De scheiding tussen School en Staat

In Nederland bestaat er een scheiding tussen Kerk en Staat. De Kerk eigent zich geen staatsgezag toe en de Staat laat de kerken vrij in de regeling van hun interne aangelegenheden. Maar die soevereiniteit-in-eigen-kring is begrensd door de wetten van de Staat. De Rooms-Katholieke Kerk heeft dat niet altijd zo goed begrepen. Bij flagrante wetsovertredingen door kerkelijke werkers werd er geen aangifte gedaan. Ze werden berispt, overgeplaatst of desnoods ontslagen, maar hun vergrijpen werden gewoonlijk in de doofpot gedaan. Men wilde voorkomen dat (a) het gezag van de Kerk en haar ambtsdragers zou worden aangetast, dat (b) de reputatie van de Kerk en haar instituties schade zou oplopen en (c) dat haar kracht zou worden ondermijnd door uitstroom van gekwalificeerde werkers. De belangen van de gelovigen werden opgeofferd aan de belangen van de Kerk.
Evenzo bestaat er in Nederland een zekere scheiding tussen School en Staat. In overleg met de ouders mogen scholen zelf hun interne aangelegenheden regelen, hun eigen vormingsdoelen formuleren en hun onderwijs naar eigen goeddunken inrichten. Maar hun soevereiniteit is begrensd door de wetten van de Staat. Toch kunnen ze zich in dat opzicht veel permitteren. Het behoort namelijk tot hun pedagogische missie om kinderen en jongeren op te voeden. Bovendien worden zij geacht de discipline op school te bewaren. Kortom: van de school wordt verwacht dat zij strijdbaar is om haar missie te vervullen. Daarom is de Staat geneigd vele overtredingen van wetten en verdragen, gepleegd door scholen en individuele leraren, door de vingers te zien, onder het motto: à la guerre comme à la guerre. Rechten en vrijheden die in de wereld der volwassenen vanzelfsprekend zijn, worden aan minderjarige scholieren onthouden. Maar waar ligt de grens? In de praktijk wordt het aan het zelfregulerend vermogen van de scholen overgelaten om die grens te trekken, maar de vraag is of men blind daarop mag vertrouwen. Want dat vermogen wordt beperkt door hun preoccupaties met (a) het gezag van de school en haar leraren, (b) de reputatie van de school en (c) het tekort aan gekwalificeerde leraren en managers. Bovendien zijn scholen gepreoccupeerd met (d) hun streven naar doelmatige bedrijfsvoering. Hoe kan worden gewaarborgd dat de fundamentele belangen van de leerlingen niet worden opgeofferd aan de belangen van de school?
Lees verder … (PDF)

Eén reactie op “De scheiding tussen School en Staat”

  1. Wes Holleman zegt:

    Waarom heb ik niet als zesde punt opgevoerd: versterking van de rechtspositie van leerlingen door betere procedures voor externe klachtenbehandeling (klachtencommissies, ombudslieden, civiele rechter etc.)? Afgezien van de civiele rechter hebben de uitspraken van dergelijke instanties geen bindende kracht. Ook duren dergelijke procedures veel te lang, waardoor de individuele leerling niet meer gebaat is met de uiteindelijke uitspraak. En in de derde plaats hebben de uitspraken nauwelijks precedentwerking: scholen kunnen nauwelijks worden aangesproken aan de hand van de juriprudentie die in het verleden in den lande is opgebouwd.