Ethische grenzen van het verdienmodel (III)

Hoe komen universiteiten en hogescholen aan hun inkomsten en in hoeverre kunnen zij dat ethisch verantwoorden? Zo nam ik in een vorig blogbericht de collegegelden onder de loep. De instellingen kunnen inkomsten genereren door de studieduur te verlengen, want een extra inschrijvingsjaar levert collegegeld op. Het is dus niet in hun bedrijfsbelang studenten zo snel mogelijk door de opleiding heen te jagen. Evenmin is het aantrekkelijk ongeschikte studenten aan de poort heen te zenden. Bedrijfseconomisch is het interessanter iedereen toe te laten en de ongeschikten pas aan het eind van het eerste verblijfsjaar tot een omzwaaibeslissing te nopen, nadat ze twaalf maanden vruchteloos collegegeld hebben betaald.
Moeten we dit afdoen als een theoretische exercitie? Neen, onlangs rapporteerde het ministerie over De Prijs van Snelheid: hoeveel geld schieten de instellingen erbij in als ze studenten zo snel mogelijk, en liefst in de nominale cursusduur, naar het diploma zouden leiden? Kennelijk ligt daar een punt van onderhandeling in de meerjarenafspraken tussen ministerie en instellingen. De rijksoverheid wil dat studenten zo snel mogelijk hun diploma halen en voor de arbeidsmarkt beschikbaar komen, maar de universiteiten en hogescholen willen daaraan slechts meewerken als hun collegegeldinkomsten er niet onder lijden.
Om hun ter wille te zijn, werden in het afgelopen decennium de volgende maatregelen voorbereid en ingevoerd: a) geleide­lijke verhoging van het collegegeld; b) afbouw van het lage tarief voor deeltijdstudenten; c) verhoogd tarief voor bijzondere groe­pen (tweede studie, studenten van buiten de EU, de inmiddels al weer afgeschafte boete voor langstudeerders); d) ver­hoogd tarief voor bijzondere opleidingen en trajecten (intensieve kleinschalige opleidingen, en de voorgenomen excellentie­boete). Daarnaast kregen de instellingen alle ruimte om zelf hun inkomsten uit collegegeld op peil te houden, bij­voorbeeld door: e) een restrictief vrijstellingsbeleid (zodat omzwaaiers en verticale doorstromers geen vrijstellingen krijgen op grond van elders behaalde tentamens); f) zwaardere selectie in de propedeuse (scherpere BSA-criteria, zodat meer studenten moeten omzwaaien); g) een restrictief herkansingsbeleid (zodat zwakkere studenten de BSA-criteria niet halen en/of langer over hun studie doen).

Eén reactie op “Ethische grenzen van het verdienmodel (III)”

  1. Wes Holleman zegt:

    Slechts 68% van de voltijdse bachelorstudenten die zich niet alleen voor een eerste maar vervolgens ook voor een tweede verblijfsjaar bij een universiteit hadden ingeschreven (en die voordien niet in het hoger onderwijs waren ingeschreven), heeft in of binnen vier verblijfsjaren (al dan niet na omzwaaien) een bachelordiploma bij diezelfde universiteit behaald (DUB 11/5/2015). Dat betekent dus dat 32% méér dan één jaar studievertraging oploopt, dan wel de instelling alsnog zonder bachelordiploma verlaat. In dit percentage is niet de studievertraging begrepen die voltijdse bachelorstudenten oplopen als ze tijdens (of aan het eind van) hun eerste verblijfsjaar naar een andere wo- of hbo-instelling omzwaaien.