De leraar praat abracadabra

Abracadabra is de ontoegankelijke taal van magiërs. Als gewoon mens snap je er niets van. Volgens Peter Broeder en Mia Stokmans (Universiteit van Tilburg) uiten ook leraren zich vaak onbegrijpelijk: met hun abstracte, geleerde taal praten ze over de hoofden van hun leerlingen heen. Vooral in het VMBO en MBO zijn leerlingen vaak te weinig ‘geletterd’ om de leraar te kunnen volgen.
Voor onderwijskundigen is dat een bekend probleem. Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog werd er veel ‘training research’ gedaan in het Amerikaanse leger. Dat resulteerde in het onderwijsleermodel van John B. Carroll (1963). Hij onderscheidt vijf persoonsgebonden voorspellers van leersucces: enerzijds taakspecifieke begaafd­heid, beginniveau en doorzettingsvermogen, en anderzijds verbale begaafdheid en algemene intelligentie. De laatstbedoelde voorspellers betreffen de bekwaamheid om het aangeboden onderwijs te begrijpen, waarbij lagere verbale begaafdheid door hogere intelligentie gecompenseerd kan worden. Natuurlijk is onderwijskwaliteit in Carrolls model een centrale factor. Af­stemming van het onderwijs op de verbale begaafdheid van de leerlingen is een kwaliteitsaspect dat volgens hem te vaak verwaarloosd wordt.
Leraren moeten dus voldoende rekening houden met het niveau van ‘geletterdheid’ van de leerlingen in hun klas. Telkens moeten ze checken of hun boodschap overkomt. Maar in schoolverband is verbale begaafdheid geen onveranderlijk persoonskenmerk. Volgens Broeder en Stokmans moeten scholen tevens een systematisch taalbeleid voeren om de ‘geletterdheid’ van de leerlingen gaandeweg op te krikken. Niet alleen de leraar Nederlands maar ook de collega’s in de andere vakken spelen daarin een cruciale rol.
Bron: Onderwijs van Morgen (17/12/2010); Onderwijs Brabant (29/10/2010); Over studielast en studeerbaarheid (1993 p.63 e.v.).

2 reacties op “De leraar praat abracadabra”

  1. Tanja van Kempen zegt:

    Dankzij de taal (en reken) niveau’s die de commissie Meijerink uitgewerkt heeft, wordt het pijnlijk duidelijk dat heel veel studenten die in het mbo instromen niet het juiste taalniveau bezitten. Het is nu makkelijker om de gegevens van 0-metingen te plaatsen in de onderwijskolom (1F = eind basisonderwijs 2F= eind vmbo & mbo 1/2/3 en 3F is eind mbo 4). Bij de 0-metingen haalt een groot percentage mbo 1 en 2 studenten nauwelijks het 1F niveau…

    De verplichte examinering in het MBO die voor cohort 2010-2011 geldt heeft z’n voor- en nadelen, maar dat is een ander verhaal. Het gevolg hiervan is wel dat er eindelijk veel meer aandacht wordt geschonken aan het taalniveau van de leerlingen en aan het taalgebruik in de beroepspraktijk. Carrolls’ model sluit goed aan bij de visie van het ITTA op taalonderwijs: taal is niet een geïsoleerde vaardigheid maar ook tijdens de andere (praktijk)vakken moet er volop aandacht geschonken worden aan taal om de studenten op het juiste niveau te krijgen.
    Als je deze manier van lesgeven goed vormgeeft kun je naar mijn idee veel uitval voorkomen.

  2. Wes Holleman zegt:

    Broeder en Stokmans hebben het over begrijpend luisteren. Hinke Douma (BON 20/12/2010) snijdt een verwant probleem aan: haar MBO-leerlingen missen bekwaamheid op het gebied van begrijpend lezen. Volgens haar biedt instructie in leesstrategieën weinig soelaas. Zij ziet meer in ‘kilometers maken’ als oplossingsrichting: zorg dat leerlingen gewoon meer leeservaring opdoen. Naar de geest van Broeder en Stokmans zou ik zeggen: bied veel lees- en luistertaken die voldoende aansluiten bij hun niveau van ‘geletterdheid’ en geef hun directe hulp en feedback zodra ze aangeboden lees- en luisterteksten niet blijken te begrijpen. Het gaat dus om begeleide lees- en luisterkilometers.