De school als onderneming

Columnist Frank Kalshoven (VK 21/4/2012) mort over het onderwijsbeleid. We hebben de onderwijsmarkt geliberaliseerd en scholen de vrije teugel gegeven om als competitieve ondernemingen te opereren. Maar zodra de ondernemende scholengroep Amarantis failliet dreigt te gaan, worden er vele miljoenen belastinggeld vrijgemaakt om de deconfiture in goede banen te leiden. De tucht van de vrije markt stelt dus niets voor: zodra een ondernemer dreigt om te vallen, moet de belastingbetaler bijspringen. Laten we nu eindelijk eens een duidelijke keuze maken, zegt Kalshoven. Kiezen we voor een vrijemarktmodel waarin de scholen een reëel ondernemersrisico lopen, waarin de Onderwijsinspectie (als Keuringsdienst van Waren) op de basiskwaliteit toeziet en waarin de Mededingingsautoriteit NMa tegen marktverstorende subsidies en kartelvorming waakt? Of kiezen we voor onderwijs als publieke voorziening die door de overheid gereguleerd wordt en waarin avonturen à la Amarantis tijdig geblokkeerd worden?
Lees verder … (PDF)

Eén reactie op “De school als onderneming”

  1. Wes Holleman zegt:

    Kalshoven heeft gelijk als hij meent te kunnen constateren dat de overheidsregulering in de afgenomen decennia sterk is afgenomen. Maar hij heeft ongelijk als hij bedoelt dat de tucht van de vrije markt daarvoor in de plaats is gekomen. De terugtredende overheid laat het onderwijs aan het vrije spel de maatschappelijke krachten over. Als doekje voor het bloeden heeft zij de (leerlingen en) ouders medezeggenschap gegeven in het schoolbeleid en zij heeft vrijblijvende beroepsprocedures in het leven geroepen (klachtencommissies, beroepscolleges, ombudslieden, procedures via de burgerlijke rechter). Maar het eind van het lied is dat scholen een vrijbrief hebben gekregen hun eigen bedrijfsbelang voorop te stellen en de belangen van de onderwijsvragers te verwaarlozen.
    Hoe interpreteert Kalshoven trouwens een vrijemarktmodel waarbij de klanten inspraak hebben in het beleid van de onderneming? Is dat, bezien vanuit de economische theorie, niet een contradictio in terminis?