Recht op privacy (II): ouders hebben drie petten op

Wes Holleman | 20-02-2018 | 2 Reacties » | permalink

Mijn vorige blogbericht (18/2/2018) ging over het pleidooi van Paul van Meenen (D66) dat scholen minder scheutig moeten zijn met het doorsluizen van leerlinggegevens naar de ouders: scholen moeten de privacy van leerlingen respecteren. Inmiddels hebben de Autoriteit Persoonsgegevens en de ICT-jurist Arnoud Engelfriet laten weten dat leerlingen onder de zestien jaar volgens hen geen recht op privacy hebben ten opzichte van hun ouders. Ik denk (of in elk geval: ik hoop) dat hun bewering op een denkfout berust. Ouders opereren namelijk in drie verschillende hoedanigheden.
1. Ze fungeren als wettelijk vertegenwoordiger van hun kind. Zij hebben dus tot taak de belangen van hun kind tegenover derden te behartigen. Zo kunnen ze de school namens het kind aanspreken als zij onzorgvuldig omspringt met de persoonsgegevens van hun kind of als zij persoonsgegevens zonder hun toestemming naar derden doorsluist. In dat verband hebben zij bijvoorbeeld ook het recht om het leerlingdossier in te zien en om onjuiste gegevens te doen corrigeren. Ook kunnen ze de school aanspreken als zij andere belangen van hun kind schendt (bijvoorbeeld bij onprofessionele beoordeling van leerprestaties of bij onterechte c.q. disproportionele strafoplegging). Namens het kind wordt de school door de ouders ter verantwoording geroepen en zij moet in dat kader ook de nodige gegevens overleggen.
2. Verder bestaat er een soort contract tussen de ouders en de school. Zij hebben hun kind bij deze school ingeschreven in het vertrouwen dat zij goed voor hun kind zal zorgen en dat zij alles eruit haalt wat erin zit. Als contractpartij mogen ze van de school verlangen dat zij periodieke rapportages ontvangen hoe het op school met hun kind gaat.
3. In het algemeen is het ouderlijke inzagerecht en hun recht om hun kind in rechte te vertegenwoordigen (zie 1) nauwelijks controversieel, evenmin als hun recht om als contractpartij periodieke rapportages te ontvangen (zie 2). Maar Paul van Meenen wijst op praktijken die wezenlijk inbreuk maken op de privacy van de leerling: dat de school bij zijn of haar ouders informeert of ze naar eigen believen toegang willen krijgen tot het digitale leerlingvolgsysteem. Daarmee kunnen ze dus in hun rol van opvoeder dagelijks kennis nemen van privacygevoelige leerlinggegevens van hun kind. Kennelijk vergeet de school dat hierbij belangenverstrengeling kan optreden. Enerzijds hebben de ouders de pet op van wettelijke vertegenwoordiger die moet bepalen of het in het belang van het kind is dat privacygevoelige persoonsgegevens naar buitenschoolse derden worden doorgesluisd (zie 1) maar anderzijds zijn de ouders zelf een buitenschoolse (derde) partij. Het risico is dus groot dat ze onvoldoende toetsen of hun intensieve gebruik van leerlinggegevens in het belang van hun kind is. We moeten concluderen dat de school zich niet kan verschuilen achter het inzagerecht van de wettelijke vertegenwoordiger en achter zijn toestemming om persoonsgegevens met de ouders uit te wisselen, maar dat zij ook een eigen verantwoordelijkheid heeft om de privacybelangen van de leerling ten opzichte van zijn of haar ouders te beschermen.

D66: ook pubers hebben recht op privacy

Wes Holleman | 18-02-2018 | 2 Reacties » | permalink

Eind januari besprak de Vaste Onderwijscommissie van de Tweede Kamer de ontwikkelingen rond ICT en digitalisering in het onderwijs. Paul van Meenen (D66) vestigde bij die gelegenheid de aandacht op de nieuwe Europese regels ter bescherming van persoonsgegevens, die na 25 mei 2018 zonder pardon van kracht zullen zijn. Hij vroeg aan minister Arie Slob (PO/VO) hoever de scholen gevorderd zijn met dat privacyproject en in hoeverre het ministerie hen daarin ondersteunt. Meer in concreto vroeg hij of scholen niet te ver zijn doorgeschoten in het doorsluizen van leerlinggegevens naar de ouders. Tegenwoordig komen ouders op hun smartphones en tablets immers van dag tot dag (of zelfs van uur tot uur) te weten hoe het hun kinderen op school vergaat. Moeten we misschien afspraken maken om te voorkomen dat leerlingen, door toedoen van de school, te zeer door hun ouders in hun privacy worden beknot? De minister zegde toe dat hij zal bekijken hoe een parlementaire discussie over de bescherming van privacy binnen het onderwijs geagendeerd zou kunnen worden. Maar daarbij zou hij wel de minister voor Rechtsbescherming (Sander Dekker) moeten betrekken, want die gaat daarover.
Kennelijk voelde Van Meenen zich nogal met een kluitje in het riet gestuurd. Hij piekerde hoe hij in de maanden tot 25 mei binnen de onderwijssector een discussie op gang kon brengen over de bescherming van leerlinggegevens en meer in het bijzonder over de bescherming van de privacy van leerlingen. Dat resulteerde in twee initiatieven. Op maandag 12 februari kwam hij met een buitenparlementaire actie en op dinsdag 13 februari nam hij het woord in de plenaire vergadering van de Tweede Kamer.
Lees verder ….. (PDF)

Coenschool wil een andere naam

Wes Holleman | 22-01-2018 | 3 Reacties » | permalink

De JP Coenschool voor basisonderwijs is genoemd naar Jan Pieterszoon Coen (1587-1629). Hij staat niet alleen bekend als Gouverneur-Generaal van de Oost-Indische VOC-bezittingen, maar ook als de Slachter van Banda: de genocide op bijna 15.000 inwoners van de Banda-eilanden om het VOC-monopolie op de nootmuskaathandel te vestigen. In 1911 werd de openbare JP Coenschool opgericht, gevestigd aan de Madurastraat in de Indische Buurt, een nieuwbouwwijk in Amsterdam-Oost. Twee jaar later startte de aanleg van de Coenhaven (een stukgoedhaven voor onder meer koloniale waren), waarmee de verhuizing van de bedrijvigheid van Amsterdam-Oost naar het Westelijk havengebied werd ingezet. Bij die haven werd vijftig jaar later door koningin Juliana de Coentunnel geopend.
Waarom werd J.P. Coen toentertijd in het zonnetje gezet? Sinds het midden van de negentiende eeuw werden door de Europese mogendheden wereldwijde imperia opgebouwd. Tekenend voor de Hollandse aspiraties in Nederlands-Indië is dat in 1876 een standbeeld van Coen op het plein voor het bestuurscentrum nabij Batavia onthuld werd. In 1893 kreeg hij bovendien een standbeeld in zijn geboorteplaats Hoorn. Maar er was ook een directere aanleiding. De eeuwwende rond 1900: dat was de tijd van de militaire ijzervreter J. B. van Heutsz. Hij was van 1904 tot 1909 Gouverneur-Generaal van Nederlands-Indië, maar van 1898 tot 1904 had hij al faam verworven als gouverneur van Atjeh: op zijn bevel werd het gebied, dat zich sinds 1873 tegen het Nederlandse gezag verzette, met bloedig geweld en ten koste van veel burgerslachtoffers gepacificeerd. Hij overleed in 1924, maar drie jaar later kreeg hij alsnog een staatsbegrafenis, met eretekenen overladen en met een praalgraf op de Nieuwe Oosterbegraafplaats. Het is niet vergezocht om te veronderstellen dat het Gemeentebestuur van Amsterdam, als naamgever van de openbare JP Coenschool en van de Coenhaven, niet alleen Jan Pieterszoon Coen wilde eren, maar ook tot uitdrukking wilde brengen dat iedere rechtgeaarde vaderlander zich zonder voorbehoud achter het winstgevende koloniale beleid van de Haagse overheid anno 1911 moest stellen.
Ruim een eeuw later, in 2018, neemt de school het initiatief om haar naam te veranderen aangezien de krijgszuchtige VOC-mentaliteit, schrijnend voelbaar in het optreden van de Slachter van Banda, niet te rijmen valt met de normen en waarden die zij aan haar leerlingen tracht over te dragen.
Lees verder ….. (PDF)

Kerstmis op school (II)

Wes Holleman | 25-12-2017 | 2 Reacties » | permalink

Openbare basisschool De Wateringe te Hellevoetsluis telt ongeveer 135 leerlingen. Op deze opbrengstgerichte ‘high performance school’ wordt samengewerkt en geïnnoveerd om alle leerlingen te laten excelleren, al naar hun individuele capaciteiten. De Oudervereniging (OV) telt maximaal negen leden, die gekozen worden door de ouders. Zij beheert het schoolfonds, dat gevoed wordt door de vrijwillige ouderbijdragen (dit schooljaar door de Medezeggen­schaps­raad vastgesteld op 50 euro per kind, maar minvermogende ouders kunnen beroep doen op het gemeentelijke Sport- en Cultuurfonds). Van dit bedrag worden onder meer het schoolreisje, de feesten en de sportactiviteiten betaald. De leden van de OV assisteren en coördineren bij vele schoolactiviteiten en vormen samen met het onderwijsteam de ruggegraat van de school­organisatie. De OV komt maandelijks in openbare vergadering bijeen, waar ook leden van het onderwijsteam en van de directie aanschuiven.
Op donderdagavond 21 december zou een kerstmaaltijd worden gehouden en de leerlingen zouden ieder één gerecht meebrengen. Maar de OV had besloten dat leerlingen van deze kerstviering zouden worden uitgesloten als hun vrijwillige ouderbijdrage niet was betaald. De ouders van zeventien leerlingen werden daarover aangeschreven, waarna de ouders van tien leerlingen hun ‘schuld’ alsnog vereffenden.
Twee ouders (waaronder Doortje, een dissident uit de OV) waren zó verontwaardigd over deze financiële chantage dat ze het Algemeen Dagblad (19/12/2017) inseinden met de aankondiging dat ze op eigen houtje voor de zeven resterende kinderen een concurrerende kerstmaaltijd in het Buurthuis organiseerden. Uiteindelijk haalde de school bakzeil: ook de kinderen van de ‘wanbetalers’ mochten naar de kerstviering op school. Maar Doortje werd uit de OV gezet omdat ze uit de school had geklapt.

Wereldvreemde geschiedenisleraar

Wes Holleman | 20-12-2017 | 1 Reactie » | permalink

Ik zit op de havo. De havo-afdeling heeft in het tweede leerjaar twee parallelklassen. De Geschiedenislessen zijn voor de ene klas op maandagochtend en voor de andere klas op dinsdag verroosterd. Als dinsdagklas kunnen we dus profiteren van de toetservaringen van de maandagklas. We hoorden dat zij een schriftelijke overhoring (SO) hadden gekregen en nogal wat klasgenoten lieten zich maandagmiddag briefen over de opgaven die hun waren voorgeschoteld. Er werden dinsdag opvallend veel tienen gescoord, want de dinsdagse SO bleek identiek te zijn aan die van maandag.
Drie weken later kregen we een proefwerk (PW) Geschiedenis. Inmiddels wijs geworden, lieten velen van mijn klasgenoten zich maandagmiddag informeren over de opgaven. Ik heb daar niet aan meegedaan, want dat is mijn eer te na (ik ben vrij goed in Geschiedenis). Maar ja hoor: we kregen dinsdag precies hetzelfde proefwerk. Op het mentoruur, woensdagmiddag, heb ik mijn beklag gedaan over die wereldvreemde toetsgewoonten van de geschiedenisleraar.
Blijkbaar heeft de mentor vervolgens contact opgenomen met de geschiedenisleraar, want de volgende dag kregen we een mail van hem dat hij ons afgelegde proefwerk ongeldig had verklaard en dat we de volgende dinsdag een herkansing zouden krijgen.
Bij mijn klasgenoten ben ik nu de gebeten hond, terwijl ik toch naar eer en geweten gehandeld heb, in het belang van de kwaliteit die we op school mogen verwachten. Mijn klasgenoten kunnen hun pijlen beter richten op die vermaledijde geschiedenisleraar, die eerst (uit wereldvreemdheid? of uit luiheid?) de professionele regels der kunst verzaakt heeft en die óns dan voor de gevolgen daarvan laat opdraaien.
Bron: forum Fok.nl (26/11/2017)

Competitief onderwijs

Wes Holleman | 18-12-2017 | 1 Reactie » | permalink

In Vlaanderen is het niet ongebruikelijk dat leerlingen voor elk vak niet alleen hun eigen cijfer op hun voortgangsrapport te zien krijgen, maar ook het gemiddelde of mediane rapportcijfer van hun klas. De openbaaronderwijskoepel (GO!) vindt het ongewenst, zo bericht De Standaard (30/11/2017), dat leerlingen op die manier gedwongen worden de eigen prestaties te vergelijken met die van hun klasgenoten. Door Kris van den Branden (20/11/2017) worden vier argumenten genoemd waarom men dat niet in het belang van de zwakkere leerling acht. Maar in zijn boek Klaskit (2017) draagt Pedro de Bruyckere ook een argument aan om medianen niet helemaal overboord te gooien: dergelijke kengetallen kunnen de leerkracht informeren over ‘hoe de groep presteert en zo (…) over de kwaliteit van het onderwijs dat [hij/zij] aan de leerlingen heeft aangeboden’ (Van den Branden op.cit.).
Dit moge gelden voor rapportcijfers in het basisonderwijs, maar in het secundair en postsecundair onderwijs hebben dergelijke cijfers ook een rechtspositionele functie voor de leerlingen en studenten. Voor hen is het van groot belang dat ze per omgaande op de hoogte worden gebracht van het gemiddelde cijfer of het percentage onvoldoendes dat gescoord is op de door hen afgelegde summatieve toets of het door hen afgelegde tentamen. Op basis daarvan kunnen zij afwegen of er aanleiding is om inzage te vragen in het beoordeelde werk en zo nodig bezwaar te maken tegen de beoordeling. Ook kan er aanleiding zijn voor collectieve actie tegen de moeilijkheidsgraad c.q. validiteit van de toets, tegen de geringe voorbereidingstijd die hun gegund is, tegen de kwaliteit van de aangeboden onderwijs- en voorlichtingsactiviteiten of tegen de reglementaire consequenties van de behaalde cijfers.
Verder is er nog de invalshoek van hoogpresterende, ambitieuze leerlingen en studenten: welke ondersteuning hebben zij nodig om hun aspiratieniveau te handhaven? Zij beginnen zich zorgen te maken als ze zevens voor hun kiezen krijgen in plaats van achten en negens. Die zorgen zouden worden weggenomen als ze wisten dat ze met die zevenscore nog altijd tot de 5% besten van de klas behoorden. Is het een idee dat men hoog­presteerders gelegenheid geeft zich te abonneren op de rapportage van hun percentielscore? In de trant van: met deze zeven zit je op het 95e percentiel van de prestatieverdeling van jouw klas.

Seksrelaties met meerderjarige studenten (II)

Wes Holleman | 26-11-2017 | permalink

Heeft u kennisgenomen van het Volkskrantbericht (24/10/2017) dat een docent van de Arnhemse toneelschool eertijds seksrelaties had met zijn studenten? Het Tweedekamerlid Corinne Ellemeet (GroenLinks) stelde daarover zes vragen aan de kersverse minister van Onderwijs. Op 20 november kwam het antwoord van minister Ingrid van Engelshoven (D66). De minister vindt het onacceptabel als docenten de gepaste professionele afstand (ten opzichte van een student) uit het oog verliezen, misbruik maken van de kwetsbaarheid van die student (die in een afhankelijkheidsrelatie ten opzichte van de professionele docent verkeert) en zich schuldig maken aan seksueel grensoverschrijdend gedrag (jegens die student), te meer daar zodoende schade wordt gedaan aan de veilige leeromgeving (die docenten moeten bieden om de gestelde leerdoelen te bereiken).
De minister legt dus de nadruk op de bestrijding van psychisch of fysiek (seksueel) geweld dat gepleegd wordt jegens een kwetsbare partij. Daarmee sluit zij aan bij de uitgangspunten van het beleidsproject Geweld in Afhankelijkheidsrelaties, dat al vele decennia op de overheidsagenda staat en dat vooral gericht is op de bescherming van vrouwen, kinderen en ouderen tegen huiselijk geweld.
Maar in haar Kamervragen koos Ellemeet een ruimere invalshoek, die méér omvat dan daders en slachtoffers van machtsmisbruik. Zij spreekt niet van een afhankelijkheidsrelatie maar van de hiërarchische (en daarmee ongelijke oftewel asymmetrische) relatie tussen docent en student. Daarmee opent ze het zicht op een breed scala van risico’s die arbeidsorganisaties of professionele beroepsgroepen lopen als leidinggevenden of professionals te hechte persoonlijke relaties met hun medewerkers of cliënten aanknopen. In de Gedragscode voor universitaire onderzoekers, docenten en examinatoren (NGW artikel 1.9) wordt bijvoorbeeld gesteld dat ze zich niet moeten begeven in persoonlijke relaties die een redelijke twijfel zouden kunnen wekken aan de objectiviteit van hun beslissingen.
Lees verder … (PDF)

Mongooltje (II)

Wes Holleman | 27-06-2017 | permalink

Mag een leraar ons voor Mongooltje uitmaken als we iets doms zeggen of iets doms doen? In een vorig blogbericht werd gesteld dat een dergelijke kwalificatie beledigend en vernederend is tegenover de betrokken leerling. Dat geldt al voor een kwalificatie in de trant van Uilskuiken of Sufferd, maar het is helemaal onbehoorlijk een incidentele gedraging (dom gedrag) te kwalificeren als de manifestatie van een onveranderlijk persoonlijkheidskenmerk (een verstandelijke handicap).
Bovendien is deze handelwijze ook in ander opzicht onprofessioneel: zij werkt discriminatie in de hand. De term Mongooltje bezigend, ontkracht de leraar namelijk de norm dat je gehandicapte mensen (zoals iemand die aan het Syndroom van Down lijdt) niet mag aanspreken met een benaming van hun handicap. Hé mongool, luister eens! Hé schele! Hé hinkepoot! Hé hakkelaar! De leraar ondergraaft het ethische uitgangspunt dat een dergelijke bejegening van gehandicapten respectloos is, en dat het (meer in het algemeen) onbehoorlijk is mensen aan te spreken met de denigrerende benaming van een persoonskenmerk waarin ze zich van de modale medemens onderscheiden (zoals in: Hé, jij daar dikzak! Hé vuurtoren! Hé spleetoog! Hé nikker!). Het behoort tot de vormingsopdracht van de school leerlingen te doordringen van het ethische uitgangspunt dat mensen in gelijke gevallen gelijk behandeld moeten worden en dat ze niet vernederd en achtergesteld mogen worden op grond van persoonskenmerken die niet ter zake doen.

Mongooltje

Wes Holleman | 07-06-2017 | 1 Reactie » | permalink

Ik heb een leraar die ons, als we iets verkeerd doen, meteen voor Mongooltje uitmaakt. Kun je tegen zo iemand aangifte doen bij de politie? Dat is de vraag die BasBas voorlegt aan het Scholierenforum (24/5/2017). Volgens Elin3 heeft dat geen zin, want schelden is niet strafbaar. Ik deel Elins taxatie dat aangifte niet tot justitiële vervolging en veroordeling zal leiden, maar haar argumentatie klopt niet. Het is beledigend om iemand voor Mongool uit te schelden met de bedoeling hem of haar als een verstandelijk gehandicapte neer te zetten, en belediging is wel degelijk een strafbaar feit, althans als de gedupeerde of diens wettelijke vertegenwoordiger een formele klacht indient.
Maar Elin3 en Mark52 dragen een beter alternatief aan: wend je tot de mentor of de teamleider en vraag hun om deze leraar tot de orde te roepen. Misschien heeft de leraar het zo niet bedoeld, maar hij maakt zich aan onprofessioneel gedrag schuldig. Het is onprofessioneel om leerlingen te vernederen en hun zelfrespect te ondermijnen. En als bepaalde leerlingen week-in-week-uit door een leraar vernederd worden, moet dat tevens als pestgedrag worden aangemerkt.
Voor de teamleider is er bovendien reden om ernstige vraagtekens te zetten bij de taakopvatting van deze leraar. Door leerlingen denigrerend als Mongooltjes te bestempelen, suggereert de leraar dat de strubbelingen in hun leerproces uitsluitend te wijten zijn aan factoren die buiten zijn eigen invloedssfeer liggen. Hij straalt onprofessionele zelfgenoegzaamheid uit: “Met mijn didactiek is niets mis. En van mij kan niet worden verwacht dat ik nóg meer didactische energie in hen steek, want gezien hun verstandelijke ontwikkelingsstoornis is dat onbegonnen werk.”

Het feestje van de CITO-toets

Wes Holleman | 22-05-2017 | permalink

Basisschool De Stokland (Son & Breugel) is opbrengstgericht: zij helpt de kinderen het beste uit zichzelf te halen om vervolgens een optimale start te maken in het voortgezet onderwijs. De school wachtte dan ook met kloppend hart op de uitkomsten van de Eindtoets Basisonderwijs van het CITO. Zullen de individuele CITO-scores van de leerlingen aan de prognose beantwoorden die de leerkrachten in hun eerdere schooladvies geformuleerd hebben? Alle leerlingen van groep 8 waren woensdag in de gymzaal verzameld waar de uitslagen geopenbaard zouden worden. Maar de schooldirectie had ook een cameraploeg van het Jeugdjournaal uitgenodigd, want zij had een verrassing in petto (NOS 12/5/2017). Maud werd naar voren geroepen en zij kreeg te horen dat zij, in heel Nederland, één van de vijf leerlingen is die dit jaar alle 220 items goed hebben beantwoord. Luid applaus. Bovendien bleek maarliefst 32% van het Stoklandse uitstroomcohort minder dan 20 items fout te hebben beantwoord, wat hun (evenals Maud) de hoogst mogelijke score (550 punten) oplevert. Om in aanmerking te komen voor het vwo hebben leerlingen minimaal 545 punten nodig (zie tabel I), maar mede dankzij deze uitblinkers kwam het rekenkundig gemiddelde van groep 8 als geheel op 545,2 uit (ED 11/5/2017). Lisette van den Beld heeft zich echter groen en geel geërgerd aan deze reportage van het Jeugdjournaal. In een open brief op haar Facebook­pagina legt ze uit waarom.
Lees verder … (PDF)