Engels op de basisschool:
contra-expertise gewenst

Momenteel krijgen scholieren het vak Engels in groep 7 en 8 van de basisschool. De Onderwijsraad doet het voorstel reeds in groep 5 te starten en scholen zelfs de wette­lijke mogelijkheid te geven meteen al in de kleuterschool met een ‘onderdompelings­methode Engels’ van start te gaan. In dat laatste geval wordt 10 à 15% van de lessen in het Engels gegeven.
Dit gaat lijnrecht in tegen het huidige taalbeleid van OCW, dat de hoogste prioriteit geeft aan schriftelijke en mondelinge beheersing van de Nederlandse taal. De Haagse bestuurders en politici moeten niet klakkeloos de oren laten hangen naar modieuze onderwijskundige ideeën. Zij zouden een contra-expertise moeten laten verrichten door wetenschappers en praktijkmensen die met beide benen op de grond staan. De vol­gen­de hypothesen verdienen nadere toetsing:
Lees verder … (PDF)

Eén reactie op “Engels op de basisschool:
contra-expertise gewenst”

  1. Wes Holleman zegt:

    Annemarie Schaerlaekens, geïnterviewd door Ben Salemans (Taalschrift 15/10/2003): ‘Over de consequenties van tweetalig onderwijs is het heel moeilijk oordelen, omdat groepen leerlingen die de een of andere vorm van onderwijs gevolgd hebben haast nooit te vergelijken zijn. In elke vorm van onderwijs wordt het aantal leerlingen met een of andere vorm van leerstoornis (dyslexie, dyscalculie, schrijfstoornis, algemene leerstoornis) geschat tussen de tien en twintig procent. Daarnaast zijn er gehoorgestoorden, dysfatische en taalzwakke kinderen. Al deze kinderen hebben al zoveel moeite met het lezen en schrijven van hun eerste taal. En wat te denken van allochtone leerlingen in het onderwijs, die thuis vaak een heel andere taal spreken? Wanneer deze kinderen op school komen, moeten ze dan meteen geconfronteerd worden met bijvoorbeeld én Nederlands én Engels? Dat zal toch vaak de nodige problemen geven. Bovendien wijst recent OESO-onderzoek op Luxemburgse tweetalige scholen uit dat tweetalig onderwijs toch niet zo algemeen gunstig is voor de ontwikkeling van jongere kinderen als men dacht of hoopte. Maar ongetwijfeld is er ook een groot aantal kinderen – de meesten eigenlijk – voor wie tweetalig onderwijs wél haalbaar is. Het grondprobleem is dat een beslissing voor elk kind afzonderlijk er idealiter heel anders zou kunnen uitzien. Beleidsmakers komen zo voor de fundamentele vraag te staan of wij onze kinderen inderdaad nog wel samen wensen op te voeden en te scholen … Naast campagnes voor tweetalige scholen zijn er immers ook campagnes tegen eliteonderwijs.’
    De Vlaamse onderwijsminister Vandenbroucke is het eens met PS-voorzitter Di Rupo dat meertaligheid belangrijk is en daarom wil hij een tiental experimenten opzetten in Vlaamse secundaire scholen (Het Nieuwsblad 10/3/2007): ‘De bedoeling is om een beperkt gedeelte van bepaalde vakken in een andere taal te geven.’ Hij wil dat enkel in Vlaanderen organiseren omdat hij de ‘absolute garantie wil dat kinderen en leerlingen het Nederlands onder de knie hebben. De reden voor deze voorzichtige aanpak is dat ik bevreesd ben dat indien je taalzwakke kinderen onderdompelt in meerdere talen je zero-taligheid riskeert. Zeker in Brussel, de rand, Antwerpen en Gent, waar veel anderstaligen leven. Als je dit op een naïeve en ondoordachte manier aanpakt, riskeer je groot onrecht voor anderstalige gezinnen.’