Normering van de studievoortgang (II)

Wat vindt u van het plan van de Erasmus Universiteit (EUR) dat eerstejaarsstudenten worden heengezonden als ze in hun eerste studiejaar niet alle zestig studiepunten hebben gehaald? Dat vroeg kamerlid Jasper van Dijk (SP) aan de staats­secretaris. Een prima plan, antwoordt Halbe Zijlstra (31/5/2011), mits ze voldoende gelegenheid krijgen om tentamens te herkansen. Kennelijk heeft de staatssecretaris inmiddels alle ervaren OCW-juristen wegbezuinigd. Want anders zouden zij hem er wel op hebben gewezen dat de EUR tevens aan drie wettelijke voorwaarden moet blijven voldoen:
(a) Studenten die door persoonlijke omstandigheden vertraagd zijn geraakt, mogen niet zomaar met een Bindend Studieadvies (BSA) worden heengezonden, en voor deelnemers aan deeltijdopleidingen moeten eveneens aangepaste deadlines worden gesteld (WHW art. 7.8b).
(b) De EUR heeft zich te houden aan de wettelijke studielast van het eerstejaars­programma. Dat is 1680 uur (60 x 28 uur) voor de gemiddelde student. Als men daarmee zou sjoemelen, doet men afbreuk aan het wettelijk beoogde niveau van het bachelordiploma.
(c) In het derde lid van artikel 7.8b wordt gesteld dat het BSA bedoeld is voor de student die ‘niet geschikt moet worden geacht voor de opleiding’, waarbij als impliciete veronderstelling geldt dat het BSA op zodanig tijdstip wordt uitgebracht dat afgewezen studenten nog per 1 september kunnen omzwaaien naar een andere studie. Het EUR-plan betekent in de praktijk dat eerstejaarsstudenten hun laatste herkansing uiterlijk begin juli moeten afleggen en dat ze per saldo dus minder dan tien maanden de tijd hebben om hun zestig studiepunten te verwerven. Gezien de wettelijke eis ad (b) dreigt dus een aanzienlijk percentage van de geschikte EUR-studenten ten onrechte door een BSA te worden getroffen.
Lees verder … (PDF)

Eén reactie op “Normering van de studievoortgang (II)”

  1. Wes Holleman zegt:

    Jasper van Dijk vroeg tevens: ‘Wat wordt ondernomen indien de opleiding zelf tekortschiet om [studenten in staat te stellen] alle studiepunten binnen één jaar te halen, bijvoorbeeld omdat een docent ziek is?’ De staatssecretaris antwoordde dat ‘de opleidingen die tekort schieten de verantwoordelijkheid hebben om voor oplossingen te zorgen.’ Ook op dit punt hadden de OCW-juristen wel wat hoger van de toren mogen blazen. Ik heb drie wettelijke randvoor­waarden genoemd, maar ten aanzien van overmachtssituaties stelt de WHW (7.8b lid 3) nog een vierde rand­voorwaarde:
    (d) Studenten mogen niet met een BSA worden heengezonden indien ‘in de propedeutische fase van de desbetreffende opleiding [niet is gezorgd] voor zodanige voorzieningen dat de mogelijkheden voor goede studievoortgang zijn gewaarborgd.’ Dus: EUR-studenten kunnen de rechtmatigheid van het BSA met succes aanvechten als zij aannemelijk maken dat het eerstejaarsprogramma voor de gemiddelde student niet studeerbaar is.
    Ook informeerde Van Dijk naar het EUR-voornemen om compensatorisch te toetsen. In de WHW (7.12b lid 3) staat dat de examencommissie regels vaststelt over de uitvoering van zijn taken en bevoegdheden en over de maatregelen die zij in dat verband kan nemen. In dat verband verklaart de wetgever haar tevens bevoegd in afwijking van artikel 7.10 ‘onder door haar te stellen voorwaarden [te] bepalen dat niet ieder tentamen met goed gevolg afgelegd hoeft te zijn om vast te stellen dat het examen met goed gevolg is afgelegd.’ Als wettelijke randvoorwaarde geldt dus:
    (e) Bij de vaststelling van de door de EUR voorgenomen compensatieregeling heeft de examencommissie het laatste woord.
    UPDATE: In een reactie op een artikel in DUB (1/6/2011) heb ik dit punt als volgt uitgewerkt. ‘Als ik het goed begrijp, wil de Erasmus Universiteit haar compensatieregeling baseren op artikel 7.12b lid 3 van de WHW. Dat betekent dat de bevoegdheid tot het instellen van een compensatieregeling niet bij bestuursorganen van faculteiten of instellingen berust, maar bij de examencommissie van de opleiding. Zij bepaalt of (en onder welke voorwaarden!) studenten voor hun examen kunnen slagen terwijl ze niet alle tentamens met goed gevolg hebben afgelegd. Zij kan dus ook bepalen dat onvoldoende cijfers behaald bij door haar aangewezen vakken niet voor compensatie in aanmerking komen. Of wil de EUR soms een bizarre truc uithalen: degradatie van alle tentamens tot deeltentamens van 60-punts vakken?’