De docent: educator en inductor

Een docent is een leidsman of -vrouw die voor twee taken staat. De educator wil de leerlingen grootbrengen in hun nieuwe wereld, terwijl de inductor hen wil inlijven in de bestaande wereld der volwassenen. Vooral in een beroeps­opleiding staan docenten voor de uitdaging een goed evenwicht tussen beide taken te vinden. De inductor treedt als afgezant van de beroepsgroep op. Hij verlangt van de leerlingen zich aan te passen aan de gevestigde normen, waarden en opvattingen. De educator daarentegen bewaart enige afstand tot de beroepsgroep en geeft de leerlingen ruimte voor zelf­beschikking en kritische reflectie. De valkuil voor de inductor is dat hij zijn leerlingen als onmondige rekruten behandelt, die slaafs zijn protocollen moeten volgen. Maar de educator loopt het risico gediplomeerden af te leveren die onvoldoende zijn opgewas­sen tegen de eisen die aan beginnende beroepsbeoefenaars gesteld worden.
De laatste tijd heeft de onzalige gedachte postgevat dat beroepsopleidingen voor­namelijk tot taak hebben hun leerlingen of studenten klaar te stomen voor een startfunctie op de arbeidsmarkt. Werkgevers stoten de eigen inductietaken af en verlangen dat de beroepsopleiding pasklare werknemers aflevert. De docent-als-educator moet het veld ruimen voor de docent-als-inductor. Neem bijvoorbeeld de driejarige academische studie Verpleegkunde in Engeland. Aan het eind van de opleiding krijgt de student een verklaring uitgereikt dat hij of zij beroepsgeschikt is. Deze ‘Fitness to Practise’ omvat niet alleen Knowledge & Skills, maar ook Good Health en Good Character. Onlangs heeft de Britse Raad voor Verpleeg- en Verlos­kunde een nieuwe leidraad voor docenten en studenten uitgebracht over de criteria van Good Character waar­aan de student moet voldoen. Het gaat niet alleen om professioneel gedrag tijdens stages, maar ook om academische en burgerlijke braafheid (niet spieken, niet met politie of justitie in aanraking komen, onbesproken gedrag) en om de reputatie van het beroep (die niet mag worden aangetast). De ‘young professionals’ worden dus reeds tijdens hun academische studie in het knellende keurslijf van de beroepsgroep geperst. En wie zich tijdens deze driejarige proef­periode niet conformeert, wordt uit de opleiding gezet.

2 reacties op “De docent: educator en inductor”

  1. Wes Holleman zegt:

    Nederlandse verpleegkundigen verkrijgen hun BIG-licentie op grond van het einddiploma van de opleiding Verpleegkunde. Zij hoeven dus geen nadere verklaring betreffende hun ‘Fitness to Practise’ te overleggen. Wel wordt er gedelibereerd over de vraag of verpleegkundigen, bij hun indiensttreding dan wel bij hun BIG-registratie (c.q. herregistratie), een justitiële Verklaring omtrent het Gedrag zouden moeten overleggen.

  2. Wes Holleman zegt:

    Kunnen Nederlandse studenten, net zoals de Engelse verpleegkundestudenten, uit hun opleiding worden verwijderd op grond van een negatieve beoordeling op Good Character?
    1. Stagebiedende instellingen, zoals scholen, kunnen een justitiële Verklaring omtrent het Gedrag eisen. De student wordt die verklaring geweigerd indien het Ministerie van Justitie van oordeel is dat hij of zij, gezien zijn of haar strafblad niet geschikt is voor de desbetreffende stage.
    2. Er ligt momenteel een wetsontwerp bij de Eerste Kamer die het College van Bestuur van hogeronderwijsinstellingen de bevoegdheid geeft een student uit de opleiding te verwijderen op grond van ongeschiktheid voor het beroep of voor de beroepsvoorbereidende stages. Als men zuiver en alleen naar de voorgestelde wetstekst kijkt, heeft de studieleiding hierin nagenoeg carte blanche. Maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de wetgever uitsluitend bedoeld heeft de mogelijkheid te openen studenten te verwijderen die een reëel gevaar voor patiënten, cliënten of andere rechtstreeks betrokkenen vormen.
    3. In 2002 is in opdracht van het Disciplineorgaan Medische Wetenschappen (VSNU) het rapport Professioneel Gedrag uitgebracht, betreffende de vorming tot (en toetsing van) professioneel handelen tijdens de opleiding tot arts, tandarts en dierenarts. Daarin wordt uitdrukkelijk tot uitgangspunt genomen dat men zich bij de toetsing uitsluitend op waarneembare gedragingen in de onderwijssetting richt (p.20), hetgeen betekent dat studenten niet uit de opleiding kunnen worden verwijderd op grond van gedragingen die buiten de onderwijssetting tentoon zijn gespreid. Ook blijkt uit het rapport dat men met name aan gedragingen denkt die relevant zijn voor de klinische onderwijssetting en dus niet aan frauduleus gedrag bij schriftelijke tentamens of academische werkstukken.