De beul van Utah

Wes Holleman | 14-06-2020 | 1 Reactie » | permalink

Op de eerste dag van het najaarssemester (augustus 2019) sloeg professor Shively de hand aan zichzelf. Hij was toen 73 jaar oud. Maart 2019 was hij geschorst met behoud van salaris. Al jaren gaf hij de undergraduate semestercursus Humane Anatomie aan aanstaande studenten Geneeskunde, Tandheelkunde en Verpleegkunde. Zijn leven viel in duigen toen hem in augustus nog steeds de toegang tot de collegezaal ontzegd was.
Hij was een begaafde docent en hij was bereid zich ten volle voor zijn studenten in te zetten. Maar hij vergde het uiterste van hen. Hij beschouwde het als zijn levenstaak om hun de nauw­gezetheid en het arbeidsethos bij te brengen die van professionals in de gezondheidszorg ver­wacht worden. Ze moesten zich volledig uit de naad werken om het dikke studieboek, dat Shively zelf geschreven had, binnen dat ene semester door te worstelen. Eén op de vier deel­nemers kon de hoge studiebelasting niet opbrengen en schreef zich al tijdens de cursus uit (UVU-Review 5/11/2014). En de multiple-choice tentamens waren een slachting (althans voor studenten die een hoog Gradepoint Average moesten halen om tot Medical c.q. Dental School te worden toegelaten). Toch waren de tentamen­uitslagen niet bijzonder slecht aangezien de verdeling van de ‘lettergrades’ (van uitmuntend tot zeer onvoldoende) keurig aan de standaard­normaalcurve beantwoordde.
Hij beschouwde zichzelf als streng doch rechtvaardig, maar rechtvaardig was hij niet. In het licht van de universitaire reglementen was de studielast van zijn cursus veel te hoog. De vragen van de multiple-choice tentamens waren sadistisch geformuleerd en sommige waren zelfs onbeantwoordbaar. De beoordeling was op z’n minst gezegd ondoorzichtig. En hij gedroeg zich onbehouwen en intimiderend als mensen of dingen hem niet bevielen.
Met zijn onprofessioneel en onheus gedrag jegens studenten had hij nog eindeloos door kunnen gaan, want naar hun klachten werd niet geluisterd. Pas toen stafleden tegen zijn autoriteit (en tegen zijn onheuse en intimiderende optreden jegens hen) in het geweer durfden te komen, voelde zijn werkgever (Utah Valley University) zich genoodzaakt de ingebrachte beschuldi­gingen te onderzoeken. Daar kwam bij dat hij zich niet aan de nieuwe universitaire regels over belangenverstrengeling bleek te houden (hij had de in­komsten uit zijn dure studieboek niet op zijn eigen bankrekening mogen laten bijschrijven). Maart 2019 werd hem, hangende het tuchtrechtelijke onderzoek, de toegang tot de universiteit ontzegd.
Het onderzoek nam ettelijke maanden in beslag. Hij werd verscheidene keren gehoord, maar het conceptrapport werd pas in juli aan hem voorgelegd. En gezien de onprofessionele wijze waarop hij met studenten en stafleden placht om te gaan, had men besloten hun getuigenissen anoniem te rapporteren. De lokale afdeling van de American Association of University Professors (UAAP) heeft zijn zaak kritisch gevolgd. Naar hun oordeel zijn de regels voor een behoorlijke rechtsgang geschonden. Inmiddels heeft de familie, na zijn overlijden, ook een rechtszaak tegen de universiteit aangespannen.
Bron: uvu-aaup.blogspot.com (13/5/2020)

Inzagerecht tentamens (IV)

Wes Holleman | 10-06-2020 | 1 Reactie » | permalink

Het College van Beroep voor het Hoger Onderwijs (CBHO) heeft vandaag een belangrijke uitspraak gedaan in een zaak die was aangespannen door een geneeskundestudent van de Erasmusuniversiteit in Rotterdam. Over de aanloop van het geschil schreef ik al eerder (20/11/2019). De studenten hadden een deeltentamen in de vorm van meerkeuzevragen afgelegd, vervolgens had de docent de ingeleverde antwoordformulieren beoordeeld en tenslotte had de docent hen in kennis gesteld van hun behaalde cijfer. Maar onze student vroeg daarop inzage in zijn beoordeelde werk, in de gestelde vragen en in de normen aan de hand waarvan de beoordeling had plaatsgevonden. Hij deed dus beroep op zijn wettelijke inzage­recht (artikel 7.13 WHW). Maar in de lokale examenregeling was dat wettelijke inzagerecht buiten werking gesteld voor de bloktoetsen die tijdens de coschappen werden afgenomen. Op die manier konden de meerkeuzevragen telkens worden hergebruikt voor nieuwe generaties studenten. Het verzoek van onze student werd dus afgewezen, maar daar nam hij geen genoegen mee. Hij ging in beroep bij het lokale College van Beroep voor de Examens en vervolgens bij het CBHO. En dat landelijke College van Beroep heeft hem vandaag in het gelijk gesteld.
Bron: Artikel 7.13 van de Wet op het hoger onderwijs luidt:
1. Het instellingsbestuur stelt voor elke (…) opleiding (…) een onderwijs- en examenregeling vast. (…)
2. In de onderwijs- en examenregeling worden (…) de geldende procedures en rechten en plichten vastgelegd met betrekking tot het onderwijs en de examens. Daaronder worden ten minste begrepen: (…)
p. de wijze waarop en de termijn gedurende welke degene die een schriftelijk tentamen heeft afgelegd, inzage verkrijgt in zijn beoordeelde werk,
q. de wijze waarop en de termijn gedurende welke kennis genomen kan worden van vragen en opdrachten, gesteld of gegeven in het kader van een schriftelijk afgenomen tentamen en van de normen aan de hand waarvan de beoordeling heeft plaatsgevonden,
r. (…)

De doelgroepen van passend onderwijs

Wes Holleman | 07-06-2020 | 3 Reacties » | permalink

Hoe zit het met de aanvullende voorzieningen voor ‘makkelijk lerende en (hoog)begaafde kinderen en jongeren’ in het funderend onderwijs en in het mbo? Als deze faciliteiten in een dringende ondersteuningsbehoefte voorzien, worden ze tot het passend onderwijs gerekend en mogen de kosten ervan niet op de ouders worden afgewenteld. Dat was het standpunt dat het ministerie van OCW in 2016 innam tegen een Nijmeegse onderwijsstichting die een verplichte ouderbijdrage factureerde als hoogbegaafde leerlingen aan het aanbevolen plusprogramma deelnamen. De afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State stelde het ministerie in het gelijk (7/2/2018). En deze beleidslijn zien we terug in de Kamerstukken van de kabinetten Rutte-2 en Rutte-3, geschreven door staatssecretaris Dekker (31/8/2017), door de vier coalitiepartners in Rutte-3 (10/10/2017 p. 9) en door minister Slob (3/7/2018, 19/9/2019, 19/12/2019).
Hebben makkelijk lerende en hoogbegaafde leerlingen hiermee het recht verworven om onderwijs op maat te krijgen? Nee, door de wetgever zijn hun geen rechten toegekend. De afzonderlijke, décentrale Samenwerkingsverbanden voor Passend Onderwijs zijn bevoegd het toegekende budget voor extra ondersteuning in hun regio te verdelen, op basis van de dringende ondersteunings­behoef­ten die zij menen aan te treffen. De wetgever had daarbij in de eerste plaats de zorgleerlingen voor ogen: leerlingen met een stoornis of handicap. Met de term Passend Onderwijs werd gedoeld op de zorgvuldige afwegingen die moesten worden gemaakt om die leerlingen bij scholen in het regulier dan wel speciaal onderwijs onder te brengen. Maar in het recent verschenen Eindrapport Evaluatie Passend Onderwijs (mei 2020) wordt geconstateerd (en ernstig betreurd!) dat de termen “zorgleerling” en “label” uit het beleidsjargon geschrapt zijn en dat de Samenwerkingsverbanden zelf mogen bepalen op welke doelgroepen zij zich richten bij de invulling van Passend Onderwijs. Uit eerdere rapportages (2018, 2019) blijkt bovendien dat het vaak niet voldoende duidelijk is wat van de scholen verwacht wordt: op welke basisondersteuning mogen de leerlingen rekenen, naast de extra ondersteuning die via het Samenwerkingsverband gefinancierd wordt?
Ik ben slechts een buitenstaander, maar als ik het goed begrijp komen de gelden voor Passend Onderwijs tegenwoordig dus ten goede aan drie categorieën leerlingen die dringend extra ondersteuning nodig hebben: de zorgleerlingen met een stoornis of handicap; de leerlingen met een hoog IQ; en de leerlingen die het reguliere onderwijsprogramma niet kunnen bijbenen. Weliswaar wordt de extra ondersteuning aan de laatstbedoelde categorie ten dele ook langs andere weg gefinancierd, namelijk via de onderwijsachterstandsgelden (2,5- tot 14-jarigen) en via de één- à tweejarige NT2-taalondersteuning voor nieuwkomers. Maar om de missie van het basisonderwijs te verwezenlijken, is tevens financiering vanuit de Samenwerkingsverbanden noodzakelijk. Want idealiter moet ieder kind zodanig worden begeleid dat het de basisvaar­dig­heden van Nederlandse Taal en Rekenen aan het eind van groep 8 op 2F-niveau beheerst. Dat is het niveau dat jongeren nodig hebben om goed mee te komen in het voortgezet onderwijs en dat niveau hebben jongvolwassenen ook nodig om volwaardig te participeren in de Neder­landse samenleving (PISA-rapport 2019; Onderwijsinspectie 2020a, 2020b).
In een recent blogbericht (10/5/2020) kwam ik tot de tentatieve conclusie dat met name deficiënties op het gebied van leesvaar­dig­heid heden ten dage ná het basisonderwijs niet meer kunnen worden bijgespijkerd. Want na hun intrede in de brugklas kunnen de meeste jongeren zich er niet meer toe zetten om voor hun plezier boeken te lezen. Dat komt door hun gedigitaliseerde levensstijl.

Verwarrende beleidslijnen (II): geldelijke compensatie voor vertraagde student

Wes Holleman | 20-05-2020 | 1 Reactie » | permalink

Ter compensatie van de financiële gevolgen van de coronacrisis (weggevallen bijverdiensten alsmede opgelopen ‘studievertraging in het laatste studiejaar die niet altijd te voorkomen of in te halen is’), krijgen ‘alle studenten die van september 2020 tot uiterlijk eind januari 2021 een mbo-, hbo- of een masterdiploma in het wo behalen, in het eerste kwartaal van 2021 eenmalig een bedrag (…) ter hoogte van maximaal drie maanden les-/cursus-/collegegeld’ (Kamerbrief 15/5/2020). ISO, de behartiger van studenten­belangen, is blij met dit behaalde onderhande­lings­resultaat (nieuwsbericht 15/5/2020). Maar Frank Futselaar (SP) stelt een kritische Kamervraag (18/5/2020): op welke grond meent de minister te mogen aannemen dat de overige studenten ‘die niet in het jaar van afstuderen zitten en [wel ten gevolge van de coronacrisis] studievertraging oplopen, dit nog kunnen inhalen?’ Futselaar slaat de spijker op zijn kop:
1. De universitaire bacheloropleiding is een opzichzelfstaande opleiding. Waarom zijn de abituriënten van deze bacheloroplei­dingen uitgesloten van de aangekondigde compensatie­regeling? Het is uiterst onwaarschijnlijk dat zij hun coronavertraging tijdens hun Nederlandse masteropleiding kunnen inlopen (ook al zouden ze dispensatie van de ‘harde knip’ krijgen). En het is überhaupt nog maar de vraag of zij na hun bachelordiploma een (Nederlandse) master­opleiding gaan volgen.
2. Zestig maal 28 uur. Wettelijk is vastgelegd a) dat studenten in het hoger onderwijs zestig studiepunten per cursusjaar moeten behalen, en b) dat de mediane student 28 uur nodig heeft om één studiepunt te behalen. De wettelijke studielast van de mediane student is 1680 uur per cursusjaar (42 weken à 40 uur). Het is dus een wezenskenmerk van het Nederlandse hoger­onderwijssysteem dat het onderwijs is afgestemd op de betere student en dat de helft van de studenten studievertraging oploopt: ze moeten jaarlijks 1680 à 2000 uur studeren om het programma bij te benen en dat gaat hun belastbaarheid te boven. Ergo: alleen al gezien de zwaarte van de hogeronderwijsprogramma’s is het irreëel te veronderstellen dat studenten hun corona-vertraging wel weer kunnen inlopen.
3. Doorgeschoten rendementsdenken. In de afgelopen decennia hebben de universiteiten en hogescholen, mede onder druk van het ministerie, alles in het werk gesteld om de door­stroom­snelheid in de bachelor- en masteropleiding te vergroten. Daartoe werden allerlei maatregelen verzonnen om uitstelgedrag te ontmoedigen: wie niet horen wil, moet voelen. Of anders gezegd: wie de euvele moed heeft achterop te raken, krijgt van ons zo’n ongenadige schop dat hij nog verder achterop raakt. Dat wetende legt Frank Futselaar het vuur aan de ministeriële schenen: mogen we uit uw redenering opmaken dat u met de universiteiten en hogescholen heeft afgesproken dat ze hun draconische beleid beëindigen en dat ze hun studenten van nu af aan toegewijd gaan helpen om hun coronavertraging in te lopen?
4. Profileringsfonds. Futselaar had er ook nog op kunnen wijzen dat de minister met haar redenering inbreuk maakt op de systematiek die in de wettelijke regeling van het Profilerings­fonds (artikel 7.51 WHW) gevolgd wordt. In een van de Service­documenten Hoger Onderwijs (24/4/2020) wordt bevestigd dat studenten die door persoonlijke omstandigheden in verband met de coronacrisis vertraagd zijn geraakt, een beroep kunnen doen op het Profileringsfonds van hun instelling: ‘Het gaat hierbij om studenten die te maken hebben met opgelopen of verwachte studievertraging doordat zij zelf ziek zijn (geweest) door het coronavirus, of vanwege (mantelzorg voor) zieke familieleden. Ook [gaat het hierbij om] studerende ouders die vanwege de coronamaatregelen onderwijs moeten combineren met zorg voor kinderen die thuis zijn en daardoor studievertraging oplopen of verwachten op te lopen.’ Bij het recht op de desbetref­fende uitkeringen wordt niet als ontbindende voorwaarde gesteld dat het mogelijk ware geweest de opgelopen studievertraging in te lopen!

Hoe liep het afstandsonderwijs in april?

Wes Holleman | 18-05-2020 | 1 Reactie » | permalink

In de tweede helft van april heeft de Onderwijsinspectie telefonisch bij een steekproef van scholen rondgevraagd hoe het afstands­onderwijs liep. Op 13 mei heeft zij haar bevindingen per sector gerapporteerd. Tevens werden er afzonderlijke rapportages uit­gebracht over onderwijs­sectoren waar afstandsonderwijs een bijzondere uitdaging vormt: het speciaal onderwijs (ver­deeld over de vier clusters); het voorgezet speciaal onderwijs (idem); de orthopedagogisch-didactische centra; en de justitiële jeugd­inrich­tingen en gesloten jeugdzorginstellingen.
De Inspectie is van plan nader onderzoek te doen naar het functioneren van het afstands­onder­wijs tijdens de coronacrisis, en naar de mogelijke effecten ervan voor leerlingen en studenten. Dat past bijvoorbeeld bij haar toezichthoudende taak ten aanzien van het basis- en voortgezet onderwijs aan nieuwkomers (waaronder de eerste opvang van anderstaligen). De Inspectie heeft trouwens ook een toezichthoudende taak ten aanzien van de sector die in deze coronatijd geheel op de kurk van de ouderparticipatie dreef: de voor- en vroegschoolse educatie aan 2,5- tot 6-jarigen.
Alle minderjarigen die in Nederland wonen, zijn vanaf vijfjarige leeftijd leerplichtig. Zij móéten naar school en hebben dan ook récht op passend onderwijs. Voor kinderen met een taal­achterstand geldt het recht op voor- en vroegschoolse educatie reeds als ze 2 of 2,5 jaar oud zijn. Dat geldt dus eveneens voor kinderen en jongeren die in asielzoekerscentra wonen (of die in afwachting van uitzetting in gezinslocaties verblijven). Maar sinds de coronalockdown wordt er online afstandsonderwijs geboden en de azc’s zijn daar niet voldoende op ingericht. Er zijn niet genoeg pc’s, laptops en tablets en de internetverbindingen schieten tekort. Onlangs is hier­over bericht in het Algemeen Dagblad (8/5/2020) en op 11 mei hebben PvdA, GroenLinks en D66 hierover Kamervragen gesteld aan staatssecretaris Broekers (die de opvang van asiel­zoe­kers in haar portefeuille heeft) en aan minister Van Engelshoven (OCW).
Onlangs beantwoordde minister Slob (24/4/2020) trouwens Kamervragen van GroenLinks en PvdA over een andere kwestie: dat minderjarige asielzoekers belemmerd worden in het aan­leren van de Nederlandse taal ten gevolge van de vele gedwongen ver­huizingen tijdens de asielprocedure.

De leesvaardigheid van vijftienjarigen

Wes Holleman | 10-05-2020 | 9 Reacties » | permalink

De Onderwijsinspectie heeft onlangs haar jaarlijkse rapport De Staat van het Onderwijs gepubliceerd. Zij slaat alarm naar aan­leiding van de laatste PISA-rapportage (3/12/2019) over de leesvaardigheid van Nederlandse vijftienjarigen. Het ging dit keer om een steekproef van 4.765 leerlingen, afkomstig van 156 vo-scholen.
Wat leesvaardigheid betreft is de gemiddelde toetsscore van de vijftienjarige leeftijdscohorten in de afgelopen acht jaar gedaald van 511 (2012) via 503 (2015) naar 485 (2018). Daarmee zijn we ónder de gemiddelde toetsscore (492) van de vijftien ‘oude’ EU-landen terechtgekomen. We scoren nu significant slechter dan Duitsland, België, Frankrijk, het VK, Ierland, Dene­marken, Zweden en Fin­land. Verder scoren we binnen Europa significant slechter dan Noor­wegen, Estland, Polen en Slovenië, en in OESO-verband ook significant slechter dan de VS, Canada, Australië, Nieuw-Zeeland, Zuid-Korea en Japan.
Het ging hierboven om de gemiddelde toetsscore binnen de gehele Nederlandse steekproef, maar er zijn tevens gegevens beschik­baar over de spreiding rond het gemiddelde. Onder de Nederlandse vijftienjarigen is het percentage ‘onvoldoende geletterden’ (toetsscore < 407) gestegen van 14% (2012) via 18% (2015) naar 24% (2018). Deze categorie leerlingen is op z’n best in staat ‘expliciet geformuleerde informatie in een tekst te vinden, de hoofdgedachte of auteursintentie in een tekst te herkennen en eenvoudige verbindingen te leggen tussen de informatie in de tekst en alledaagse kennis.’ Dat is minder dan nodig is om goed te kunnen functioneren in het voortgezet onderwijs. Hoe komt het dat Nederlandse vijftienjarigen zo slecht scoren op leesvaardigheid en wat kunnen we er aan doen? Ik waag me aan een éénpersoons brainstormpje (§§1-9). Vervolgens laat ik deskundigen, beleidsmakers en kwaliteitsbewakers aan het woord (§§10-12). En in een laatste paragraaf maak ik de balans op.
Lees verder … (PDF)

Verwarrende beleidslijnen

Wes Holleman | 28-04-2020 | 4 Reacties » | permalink

De overheid behoort in deze coronatijden duidelijk onderscheid te maken tussen adviezen en bindende voorschriften. Ik gun mijzelf de luxe om eenmaal per week samen met mijn wandel­vriendin per auto naar een klompenpad te rijden om daar een frisse neus te halen. Ik heb be­grepen dat dit weliswaar niet door de overheid gestimuleerd wordt, maar dat dit niet verboden is en dat we ten op­zichte van elkaar ook niet de anderhalvemeter-norm in acht hoeven te nemen. Mijn naasten menen echter dat ik zodoende bindende overheidsvoorschriften overtreed. Ik vraag me af wat er is misgegaan in de overheidscommunicatie dat weldenkende mensen tot zulke tegenstrijdige interpretaties van de geldende regels kunnen komen.
Maar verleden zondag bleek de verwarring ook bij overheidsdienaren en in de media te hebben toegeslagen. In het zesuurjournaal van de NOS werd een Utrechtse BOA ten tonele gevoerd die een drietal jonge vrouwen vriendelijk doch dreigend waarschuwde dat ze in overtreding waren. Ze zaten samen op het gras in het park, keurig anderhalve meter uit elkaar. In het nieuwsitem werd niet uitgelegd welke overheidsregels overtreden werden. Konden de drie vrouwen zich niet beroepen op artikel 2.2 van de Utrechtse noodverordening d.d. 3 april 2020?
Dit is allemaal klein bier, vergeleken met de verwarrende beleidslijnen die in het Servicedocu­ment Hoger Onderwijs (OCW 24/4/2020) zijn opgenomen. In artikel 7.51 WHW is bepaald dat studenten die door bijzondere omstandigheden studievertraging oplopen, financiële onder­steuning kunnen aanvragen bij het Profileringsfonds van hun instelling. Eén van de gronden die daarbij kunnen worden aangevoerd (lid 2f) is dat de opleiding onvoldoende studeerbaar is, d.w.z. dat een normstudent het aangeboden curriculum niet zonder studievertraging kan doorlopen. Maar de minister ziet de bui al hangen. In §2.8.1 van het Servicedocument haast ze zich te verklaren dat de wetgever niet bedoeld heeft dat Onvoldoende Studeerbaarheid kan worden aangevoerd als deze het gevolg is geweest van ‘de noodgedwongen aanpassingen in het onderwijsprogramma die de instelling als gevolg van de kabinets­maatregelen heeft moeten doen.’ Een overmachtssituatie voor studenten geldt dus niet indien deze voortkomt uit een overmachts­situatie van hun instelling. Deze curieuze civielrechtelijke wetsinterpretatie mag nog wel eens ter toetsing aan de bestuursrechter (CBHO) worden voorgelegd. De desbetreffende publiekrechtelijke aanspraken worden hun ontzegd, terwijl hun publiekrechtelijke verplich­tingen (de betaling van collegegeld) gehandhaafd worden en terwijl niet ontkend wordt dat ze te lijden hebben van de lockdown van hun universiteit of hogeschool en van hun stage­biedende instellingen.
Onvoldoende studeerbaarheid speelt trouwens ook een rol in de wettelijke regeling van het Bindend Studieadvies Propedeuse (artikel 7.8b WHW). Wegstuurbeslissingen mogen namelijk niet worden uitgebracht tenzij men in de propedeutische fase ‘zorgt voor zodanige voorzie­ningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd’. Met andere woorden: aan het eind van het eerste verblijfsjaar mag een eerstejaarsstudent niet wegens onvoldoende studievoortgang worden verwijderd uit de opleiding als de mogelijkheden voor het boeken van goede studievoortgang in het eerste verblijfsjaar niet zijn gewaarborgd. In §3 van haar eerste Servicedocument (19/3/2020) trok de minister de terechte conclusie dat een wegstuurbeslissing, gezien de lockdown, pas kan worden uitgebracht in het tweede verblijfsjaar van de student. Dit stuitte echter op weerstand bij sommige opleidingen omdat de opleidings­capaciteit van de postpropedeuse niet voldoende was om al die nieuwe studenten op te vangen (ScienceGuide 20/3/2020). In haar nieuwe Servicedocument d.d. 24/4/2020 stelt de minister dat opleidingen ‘er ook voor (kunnen) kiezen nadere richtlijnen vast te stellen die voor studenten duidelijk maken wanneer zij voor uitstel van [de wegstuurbeslissing van het eerste naar het tweede verblijfsjaar] in aanmerking komen. Maar ik vraag me af in hoeverre dat binnen de kaders van de Wet Hoger Onderwijs mogelijk is.

Naar een exitstrategie

Wes Holleman | 19-04-2020 | 2 Reacties » | permalink

De po- en vo-leerlingen zitten nu ruim een maand thuis en de meesten willen dolgraag weer naar school. Maar de vraag is wanneer de Regering daartoe groen licht geeft. Zij laat zich hierover adviseren door de deskundigen van het Outbreak Management Team. Maar behalve door virologische overwegingen laat de Regering zich ook door economische en maat­schappe­lijke belangen leiden. Het zou bijvoorbeeld mooi zijn als de basisscholen en de buiten­schoolse opvang snel kunnen worden opgestart, want dan kunnen de ouders zich weer voor de volle 100% aan hun betaalde werkzaamheden wijden. Bovendien is het basisonderwijs essentieel om alle leerlingen gelijke kansen op een optimale schoolloopbaan te bieden en om hen daarop gedegen voor te bereiden.
Anderzijds hebben kinderen onder de dertien jaar, vergeleken met hun oudere broers en zusters, weinig te lijden van het corona­regiem. Volgens de overheidsregels d.d. 23 maart hoeven ze noch binnen- noch buitenshuis de 1,5 meter afstand in acht te nemen, en ze mogen (onder toezicht van ouders of voogden) buitenspelen. Volgens de voorzitters van de 25 veiligheidsregio’s moet de Regering zich veeleer zorgen maken over de jongeren bóven de twaalf jaar (WNL.tv 18/4/2020). In elk geval tot 28 april wordt van hen verwacht dat ze zoveel mogelijk thuis blijven en slechts spaarzaam bezoek ontvangen. Niet alleen is hun school gesloten, maar ook hun betaalde baantjes en hun sportactiviteiten zijn opgeschort. Samenscholing van twee of meer personen in de publieke ruimte is verboden, tenzij de veilige afstand van 1,5 meter in acht wordt genomen. Voorzitter Bruls van het 25-koppige Veiligheidsberaad stelt dat deze maat­regelen na 28 april geleidelijk voor jongeren versoepeld moeten worden, want ze zijn voor hen steeds moeilijker vol te houden.
Voor jongeren van middelbareschoolleeftijd is de school en de sportclub een belangrijk tref­punt. Ze wonen verder weg van hun vrienden, vergeleken met de buurt- en wijkgebonden sociale horizon van kinderen in de basisschoolleeftijd. Door de lockdown dreigen ze te ver­eenzamen en dat risico neemt toe als er binnen het afstandsonderwijs te weinig ruimte wordt gecreëerd voor sociale interactie met klasgenoten. In Education Week (16/4/2020) wordt door twee ontwikkelingspsychologen uitgelegd dat jongeren van middelbareschoolleeftijd (adoles­centie en pre-adolescentie) in hun ontwikkeling worden geschaad als ze, ingesloten in het ouderlijke gezin, worden afgesneden van hun eigen sociale kring van vrienden, vriendinnen en leeftijdgenoten.
En dan is er ook nog die vergeten groep: de bewoners van studentenflats en studentenhuizen. Het zijn kamerbewoners die samen met z’n tienen een keuken, douche en wc en vaak ook een woonkamer en een balkonterras of tuin delen. De juridische vraag is of zij, net als een gezin, een huishouden vormen. Of moeten ze gewoon worden beboet als ze niet de veilige afstand van 1,5 meter in acht nemen? Er zijn al bewoners getroffen door een boete van 390 euro. Advocaat Justin Kötter maakt zich daar boos over, vooral ook omdat het hier om een strafbeschikking gaat, die op je strafblad komt.

Gehandicapt: recht op redelijke aanpassingen (III)

Wes Holleman | 13-04-2020 | 1 Reactie » | permalink

Hoe gaan we met gehandicapte leerlingen om? Moeten zij zich aanpassen aan ons, of moeten wij ons ook aanpassen aan hen? Vroeger was dat duidelijk: ze mogen blij zijn dat we hen toe­laten tot onze school en ze moeten geen kapsones krijgen. Volgens hedendaagse wetgeving en jurisprudentie hebben ze echter recht op redelijke aanpassingen, opdat ze net als ieder ander kunnen participeren aan het dagelijkse schoolleven.
Laten we haar Maria noemen. Ze is een rolstoelgebonden leerling van het Michaël College. Dat is een dependance van de dalton­school Markenhage, die tot de Katholieke Scholengemeen­schap Breda behoort en die bestuurlijk onder de Stichting Katholiek V.O. Breda en Omgeving valt. Per augustus 2017 trok het Michaël College (Vrije School) samen met het Orion Lyceum (Pleion) bij hun vernieuwbouwde grote broer Markenhage in. Ze delen dus een modern, drie­ledig gebouw, en de bedoeling is dat ze wat de havo- en vwo-bovenbouw betreft intensief gaan samenwerken. Maar ze hebben elk een eigen vestigingsdirecteur.
We hadden het dus over Maria. Toen ze in 2017 als brugpieper met haar rolstoel het nieuwe gebouw binnenreed, stuitte ze op twee obstakels. Bij de centrale toegangsdeur moest ze de hulp van anderen inroepen, want op eigen houtje kwam ze er niet in. Vervolgens was er nog een dub­bele branddeur die toegang gaf tot het Michaël College. De magneetdeuren werden elke avond vanuit de centrale portiersloge gesloten en de volgende ochtend werd de conciërge geacht de deuren weer open te zetten. Soms werd dat vergeten en misschien werden de deuren ook wel eens per abuis door een leerling of leraar dichtgetrokken. En dan stond Maria weer voor een dichte branddeur en moest ze iemand vinden om haar van dienst te zijn.
Maria’s ouders hebben sinds augustus 2017 herhaaldelijk verzocht deze twee problemen te verhelpen. Maar na twee jaar (september 2019) hadden ze er genoeg van. Ze dienden een klacht in, bij het College voor de Rechten van de Mens (CRM): onze gehandicapte dochter wordt gediscrimineerd. Uiteindelijk is de centrale toegangsdeur in de laatstleden kerstvakantie aangepast. Maria kan deze deur nu van beide zijden met een elektronisch mechanisme openen. Maar de branddeur vormt nog steeds een obstakel. Het CRM, de Nederlandse waakhond op het gebied van discriminatie, heeft in februari uitspraak gedaan: de Stichting (het bevoegd gezag van het Michaël College) heeft Maria gediscrimineerd door niet binnen een redelijke termijn, ten behoeve van haar, doeltreffende aan­pas­singen te verrichten. Tevens heeft het CRM brieven aan de verantwoordelijke ministers van Binnenlandse Zaken (bouwregelgeving) en Onderwijs (po/vo) gestuurd om hen aan de hand van deze casus erop te attenderen dat de normen van het scholenbouwbeleid verduidelijkt moeten worden en dat er jegens scholen een activerend beleid moet worden gevoerd om de fysieke toegankelijkheid van bestaande schoolgebouwen te ver­beteren.
Bron: Oordeel 2020-9 van het CRM (11/2/2020); Briefadviezen d.d. 25/2/2020 aan minister Knops (biza) en minister Slob (ocw)

Beetje dom

Wes Holleman | 08-04-2020 | 2 Reacties » | permalink

Marc van Oostendorp werkt aan de Radboud Universiteit en aan het Meertens Instituut van de Koninklijke Akademie. Hij is hoog­leraar Nederlands en Academische Communicatie. Op 1 april heeft hij niets van zich laten horen. Maar op 2 april schreef hij een column in het online tijdschrift Neerlandistiek onder de titel Laten we pas op de plaats maken. Op 3 april werd de tekst (met zijn toestemming?) herplaatst in het Nijmeegse Vox-magazine. Hij pleit ervoor dat dit rampzalige semester per omgaande beëindigd wordt, omdat de staf door het verzorgen van online onderwijs en online tentamens overbelast raakt. Zijn universitaire collega’s reageren positief. Als de onderwijs- en tentamenactiviteiten in dit coronasemester gestaakt worden, blijven de maandelijkse salaris­betalingen gewoon op hun bankgiro binnenstromen. En als de druk van de onderwijsketel af is, kunnen ze eindelijk weer wat meer tijd in hun onderzoek steken.
Maar er reageren ook ettelijke studenten en hun reacties zijn negatief. Ten gevolge van de corona-lockdown zijn ze hun betaalde bijbaantjes kwijt. Sportbeoefening is nagenoeg onmoge­lijk geworden, Als nu de druk van de studie- en tentamenketel eveneens op nul wordt gezet, dan zijn zij veroordeeld om een half jaar lang werkeloos terneer te zitten. Onderwijl moeten ze blijven eten en wonen en ook hun andere vaste lasten (waaronder collegegeld?) lopen door. Zij moeten zich dus extra in de schulden steken om het hoofd boven water te houden en boven­dien wordt de duur van hun betaalde beroepsloopbaan met een half jaar bekort.
Wat moeten we vinden van deze column? Weinig empathisch? Hij leeft zich wel in het lot van de universitaire staf in, maar hij ver­geet dat de universiteit in maatschappelijk opzicht failliet gaat als zij geen oog meer heeft voor het lot van haar klanten. Ik houd het op: beetje dom.