Gymnasiaal doelgroepenbeleid

Het christelijk gymnasium Sorghvliet in Den Haag voert een doelgroepenbeleid (Nova 28/9/2009). Tien ‘allochtonen wonend in achterstandswijken’ worden automatisch in de brugklas geplaatst en hoeven dus niet mee te loten voor de 155 beschikbare plaatsen. De VVD heeft daarover woedende kamervragen gesteld, die onlangs door OCW zijn beantwoord. Dergelijke positieve discriminatie van achterstandsgroepen is wettelijk toegestaan en wordt in het kader van de désegregatie door het ministerie toegejuicht.
De automatische toelating kan zich echter ook tot anderen uitstrekken. Zoals vele scholen geeft Sorghvliet gegadigden een voorkeursbehandeling als ze al een oudere broer of zus op school hebben. Dat valt op pedagogische gronden te billijken. Maar Sorghvliet pleegt ook positieve discriminatie jegens drie andere doelgroepen: (a) de broertjes en zusjes van oud-leerlingen; (b) de kinderen van oud-leerlingen; en (c) de kinderen van de docenten. Over dat soort nepotisme heeft de PvdA kamervragen gesteld. Staatssecretaris Van Bijsterveldt (CDA) geeft ten antwoord (16/10/2009), dat de school daarmee op een hellend vlak komt en dat gedupeerde ouders dit bij de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) zouden kunnen aankaarten. Ik vind dat een laffe dooddoener. Je kunt het een christelijke school niet kwalijk nemen dat zij in haar toelatingsbeleid op godsdienst discrimineert. Maar met deze drie criteria discrimineert de school bovendien op maatschappelijke afkomst (ouderlijk opleidings­niveau). En volgens de reglementen mag de CGB zich dáárover niet uitspreken. Als de staatssecretaris het gelijke-kansenbeleid echt serieus nam, had zij zich niet met zo’n Jantje van Leiden ervan mogen afmaken.

4 reacties op “Gymnasiaal doelgroepenbeleid”

  1. Wes Holleman zegt:

    Ik wil het toelatingsmechanisme nog iets verduidelijken. Sorghvliet afficheert zich als een open school. Van de (ouders van de) leerlingen wordt dus niet verlangd dat ze de protestants-christelijke identiteit van de school onderschrijven: ze moeten die identiteit slechts respecteren. De school wil evenwel het risico verkleinen dat christelijke aspirant-leerlingen bij de loting het onderspit delven. Daarom worden de doelgroepen (a), (b) en (c) bij voorrang geplaatst. Maar dit heeft tot gevolg dat kinderen waarvan de ouders (of oudere broers en zussen) geen vwo-opleiding hebben genoten, statistisch een geringere kans hebben om te worden ingeloot. Sorghvliet discrimineert aldus op maatschappelijke afkomst. De CGB kan dit toelatingsmechanisme (en met name c) misschien verwerpen wegens discriminatie op grond van godsdienst. Maar een verwerping wegens discriminatie op grond van maatschappelijke afkomst zit er niet in, aangezien dat criterium niet tot het CGB-lijstje behoort.

  2. Wes Holleman zegt:

    Is positieve discriminatie wettelijk toegestaan, vroeg de VVD in kamervragen. Het gaat over bevoordeling van allochtone studenten bij het verkrijgen van een studentassistentschap. OCW bevestigt dat het, onder strenge voorwaarden, is toegestaan (25/3/2010).

  3. Wes Holleman zegt:

    Het bedoelde doelgroepenbeleid wordt in het Engels legacy preferences genoemd, dus zoiets als een erfrechtelijk voorkeursbeleid bij de toelating. Zie Richard Kahlenberg in de Chronicle of Higher Education (24/9/2010).

  4. Wes Holleman zegt:

    De Amsterdamse gymnasia geven bij hun plaatsing niet langer voorrang aan broertjes en zusjes (Parool 31/5/2011).