Tariq Ramadan: academische vrijheid (III)

Tariq Ramadan was sinds 2007 voor 0,2 fte werkzaam bij de Erasmusuniversiteit. Als ik het goed begrijp was hij bijzonder hoogleraar. Hij behoorde in dat geval niet tot het personeelsbestand van de universiteit. Bijzondere hoogleraren worden immers benoemd door een externe partij, bijvoorbeeld door een stichting of bedrijf. Maar de wet schrijft voor dat binnen de universiteit de academische vrijheid in acht wordt genomen. Dat behelst niet alleen het recht om de wetenschappelijke taken naar eigen goeddunken in te richten, maar ook de plicht om daarbij de eigen onafhankelijkheid te bewaren. Deze tweeledige academische vrijheid geldt ook voor bijzondere hoog­leraren. Universiteiten moeten daarom drie keer nadenken voordat ze een externe partij toestemming geven een bijzondere leerstoel te vestigen: elke schijn moet worden vermeden dat de integere wetenschapsbeoefening door buitenwetenschap­pe­lijke belangen ondermijnd wordt.
Een belangrijk aspect van de academische vrijheid is dat wetenschapsbeoefenaars beschermd worden tegen pogingen van overheidsinstanties hen in hun zoektocht naar Waarheid te beïnvloeden. Van oudsher geldt de scheiding tussen Wetenschap en Staat als een hoeksteen van de academische vrijheid. Het ligt daarom niet voor de hand dat universiteiten een overheidsinstantie toestemming zouden geven een bijzondere leerstoel te vestigen. Daarmee zou immers de schijn worden gewekt dat de wetenschap zich voor het karretje van overheidsbelangen zou laten spannen. Indien de Erasmusuniversiteit anno 2006 aan de Gemeente Rotterdam toestemming heeft verleend de bijzondere leerstoel Identiteit & Burgerschap te vestigen, heeft zij een hoeksteen van de academische vrijheid (de scheiding tussen Wetenschap en Staat) geweld aangedaan. Dat zou verklaren waarom zij zich de afgelopen weken in allerlei vreemde bochten wringt.

Eén reactie op “Tariq Ramadan: academische vrijheid (III)”

  1. Wes Holleman zegt:

    In NRC-Handelsblad (1/9/2009) pleit de hoogleraar Louise O. Fresco ervoor dat de VSNU een gedragscode op­stelt voor het vestigen van bijzondere leerstoelen en voor de benoemingsprocedure van bijzonder hoogleraren.