Demonstratievrijheid in het leerlingenstatuut

Wes Holleman | 24-02-2019 | 1 Reactie » | permalink

In een vorig blogbericht besprak ik de rechten van klimaatspijbelaars. Een andere vraag is wat scholen zelf in het leerlingenstatuut hebben vastgelegd ten aanzien van leerlingen die willen actievoeren, betogen of demonstreren en die daartoe hun onderwijs­deelname willen onder­breken (hetgeen in het licht van de leerplicht als staking wordt aangeduid). Een korte zoek­tocht op het inter­net leidt tot de volgende bevindingen.
Bij de nrs. 1-5 wordt aan de leerlingen een onvoorwaardelijk demonstratierecht toegekend. De enige voorwaarde is dat het geen wilde staking is. Soms wordt als tweede voorwaarde gesteld dat de leerling een aantoonbaar belang bij de demonstratie heeft; een demonstratie tegen het weinig doortastende klimaatbeleid van de overheid voldoet vermoedelijk niet aan dit criterium.
Bij nr. 6/7 wordt niet alleen als eis gesteld dat de leerling een aantoonbaar belang bij de demonstratie heeft, maar ook dat het om een breed gedragen maatschappelijk probleem gaat; een actie tegen het beleid van de lokale schoolleiding of het lokale school­bestuur voldoet vermoedelijk niet aan dit criterium.
Bij de nrs. 8 en 9 wordt door het schoolbestuur bepaald of de leerlingen toestemming krijgen voor een demonstratie binnen school­uren.
En bij de nrs. 10-15 wordt die toestemming in principe alleen gegeven als de demonstratie door een erkende (landelijke?) leer­lingenorganisatie of meer in concreto door het LAKS georgani­seerd wordt.
Lees verder … (PDF)

De rechten van klimaatspijbelaars

Wes Holleman | 17-02-2019 | 4 Reacties » | permalink

De demonstratievrijheid is één van de pijlers van de rechtsstaat. Dat geldt eens te meer voor jongeren die nog geen stemrecht heb­ben. Een specialist op dit gebied, dr. Berend Roorda, wijst echter op artikel 9 van de Grondwet. Daarin wordt weliswaar het recht tot betoging erkend, maar dat recht is voorwaardelijk geformuleerd, namelijk ‘behoudens ieders verantwoordelijk­heid volgens de wet’. Scholieren mogen dus, naar het zeergeleerde oordeel van Roorda, alleen buiten schooltijd aan demonstraties deelnemen, want spijbelen is wettelijk verboden (NRC 2/2/2019). Maar Roorda vergeet dat onze nationale wetten volgens artikel 94 GW moeten wij­ken voor de internationale verdragen waarin de demonstratievrijheid van meerder- en minder­jarigen zonder voorbehoud is vastge­legd (zie tekstkader A). De conclusie is duidelijk: uiteinde­lijk kan alleen in concrete gevallen door de rechter worden bepaald hoe de demonstratie­vrijheid enerzijds en de leerplicht (c.q. kwalificatieplicht) anderzijds tegen elkaar moeten worden afgewogen.
De Amsterdamse OnderwijsConsumentenOrganisatie (OCO 10/2/2019) heeft de regels nader uitgelegd. Wie zonder toestemming wegblijft van school, is een spijbelaar, tenzij de leerling achttien jaar of ouder is (of dankzij een havo-, vwo- of mbo2-diploma niet meer kwalificatie­plichtig is). De school kan spijbelaars straffen en zij moet aangifte doen bij de leerplicht­ambtenaar als iemand in vier weken meer dan zestien uur gespijbeld heeft. Als je straffeloos schooltijd wilt verzuimen om aan een buitenschoolse demon­stratie deel te nemen, moet je aan de schoolleiding ‘verlof wegens gewichtige omstandigheden’ vragen, waarbij tevens een bewijs van toestemming van de ouders vereist is. Het is dus in eerste instantie aan de school om te beoordelen of de beoogde deelname aan een bepaalde demonstratie een gewichtige reden voor het verlenen van verlof vormt. Een andere mogelijkheid is dat de school besluit de deelname aan de demonstratie als een reguliere onderwijsactiviteit (bijvoorbeeld voor het vak Maat­schappij­leer) te erkennen.
Door de OCO wordt niet vermeld welke rechtsgang gevolgd moet worden om een school tot de orde te roepen als zij weigert verlof te verlenen. Bij welke rechtsprekende instanties kunnen leerlingen (of hun belangenbehartigers) terecht als de school hun demon­stratievrijheid onrechtmatig beknot heeft of als zij hen wegens spijbelen gestraft heeft nadat ze tevergeefs regulier verlof hebben aangevraagd?
Lees verder … (PDF)

Betaalde bijles voor eigen parochie (III)

Wes Holleman | 13-02-2019 | 1 Reactie » | permalink

Drie juffen van een Haarlemse basisschool zijn een eigen bedrijfje gestart, namelijk een buitenschools instituut voor huiswerk­begelei­ding, bijles en plusonderwijs. Ze richten zich op een klantenkring van basisscholieren en leerlingen uit de onderbouw van het secundair onderwijs. Maar het schoolbestuur heeft hen teruggefloten met het argument dat een integere leerkracht zich niet aan ‘onprofessionele belangenverstrengeling’ mag blootstellen (VK 12/2/2019). Als je privé aan eigen leerlingen bijles aanbiedt, mag je daar geen geld voor vragen. Evenmin mag je op school klanten werven voor je eigen bijlesinstituut, en het is al helemaal een doodzonde als je jouw individuele begeleidingstaken op school zou verwaarlozen om de vraag naar jouw commerciële diensten aan te wakkeren. Het drietal heeft nu toegezegd hun dienstverband aan het eind van dit schooljaar te beëindigen.
Toch betwijfel ik of dat voor het schoolbestuur het enige motief is geweest om zich nadrukkelijk van de nieuwbakken ondernemers te distantiëren. Ook onderwijsinstellingen zelf gedragen zich tegenwoordig als een soort ondernemingen, ongeacht of ze door de overheid gesubsidieerd worden. Ze moeten een aantrekkelijk assortiment van diensten bieden om klanten te trekken en ze moeten hun productiekosten in de hand houden. Het is dan verleidelijk een deel van de kosten op de ouders af te wentelen (bijvoorbeeld via een ‘vrijwillige’ ouderbijdrage voor de deelname aan een plusklas). Of ze kunnen in nauwe samenwerking met commerciële partners een ‘brede school’ of ‘íntegraal kindcentrum’ formeren, dat tegen marktconforme prijzen allerlei extra’s biedt. Op die manier wordt wel Passend Onderwijs aangeboden, maar niet in de kosteloze vorm die de wetgever voor ogen heeft gestaan. Wie niet genoeg geld heeft om die extra diensten te betalen, die mist de boot. Ik zou me kunnen voorstellen dat het Haarlemse schoolbestuur zich nadrukkelijk van de drie juffen distantieerde om te voorkomen dat ouders en toezichthouders gaan denken dat de school haar arbeidsintensieve begeleidingstaken naar een commerciële partner wil afschuiven. Het schoolbestuur trachtte elke verdenking van ‘ínstitutionele belangenverstrengeling’ weg te nemen.
Lees verder … (PDF)

Nepleerlingen in Veenendaal

Wes Holleman | 11-02-2019 | 4 Reacties » | permalink

De vijf undercover-leerlingen op het Christelijk Lyceum zijn binnen een week ontmaskerd. Ze waren de beoogde hoofdpersonages van een achtdelige RTL-documentaire over de belevings­wereld van scholieren. Met toestemming van de schoolleiding zouden ze drie maanden lang gefilmd worden door het productiebedrijf Vincent TV. Aan de zittende leerlingen en leraren was dringend verzocht mee te doen aan het TV-project, maar ze wisten niets van de doorgestoken kaart: dat de vijf nieuwe leerlingen, eind januari in diverse klassen ingestroomd, hun middelbareschooltijd al achter de rug hadden en dat ze geselecteerd waren om hun vroegere schoolproblemen voor het oog van de camera te herbeleven.
Nu de undercover-operatie aan het licht is gekomen, heeft RTL besloten het project te staken. De rector heeft een excuusbrief aan de leerlingen en leraren gestuurd. Door de Onderwijs­inspectie is een onderzoek aangekondigd. En de SP gaat (op 12 februari tussen 14 en 15 uur?) mondelinge Kamervragen stellen.
Ik begrijp dat de leraren en leerlingen zich bedrogen voelen. De rector had hen moeten in­lichten over het inschakelen van nep­leerlingen. Het is onvergeeflijk dat onwetende leraren (en klassementoren) kostbare tijd hebben moeten uittrekken om hen op te vangen en hun eventuele achterstanden te identificeren. En leerlingen vragen zich evenzo af waarom ze tijd hebben vrijgemaakt om de nieuwe klasgenoten wegwijs te maken, hen op te vangen en hen te helpen bij eventuele huiswerkproblemen. Laten we inzoomen op de leerlingen: heeft de schoolleiding met deze (gestrande poging tot) misleiding inbreuk gemaakt op het veilige schoolklimaat dat zij mogen verwachten?
1. De schoolleiding heeft hun vertrouwen geschonden. Sinds zij onder één hoedje blijkt te spelen met RTL, heeft de school haar geloofwaardigheid als dienstverlenende instelling ver­loren. Zij kan niet meer claimen dat zij het belang van haar leerlingen voorop stelt.
2. Door de komst van nepleerlingen, die bovendien undercover opereerden, werd het gesloten front doorbroken dat leerlingen tegenover de staf in acht plegen te nemen. Zouden de mollen de zwijgplicht (omerta) respecteren of zouden ze als verklikkers de kant van schoolleiding en docenten kiezen?
3. Verder werden de leerlingen geconfronteerd met het risico dat de nepleerlingen het roddel­circuit binnen de leerlingenpopulatie zouden aanwakkeren in de hoop dat de documentaire daardoor een sensationeler verloop zou krijgen. Ook bestaat het risico dat gevoelige informatie door de nepleerlingen wordt doorgespeeld naar de regisseur van het TV-productieteam, die belust is op hoge kijkcijfers en dus alle signalen verwelkomt die bruikbaar zijn om pakkende camerabeelden en sappige uitlatingen te arrangeren.
4. Leerlingen werden in de waan gebracht met gewone klas- of schoolgenoten van doen te hebben, met wie ze samenwerkings-, vriendschaps- of liefdesverhoudingen kunnen aangaan. Ze voelen zich bedrogen als ze merken dat deze nieuwelingen van meet af aan toneel speelden en dat ze van meet af aan van plan zijn geweest om binnen drie maanden (na een dramatisch onthullings­ceremonieel) de plaat te poetsen.
5. Leerlingen worden in hun privacy aangetast als ze zich door een undercover-leerling tot grotere openhartigheid laten verleiden dan waartoe ze geneigd zouden zijn geweest als ze weet hadden van de ware identiteit en de ware bedoelingen van hun gespreks­partner.

Scripties: de VU-redigeerservice

Wes Holleman | 05-02-2019 | 1 Reactie » | permalink

Dat is een van de positieve effecten van de internationalisering van het Nederlandse hoger onderwijs. Het besef breekt door dat je tegenwoordig niet zomaar van studenten kunt eisen dat ze een scriptie zonder taal- en spelfouten inleveren. Want tegenwoordig is het niet ongewoon dat Nederlandse, Duitse of Chinese studenten een Engelstalige opleiding volgen, of dat buiten­landse studenten (na een taalcursus) een Nederlandstalige opleiding doorlopen. Het is logisch dat scriptieschrijvers dan hulptroepen moeten in­schakelen om de taal- en spelfouten eruit te halen en om zich op ongelukkige woordkeuzes en zinsconstructies te laten attenderen.
De faculteit Geesteswetenschappen van de Vrije Universiteit is onlangs gestart met een Redi­geer­service waar VU-studenten, tegen betaling van €47,50 per uur, de eindversie van hun scriptie kunnen laten corrigeren (Advalvas 21/1/2019). Dit initiatief komt mede voort uit het feit dat vele examencommissies nogal wat bedenkingen hebben wanneer studenten zich door commerciële scriptie­bureaus niet alleen redactioneel maar ook inhoudelijk zouden laten souffleren bij het maken van hun papers en scripties.
Ik begrijp hieruit dat de VU-faculteiten het niet als een vorm van fraude beschouwen als studenten externe hulp inroepen om de taalkundige kwaliteit van hun schrijfproducten te ver­beteren. Ook neem ik aan dat de taalkundige kwaliteit door de faculteiten niet wordt mee­gewogen bij de becijfering van papers en scripties (want daarmee zouden zij studenten discrimineren die niet genoeg geld hebben om externe commerciële hulp te betalen). Maar docenten hebben natuurlijk het recht papers en scripties als onbeoordeel­baar te retourneren wanneer ze in taalkundig opzicht volstrekt onder de maat zijn.
Toch vind ik de oplossing die door de VU is gekozen, nog niet helemaal bevredigend. Uni­versiteiten en hogescholen hebben de wettelijke opdracht bij Nederlandstalige studenten de uitdrukkingsvaardigheden in het Nederlands te bevorderen (art. 1.3 lid 5 WHW). Meer in het algemeen mag men van faculteiten verwachten dat zij zich zich ten doel stellen de schriftelijke taalbeheersing van studenten te versterken, wat de voertaal betreft waarin ze hun papers en scripties moeten schrijven. De VU biedt daartoe een academic language programme: studenten kunnen zich bekwamen in academisch Engels of professioneel Nederlands en daar krijgen ze ook studiepunten voor. Verder kunnen bachelorstudenten een minortraject Engels volgen, waarin twee cursussen Academisch Engels zijn opgenomen. Het lijkt me dan een logische gedachte om de Redigeerservice uit te bouwen tot een on-the-job trainingsmodule binnen het ‘academic language programme’. Ik bedoel een studietrajectje waarin de taalkundige begeleider niet alleen productgerichte acties onderneemt om de taalkundige kwaliteit van de scriptie te verhogen, maar tegelijkertijd ook didactische interventies doet om de taalkundige competenties van de scriptieschrijver te versterken.

Onbetaalde herendiensten

Wes Holleman | 30-01-2019 | 3 Reacties » | permalink

Hij was onderzoeksdirecteur van de Graduate School of Pharmacy aan de University of Missouri (Kansas City). Een echte netwerker. Hij haalde jaarlijks tonnen aan onderzoek­subsidies binnen. Maar hij is onlangs opgestapt omdat hij de eer aan zichzelf wilde houden. Hij werd namelijk beschuldigd van machtsmisbruik jegens studenten. Hij placht ze vriendelijk doch dringend te vragen om, zonder betaling, huishoudelijke klusjes in de privésfeer voor hem op te knappen. Zij meenden dat niet te kunnen weigeren omdat ze als student afhankelijk waren van zijn goedgunstigheid. Door jarenlang willens en wetens zulke buitenprofessio­nele relaties met studenten aan te gaan, heeft hij zich schuldig gemaakt aan onprofessioneel gedrag. Dergelijke relaties kunnen trouwens ook rechtstreeks de professionele integriteit aantasten: wanneer ik als student gratis voor jou werk, mag ik van jou als docent ook extra coaching bij mijn werkstukken en een coulante beoordeling van mijn studieprestaties verwachten.
Het eigenaardige is dat hij allang collegiale signalen had gekregen dat zijn gedrag niet door de beugel kon. Waarom ging hij er dan toch mee door? De hoogleraar kwam oorspronkelijk uit India en zijn ‘slachtoffers’ waren Indiase studenten die met een tijdelijke verblijfsvergunning Farmacie studeerden. Ik denk dat zowel de Indiase hoogleraar als de betrokken Indiase studenten hun weder­zijdse relatie niet zozeer interpreteerden als die tussen Professional en Student, maar veeleer als die tussen Patroon en Cliënt. Als bedreven netwerker was hij actief binnen de lokale Indiase of Hindoestaanse gemeenschap en trok hij zich ook het lot van de Indiase studenten aan. Door zijn functie als docent-beoordelaar kon hij hen maken en breken, want wie z’n studie voortijdig moet beëindi­gen verliest automatisch z’n verblijfsvergunning. Maar in zijn veelkleurige patronagerol had hij het beste met hen voor. Hij nodigde hen bij zich thuis uit en bracht hen in contact met land- en geloofsgenoten. Hij behandelde hen als ‘vrienden’ (of liever: bevriende cliënten) en straalde uit dat hij vanuit zijn positie al het mogelijke wilde doen om hen in hun belangen te beschermen tegen de boze buitenwereld. Maar in zo’n etnische patronageverhouding geldt “vóór wat hóórt wat”. Zo verwachtte hij van hen dat ze in voor­komende gevallen hand- en spandiensten verleenden (aan de lokale etnische gemeenschap of natuurlijk ook aan hemzelf), net zoals de middeleeuwse landheer in West-Europa van zijn horige boeren verlangde dat ze, in ruil voor zijn bescherming, onbetaalde ‘herediensten’ (= corvées, prestations) verrichtten.
Bron: Chronicle H.E. (16/1/2019), The Kansas City Star (18/11/2018)

Zendbrief tegen zedenverwildering

Wes Holleman | 28-01-2019 | 2 Reacties » | permalink

Een hoogleraar van de openbare Technische Universiteit Delft (TUD) heeft publiekelijk een orthodox-christelijke zendbrief tegen zedenverwildering onderschreven. In deze zendbrief (de zgn. Nashvilleverklaring) wordt beweerd dat homoseksueel gedrag, evenals overspel en andere seksuele liefhebberijen, in het licht van de Bijbelse Boodschap zondig is. Daar zal niemand van opkijken. Onkuisheid wordt immers sinds mensenheugenis als één van de zeven hoofdzonden beschouwd. Maar homoseksuele studenten kunnen dit als respectloos ervaren. Zij kunnen erop wijzen dat de uitlatingen van de docent strijdig zijn met het inclusieve gedachtengoed van de TUD. Het Openbaar Ministerie heeft zelfs aangekondigd een onderzoek te starten naar de eventuele onrechtmatigheid van de Nashvilleverklaring: is dit groepsbelediging of wordt hier tot discriminatie van praktiserende homo­seksuelen opgeroepen?
Naar mijn indruk is de Nashvilleverklaring echter vooral voor intern gebruik bedoeld. De ver­talers en onderschrijvers van de zendbrief richten zich tot de leden en vrienden van orthodox-christelijke kerkgemeenschappen: bekeer u tot het smalle pad dat naar het Koninkrijk Gods leidt! En misschien richt de Verklaring zich, nog specifieker, tot de orthodox-christelijke predikanten en pastorale werkers: het is zondig om zondig gedrag te vergoelijken! houd u verre van valse profeten die de traditionele definitie van zondig gedrag willen uithollen en die de gelovigen voorspiegelen dat ze het Koninkrijk Gods wel deelachtig kunnen worden, ook al vol­harden ze in hun zedeloos gedrag! Volgens mij maken de vertalers van de Verklaring zich niet schuldig aan groepsbelediging en roepen ze hun geloofsgenoten evenmin op om praktiserende homoseksuelen te discrimineren. [Maar er bestaat wel een risico dat sommige kerkgemeen­schappen zich door de Verklaring gesterkt voelen in een neiging om praktiserende homoseksu­elen in eigen kring terecht te wijzen en eventueel ook uit de eigen kring te weren].
Er zijn ook geen aanwijzingen dat de betrokken Delftse docent misbruik tracht te maken van zijn positie met het doel de refor­matorische veroordeling van homoseksueel gedrag middels zijn onderwijs ingang te doen vinden. Ik denk dat de Verklaring voor het O.M. geen aanleiding biedt om vervolging in te stellen en dat de Delftse docent evenmin van onprofessioneel handelen beticht kan worden. Hij kan zich beroepen op zijn vrijheid van meningsuiting.
Lees verder … (PDF)

Hergebruik van schooltoetsen

Wes Holleman | 21-01-2019 | 1 Reactie » | permalink

Piet zit in havo-3. Hij vraagt raad op het Scholierenforum (16/1/2019). De klasgenoten communiceren met elkaar via een digitale klassenapp. Nu zijn er in de toetsweek clandestiene foto’s van elke toets gemaakt (ook door sommige andere klassen) en deze worden ongevraagd via de klassenapp verspreid. Dat betekent dat leerlingen in voorkomende gevallen ongevraagd voorkennis op hun schermpje krijgen van toetsen die ze nog moeten maken. Ik begrijp van Piet dat het op zijn school strijk en zet is: dat een toets die op het ene tijdstip is afgenomen, na­genoeg ongewijzigd op een volgend tijdstip door docenten wordt hergebruikt (in een andere parallelklas, voor een herkansing, of voor een nieuw leerlingcohort). En ik begrijp dat deze school weinig prioriteit geeft aan de bestrijding van clandestiene reproductie en verspreiding van afgenomen toetsen (bv. door het verbieden van minicamera’s, smart­phones en smart­watches tijdens toetssessies).
Piet vindt dit onprettig. Hij zit op school om iets te leren, hij maakt de toetsen om te controleren of hij de leerdoelen bereikt heeft en hij is dus niet gediend van clandestien vergaarde voor­kennis. Hij kan best begrijpen dat spieken, frauderen en meeliften-in-groepsopdrachten voor sommige medeleerlingen de enige uitweg is om zonder zittenblijven het begeerde diploma te verwerven, maar hij wenst voor zichzelf op integere wijze de leerdoelen te bereiken. Zijn conclusie is: ik moet stappen ondernemen om deze verspreiding van voorkennis via de klassen­app te doen stoppen. [Een bijkomend motief kan zijn dat hij enerzijds lid wil blijven van de klassenapp, een waardevol communicatiemedium binnen zijn klassegroep, maar dat hij ander­zijds niet langer medeplichtig wil zijn aan de instandhouding van deze frauduleuze praktijk en geen persoonlijk nadeel wil ondervinden als de fraude ontdekt zou worden].
Probleemanalyse in de forumdiscussie:
1) Als daders en meelopers door de school gesnapt worden, hebben ze straf te duchten (zowel de verspreiders als de gebruikers van voorkennis krijgen vermoedelijk een één).
2) Bij een redelijk vermoeden van voorkennis wordt de toets ongeldig verklaard en moet iedereen de toets overdoen.
3) Als klokkenluider word je door de klasgenoten uit de vriendengroep gestoten en kom je alleen te staan.
4) Is er een mogelijkheid van klokkenluiden met anonimiteitsgarantie, en zo ja, hoe waterdicht is zo’n garantie?
5) Ook als anonieme klokkenluider, blijf je met een immens schuldgevoel zitten, want ‘maten­naaien’ tast je gevoel van eigenwaarde aan.
6) Zorg gewoon dat je zelf buiten het fraude- en voorkenniscircuit blijft (en beëindig dus je lidmaatschap van de klassenapp?).
7) Als het niet jouw probleem is, bemoei je je er dan ook niet mee (je bent niet verplicht de school ervan in kennis te stellen als medeleerlingen de schoolregels overtreden).
Ik weet niet wat Piet uiteindelijk besloten heeft, maar vermoedelijk is bij hem het verlammende besef doorgebroken dat zijn persoonlijke ethiek moet wijken voor zijn loyaliteit tot de klasse­groep. Liever een beetje vuile handen in een warme vriendenkring dan de schone handen van een outcast. Maar eigenlijk is het de schuld van onprofessionele docenten, die hun toetsen hergebruiken in parallelklassen en herkansingen, en die niet de energie kunnen opbrengen om een behoorlijke itembank op te bouwen.

Ondeugdelijk tentamen ongeldig verklaard

Wes Holleman | 15-01-2019 | 1 Reactie » | permalink

De Avans Hogeschool (Breda, Den Bosch, Tilburg) heeft een online nieuwsmagazine met een onafhankelijke redactie. Zij heeft de prijzenswaardige gewoonte om regelmatig verslag te doen van uitspraken van het hogeschoolbrede Beroepscollege voor de Examens. Vorige week ging het over laatstejaarsstudenten van de Engelstalige ASIS (Avans School of International Studies) in Breda, die in beroep waren gegaan tegen het feit dat de examencommissie een door hen afgelegd tentamen ongeldig had verklaard (Punt-Avans 10/1/2019). Helaas komt dergelijk onheil vaker voor: dat je het tentamen te goeder trouw hebt afgelegd en voldoende hebt ge­maakt, maar dat je het toch moet overdoen omdat een onbekend aantal tentamendeelnemers voorkennis heeft gehad van de tentamenvragen. Maar deze keer lag het anders.
Een student had bij de examencommissie geklaagd dat het afgelegde tentamen niet represen­tatief was voor de onderwezen stof. De commissie onderzocht de kwestie en kwam inderdaad tot de conclusie dat het afgenomen tentamen slechts twee van de tien vast­gestelde leerdoelen dekte. Daarom besloot zij het tentamen ongeldig te verklaren. En dat besluit is onlangs bevestigd door het Beroepscollege van de hogeschool: alle tentamendeelnemers moeten zich dus alsnog aan een verbeterde versie van het tentamen onderwerpen.
Als ik het goed begrijp, wordt de kwaliteit van de cursus niet in twijfel getrokken. De docent heeft z’n best gedaan de tien voor­geschreven leerdoelen te bereiken en de opgedragen studie­taken waren daarop afgestemd. Wie goed zijn best deed, kon alle tien de leerdoelen realiseren. Door de examencommissie wordt evenmin gesuggereerd dat de docent gesjoemeld heeft met de voorlichting over de tentameneisen: dat hij hun geadviseerd zou hebben zich bij de tentamen­voorbereiding te concentreren op de twee gewraakte leerdoelen en de overige acht leerdoelen links te laten liggen. Het enige kritiekpunt van de commissie is dat de toetstaken van het tentamen niet representatief zijn voor de gehele verzameling van doeltaken die de cursusdeel­nemers onder de knie moesten krijgen. Kennelijk hanteert de examencommissie als uitgangs­punt dat de studieleiding op basis van de uitkomsten van de summatieve eindtoets behoort te kunnen garanderen dat alle tien de leerdoelen in voldoende mate bereikt zijn. Op dat uitgangs­punt valt heel wat af te dingen (tabel A).
Een tentamen is ondeugdelijk als deelnemers zakken terwijl ze de stof voldoende beheersen of als ze slagen terwijl ze de stof niet voldoende beheersen. Wanneer deelnemers voorkennis hebben van de toetstaken (de steekproef uit de verzameling van doeltaken die in de leerdoelen besloten liggen), dan is het verdedigbaar het tentamen wegens ondeugdelijkheid ongeldig te verklaren. Dat is eveneens het geval als de slaagkans kunstmatig door de docent is opgekrikt door vooraf hints te geven over de deelverzamelingen van doeltaken die binnen resp. buiten de steekproef zullen vallen. Ook is het verdedigbaar dat een tentamen ongeldig wordt verklaard als het slaagpercentage kunstmatig door de docent is opgevijzeld door alleen gemakkelijke toetsitems in de steekproef op te nemen en de diepere beheersing ongetoetst te laten. Maar, naar mij dunkt, gaat de examencommissie van ASIS te kort door de bocht als zij een door de docent afgenomen summatieve eindtoets ondeugdelijk acht en ongeldig verklaart, enkel en alleen op grond van het feit dat deze eindtoets geen getrouwe afspiegeling is geweest van de leerdoelen van de cursus.
Lees verder naar tabel A en Naschrift (PDF)

Oudjaar 2018: what is school shaming?

Wes Holleman | 31-12-2018 | permalink

Dit jaar verschenen er 44 blogberichten op Onderwijsethiek.nl. De inhoudsopgave tref je HIER aan. Maar er is een verschijnsel waar ik het dit jaar nog niet over gehad heb. What is #schoolshaming? Zo luidde de kop van een artikel in The Guardian (16/11/2018). Volgens de Canadese blogger Doxtdator (21/10/2018) gaat het eigenlijk om twee diametraal verschillende ver­schijnselen.
Met de term student shaming verwijst men naar onderwijspraktijken waarin leerlingen systematisch vernederd worden door hun school. Zoals blijkt uit een recent juridisch tijdschrift­artikel wordt dit ook wel ‘school shaming’ genoemd. Dat artikel gaat over de vraag of scholen in strijd met de (Amerikaanse) grondwet handelen als ze aan leerlingen vernederende straffen opleggen.
Maar met de term school shaming wordt tegenwoordig ook een omgekeerd verschijnsel aangeduid. Er zijn ‘neotraditionele’ scho­len die strakke discipline en ‘zero tolerance’ als handelsmerk kiezen en die daarbij welbewust ‘student shaming’ toepassen. Als zij daarop publiekelijk door ouders of derden worden aangesproken, kruipen zij in de slachtofferrol: onze school is het mikpunt van publieke vernedering (naming and shaming), wij worden getroffen door ‘school shaming’ omdat onze pedagogisch-didactische visie niet strookt met het softe gedachtengoed dat tegenwoordig in de mode is.
In het eerstgenoemde dagbladartikel houdt Donna Ferguson zich verre van dit wespennest. Zij stelt slechts de morele vraag aan de orde in hoeverre leerlingen of hun ouders over de schreef gaan als ze publiekelijk of via sociale media kritiek uitoefenen op het beleid van hun school. Maar voor een zorgvuldige afweging graaft zij niet diep genoeg. De onderstaande tabel wil een checklist bieden om de morele toelaatbaarheid van dergelijke publiekelijk geuite kritische signalen te taxeren.
Lees verder … (PDF)