Prijsverhogingen in het hoger onderwijs (II)

In mijn vorige blogbericht (16/5/2021) plaatste ik tentatieve kanttekeningen bij de ministeriële concept-regeling Andere bijdragen van studenten die op 11 mei in het kader van een internet­consultatie gepubliceerd werd. Inmiddels heb ik nog eens twee weken op deze concept-regeling gestudeerd en nu heb ik een doordachte reactie naar de Haagse website gestuurd. Die reactie tref je HIER aan. Naar mijn stellige indruk is de concept-regeling een juridische gaten­kaas die tot ongebreidelde prijsverhogingen voor studenten zal leiden.

6 reacties op “Prijsverhogingen in het hoger onderwijs (II)”

  1. Wes Holleman zegt:

    Errata met betrekking tot mijn Haagse stuk:
    1. De zinsnede “waaronder worden begrepen de kosten die rechtstreeks verband houden met het uitvoeren van selectieprocedures” (tweede kolom van pagina 4) stond nog niet met zoveel woorden in de Wet Kwaliteit in Verscheidenheid (dossier 33519, 2013), maar is pas ingevoegd via een Nota van Wijziging in het wetsvoorstel Bevordering Internationalisering (dossier 34355, 2017). Het doel ervan was te garanderen dat er geen wildgroei zou ontstaan in de eigen bijdragen m.b.t. selectieprocedures.
    2. Ad paragraaf II (op pagina 1): Lees in redelijkheid in plaats van in redelijk.

  2. Wes Holleman zegt:

    Maar je kan het ook van een andere kant bekijken. Ik speculeer: misschien is deze ministeriële regeling domweg bedoeld om prijsverhogingen op brede schaal mogelijk te maken. In het Parlement is er immers, als ik het goed begrijp, brede steun voor de herinvoering van de basisbeurs in enigerlei vorm, maar dat moet uiteraard budgettair neutraal gebeuren. Verhoging van het college­geld zou grote weerstanden oproepen, dus het enige wat er op zit is de vermarkting van de aangeboden studie­onderdelen/ onderwijs­eenheden (en vervolgens van de excellente studietracés). Dat zou eveneens grote weerstanden oproepen, maar ik speculeer voort: OCW heeft samen met VSNU, VH, ISO en LSVb een list verzonnen. Met de Variawet en de huidige ministeriële regeling wordt een juridische infrastructuur opgetuigd die het de instellingen mogelijk maakt om aantrekkelijke studie­onderdelen/ onderwijs­eenheden te beprijzen. Daaraan kan men echter pas ruchtbaarheid geven bij gelegenheid van de Regeringsverklaring waarin de herinvoering van de basisbeurs wordt aangekondigd. Tit for tat.
    Dit zijn slechts speculaties. Maar een feit is dat de opstellers van de concept-regeling (al dan niet in samenspraak met lobbyisten) een juridische gatenkaas hebben afgeleverd. Er kan nu nog iets aan gedaan worden om de regeling te fatsoeneren en transparant te maken. Anders zullen de studenten, de instellingsbestuurders, de Onderwijsinspectie, de rechterlijke macht en de Haagse ambtenaren en politici daar nog jarenlang hoofdpijn van hebben.
    UPDATE: OCW vreest onmogelijke politieke wensen bij het afschaffen van het leenstelsel (ScienceGuide 16/8/2021).

  3. Wes Holleman zegt:

    Tot 8 juni (overmorgen dus) kunnen er, in het kader van de internetconsultatie, reacties worden ingediend. Tot nu toe staan er zeven reacties op de website. Ik ben eigenlijk best somber over de vraag of OCW iets zal doen met die reacties. Onderaan de webpagina van de internetconsultatie wordt immers verteld dat het concept is voorgekookt in samenspraak met de instellingen (VSNU en VH) en met de studentenvakbonden (ISO en LSVb). Ik heb vandaag een persbericht gemaakt om één of twee media wakker te schudden.
    UPDATE: Het persbericht heeft succes gehad. ScienceGuide heeft vandaag, 7 juni, een artikel gepubliceerd. [Alleen in de 5e regel van onder is er iets mis gegaan. Volgens de UU zou men als alternatief voor een beprijsd keuzevak de vrije keuze uit de onbeprijsde keuzevakken mogen aanbieden, en als alternatief voor een beprijsde honourscursus de corresponderende (uitgeklede) versie uit het reguliere programma.]

  4. Wes Holleman zegt:

    Waarom vervult die concept-regeling mij met verontwaardiging en argwaan? Omdat de opstellers categorisch weigeren de door hen gebruikte termen te definiëren. En dat geldt in de eerste plaats voor de verzameling van onderwijsvoorzieningen die volgens hen beprijsd mag worden. Zij beperken zich tot het geven van een paar voorbeelden (de excursie naar Egypte, het voedingspracticum, de praktijkgerichte workshops van de hogere hotelschool). Dat is een krakkemikkige ostensive definition (https://www.larryfike.net/definition-types). Is dat luiheid of zijn ze welbewust erop uit op brede schaal eigen bijdragen in te voeren voor studenten in het hoger onderwijs?

  5. Wes Holleman zegt:

    De definitieve versie van de Ministeriële Regeling “Andere bijdragen van studenten in het hoger onderwijs” is op 1 juli in de Staatscourant gepubliceerd. Een korte terug- en vooruitblik:
    22 sept. 2020 tot 6 april 2021: parlementaire behandeling Variawet Hoger Onderwijs (incl. wijziging art. 7.50 WHW)
    10 mei of eerder: niet-openbare consultatie van VSNU, VH, ISO en LSVb aangaande de Regeling
    11 mei t/m 8 juni 2021: openbare internetconsultatie
    16 mei: mijn tentatieve commentaar
    2 juni: mijn bijdrage aan de internetconsultatie; alle bijdragen
    7 juni (a): de Variawet wordt in het Staatsblad gepubliceerd
    7 juni (b): ScienceGuide (SG) schrijft n.a.v. de internetconsultatie: Vrees voor stortvloed aan eigen bijdragen van studenten
    9 juni of later: OCW-verslag van de internetconsultatie
    11 juni: Kamervragen SP n.a.v. het SG-artikel
    17 juni: mijn open brief aan de minister
    1 juli: de Regeling wordt in de Staatscourant gepubliceerd
    8 juli: de minister beantwoordt de SP-Kamervragen n.a.v. het SG-artikel
    31 augustus of eerder: het instellingsbestuur publiceert zijn lokale “Reglement eigen bijdragen studenten” (ex artikel 7.50 lid 4 van de Variawet)
    1 september: de Variawet (artikel 7.50) en de Ministeriële Regeling treden in werking.

  6. Wes Holleman zegt:

    In haar antwoord d.d. 8 juli op de Kamervragen van de SP (zie boven) doet de minister een aantal opmerkelijke uitspraken:
    Ad vraag 2: Instellingen kunnen enkel een bijdrage bij de student in rekening brengen indien de kosten voor deze onderwijs­voorzieningen voortvloeien uit de bijzondere aard van de opleiding en niet vervangbaar zijn met een kosteloos alternatief. Ik dacht nou juist dat bij de student in principe geen kosten in rekening kunnen worden gebracht tenzij er een vervangend kosteloos alternatief wordt aangeboden.
    Ad vraag 6: (…) voor honours-trajecten geldt dat een eigen bijdrage gevraagd kan worden voor bepaalde onderwijsvoorzieningen mits er kosteloze alternatieven worden aangeboden binnen de opleiding. Wat staat hier nou? Acht de minister de beprijzing van onderwijsvoorzieningen in een honourstraject aanvaardbaar indien men het reguliere (niet-honours) programma als kosteloos alternatief opvoert? Is dat verenigbaar met een gelijkekansenbeleid?
    Ad vraag 6: Indien een universiteit een eigen bijdrage vraagt voor deelname aan sommige interdisciplinaire honoursprogramma’s die niet gekoppeld zijn aan een opleiding, dan handelt zij niet in strijd met de strekking van de Regeling, mits er financi¨le ondersteuning wordt geboden aan studenten voor wie de eigen bijdrage hun draagkracht te boven gaat. Ik dacht dat er geen eigen bijdrage mag worden geheven tenzij de kosten voortvloeien uit de bijzondere aard van de opleiding. Waar de koppeling met een opleiding ontbreekt, mag geen eigen bijdrage worden geheven. zelfs niet als er een kosteloos alternatief zou worden geboden.