Is homoseksueel gedrag zondig? (III)

Rechtzinnige confessionele scholen handelen niet in strijd met hun wettelijke burgerschaps­opdracht als ze verkondigen dat homoseksueel gedrag zondig is, of haram (zoals de moslims in het Arabisch zeggen), of chata/awon/pesja/sjaga (zoals de joden in het Hebreeuws onderschei­den). Dat staat in het langverwachte rapport van de Onderwijsinspectie, dat verleden vrijdag (13/3/2020) gepubliceerd is. Maar deze kwalificatie (zondigheid) is volgens de Inspectie alleen acceptabel als tegelijkertijd de basiswaarden van de democratische rechtsstaat worden door­gegeven en voorgeleefd aan de betrokken leerlingen (p.22). Hun moet worden bijgebracht dat ze verdraagzaamheid moeten betrachten jegens mensen met een afwijkende seksuele geaard­heid, óók als die geaardheid in afwijkende seksuele gedragingen wordt omgezet. Verder moeten ze leren dat die mensen niet gediscrimineerd of uitgescholden mogen worden.
In haar rapport doet de Inspectie verslag van een onderzoek dat is opgezet naar aanleiding van een verzoek van minister Slob, toen bekend werd dat islamitische basisscholen een lesboek gebruiken waarin gesteld wordt dat homoseksueel gedrag in strijd is met Allah’s geboden (Onderwijsethiek 15/9/2019). De Onderwijsinspectie besloot toen het onderzoek te verbreden tot een ‘dispropor­tio­neel gestratificeerde steekproef’ uit alle Nederlandse po-, vo- en mbo-scholen (incl. het speciaal onderwijs). Op die manier werd voorkomen dat rechtzinnige confes­sio­nele scholen van andere denominaties buiten schot zouden blijven.
Zie ook de berichtgeving van Trouw (13/3/2020).

2 reacties op “Is homoseksueel gedrag zondig? (III)”

  1. Wes Holleman zegt:

    Misschien het niet toevallig dat het Inspectierapport pas op 13 maart gepubliceerd is. Op 12 maart heeft het Openbaar Ministerie namelijk bekendgemaakt dat het publiceren of ondertekenen van de Nederlandse vertaling van de homofobe Nashvilleverklaring naar zijn oordeel in het licht van het Nederlandse Wetboek van Strafrecht niet strafbaar is. Het OM zal dus niet tot vervolging overgaan.

  2. Wes Holleman zegt:

    Een blinde vlek in het Inspectierapport betreft de sociale acceptatie (versus sociale uitsluiting) van mensen met een afwijkende seksuele geaardheid (cf. Onderwijsethiek 13/10/2019). We betreden hiermee een gebied dat niet tot de waarden van de democratische rechtsstaat behoort. Het wordt immers tot de onaantastbare autonomie van burgers gerekend dat ze zelf mogen bepalen met wie ze nauwe relaties aanknopen en wie ze links laten liggen. En het behoort tot de autonomie van rechtzinnige confessionele scholen dat ze aspirant-leerlingen niet hoeven toe te laten als de grondslag van de school niet door de ouders onderschreven wordt. Maar het lijkt me dat de school haar pedagogische burgerschapsopdracht verzaakt: a) als zij niet tegengaat dat een leerling met een afwijkende seksuele geaardheid wordt buitengesloten door zijn of haar medeleerlingen; of b) als zij uit eigen beweging laat doorschemeren dat een leerling die tot zulk zondig gedrag geneigd is, door zijn of haar medeleerlingen moet worden bekeerd of buitengesloten; of c) als zij zich zelf aan sociale uitsluiting schuldig maakt door zo’n leerling van school te sturen vanwege zijn of haar afwijkende seksuele gedragingen. [De school kan echter repliceren dat sociale uitsluiting of detentie een maatschappelijk aanvaarde reactie is op deviant gedrag: dat mechanisme is inherent aan sociale controle binnen een groep of gemeenschap.]
    UPDATE: Ik neem mijn woorden terug. Op p.70 van het rapport wordt wel degelijk de mogelijkheid van uitsluiting aangestipt: ‘In uiterste consequentie kan dat betekenen dat wisseling van school voor de leerling de enig resterende oplossing is. In een stelsel dat zich kenmerkt door ruimte voor overdracht van waarden van deelgroepen in de samenleving (zoals op basis van godsdienstige en levensbeschouwelijke opvattingen) is het belang van een individuele leerling die daarvan afwijkt daaraan ondergeschikt, want in essentie niet met het uitgangspunt van dat systeem te verenigen.’ Maar in een nieuwsbericht van de Vereniging voor Gereformeerd Onderwijs (VGS 16/3/2020) zegt VGS-bestuurder Pieter Moens: “Leerlingen verwijderen doen onze [reformatorische] scholen doorgaans niet.” ‘Hij wijst erop dat scholen continu in gesprek moeten zijn en zo lang mogelijk moeten blijven met leerlingen:’ “Juist als meningen uiteen gaan lopen, is het belangrijk om elkaar in de dialoog daarover vast te houden.”