Burgerschapsopdracht (III): het wetsontwerp

Eind november is het Wetsvoorstel Aanscherping Burgerschapsopdracht (nr. 35352) bij de Tweede Kamer ingediend en inmiddels is het door de vaste Kamercommissie OCW in behandeling genomen. Welke belangen zijn er in het spel?
1. Burgerlijke vrijheden. Scholen krijgen tot taak hun leerlingen kennis van en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Dat riekt naar indoctrinatie: als je de leerlingen kennis bijbrengt, dan is het beoogde resultaat dat ze zich die kennis eigen hebben gemaakt (en dat is prima). Maar als je de leerlingen respect voor (= eerbiediging van) die basiswaarden bijbrengt, dan is het beoogde resultaat dat ze die normen en waarden gehoorzamen. Anders gezegd: je maakt je schuldig aan indoctrinatie, je wil ze ‘mores leren’. Met zo’n inbreuk op hun autonomie handel je in strijd met de basiswaarden van de demo­cratische rechtsstaat. Scholen kunnen beter tot taak krijgen hun leerlingen kennis van die basiswaarden bij te brengen en bij hen respect (= waardering) voor die basiswaarden aan te kweken.
2. Vrijheid van onderwijs. Verder krijgen scholen tot taak een schoolcultuur tot stand te brengen en in stand te houden die harmonieert met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Daarmee wordt de grondslag van orthodox-christelijke, -joodse en -islamitische scholen aangetast. Zij hechten namelijk aan de bijbelse geboden en verboden over seksueel gedrag (waaronder LHBTI-gedrag en heteroseksueel gedrag vóór of buiten het huwelijk) en over de positie van de vrouw. Zij menen hun leerlingen te moeten voorhouden dat het zondig is de bijbelse geboden en verboden in de wind te slaan, dat de leden van de kerkgemeenschap zondigende medeleden dienen te vermanen en hen uit de kerkgemeenschap dienen te stoten als ze in hun zondig gedrag volharden, en dat ze niet vriendschappelijk met zondaars mogen omgaan. En zij trachten hun basiswaarden ‘vóór te leven’ in de eisen die zij aan het gedrag van hun leraren en leerlingen stellen, ook al komen ze daarmee in strijd met de basiswaarden die ten grondslag liggen aan de democratische rechtsstaat.
3. Rechtszekerheid. Scholen krijgen bovendien tot taak de sociale cohesie te bevorderen en de sociale en maatschappelijke competenties te bevorderen die de leerling in staat stellen deel uit te maken van (en bij te dragen aan) de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving. Met dit rekbare caoutchouc-artikel krijgt de Onderwijsinspectie een handvat om, overeen­komstig de waan van de dag, scholen aan te pakken die in de hand werken dat hun leer­lingen ‘met de rug naar de (rest van de) samenleving’ komen te staan. Een school kan in de beklaagdenbank worden gezet als zij maatschappelijke verzuiling propageert of sociale segregatie in de hand werkt of haar leerlingen stimuleert zich terug te trekken in een gemeenschap die de maatschappelijke zedenverwildering de rug toekeert. De rekbaarheid van dit wetsartikel vormt een aanslag op de rechtszekerheid in de Nederlandse democratische rechtsstaat.
4. Gelijkheidsbeginsel. Hierboven werden drie kernbelangen van de democratische rechtsstaat belicht die in het geding zijn bij de behandeling van het wetsontwerp nr. 35352. Maar bij de indieners van het wetsontwerp staat een ander belang voorop: zij willen de Nederlandse rechtsstaat beschermen tegen een orthodox-islamitische vijfde colonne. Meer in het bijzonder willen zij de overheid instrumenten in handen te geven om de stichting van islamitische scholen zo nodig te blokkeren, om bestaande orthodox-islamitische scholen in het gareel te houden en om hun bekostiging zo nodig te beëindigen. In dat streven hebben zij tot voor kort weinig weerstand ontmoet, totdat het bijzonder onderwijs onlangs bemerkte dat ook orthodox-christelijke en -joodse scholen geraakt zouden kunnen worden door deze anti-islamitische boemerang. De Onderwijsinspectie gaat namelijk half februari rapporteren over de uitkomsten van een onderzoek dat zich onder andere uitstrekt tot het feit dat islamitische en reformatori­sche scholen uitdragen dat homoseksueel gedrag zondig is [zie verder onder punt 2]. Mocht het wetsvoorstel desondanks worden aangenomen, dan kunnen we verwachten dat de christelijke partijen (gesteund door PVV en FvD?) alles in het werk zullen stellen om te voorkomen dat de overheid zich, bij haar toezicht op de naleving van de wet, consequent zou laten leiden door het grondwettelijke Gelijkheidsbeginsel. Maar het probleem is dat eerbiediging van het Gelijk­heids­beginsel een kernbelang is van de democratische rechtsstaat.
Zie ook mijn eerdere blogberichten (inclusief naschriften): Onderwijsethiek 15/8/2018, 2/10/2018, 15/9/2019, 13/10/2019

3 reacties op “Burgerschapsopdracht (III): het wetsontwerp”

  1. Wes Holleman zegt:

    Ter toelichting ad 1 moge dienen: volgens Van Dale Groot Woordenboek der Nederlandse Taal (twaalfde uitgave, 1992) betekent ‘iemand zekere kennis bijbrengen’ dat je iemand die kennis doet verkrijgen. Dat is dus heel dwingend, het is een handeling die pas kan worden afgesloten wanneer die kennis door de betrokkene verkregen is. En naar analogie geldt dan ook: als je iemand normen en waarden bijbrengt, kan die handeling pas worden afgesloten wanneer die normen en waarden door de betrokkene geïnternaliseerd en als richtsnoer voor zijn of haar persoonlijk handelen aanvaard zijn.

  2. Wes Holleman zegt:

    Het wetsontwerp bedoelt een aanscherping te geven van de wettelijke bepalingen die in 2006 zijn ingevoerd. Over die oude bepalingen schreef ik de volgende blogberichten: 3/3/2008, 12/3/2008, 5/9/2009, 27/2/2010, 5/7/2012

  3. Wes Holleman zegt:

    Minister Slob (ChristenUnie) moet zijn antwoorden formuleren op het Verslag van de Onderwijscommissie van de Tweede Kamer. Dus zijn achterban roept nog eens luid en duidelijk wat er volgens hen mis is met het wetsontwerp (Reformatorisch Dagblad 28/1/2020).