Beheersing van de bedrijfscontinuïteit (II):
de stagegarantie in het mbo

Scholen behoren hun best te doen om hun leerlingen te beschermen tegen het risico dat een deel van het geplande onderwijs­programma door calamiteiten opgeschort of geannuleerd moet worden en dat de leerlingen daardoor in de kou blijven staan. In de bedrijfskunde wordt dat Business Continuity Management genoemd: zorg dat je ook in het geval van ‘zwaar weer’ kwaliteit kan blijven leveren en dat eventuele averij snel hersteld kan worden. Het zou geen gek idee zijn als de Onderwijsinspectie periodiek zou toetsen of de door de overheid bekostigde scholen over een geloofwaardig bedrijfscontinuïteitsplan beschikken waarin scenario’s voor diverse calamiteiten zijn uitgewerkt. Zo heeft het beroepsonderwijs een scenario nodig voor het geval dat er een tekort aan stageplaatsen optreedt (en tevens voor het geval dat kwetsbare leerlingen niet of nauwelijks kans zien tijdig een stageplaats te bemachtigen).
In 2014 diende het Kamerlid mr. Tanja Jadnanansing (PvdA) een initiatiefnota in, waarin werd voorgesteld dat mbo-scholen bij de toelating van studenten moeten garanderen dat de verplich­te stages (beroepsprakijkvorming) inderdaad beschikbaar zullen zijn en dat die stages zodanig begeleid zullen worden dat de vereiste competenties inderdaad verworven en afgetekend kunnen worden (3/3/2014). Het sluitstuk van haar voorstel was (a) dat de school de zeilen naar de wind zet en dus het toegelaten aantal studenten aanpast aan het te verwachten aantal beschikbare stageplaatsen; en (b) dat de school een vervangende praktijkopdracht moet aan­bieden als er onverhoopt geen stageplekken voorhanden blijken te zijn. In een Kamerbrief (3/7/2014) ant­woordt minister Busse­maker dat een vervangende praktijkopdracht in noodgevallen is toe­gestaan, maar dat de student ook in overweging moet worden gegeven: (c) alsnog om te zwaaien naar een andere beroepsopleiding. Wat het instellen van een numerus fixus betreft (de optie a), stelt de minister dat deze gebaseerd moet worden op structurele arbeidsmarkt­progno­ses en niet op een tijdelijk tekort aan stage­plaatsen. [Met andere woorden: het mbo moet in zijn toelatingsbeleid prioriteit geven aan de maatschappelijke vraag naar gekwalificeerde arbeids­krachten en niet aan de ethische roep om stagegaranties voor toegelaten studenten.] Uiteinde­lijk zegt de minister duidelijk waar het op staat (26/5/2016): de mbo-instelling kan worden aangesproken op het verzaken van haar zorgplicht [een inspanningsverplichting], maar zij kan niet door studenten aansprakelijk worden gesteld als er geen stageplaats kan worden gevonden en als studenten daardoor studievertraging oplopen, want op dat punt is er een gedeelde verantwoordelijkheid die bij onderwijsinstelling, student en stagebiedend bedrijfs­leven tezamen ligt.
Vier jaar later, maart 2020, moest worden geconstateerd dat deze ministeriële uitgangspunten niet toekomstbestendig zijn. Het Nederlandse onderwijs werd ontwricht door de corona­pande­mie en in rap tempo werden overheidsmaatregelen uitgevaardigd om de crisis het hoofd te bieden.
Lees verder … (PDF)

Eén reactie op “Beheersing van de bedrijfscontinuïteit (II):
de stagegarantie in het mbo”

  1. Wes Holleman zegt:

    ERRATA: Het Kabinet heeft vorige week besloten dat vo- en mbo-leerlingen met ingang van 1 maart minimaal één dag per week fysiek naar school mogen. En die typefout (COVIT) is ook niet zo fraai.