Recht op een tweede leven (III)

Studenten gaan morgen (dinsdag 8 maart) demonstreren tegen de invoering van avondcolleges en -tentamens in het hoger onderwijs. De directe aanleiding wordt gevormd door de besprekingen die de Nederlandse Spoorwegen met de onderwijs­instellingen voert om op korte termijn de spits te ontlasten en zodoende een tijdelijk tekort aan materieel op te vangen. Maar de minister van Onderwijs (17/12/2015) heeft ook een doel voor de langere termijn: zij wil bezuinigen op het geld dat zij jaarlijks aan de OV-bedrijven moet betalen voor het gratis studenten­reisproduct. Haar doel is dat de universiteiten, hogescholen en mbo-instellingen hun onderwijs en tentamens zodanig programmeren dat de vervoersbedrijven tijdens de ochtend- en avondspits met minder materieel en personeel toekunnen. Volgens de minister is verlenging van de bedrijfstijd ook in het belang van de instellingen, aangezien de beschikbare onderwijs- en tentamenzalen zodoende intensiever gebruikt kunnen worden.
Het gaat dus om kostenbeheersing ten behoeve van de OV-bedrijven, de onderwijsinstellingen en het ministerie. Maar er wordt niet gesproken over de beheersing van de studiebelasting van studenten: worden ze in staat gesteld hun studiedag en -week doelmatig in te richten? En wordt er voldoende rekening gehouden met de belangen van werkstudenten? En met de belangen van thuiswonende studenten die hun dagelijkse warme maaltijd in gezins­verband plegen te nuttigen? En wat zijn de gevolgen voor de sport­beoefening en de deelname aan culturele activiteiten? Of meer in het algemeen: wordt er niet teveel inbreuk gemaakt op het recht van studenten op een tweede leven náást hun reguliere studietaken (en op het recht van docenten op een tweede leven naast hun reguliere werktaken)?
Zie ook: Recht op een tweede leven (18/1/2010)

Eén reactie op “Recht op een tweede leven (III)”

  1. Wes Holleman zegt:

    Voor een goed begrip van de studentenprotesten zijn de volgende vragen van belang:
    a) waar woont de student: op kamers (c.q. in eigen woning) op fietsafstand van de onderwijsinstelling? bij de ouders thuis op fietsafstand van de onderwijsinstelling? op grotere afstand van de onderwijsinstelling (student forenst)?
    b) waar wonen de ouders van de student: op fietsafstand van de onderwijsinstelling? op grotere afstand van de onderwijsinstelling?
    c) maakt de student gebruik van een (gratis) studentenreisproduct?
    d) voor welk (gratis) studentenreisproduct heeft de student gekozen: door-de-weeks gratis en in het weekend met korting? in het weekend gratis en door-de-weeks met korting?
    e) hoeveel onderwijscontact-uren heeft de student per week (12? 16? 20? 24?), hoeveel dagdelen nemen deze wekelijks in beslag, hoeveel onbezette dagdelen (ochtenden, middagen, avonden van maandag t/m vrijdag) blijven er dus over, en hoeveel improductieve tussen-uren zitten er in het weekrooster?
    f) hoeveel tentamens legt de student jaarlijks af?
    g) hoe stabiel zijn de weekroosters: veel incidentele of tussentijdse roosterwijzigingen in het studiejaar? hoe lang tevoren zijn de tentamendata en -uren bekend? Oftewel: in hoeverre is de planning van het eerste leven ongewis en in hoeverre is het tweede leven dus planbaar?