De vrijwillige ouderbijdrage van Slob

De deelname aan het primair en secundair onderwijs is kosteloos, maar door scholen wordt wel een vrijwillige ouderbijdrage ge­vraagd. Wettelijk is bepaald dat de toelating tot de school niet afhankelijk mag worden gesteld van een toezegging om die ouder­bijdrage te betalen. In opdracht van OCW heeft het onderzoeks- en adviesbureau Regioplan begin 2018 een rapport uit­gebracht over de bestaande wettelijke randvoorwaarden van de vrijwillige ouderbijdrage en over denkbare varianten daarvan. In aansluiting daarop oordeelde minister Slob op 7 maart dat de huidige regelgeving acceptabel is op voorwaarde dat scholen geen inbreuk maken op het vrijwillige karakter van de ouderbijdrage en dat leerlingen niet worden uitgesloten van activiteiten als hun ouders niet betalen of niet kunnen betalen. Inmiddels heeft de Algemene Ledenvergadering (ALV) van de PO-Raad op 22 november een richtlijn vastgesteld die scholen zouden moeten naleven om aan beide ministeriële voorwaarden te voldoen. Deze richtlijn zal op termijn door de ALV worden ondergebracht in de Code Goed Bestuur in het Primair Onderwijs. Maar voor deze gecodeerde regels geldt: “leef ze na of leg uit waarom niet”. Ze zijn dus niet bindend.
Volgens mij is minister Slob nu aan zet. Neemt hij genoegen met zo’n ethische richtlijn, of is hij van oordeel dat sommige uitwassen met juridische middelen moeten worden bestreden? Om zijn opvattingen te concretiseren, zou hij zich eigenlijk moeten uitspreken over de vrijwillige ouderbijdrage van de Groningse School Vereniging: in hoeverre maakt de GSV, naar zijn oordeel, inbreuk op de door hem gestelde voorwaarden? De GSV exploiteert een basisschool die (naast een internationale afdeling) slechts twee afdelingen kent: de TTO-afdeling voor tweetalig onderwijs en de HB-afdeling voor hoogbegaafden. De vrijwillige ouderbijdrage bedraagt 1191 euro per jaar, met 25% korting voor het 2e en volgende kind en met maximaal 45% inkomensafhankelijke korting op het resulterende subtotaal. Zodra het (eerste) kind is toegelaten, wordt aan de ouders verzocht zich contractueel te verplichten de ouderbijdrage jaarlijks te betalen zolang zij één of meer kinderen op de GSV hebben. De overeengekomen betalingen zijn tot in lengte van jaren rechtens afdwingbaar. De ouderbijdrage dekt onder meer het genot van kleinere klassen in de onderbouw, het tweetalige onderwijs, het onderwijs door vakleerkrachten, het eventuele HB-onderwijs, en de reguliere extracurriculaire activiteiten (waaronder een meerdaagse schoolreis). De school houdt zich het recht voor, deze voor­zieningen te onthouden aan leerlingen wier ouders die contractuele verplichting niet zijn aangegaan. In vroeger jaren werd in dat verband het onderwijs door vakleerkrachten (zoals Engels, Gymles, Muziek) genoemd, maar vermoedelijk zetten weigerachtige ouders met name ook de toegang tot extra­curriculaire activiteiten op het spel.
Persoonlijk neig ik naar de stelling dat de GSV zich gedraagt als een particuliere school en dat OCW dan ook moet overwegen haar overheidsbekostiging in te trekken. Maar, zoals ik hier­onder uiteen zal zetten, kunnen we uit deze GSV-casus ook algemene con­clusies trekken over de houdbaarheid van het OCW-beleid met betrekking tot de vrijwillige ouderbijdrage:
Lees verder … (PDF)

Eén reactie op “De vrijwillige ouderbijdrage van Slob”

  1. Wes Holleman zegt:

    De PvdA gaat het initiatief nemen tot wetswijzigingen om voor bijzondere scholen de acceptatieplicht van aspirant-leerlingen in het primair en secundair onderwijs vast te leggen en om de kosteloosheid van het onderwijs ook in de Grondwet op te nemen (AD 12/12/2018.