Edith Hooge en de deeltijdjuffen

OCW wil jaarlijks een Dag van het Onderwijsbestuur beleggen. Op de eerste Dag, gisteren, sprak Edith Hooge een essay uit dat ze op verzoek van het ministerie gemaakt had. Het dagblad Trouw (27/5/2014) heeft er de meest nieuwswaardige passage (blz. 29) uitgepikt. Om de kwaliteit van het basisonderwijs te verhogen moet het aantal deeltijd­werkers volgens Hooge worden teruggedrongen, aangezien zij het primaat in hun leven niet genoeg bij hun werk en carrière leggen, aangezien ze minder goed in hun vak zijn (onder meer op het gebied van differentiatievaardigheden) en aangezien ze binnen het schoolteam een te groot risico op fragmentatie en discontinuïteit van de onderwijs­inspanningen vormen.
Edith Hooge werkt bij een organisatieadviesbureau voor de publieke sector (BMC) en heeft sinds 2012 een nevenfunctie als bijzonder hoogleraar Onderwijsbestuur bij de Tilburgse universiteit. Is het tegenwoordig bij landelijke en lokale bestuurders inderdaad ‘bon ton’ om mensen op de werkvloer op die manier zwart te maken? Ze had haar bedoeling ook als volgt kunnen inkleden. ‘Laten we de voltijdse functie van leerkracht in het basisonderwijs aantrekkelijker maken, met goede arbeids­voorwaarden, carrière­mogelijkheden en niet te grote klassen. Dat komt de onderwijskwaliteit ten goede, en zodoende zullen er ook meer mannen voor het leraarsvak kiezen.’
Lees verder … (PDF)

3 reacties op “Edith Hooge en de deeltijdjuffen”

  1. Wes Holleman zegt:

    35 Procent van de leerkrachten in het basisonderwijs werkt minder dan vier dagen per week, bericht Romana Abels in het Trouw-artikel. Mogen we daaruit opmaken dat maximaal 17,5% van de voltijdse banen in de vorm van een duobaan wordt ingevuld? Is dat echt een zorgwekkend percentage waardoor de onderwijskwaliteit bedreigd wordt? Of is het probleem veeleer dat twee deeltijdbanen een grotere aanslag op het schoolbudget doen dan één voltijdse baan?

  2. Wes Holleman zegt:

    Casper Hulshof (Onderwijskunde.blogspot 28/5/2014) geeft een nadere referentie naar het Onderwijsverslag 2012-2013 van de Onderwijsinspectie: het gaat om een tabelletje op blz. 98, dat wordt toegelicht op blzz. 82-86. Maar daarmee is nog steeds niet gedocumenteerd op welke wijze onderzocht is of de geobserveerde leerkrachten over de onderscheiden vaardigheden (bv. differentiatievaardigheid) beschikken en waar de uitkomsten daarvan geboekstaafd zijn. Wordt er een verschil gemaakt tussen (a) X heeft getoond dat zij over Y beschikt, (b) X heeft getoond dat zij niet over Y beschikt en (c) X heeft niet getoond dat zij over Y beschikt, zodat de observator niet heeft kunnen vaststellen of zij over Y beschikt? Zie ook mijn eerdere blogbericht d.d. 18/4/2012 (plus reacties) over deze methodologische mistigheid van de Inspectie.
    UPDATE: Hulshof heeft zijn blogpost tevens gepubliceerd op de website van het Blogcollectief Onderzoek Onderwijs (31/5/2014). Ik heb daarop gereageerd.

  3. Wes Holleman zegt:

    Hester IJsseling (25/8/2012) zet vraagtekens bij de beweringen van Edith Hooge en van de Onderwijsinspectie. Ik heb daarop gereageerd.