Doorgeschoten rendementsdenken (V): de universiteit als megastal

Drie Groningse journalisten (Jasper Been, Bart Hekkema en Koen Marée) hebben onlangs de Nationale Prijs voor Onderwijs­journalistiek gewonnen. Hun artikelenreeks ‘De universiteit als megastal’ verscheen vorig jaar in webkrant De Correspondent.
In de titel wordt de teneur van hun reportage al enigszins verklapt: de universiteiten maken zich schuldig aan intensieve mens­houderij. Ze gedragen zich als egocentrische megabedrijven, die zich niet bekommeren om ontplooiing en welzijn van hun studenten en docenten. Maar de Groningse journalisten richten zich met name op het feit dat iedere universiteit alleen haar eigen bedrijfs­belangen najaagt, voorbij gaat aan haar professionele verantwoordelijkheden jegens haar studenten en jegens de maatschappij, en zich uitsluitend laat leiden door haar streven zoveel mogelijk overheidsgeld binnen te harken, haar eigen marktaandeel te vergroten en haar financiële bedrijfsrendementen te maximaliseren. De belangen van de student moeten daarvoor wijken. De artikelenreeks omvat elf delen:
01. Het huidige bekostigingsmodel: toegenomen outputfinanciering
02. Werving van buitenlandse studenten als verdienmodel
03. Decentrale selectie aan de poort
04. De selectie in het eerste studiejaar (BSA)
05. Doorgeschoten beleid ter verhoging van numerieke studierendementen
06. De universiteit als dissertatiefabriek
07. Het bekostigingsmodel van de commissie-Van Rijn
08. Alternatieve bekostigingsmodellen: minder perverse prikkels
09. Meer geld voor de technische universiteiten?
10. De verengelsing van het hoger onderwijs
11. Onze ‘braingain’ leidt tot ‘braindrain’ in Zuid- en Oost-Europa
Lees in De Correspondent: De universiteit als megastal (1 april tot 11 november 2019).
De artikelen 01 t/m 07 zijn herdrukt in Erasmus Magazine (16/5/2019).

Eén reactie op “Doorgeschoten rendementsdenken (V): de universiteit als megastal

  1. Wes Holleman zegt:

    Ik heb het Uitvoeringsbesluit WHW 2008 trachten te ontcijferen. Wat de bekostiging van universitaire bachelor­opleidingen betreft, begrijp ik daaruit het volgende (maar ik geef het graag voor beter):
    De werkzaamheden die een universiteit in het kader van een universitaire bacheloropleiding in een jaarlijkse peilperiode (van 2 oktober tot 1 oktober) verricht heeft, worden door de rijksoverheid bekostigd op basis van een vaste voet plus twee variabelen:
    a) het aantal EER-studenten dat op 1 oktober van de vorige peilperiode bij die universitaire bacheloropleiding staat ingeschreven, voor zover ze niet meer dan twee keer eerder ingeschreven hebben gestaan bij een bekostigde bachelor- of AD-opleiding in het Nederlandse hoger onderwijs, en voor zover ze voorheen nog geen bachelordiploma in het Nederlandse hoger onderwijs hebben behaald; en
    b) het aantal bachelordiploma’s dat in de vorige peilperiode is toegekend aan studenten.
    Daarenboven worden die werkzaamheden bekostigd door de ingeschreven student zelf, in de vorm van:
    c) het collegegeld dat per academisch verblijfsjaar verschuldigd is.