Wageningen maakt sponsors openbaar

De Universiteit Wageningen heeft een lijst gepubliceerd met de financiers van al haar bijzondere leerstoelen. Bovendien gaat zij bekijken of een openbaar Register Nevenfuncties van al haar hoogleraren haalbaar is (Resource 17/4/2008). Zo’n register kan bijdragen aan de handhaving van de professionele integriteit van onderzoekers en docenten. Het Hoger Onderwijs Persbureau (Ublad 17/4/2008a) bericht dat alle hoogleraren binnenkort het verzoek zullen krijgen hun bijbanen op basis van vrijwilligheid op de Wageningse website te zetten.
Binnen alle universiteiten wordt momenteel druk overlegd over de wenselijkheid van een openbaar Register Nevenfuncties (Ublad 17/4/2008b). De Universiteit van Amsterdam heeft daartoe reeds in 2006 het initiatief genomen. Het gaat de UvA om de nevenwerkzaamheden van iedere medewerker, althans voorzover deze niet zonder meer gerechtvaardigd kunnen worden door het dienstverband van de betrokkene. Het openbaar register omvat dus extern nevenwerk waarvoor uitdrukkelijke toestemming van de dienstleiding vereist is. Als de betrokkene zich tegen publicatie van zijn neven­werk verzet, wordt het niet in het openbaar register opgenomen. Maar eventueel kan dat voor de dienstleiding reden zijn dat nevenwerk niet toe te staan. Al met al heeft het Amsterdamse register een beperkte reikwijdte. En een andere vraag is waar en door wie het openbaar register geraadpleegd kan worden. Op deze zoekvraag geeft www.uva.nl geen antwoord.

Eén reactie op “Wageningen maakt sponsors openbaar”

  1. Wes Holleman zegt:

    Heeft de Universiteit Wageningen een lijst gepubliceerd met de financiers van al haar bijzondere leerstoelen? Ja, ik heb die lijst zelf gezien. Maar worden alle financiers genoemd? Nee, vermoedelijk niet. De VU-hoogleraar Filantropie, Theo Schuyt, doet een boekje open over sponsoring van bijzonder hoogleraren (NRC-Handelsblad 14/4/2008): ‘(…) de eerste jaren werd ik betaald door de Vereniging van Fondsenwervende Instellingen en door de Vereniging Fondsen in Nederland. Hun geld ging naar het [Vrije] Universiteitsfonds en de curatoren daarvan betaalden mij. Er waren geen rechtstreekse banden – en zo is het meestal.’