | 7 Reacties » | permalink

Op het Scholierenforum (9/5/2019) vraag je om raad. Er zit bij jullie op school een leraar die zijn leerlingen telkens weer onheus bejegent. Bij het minste of geringste krijgen ze een belediging naar het hoofd geslingerd: “Randdebiel! Idioot! Geestelijk gehandicapte! Sukkel!” De klas heeft daarover geklaagd bij de mentor en bij de teamleider, maar dat heeft tot nog toe niets opgeleverd. En je vraag is dus wat jullie nu te doen staat.
Nou, dat lijkt me vrij duidelijk. Als jullie school een Professioneel Statuut of een soort professionele beroepscode voor leraren kent, zouden jullie een tuchtrechtelijke klacht wegens onprofessioneel gedrag kunnen indienen. De betrokken leraar maakt namelijk ernstig misbruik van de professionele ruimte die hem door zijn werkgever geboden wordt. Maar jullie kunnen ook beroep doen op het strafrecht dat voor iedere burger geldt. Door en-plein-public dergelijke denigrerende scheldwoorden te bezigen, pleegt de betrokken leraar immers een strafbaar feit. In artikel 266 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat opzettelijke belediging gestraft wordt met gevangenisstraf van maximaal drie maanden of een forse geldboete. Het OM komt slechts in actie als de gedupeerde partij een klacht indient, waarbij hij of zij tevens kan verzoeken een dwangsom op te leggen om herhaling te voorkomen. De klacht wordt uiteraard ernstiger genomen als méér gedupeerden aan de bel trekken en als de beledigende uitlatingen telkens wéér gedaan worden. Voor het geval dat de leraar de beschuldigingen ontkent, is het raadzaam de klachten van meet af aan te documenteren met een logboek, in de trant van: op die en die datum is leerling Y door leraar X tijdens het zoveelste lesuur in bijzijn van de hele klas met die en die scheldnaam bejegend.
Vermoedelijk hoeft deze actie niet op de spits te worden gedreven, want vermoedelijk wordt het beoogde effect al eerder bereikt. Om te beginnen kunnen jullie een medezeggenschapsorgaan (de Leerlingenraad?) laten weten a) dat jullie het initiatief hebben genomen een dagelijks logboek aan te leggen om beledigende uitlatingen van leraren te registreren; b) dat jullie dat logboek op termijn aan de Leerlingenraad zullen aanbieden (met een afschrift aan de schoolleiding en aan de gedupeerde partijen); en c) dat het de gedupeerde partijen uiteraard vrij staat het logboek bij het OM in te brengen als ze een klacht ex artikel 266 WvSr zouden indienen.
Zie ook: mijn eerdere blogberichten onder de titel Mongooltje (7/6/2017 en 27/6/2017)

Genadezesjes: scriptiebegeleiders op stukloon (II)

Wes Holleman | 19-05-2019 | 1 Reactie » | permalink

Historicus Eelco Runia, docent-onderzoeker aan de Rijksuniversiteit Groningen, ging vorig jaar vervroegd met pensioen. Want hij kon het niet langer aanzien hoe de universitaire professionals in een bedrijfsmatig keurslijf worden geperst (NRC 19/1/2018). Volgende week verschijnt zijn boekje Genadezesjes waarin hij uitlegt wat er mis is aan de universiteiten. Deze week werd hij alvast geïnterviewd in De Volkskrant (18/5/2019a). En één passage werd door de interviewster uitgewerkt in een afzonderlijk nieuws­bericht (18/5/2019b), omdat het spannings­veld tussen professionele en bedrijfsmatige logica daarin helder belicht wordt.
Het gaat over de manier waarop de onderwijs- en bestuurstaken tot 2018 verdeeld werden binnen de vakgroep Geschiedenis in Groningen. Men zocht naar transparante criteria, want de tijd die na aftrek van die taakuren overbleef, mocht de medewerker aan eigen onderzoek be­steden. Een probleem vormde de calculatie van de taken op het gebied van de begeleiding en beoordeling van scripties. Mogen de begeleiders van dikke, excellente, tijdrovende scripties of van studenten die extra hulp nodig hebben méér uren claimen dan hun collega’s? Nee, dat leidt maar tot gekissebis: scripties moeten met een vast aantal begeleidingsuren worden beloond, al naargelang het aantal studiepunten dat ervoor staat. Maar hoe moet het dan met onvoltooide of afgewezen scripties? De begeleider kan daar veel werk in hebben gestopt. Nee, als je die uren gaat honoreren, kreeg je weer uitzichtloos gekrakeel. Dus we spreken af: je kunt uitsluitend be­geleidingsuren claimen als de scriptie is ingeleverd en op minimaal een zes is beoordeeld.
Wat is er mis met deze regeling? De scriptiebegeleider is tevens beoordelaar (of in elk geval mede-beoordelaar) van de ingeleverde scriptie. Dus het begint te lijken op een dystopische beloningsregeling voor rijbewijsexaminatoren: u wordt alleen betaald voor de kandidaten die u laat slagen en niet voor de examentijd die u in de gezakte kandidaten gestoken heeft. De scrip­tiebegeleiders en -beoordelaars worden door de vakgroep in een situatie van onprofessionele belangenverstrengeling gemanoeuvreerd. Als je een vijf geeft, doe je jezelf tekort, want met een genadezesje zou je de felbegeerde bege­leidingsuren toucheren. De regeling herbergt dus, aldus Runia, een perverse prikkel om de professionele integriteit te schenden. Bovendien wordt het collegiale vertrouwen tussen de medewerkers ondermijnd. Want wie een verdiende zes geeft, kan nog steeds niet de schijn van onprofessionele zelfbevoordeling wegnemen: zou het soms een genadezesje wezen, de kunstmatige uitkomst van overmatige begeleiding, eindeloze revisies van de conceptteksten en misplaatste mensenliefde? De bedrijfsleiding introduceert vervolgens een fijnmazig web van bureaucratische controleprocedures om fraude te voorkomen en de lieve vrede te herstellen.

Klasgenoten verlink je niet (II)

Wes Holleman | 04-05-2019 | permalink

De undergraduate studenten van Princeton University beloven op hun woord van eer dat ze niet zullen spieken en dat ze aangifte zullen doen van elke toets- en tentamenfraude waar ze weet van krijgen. Op het eerste gezicht moeten we het realiteitskarakter van een dergelijke Honor Code ernstig in twijfel trekken. Fraude is immers onlosmakelijk verbonden met de praktijk van ‘high-stakes testing’ die gangbaar is in het voortgezet en hoger onderwijs. Zolang slechte toetsuitslagen ernstige consequenties hebben voor de student (in de vorm van reputatieverlies, verlies van opgebouwde privileges, ernstige studievertraging of blokkering van gestelde loopbaandoelen), hebben sommige studenten geen scrupules als ze door fraude een gunstiger toetsuitslag kunnen verkrijgen. Binnen de studentencultuur geldt het zelfs als een doodzonde om frauderende medestudenten te verlinken.
Maar het kan ook anders. Op de havo-afdeling van het Odulphuslyceum in Tilburg zorgt men dat lage toetsprestaties geen nadelige gevolgen hebben en dat fraude niet loont. In plaats van summatieve eindtoetsen en rapportcijfers wordt een flexibel systeem van formatief onderwijs en formatieve toetsing centraal gesteld. De leerlingen worden telkens geïnformeerd in hoeverre ze de gestelde leerdoelen bereiken, en welke weg ze nog te gaan hebben om uiteindelijk te slagen voor het eindexamen. Ze krijgen constructieve feedback zodat ze verder kunnen bouwen aan het beoogde leerresultaat. Formatieve toetsing is leerlinggerichte dienstverlening. Om voortgang te boeken hebben leerlingen geen draconische Honor Code nodig, want ze zijn ervan door­drongen dat ze met toetsfraude niet alleen verraad aan de dienstverlener plegen maar ook aan zichzelf.
Bron: Odulphus havo-brochure, Odulphus havo-weblog

Klasgenoten verlink je niet

Wes Holleman | 22-04-2019 | 1 Reactie » | permalink

Op de puriteinse Princeton University (in het noordoosten van de VS) wordt niet gesurveilleerd bij tentamens. Surveillance acht men misplaatst, want studenten tekenen na elke toets- of ten­tamensessie de verklaring dat ze zich, op hun woord van eer, aan de Honor Code hebben ge­houden. Het plegen van of meewerken aan tentamenfraude wordt gestraft met een jaar schor­sing en bij recidive volgt verwijdering uit de universiteit. Bovendien heeft iedere student op ere­woord beloofd om aangifte van tentamenfraude te doen zodra hij/zij daar weet van krijgt.
Die absolute aangifteplicht heeft niet alleen puriteinse maar ook totalitaire trekjes. Strikte soci­ale controle staat op gespannen voet met het rechtsgevoel van veel mensen. Ze staan kritisch tegenover de opvatting dat het tot de burgerplichten behoort om actief bij te dragen aan de wetshandhaving, en in elk geval staat het hun tegen om medeburgers voor het minste en ge­ringste te verlinken. Bij jongeren wordt dat versterkt door een groepsnorm dat je solidair moet blijven met leeftijd- en lotgenoten en dat je niet moet klikken naar volwassenen, dus ook niet naar de schoolleiding.
De ethische columnist van NY Times Magazine, prof. K.A. Appiah (2/4/2019), behandelt echter een casus waar aangifte niet alleen tot handhaving van schoolse frauderegels dient, maar ook verbonden is met groepsnormen die door de leerlingen zelf gedragen worden. De casus speelt in een kunstlyceum: ’s morgens de traditionele schoolvakken en ’s middags ambachtelijke kunstvakken. Dit is de casus bij monde van de betrokken leerlinge: ‘Op een poëzieworkshop werd door één van mijn klasgenoten een eigen gedicht voorgedragen, maar het kwam me enigszins bekend voor. En even later ging me een licht op: het was een gedicht van een oudere­jaars dat ik ooit gelezen had. Na de les confronteerde ik haar daarmee, maar zij haalde de schouders op (“So what?”). Ik overlegde met andere klasgenoten en zij drongen er op aan dat ik de docent zou inlichten. Maar zelf hadden ze niet veel puf om hun vingers daaraan te branden. Wat moet ik nu doen?’
Volgens Appiah zou de betrokken leerlinge zich in een sociaal kwetsbare positie manoeuvreren als ze in haar ééntje zou gaan klikken. Ze moet de andere klasgenoten overtuigen dat het in aller belang is gezamenlijk actie te nemen om dergelijk plagiaat een halt toe te roepen. Als iemand op bedrieglijke wijze veel lof oogst, pronkend met andermans veren, lopen de overige klasgenoten immers het risico dat hun eigen werk daardoor in de schaduw wordt gesteld. Maar belangrijker is dat het evalueren en bespreken van ieders eigen werk een flinke investering kost van de docent [en volgens mij ook een flinke investering van alle klasgenoten]. Want bij de presentatie van eigen werk laat de maker veel van zichzelf zien en de toehoorders (docent en klasgenoten) nemen dan ook alle moeite zich open te stellen voor zijn/haar bedoelingen, zich in te leven in zijn/haar wereld en hem/haar gerichte feedback te geven. Zelf leren de klasgenoten daar ook veel van. Wie daarentegen andermans werk als eigen werk presenteert, bedriegt de toe­hoorders, eigent zich extra tijd en aandacht toe die hem/haar niet toekomt en belemmert de klasgenoten in hun streven de beoogde leerdoelen te bereiken.

Professioneel proefschrift (II)

Wes Holleman | 15-04-2019 | permalink

In opdracht van het Rectorencollege van de Nederlandse universiteiten zijn, in een recent interimrapport, plannen gepubliceerd om de begeleiding en beoordeling in promotietrajecten te stroomlijnen (Univers 12/2/2019, 9/4/2019). Die plannen zijn ingegeven door zorgen over de kwaliteit van de dissertaties van buitenpromovendi en over het feit dat deze in de loop der jaren een steeds groter percentage van de overheidspot voor promotiefinanciering zijn gaan op­slor­pen. Buitenpromovendi maken niet deel uit van de universitaire wereld, doen hun promotie­onderzoek in hun vrije tijd (veelal naast een professionele werkkring), en zitten veelal in de tweede helft van hun beroepsloopbaan.
Er zijn verscheidene instituten die zich welbewust op deze doelgroep richten, zoals de Tilburgse faculteit Geesteswetenschappen en de interuniversitaire (postacademische) School voor Openbaar Bestuur (NSOB). Op kleinere schaal was tot voor enkele jaren ook een bijzonder hoogleraar Kwaliteitskunde van de Rotterdam School of Management (RSM/eur) op dit gebied actief.
Om welke doelgroep gaat het precies? Het gaat om mensen die al jarenlang werkzaam zijn in de professionele wetenschaps­toe­pas­sing en die zich ten doel stellen ‘hun opgebouwde kennis en ervaring wetenschappelijk te onderbouwen en publiek te maken’ [niet alleen ten dienste van hun professionele vakgenoten (en aanstaande vakgenoten) maar ook als input voor de (toe­passingsgerichte tak van de) academische wetenschapsbeoefening]. Het uitgangspunt is dus dat er tweerichtingsverkeer moet zijn: professionals zijn niet alleen geroepen om op de heenweg in hun werk wetenschappelijk gefundeerde kennis toe te passen, maar ook om ertoe bij te dragen, als ‘reflective practitioners’, dat hun (op eigen ervaring gebaseerde) praktijkkennis op de terugweg veredeld wordt tot gefundeerde toegepast-wetenschappelijke kennis. De Til­burg­se hoogleraar Sociale Psychologie, John Rijsman, is een welsprekend pleitbezorger van dit standpunt (Argos 1/9/2018 16″, Univers 2/10/2018). En bij een eerdere gelegenheid heeft de commissie-Hol (24/2/2017) soortgelijke Tilburgse proefschriften geëvalueerd, die begeleid waren door de faculteitsdecaan Geesteswetenschappen. Zij concludeerde dat de samenstelling en werkwijze van de promotiecommissies zodanig is geweest, dat de wetenschappelijke kwaliteit in beginsel was gewaarborgd en dat er ‘geen of onvoldoende aanwijzingen zijn dat in individuele gevallen het doctoraat onterecht is verleend’. Wel constateert de commissie dat er in veel gevallen sprake is geweest van rolvermenging van actor en onderzoeker en dat de onderzoeksconclusies zich vaak moeilijk laten generaliseren, waardoor de wetenschappelijke meerwaarde beperkt is. Rond een Rotterdams proefschrift (RSM/eur) ontstond echter een rel die tot publieke vernedering van de betrokkenen leidde: de nieuwbakken doctor werd dringend verzocht haar titel terug te geven en de promotor (inmiddels emeritus) werd van zijn rechten ontheven.
Keren we nu terug naar het recente interimrapport van het Rectorencollege. Ten principale maken de opstellers geen woorden vuil aan de ontwikkelingen die tot al die commotie hebben geleid: dat er in de marge van het Nederlands promotiestelsel een bijzonder type promovendus is opgestaan, namelijk de ervaren, oudere professional (wetenschapstoepasser) die zich ten doel stelt de door hem/haar vergaarde praktijkkennis, onder begeleiding van een ervaren weten­schapsbeoefenaar, te veredelen tot algemeen-toegankelijke, toegepast-wetenschappelijke kennis. We mogen hopen dat het Rectorencollege in een volgend rapport aanbevelingen doet om vast te stellen in hoeverre voor dit soort promovendi een plaats kan worden ingeruimd binnen het Nederlandse pro­motie­stelsel. Dat zou zeker in het belang zijn van Nederland als Kennisland.

Verboden te fotograferen in de klas

Wes Holleman | 10-04-2019 | 2 Reacties » | permalink

De Tweede Kamer heeft op 9 april met grote meerderheid een motie aangenomen waarin de regering verzocht wordt in kaart te brengen in hoeverre het wettelijk toelaatbaar is dat leer­lingen ongevraagd en zonder toestemming fragmenten van lessen en uitspraken van docenten filmen en delen met anderen, bijvoorbeeld op internet of bij een meldpunt. Alleen de PVV stemde tegen. De indieners van de motie (GL en PvdA) menen dat ongeautoriseerde beeld- of geluidsregistraties de vrijheid van discussie onder­mijnen, het vertrouwen in de pro­fessionaliteit van leerkrachten schaden en de privacy van docenten aantasten. In antwoord op eerdere schriftelijke Kamervragen van de VVD liet minister Slob (5/4/2019) al blijken dat hij dergelijke ongeautoriseerde registraties in het algemeen onwenselijk vindt, maar hij kon niet onder­schrijven dat ze te allen tijde in strijd met de Europese Verordening Gegevensbescherming (AVG) zijn. Dat voorbehoud maakt me wel nieuwsgierig.
Mr. Charlotte Meindersma heeft zich gespecialiseerd in het informatierecht. Op haar weblog behandelde ze de vraag (5/6/2018) of je na de invoering van de AVG nog beeldregistraties van mensen mag maken en met derden mag delen zonder dat de betrokkenen daar zelf toestemming voor hebben gegeven. Eén van de uitzonderingsbepalingen van de AVG is dat de maker/ver­spreider van het beeldmateriaal een ‘gerechtvaardigd belang’ heeft, bijvoorbeeld omdat het maken en delen van dat beeldmateriaal noodzakelijk is voor een rechtsvordering.
Ik weet niet wat dat precies betekent, maar ik zou me kunnen voorstellen dat registratie van ernstig of bestendig grensoverschrijdend gedrag van een leraar in de klas, onder bepaalde omstandigheden door de school (of uiteindelijk door de rechter) als een gerechtvaardigd belang van leerlingen moet worden beschouwd. Het zou nogal kras wezen als men registratie onder geen enkele omstandigheid geoorloofd acht omdat de leerling daarmee ‘het vertrouwen in de professionaliteit van leerkrachten (zou) schaden’. Maar de volgende vraag is in hoeverre en onder welke voorwaarden dat beeldmateriaal door de maker met medeleerlingen of derden gedeeld mag worden zonder het criterium van gerechtvaardigd belang geweld aan te doen. Het is uiteraard ontoelaatbaar dat een leraar die door leerlingen van grensoverschrijdend gedrag beschuldigd wordt, per omgaande zonder vorm van proces, via internet publiekelijk aan de schandpaal wordt gezet.