Hoeveel leraren scoren onvoldoende?

Tien procent van de leerkrachten in het basisonderwijs legt de leerstof onvoldoende uit en moet dus nodig worden bijgeschoold. In het vmbo (exclusief vmbo-t) en havo is dat 7% en in het vwo 4%. Dat konden we deze week in hoofdstuk 9 van het Onderwijsverslag 2010/2011 van de Onderwijsinspectie lezen. De cijfers zijn totstandgekomen op basis van 3845 lesobservaties. Doorgaans werd per leraar één les geobserveerd.
Maar met die cijfers is iets geks aan de hand. In tabel 9.2a (basisonderwijs) is gerapporteerd dat 90% van de lessen als voldoende is beoordeeld, terwijl tabel 9.3a (vmbo en havo) bericht dat 93% van de lessen als voldoende is beoordeeld dan wel niet beoordeeld kon worden. Er wordt dus met twee maten gemeten: in het basisonderwijs hebben de lessen die niet op stofuitleg beoordeeld konden worden, ten onrechte de score ‘onvoldoende’ gekregen.
Er is nog méér mis met de conclusies van de Onderwijsinspectie. Hoofdstuk 9 doet uitspraken over het percentage incompetente leraren (leraarskwaliteit), maar de lesobservaties laten slechts conclusies toe over het percentage lessen van onvoldoende kwaliteit (leraarsgedrag). Over leraren die in de geobserveerde les door tijdgebrek niet aan adequate stofuitleg toe­kwamen, wordt ten onrechte geconcludeerd dat ze niet over de nodige competentie beschikken om de stof duidelijk uit te leggen. Volgens de Inspectie moeten ze per omgaande naar vak­inhoudelijke of vakdidactische bijscholingscursussen worden gestuurd, terwijl ze misschien alleen maar in hun lesplanning tekort zijn geschoten.
Lees verder … (PDF)

6 reacties op “Hoeveel leraren scoren onvoldoende?”

  1. Wes Holleman zegt:

    Hoofdstuk 9 vertoont nog twee ander manco’s. Neem bijvoorbeeld de volgende drie items: stemt de leraar de instructie / de verwerkingsopdrachten / de onderwijstijd af op verschillen in ontwikkeling tussen leerlingen?
    Ten eerste: hoe kun je dat in hemelsnaam waarnemen door middel van lesobservatie? Het is immers slechts ten dele een gedragskenmerk van individuele leraren, maar veeleer een schoolkenmerk: krijgen zeer langzame en zeer vlotte leerlingen extra faciliteiten buiten de les? De meetuitkomsten van de observator ontberen dus de nodige validiteit.
    Ten tweede: gesteld dat deze items in de helft van de 3845 lesobservaties onbeantwoord zijn gebleven, hoe wordt dat dan verantwoord in de inspectierapportage? Wat het basisonderwijs betreft, hebben we deze vraag al beantwoord: de missing data worden als Onvoldoende gescoord (de geobserveerde leerkracht heeft onvoldoende laten zien dat er gedifferentieerd wordt). Bij de leraren in het secundair onderwijs is de Inspectie anders te werk gegaan. De missing data worden buiten beschouwing gelaten en de gerapporteerde percentages hebben dus betrekking op een veel kleiner aantal leraren (in ons geval: n=50% van de oorspronkelijke steekproef). In de rapportage wordt de werkelijke ‘n’ niet verantwoord en evenmin wordt de vraag opgeworpen of deze kleinere steekproef nog representatief kan worden geacht voor de gehele populatie. De gerapporteerde meetuitkomsten zijn dus vermoedelijk zeer onbetrouwbaar.

  2. Wes Holleman zegt:

    Onderzoeker Hannes Minkema reageert verontwaardigd op een commentaar (20/4/2012) van de hoofdredactie van Trouw: ‘Als een wetenschapper zich zou verstouten tot conclusies als de Inspectie poneert, zou hij het zwaar te verduren krijgen en absoluut met de billen bloot moeten om te tonen hoe hij e.e.a. heeft onderzocht en geïnterpreteerd. (…) Het rapport is wetenschappelijk gezien een lachertje. Welke werkelijkheid daar achter zit weet niemand. (…) Laat de Inspectie serieus rapporteren!’

  3. Wes Holleman zegt:

    De webredactie van Onderwijs Brabant (20/4/2012) zet vraagtekens bij de kwaliteit van het inspectieonderzoek in het basis­onderwijs. Elk schoolbezoek duurt een dag en in dat kader worden door de inspecteur circa zes lesobservaties gedaan bij de vakken Nederlandse Taal en Rekenen/Wiskunde, gespreid over de groepen 2 t/m 8. Elke lesobservatie duurt tien minuten of langer. Deze gegevens zijn deels ontleend aan het verslag van een willekeurig schoolbezoek: A) er worden schooldocumenten en handelingsplan­nen bestudeerd; B) in een aantal groepen wordt de onderwijspraktijk geobserveerd door het bijwonen van lessen Nederlandse Taal en Rekenen/Wiskunde [deze lesbezoeken hebben plaatsgevonden in de groepen 1/2a, 3c, 4b, 5c, 6/7c en 7/8a]; C) er worden gesprekken met de directie, met de intern begeleider en met leraren gevoerd; en D) er vindt een afsluitend gesprek plaats met de directie, de intern begeleider en een vertegenwoordiger van het bevoegd gezag.

  4. Wes Holleman zegt:

    Christien van Gool (Docent VO 22/4/2012) roept haar lezers op hun ervaringen met die inspectorale lesobservaties in het kader van het Onderwijsverslag 2010/2011 te vertellen: hoe gaat zo’n lesobservatie in z’n werk? Ik heb op internet tevergeefs gezocht naar ervaringen. Het enige wat ik te weten ben gekomen is dat ze deel uitmaken van een eendaags schoolbezoek.

  5. Wes Holleman zegt:

    Op de BON-site (2/5/2012) geeft onderwijspsycholoog Willem Smit (wsmitharmelen) commentaar op het inspectierapport.

  6. Wes Holleman zegt:

    Het ministerie heeft de URL van het Onderwijsverslag 2010-2011 gewijzigd.