Wat is diversiteit en inclusie?

Het Ministerie van OCW heeft een Nationaal Actieplan voor meer diversiteit en inclusie in het hoger onderwijs en onderzoek uitgebracht (1/9/2020). Het plan is vooralsnog gericht op de universiteiten, maar het ligt in de bedoeling ook het hbo en mbo erbij te betrekken. Het kost echter enige moeite om te achterhalen waar het Actieplan nou eigenlijk over gaat en wat de achterliggende bedoelingen zijn.
Het Actieplan is gericht op inclusie. Inclusie heeft betrekking op de sociale verhoudingen of het sociale klimaat binnen een organi­satie. Onder inclusie verstaan de auteurs het creëren van ‘een veilige leeromgeving [voor zittende studenten en stagiairs] en een veilige werkomgeving [voor zittende docenten, onderzoekers, ondersteunend personeel, etc.], waarin iedereen zich thuis voelt en zich kan ontplooien’; een organisatie waarin ‘iedereen volledig en op gelijke voet aan de organisatie en besluitvorming (kan) deelnemen’ en waarin iedereen, dus allerlei verschil­lende ‘mensen vanuit verschil­lende achtergronden en met onderscheidende perspectieven’, hun eigen bijdrage ‘willen én kunnen’ leveren (p.7).
Maar wat wordt bedoeld met iedereen? Op p.8-9 wordt gesproken over: inclusie met een open blik voor ver­schillen in geslacht, gender en seksuele voorkeur; met een open blik voor verschil­len in ras en migratieachtergrond (herkomst, huidskleur, etniciteit, nationaliteit, culturele ach­tergrond); en met een open blik voor mensen met een functiebeperking, handicap, chronische ziekte, psychische problematiek. Verder wordt bij wijze van voorbeeld gesproken van andere achtergrondkenmerken: religieuze of andere overtuigingen; klasse, talent/begaafdheid, oplei­ding, ervaring, werkstijl. Maar deze lijst kan vermoedelijk worden uitgebreid met vele andere achtergrondkenmerken (zoals woonplaats, vluchteling/asielzoeker, taalbeheersing, leef­tijd, burgerlijke staat en ouder­schap, fulltimer/parttimer, sociaaleconomische status (inkomen, vermogen, werkkring, baanzekerheid), leefstijl, politieke opvat­tingen). Met iedereen wordt dus bedoeld dat niemand binnen de organisatie het slachtoffer wordt van grensoverschrijdend of niet-integer gedrag en dat niemand zomaar wordt gediscrimineerd of buitengesloten.
In de tweede plaats is het Actieplan gericht op diversiteit. Diversiteit heeft betrekking op de sociale samenstelling van het perso­neels- en studentenbestand van de organisatie. Is de orga­nisatie (of een onderdeel daarvan) toegankelijk voor iedereen die tot die organisatie (of dat onder­deel) wil toetreden? Worden sommigen bij de poort geweigerd? Of voelen sommigen zich geremd om toelating te zoeken? Of worden sommigen na toelating alsnog weggeselecteerd? Of besluiten sommigen na verloop van tijd uit eigen beweging voortijdig te vertrekken?
Lees verder … (PDF)

3 reacties op “Wat is diversiteit en inclusie?”

  1. Wes Holleman zegt:

    De opstellers van het Actieplan zouden, wat mij betreft, veel vaagheid hebben weggenomen als ze een paragraaf hadden gewijd aan de overeenkomsten en verschillen van het Actieplan ten opzichte van het project Diversiteit in Bedrijf van de Stichting van de Arbeid (het landelijke overlegorgaan van de centrale organisaties van werkgevers en werknemers). Sinds 2015 kunnen bedrijven en publieke organisaties zich in het kader van dit project aanmelden voor deelname aan een Charter, waarbij ze zich op één of meer van de volgende vijf ‘dimensies’ (achtergrondkenmerken) vastleggen: gender; culturele, etnische en religieuze diversiteit; leeftijd; LHBTI; en arbeidsvermogen. In 2018 bracht het onderzoeksbureau Regioplan een evaluatierapport over het project uit.

  2. Wes Holleman zegt:

    Dit voorjaar heeft het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO) aan dr. Jeroen Jansen (Sociale Wetenschappen Universiteit Utrecht) een Comeniusbeurs toegekend voor een Utrechts innovatieproject op het gebied van inclusie: Ondersteuning van eerste-generatiestudenten voor de start van hun opleiding. Dat is een doelgroep die buiten de vijf dimensies van de Stichting van de Arbeid valt. Zie ook eerdere UU-berichten over deze doelgroep (DUB 1/5/2013, 23/8/2019).

  3. Wes Holleman zegt:

    Waarom hebben sommige bedrijfstakken behoefte aan een afwijkend beleidskader op het gebied van inclusie, in vergelijking tot de gemiddelde bedrijfstak in de Nederlandse samenleving? Ik denk aan de bedrijfstak ‘Hoger onderwijs en wetenschappelijk onder­zoek’, maar je zou ook kunnen denken aan de bedrijfstakken Journalistiek, of Beoefening der schone kunsten, of ook Politiek (in de democratische rechtsstaat). Dergelijke bedrijfstakken kunnen slechts floreren als er (binnen de grenzen van de wet) maximale vrijheid van meningsvorming, vrijheid van meningsuiting en vrijwaring van censuur gegarandeerd is. Maar het probleem is dat men soms geneigd is, in het kader van een beleid gericht op inclusie van achtergestelde groepen, niet alleen de grenzen van de wet maar ook strengere grenzen in te voeren om die groepen te beschermen. Men wil een dam opwerpen tegen: tegen moreel-verwerpelijke of kwetsende uitlatingen; moreel-verwerpelijke boeken of publicaties; moreel-verwerpelijke onderzoeksprojecten of onderwijsthema’s; colleges, voordrachten of manifestaties die ‘in strijd zijn met de fundamentele waarden van onze democratische rechtsstaat’. Het inclusiebeleid kan dus botsen met de bestaansvoorwaarden van de desbetreffende bedrijfstak. In dat verband heeft emeritus hoogleraar Meindert Fennema een kritisch artikel (7/7/2020) geschreven over het functioneren van universitaire diversity officers. Volgens hem is de academische vrijheid in gevaar. In het Canadese blad University Affairs (21/8/2020) wordt ge­constateerd dat men zelfs bepaalde woorden (zoals het N-woord) taboe wil verklaren en dat de universiteit daardoor belemmerd wordt in het vervullen van haar fundamentele taken. Maar in ScienceGuide (21/7/2020) wordt uitgelegd dat diversity officers bewust­wording willen kweken over de toon waarmee opvattingen gecommuniceerd worden en dat de inhoud van het academisch debat daarmee niet wordt aangetast. In de Verenigde Staten wordt echter betoogd dat universitaire Speech Codes met een civility clause (fatsoensclausule) wel degelijk tot effect kunnen hebben dat mensen met onwelgevallige opvattingen belemmerd worden in hun vrijheid van meningsuiting.