Keuzebegeleiding als topprioriteit?

De economen van het ROA (Universiteit Maastricht) houden regelmatig enquêtes onder gediplomeerden uit het secundair en tertiair onderwijs. Sinds 2007 wordt tevens onderzoek gedaan onder jongeren die hun opleiding zonder diploma hebben verlaten: waarom zijn ze gestopt en wat zijn ze vervolgens gaan doen? Het onderzoek wordt gefinancierd door de ministeries van Onderwijs, Landbouw en Sociale Zaken. De opdrachtgevers zijn vooral geïnteresseerd in de voortijdige schoolverlaters: hoe kunnen we bevorderen dat jongeren minimaal het diploma MBO-2, HAVO of VWO halen? Onlangs publiceerde het ROA de onderzoeksbevindingen. Verbetering van de keuzebegeleiding verdient de hoogste prioriteit, aldus de projectleider. Is dat een empirisch gefundeerde conclusie?
Lees verder … (PDF)

2 reacties op “Keuzebegeleiding als topprioriteit?”

  1. Wes Holleman zegt:

    Vorig jaar speelde in de hogeronderwijspolitiek een discussie over de intake van studenten, waarin (op kleinere schaal) eveneens de keuze tussen goedkope en dure oplossingen in het geding was. Het ISO bepleitte een intakeprocedure waarbij de ontvangende opleiding zich committeert aan de studiekeuze door samen met de aspirant-student eventuele deficiënties te identificeren en een plan te maken voor de opheffing ervan. Minister Plasterk nam het idee over, maar niet nadat hij het volledig had uitgekleed: hij vond het voldoende als de faculteit een intakegesprek belegt wanneer een aspirant-student daaraan behoefte meent te hebben. De voorgestelde studiekeuzebegeleiding werd dus door hem gereduceerd tot een vrijblijvend gesprekje waarin nadere studievoorlichting wordt geboden. Dat is natuurlijk beter dan niks, maar veel kan men daar niet van verwachten.

  2. Wes Holleman zegt:

    Op zijn weblog Onderwijs van Overmorgen (8/3/2009) toont Jef van den Hurk zich blij dat nu empirisch bevestigd is dat goede keuzebegeleiding (gericht op het voorkomen en herstellen van verkeerde loopbaankeuzes) in belangrijke mate kan bijdragen aan het terugdringen van de dropout. Binnen de onderwijsinstellingen is dat inzicht volgens hem al gemeengoed, en er wordt al volop beleid langs die lijn gevoerd: goede voorlichting, het creëeren van meer instroommomenten voor aspirant-studenten, ‘warme’ overdracht, zorgvuldige intake, een oriëntatieperiode, periodisering van het programma. Hij verwelkomt dat men dit beleid nu, dankzij het ROA-onderzoek, ‘evidence-based’ mag noemen.
    Volgens mij is dat teveel eer. Het enige wat men kan zeggen is dat de ROA-enquêtes geen gegevens aandragen waaruit men moet concluderen dat die beleidslijn onzinnig is. Van echte ‘evidence’ kan men pas spreken op basis van actieonderzoek naar de effectiviteit van concrete beleidsmaatregelen. Gewoonlijk gaat het dan om clusters van maatregelen (bijvoorbeeld gericht op het creëren van een doorlopende leerlijn van VMBO naar MBO-2) waarmee niet alleen de keuzebegeleiding wordt geoptimaliseerd maar ook andere knelpunten worden aangepakt. De ROA-aanbeveling ‘Geef de hoogste prioriteit aan verbetering van de keuzebegeleiding’ doet mij daarom nogal onevenwichtig aan.