Naar een examencode voor het hbo en mbo

Het ministerie heeft op 20 mei ingrijpende plannen ontvouwd om het vertrouwen in de kwaliteit van de hbo-examens te herstellen. In reactie op de uitkomsten van het inspectieonderzoek naar de examenaffaire rond de langstudeerders, worden de pro­cedures voor kwaliteitsbeheersing aangescherpt. Columnist Jan Ruigrok (25/5/2011) noemt dat een schoolvoorbeeld van een risico-regel reflex: politici hebben de onbedwingbare neiging om met een kanon (extra regelgeving en controle voor alle opleidingen) op een mug (een kwaliteitstekort bij enkele opleidingen) te schieten. De politicoloog Margo Trappenburg (NRC 15/5/2010) heeft uitgelegd hoe dat gaat: zodra een bepaald risico in de publiciteit komt, in de vorm van een incidenteel schandaal, beloven de daadkrachtige landsbestuurders onverwijld ‘dat ze nieuwe regels zullen laten opstellen, dat ze strenger gaan controleren en dat ze er alles aan zullen doen om herhaling van het incident te voorkomen.’ Ze nemen geen denkpauze om de eventuele nadelen en kosten van dergelijke beleidsintensivering onder ogen te zien. Ze bedenken niet hoe ze de betrokkenen tot betere zelfregulering kunnen brengen en hoe men ont­komt aan een spiraal naar steeds striktere overheidsregulering en bureaucratie.
Ik geloof inderdaad dat de plannen van het ministerie enigermate van een overijlde risico-regel reflex blijk geven, maar de metafoor van het kanon en de mug is daarop niet van toepassing. De examenaffaire van InHolland is méér dan een incident. De affaire is namelijk het symptoom van een fundamenteel probleem: er heerst ver­warring over de doelen van het beroepsonderwijs en over de functies van de exami­nering. Dat probleem wordt niet opgelost door aanscherping van de procedures voor kwaliteitsbeheersing. Wat het beroepsonderwijs nodig heeft is een denkpauze voor fundamentele herbezinning op de kwaliteitsmaatstaven die moeten worden aangelegd bij de tentaminering en examinering van studenten. De volgende zes vragen zullen daarbij vermoedelijk aan de orde komen.
Lees verder … (PDF)

Eén reactie op “Naar een examencode voor het hbo en mbo”

  1. Wes Holleman zegt:

    ‘Stoort het u dat alle kritiek zich richt op het hbo en niet ook op de universiteiten?’ Dat vroeg hoofdredacteur Arold Roestenburg aan de voorzitter van het College van Bestuur van de Avans Hogeschool (Punt Avans 23/5/2011). Inderdaad, antwoordt deze, ‘het is raar. Veel dingen gelden bij de universiteiten precies hetzelfde, zoals de accreditaties die eens in de zes jaar worden gedaan. Het is nu allemaal wel erg eenzijdig op het hbo gericht.’ Ik ben het niet met hem eens. Er is minder reden om de deugdelijkheid van de universitaire examens in twijfel te trekken, omdat het w.o. aan vijf ingebouwde, natuurlijke prikkels onderhevig is om een zo hoog mogelijk eindniveau te handhaven en dat met strenge tentamens en examens te bezegelen:
    (1) Het w.o. wordt achter de broek gezeten door het hbo; men tracht in zijn driejarige bacheloropleidingen (en zeker in zijn eenjarige masteropleidingen) een hoger eindniveau te bereiken dan de vierjarige bacheloropleidingen van het hbo.
    (2) De bacheloropleidingen van het w.o. worden achter de broek gezeten door de afnemers van hun gediplomeerden, d.w.z. door de eigen masteropleidingen en door de eigen onderzoeksinstituten.
    (3) Het w.o. wil, wat het eindniveau van zijn masteropleidingen betreft, niet achterblijven bij het eindniveau van de opleidingen aan buitenlandse research-universiteiten.
    (4) Verwerving en toepassing van theoretische kennis behoort tot de kernwaarden van de universiteiten, terwijl het hbo zich veel meer richt op de beroepspraktijk en op de behoeften van de arbeidsmarkt.
    (5) Aan het w.o. is als maatschappelijke missie opgelegd dat men aanbodgestuurd werkt. Men is gevrijwaard van maatschappelijke druk tot externe democratisering en vraaggestuurd werken. Van het hbo wordt daarentegen verwacht dat men zijn deuren wijd open stelt voor mbo-abituriënten en dat men hen naar de eindstreep leidt. Anders dan het hbo stond het w.o. in de afgelopen decennia niet bloot aan de perverse prikkel van bekostiging op basis van het aantal verstrekte diploma’s.