Wie betaalt de laptop voor afstandsonderwijs?

Wes Holleman | 29-03-2020 | 4 Reacties » | permalink

Nu de leerplichtige leerlingen in verband met het coronavirus niet naar school kunnen, wordt van de scholen verwacht dat ze af­standsonderwijs verzorgen. In veel gevallen moet iedere leerling daartoe thuis over een eigen laptop en een emailverbinding be­schikken. Wie moet die laptop(s) betalen? De wetgever heeft bepaald dat de schoolboeken gratis zijn. Daarom kwam de Onderwijs­inspectie in 2017 tot het volgende antwoord: ‘Op het moment dat scholen [in het vo] volledig of grotendeels schoolboeken ver­vangen door digitaal lesmateriaal en het bezit van een laptop of tablet voor het leerproces noodzakelijk is geworden, dienen scholen hierin zelf te voorzien’. Hoe moeten we de hier gestelde voorwaarde interpreteren? Ik denk dat de bedoelde voorwaarde al vervuld is als één van de vakdocenten in één klas de papieren leermiddelen van zijn vak afschaft en volledig overgaat op digitale leer­middelen. Daarmee ontstaat voor de school een verplichting om aan de betrokken leerlingen gratis een laptop voor thuisgebruik te fourneren, althans indien van hen verwacht wordt dat ze de huiswerktaken voor dat schoolvak thuis op hun laptop maken.
In 2018 stelde de minister in antwoord op schriftelijke Kamervragen: ‘Als een school volledig overgaat op digitale leermiddelen dan moet de school in laptops of tablets voor­zien als ouders deze niet kunnen of willen betalen.’ De minister voegt daaraan toe: ‘Scholen mogen ouders niet verplichten om een laptop of tablet te betalen. Als een school volledig overgaat op digitale leermiddelen dan moet de school in laptops of tablets voorzien. De school mag hiervoor een bijdrage van de ouders vragen, maar is verplicht om te be­nadrukken dat die bijdrage vrijwillig is. Als de vrijwillige bijdrage niet wordt betaald, dient de school zelf in een alternatief te voor­zien.’ Hier wordt bedoeld dat de school in dat geval, als passend alternatief, niet-digitale leermiddelen moet aanbieden.
Het blijft echter een kronkelige stellingname. Is het niet logischer scholen te verplichten om voor thuisgebruik in een gratis laptop of tablet te voorzien tenzij ze kunnen aantonen dat het apparaat niet noodzakelijk is voor volwaardige deelname aan het aangeboden onderwijs- en leersysteem? In 2019 wilde de minister er nog niet aan, maar hij schoof wel een stukje in die richting op. In een Kamerbrief stelde hij: ‘Een andere belangrijke kostenpost voor ouders in het voortgezet onderwijs is de aanschaf van een laptop of tablet voor hun kind. Hoewel volledig digitaal werken geen doel op zich is, moet ieder kind de kansen die digitale leermiddelen bieden kunnen benutten. Werken op papier is daarbij geen volwaardig alternatief van een digitale leeromgeving. Op het moment dat het bezit van een laptop of tablet voor het leerproces noodzakelijk is geworden, dienen scholen hierin zelf te voorzien als ouders deze zelf niet kunnen aanschaffen.’
Maar nu de coronacrisis anno 2020 is ingetreden, blijkt dat de aangedragen voorwaarden voor het gratis gebruik van een laptop volstrekt achterhaald zijn: de laptop is niet alleen essentieel voor het aanbieden van digitale leermiddelen, maar ook voor het organiseren van afstands­onder­wijs en voor de communicatie tussen school en leerling, tussen leraar en leerling en tussen leerlingen onderling.
Lees verder … (PDF)

Wat is academische vrijheid? (VIII)

Wes Holleman | 22-03-2020 | 3 Reacties » | permalink

Zoals eerder bericht, heeft een van onze openbare universiteiten nieuwe regels ingevoerd om commerciële en ideële reclame tegen te gaan. Zo is het voortaan verboden op de campus propaganda te bedrijven voor politieke partijen of religieuze/levensbeschouwelijke instellingen (DUB 1/7/2019). Het is eigenlijk wel begrijpelijk dat een universiteit regels wil stellen om te voorkomen dat binnen haar muren en terreinen activiteiten worden ontplooid die vreemd zijn aan de wetenschappelijke en intellectuele dialoog, aan het streven naar academische vorming en aan de ontwikkeling van maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef. Maar toch is zo’n verbod op het maken van propaganda of anti-propaganda nogal tricky. Het is nog maar een kleine stap verder en het universiteitsbestuur verbiedt studenten ook zich demonstratief op de campus tegen Johnson Molenaar uit te spreken.
In de Verenigde Staten is het ondenkbaar dat een universiteitsbestuur politiek of religie uit de campus zou weren. Openbare universiteiten maken namelijk deel uit van het staatsapparaat en moeten zich dientengevolge houden aan het grondwettelijke First Amendment, waarin de vrijheid van meningsuiting gewaarborgd wordt (alsook de vrijheid om opvattingen niet te onderschrijven).
Maar John Kroger denkt daar anders over (Inside Higher Ed 3/3/2020). Kroger is jurist, geboren in 1966. Hij was Minister van Justitie van de staat Oregon (2009-2012) en bestuurde vervolgens zes jaar lang een gerenommeerd ‘liberal arts college’ (het Reed College in Portland, Oregon). Verwijzend naar bestaande Amerikaanse jurisprudentie meent Kroger dat de universiteit als rechtspersoon aanspraak kan maken op een institutionele vrijheid van meningsuiting en dat de universiteit dus ook bevoegd is te besluiten dat bepaalde opvattingen niet vanuit haar spreekgestoelten (c.q. zeepkisten) verkondigd mogen worden als ze strijdig zijn met haar intellectuele missie. Volgens hem kunnen instellingsbestuurders uit dien hoofde de komst van anti-intellectuele gastsprekers of agitatoren op de campus blokkeren. Maar deze door hem verhoopte bevoegdheid van instellingsbestuurders vereist nog wel nadere rechterlijke toetsing. Volgens mij zal de rechter met name moeten toetsen in hoeverre een dergelijke bevoegdheid van het universiteitsbestuur een bedreiging vormt voor de academische vrijheid van onderzoekers, docenten en studenten.
Lees verder … (PDF)

Is homoseksueel gedrag zondig? (III)

Wes Holleman | 15-03-2020 | 2 Reacties » | permalink

Rechtzinnige confessionele scholen handelen niet in strijd met hun wettelijke burgerschaps­opdracht als ze verkondigen dat homoseksueel gedrag zondig is, of haram (zoals de moslims in het Arabisch zeggen), of chata/awon/pesja/sjaga (zoals de joden in het Hebreeuws onderschei­den). Dat staat in het langverwachte rapport van de Onderwijsinspectie, dat verleden vrijdag (13/3/2020) gepubliceerd is. Maar deze kwalificatie (zondigheid) is volgens de Inspectie alleen acceptabel als tegelijkertijd de basiswaarden van de democratische rechtsstaat worden door­gegeven en voorgeleefd aan de betrokken leerlingen (p.22). Hun moet worden bijgebracht dat ze verdraagzaamheid moeten betrachten jegens mensen met een afwijkende seksuele geaard­heid, óók als die geaardheid in afwijkende seksuele gedragingen wordt omgezet. Verder moeten ze leren dat die mensen niet gediscrimineerd of uitgescholden mogen worden.
In haar rapport doet de Inspectie verslag van een onderzoek dat is opgezet naar aanleiding van een verzoek van minister Slob, toen bekend werd dat islamitische basisscholen een lesboek gebruiken waarin gesteld wordt dat homoseksueel gedrag in strijd is met Allah’s geboden (Onderwijsethiek 15/9/2019). De Onderwijsinspectie besloot toen het onderzoek te verbreden tot een ‘dispropor­tio­neel gestratificeerde steekproef’ uit alle Nederlandse po-, vo- en mbo-scholen (incl. het speciaal onderwijs). Op die manier werd voorkomen dat rechtzinnige confes­sio­nele scholen van andere denominaties buiten schot zouden blijven.
Zie ook de berichtgeving van Trouw (13/3/2020).

Kabinetsmaatregelen tegen de corona-epidemie

Wes Holleman | 12-03-2020 | 4 Reacties » | permalink

1. De Rijksoverheid heeft vandaag, 12 maart, een poster verspreid, waarin zij twee maat­regelen tegen het coronavirus uitvaardigt:
a) Als je geen klachten hebt, vermijd dan grote mensenmassa’s (>100 personen) en werk thuis als het kan [zodat jij minder risico loopt door of via anderen besmet te worden en zodat anderen minder risico lopen via jou besmet te worden].
b) Als je milde verkoudheidsklachten hebt (en/of verhoging <38°), blijf dan thuis en beperk je sociale contacten [zodat anderen minder risico lopen door of via jou besmet te worden]. 2. In een nieuwsbericht zijn vanmiddag, in aanvulling daarop, de volgende maatregelen uitgevaardigd, die gelden t/m 31 maart:
c) In aanvulling op b: mijd sociaal contact, en bel pas met de huisarts als de klachten ver­ergeren [opdat het systeem van de gezondheidszorg niet overbelast raakt].
d) In aanvulling op a: als je oud van dag bent of verminderde weerstand hebt, vermijd dan grote gezelschappen en mensenmassa’s (openbaar vervoer).
e) In aanvulling op a en b: beperk ook jouw bezoek aan dergelijke kwetsbare personen [zodat zij minder risico lopen door of via jou besmet te worden].
f) Bijeenkomsten met meer dan 100 personen worden in heel Nederland afgelast, ook op publieke locaties zoals musea, concert­zalen, theaters, sportclubs en sportwedstrijden.
g) Tevens wordt hogescholen en universiteiten verzocht grootschalige colleges te vervangen door online onderwijs.
h) In aanvulling op a: als men niet thuis kan werken, probeer dan de werktijden zoveel mogelijk te spreiden [teneinde het aantal mogelijke sociale werkcontacten per etmaal te reduceren].
i) In afwijking van b: zorgpersoneel en personeel in vitale processen mogen pas thuisblijven als ze niet alleen verkoudheidsklachten maar ook koorts hebben. Overleg zo nodig met je werk­gever. En reis niet naar het buitenland [zodat je geen risico loopt aldaar besmet te raken].
j) In aanvulling op a: leer- of kwalificatieplichtige kinderen en jongeren mogen niet spijbelen of thuisgehouden worden, zolang ze geen verkoudheidsklachten en/of koorts hebben.
k) Instellingen voor kinderopvang en scholen in het primair, voortgezet en middelbaar beroeps­onderwijs blijven gewoon open.
3. De Algemene Vereniging van Schoolleiders heeft vanochtend, vooruitlopend op de bekend­making van de Kabinets­maatregelen, geklaagd over de mistigheid van het Nederlandse overheidsbeleid met betrekking tot de corona-epidemie. Wat voor mij bijvoorbeeld onduidelijk blijft is de status van leidsters, leraren en docenten (zoals bedoeld in maatregel k). Vallen zij onder de gewone werknemers (maatregel 1.b) of worden zij in het Kabinetsbeleid tot het ‘personeel in vitale processen’ (2.i) gerekend? Mede gelet op hun kwetsbare gezondheids­toestand ten gevolge van het bestaande lerarentekort, kunnen ze in dat laatste geval misschien wel aanspraak maken op een gevarentoeslag.

Propaganda in de klas (II)

Wes Holleman | 08-03-2020 | 2 Reacties » | permalink

Verleden dinsdag maakten de eerstejaarsstudenten Filosofie (UU) het deeltentamen Propositielogica. Om te beginnen moesten ze vier huis-tuin-en-keuken uitspraken omzetten in de wiskundige symbolentaal van de propositielogica. Bij het opstellen van deze vierledige tentamenvraag hebben de docenten vermoedelijk heel wat afgelachen. Het waren namelijk negatief geladen uitspraken over het gedachtengoed van FvD-leider Thierry Baudet. Ze komen kennelijk uit de eigen koker van de docenten, want ze gaan niet vergezeld van een bronvermel­ding. De Vrije Student, een tweepersoons fractie in de Universiteitsraad, heeft geprotesteerd tegen deze tentamenvraag (DUB 3/3/2020, DDS 4/3/2020). Naar mijn oordeel hebben de tentamenmakers inderdaad onprofessioneel gehandeld:
1. Het is niet onaannemelijk dat sommige tentamendeelnemers door deze frontale aanval op hun politieke partij van hun stuk zijn gebracht en dat ze ten gevolge daarvan slechter hebben gepresteerd op dit deeltentamen. De examencommissie zou hun des­gevraagd een extra her­kansing moeten toekennen.
2. De docenten hebben bij het afnemen van het deeltentamen één bepaalde politieke partij in een kwaad daglicht gesteld, terwijl het onderwerp van de cursus daartoe geen aanleiding gaf. Ze hebben dus hun gezag als docent misbruikt voor het bedrijven van politieke (anti-)propa­gan­da, vergelijkbaar met een docent die de wanden van zijn klaslokaal volhangt met posters om zijn persoon­lijke overtuigingen uit te dragen.
Zie ook op Onderwijsethiek.nl: 23/7/2010, 25/7/2010, 16/9/2011, 13/5/2018

Discriminatie van zwangere studenten

Wes Holleman | 27-02-2020 | 2 Reacties » | permalink

Het College voor de Rechten van de Mens (CRM) heeft een zwangere studente gelijk gegeven (24/2/2020): als een herkansing gepland staat omstreeks de dag dat je bent uitgerekend, heb je recht op een snelle vervangende herkansing op een andere datum. Het komt erop neer dat de faculteit zich schuldig maakt aan discriminatie op grond van geslacht als vrouwen schade ondervinden van het feit dat ze zwanger zijn en als de faculteit willens en wetens geweigerd heeft die schade te voorkomen. Naar het oordeel van (de enkelvoudige kamer van) het CRM komt dus aan zwangere studenten een bijzondere behandeling toe, in vergelijking met mede­studenten die door een blindedarmontsteking verhinderd waren aan de herkansing deel te nemen. Maar het meest opmerkelijk is dat het CRM het recht op een bijzondere behandeling toekent ongeacht de vraag hoeveel schade de zwangere studente zou ondervinden als deze bijzondere behandeling achterwege zou blijven.
Dat is het grote verschil tussen deze casus en een zaak die ruim tien jaar geleden (29/7/2009) door de Commissie Gelijke Behande­ling (CGB) ten gunste van een zwangere studente beslecht werd. De faculteit meende eertijds geen herkansing op een andere datum te hoeven organi­seren, omdat de studente best kon wachten op een volgende reguliere herkansingsmogelijkheid. Deze opvatting werd door (de meervoudige kamer van) het CGB verworpen omdat dit ge­dwongen uitstel tot substantiële schade voor de studente zou leiden: ook al zou zij per saldo misschien geen studievertraging oplopen, dan nog zou zij toch veel extra werk (individuele studielast) op haar bordje krijgen. De Groningse staatsrechtjurist dr. Han Warmelink vond de CGB-redenering krakkemikkig (UK 1/9/2009): er wordt niet uitgelegd waarom een bijzondere behandeling wel aan zwangere studenten en niet aan studenten met prostaatproblemen toekomt.
Zie ook: Reportage van De Monitor (6/2/2020); Kamervragen d.d. 7/2/2020 van Kirsten van den Hul (PvdA) en Frank Futselaar (SP); Nieuwsbericht CRM (26/2/2020); Nieuwsbericht Hoger Onderwijs Persbureau (Punt Avans 27/2/2020)

Bewegingsonderwijs op de basisschool

Wes Holleman | 09-02-2020 | 3 Reacties » | permalink

Deze week heeft de Tweede Kamer met een krappe meerderheid (55%) besloten dat basis­scholen wekelijks minimaal twee uur gymles moeten geven. Met ingang van 2023 kan de Onderwijsinspectie dat afdwingen, althans als ook de Eerste Kamer het wetsontwerp (35102) goedkeurt. De CU- en D66-partners in het kabinet Rutte-3 zijn (evenals CDA, PVV en FvD) tegen deze inbreuk op de autonomie van de schoolbesturen gekant. Maar met steun van SP, PvdA en GL is een daartoe strekkend VVD-amendement aangenomen.
Het paarse kabinet Rutte-2 had in zijn regeerakkoord (2012, p.52) ingezet op wekelijks mini­maal drie uur gymles, maar in eerste instantie werd volstaan met een vrijblijvende afspraak (2014): een zgn. bestuursakkoord waarin werd neergelegd dat de school­besturen minimaal twee uren zouden realiseren en een optimum van drie uren zouden nastreven. Deze intenties zijn tot nog toe onvoldoende verwezenlijkt. Bij een nulmeting (2012/13) was al gebleken dat één op de vijf basisscholen niet verder kwam dan één uur gymles per week, en een vervolgmeting (2016/17) vertoont weinig verbetering.
Tweede-Kamerlid Michiel van Nispen (SP) was mede-ondertekenaar van het eerdergenoemde VVD-amendement. Maar ondertussen ligt er nog steeds zijn eigen initiatief-wetsvoorstel (34420), dat sinds 19/11/2018 op plenaire behandeling in de Tweede Kamer wacht. Aansluitend bij de paarse aspiraties van Rutte-2, introduceert hij een dwingende norm van minimaal drie uur gymles per week, te verzorgen door vakleerkrachten. Dat kost wel extra geld, maar een voordeel is dat de werklast van de groepsleerkrachten daarmee gereduceerd wordt. Dat helpt dus bij de bestrijding van het lerarentekort.
Meer over Michiel van Nispen: Profiel op Wikipedia, Hardlopen (25/1/2017), Schoolzwemmen (19/8/2019), Motie Zwemveiligheid (23/12/2019)

Doorgeschoten rendementsdenken (V): de universiteit als megastal

Wes Holleman | 05-02-2020 | 1 Reactie » | permalink

Drie Groningse journalisten (Jasper Been, Bart Hekkema en Koen Marée) hebben onlangs de Nationale Prijs voor Onderwijs­journalistiek gewonnen. Hun artikelenreeks ‘De universiteit als megastal’ verscheen vorig jaar in webkrant De Correspondent.
In de titel wordt de teneur van hun reportage al enigszins verklapt: de universiteiten maken zich schuldig aan intensieve mens­houderij. Ze gedragen zich als egocentrische megabedrijven, die zich niet bekommeren om ontplooiing en welzijn van hun studenten en docenten. Maar de Groningse journalisten richten zich met name op het feit dat iedere universiteit alleen haar eigen bedrijfs­belangen najaagt, voorbij gaat aan haar professionele verantwoordelijkheden jegens haar studenten en jegens de maatschappij, en zich uitsluitend laat leiden door haar streven zoveel mogelijk overheidsgeld binnen te harken, haar eigen marktaandeel te vergroten en haar financiële bedrijfsrendementen te maximaliseren. De belangen van de student moeten daarvoor wijken. De artikelenreeks omvat elf delen:
01. Het huidige bekostigingsmodel: toegenomen outputfinanciering
02. Werving van buitenlandse studenten als verdienmodel
03. Decentrale selectie aan de poort
04. De selectie in het eerste studiejaar (BSA)
05. Doorgeschoten beleid ter verhoging van numerieke studierendementen
06. De universiteit als dissertatiefabriek
07. Het bekostigingsmodel van de commissie-Van Rijn
08. Alternatieve bekostigingsmodellen: minder perverse prikkels
09. Meer geld voor de technische universiteiten?
10. De verengelsing van het hoger onderwijs
11. Onze ‘braingain’ leidt tot ‘braindrain’ in Zuid- en Oost-Europa
Lees in De Correspondent: De universiteit als megastal (1 april tot 11 november 2019).
De artikelen 01 t/m 07 zijn herdrukt in Erasmus Magazine (16/5/2019).

Participerende journalistiek

Wes Holleman | 22-01-2020 | 5 Reacties » | permalink

Paula van Manen (1968) heeft half september een kritische kroniek gepubliceerd van een vernieuwingsproject dat ze als mbo-docent heeft meegemaakt. En daarom is ze in december geschorst.
Ze is opgeleid tot orthopedagoog en onderwijskundige en ze is als docent verbonden aan ROC Nijmegen (team Pedagogisch Werk). Het vernieuwingsproject betreft de ontwikkeling en invoering van een gepersonaliseerde leerroute: bij onze drie opleidingen ‘leer je op je eigen manier en in je eigen tempo werken aan de leerdoelen (…). Onze leercoaches begeleiden jou daarbij.’ De klassikale lessen zijn dus afgeschaft. In het AOb-Onderwijsblad (december 2019) en op de website van CNV-Onderwijs (21/1/2020) werd Paula van Manen geïnterviewd over haar boek.
Maar waarom is ze geschorst door haar werkgever? Het is een kritische kroniek, die niet voorbij gaat aan de negatieve gevolgen voor studenten. Het is begrijpelijk dat een ‘reflective professional’ de behoefte voelt om het vernieuwingsproject chronologisch te boek te stellen, zodat zijzelf van haar ervaringen kan leren, samen met haar teamgenoten. Maar voordat ze het verhaal ook voor onderwijsprofessionals buiten haar eigen kring toegankelijk maakte, had ze eerst toestemming aan haar teamgenoten moeten vragen. En indien ook de belangen van haar werkgever op het spel stonden, had zij ROC Nijmegen eveneens om toestemming moeten vragen. Ik denk dat het boek inderdaad de belangen van haar werkgever raakt: in hoeverre voelen betrokken collega’s zich in hun hemd gezet? kan de onderwijsinspectie lastige vragen komen stellen? bestaat er het risico dat gedupeerde studenten claims gaan indienen? in hoeverre komt de reputatie van de betrokken opleidingen in gevaar?
Gehoor gevend aan haar professionele beroepsethiek, heeft Paula van Manen participerende journalistiek bedreven, maar door haar journalistieke product vervolgens (enigszins geanonimiseerd) te publiceren, is zij in strijd gekomen met haar juridische en ethische verplichtingen jegens haar werkgever. Ten gevolge van dit tragische rolconflict zit ze nu werkeloos thuis.
Nog wat achtergrondinformatie: In het kader van de bundel ‘Flexpraktijken, in gesprek met flexibiliseringspioniers in het beroepsonderwijs’ is bij het CINOP (13/1/2020) de beschrijving van de flexibiliserende innovatie van het Nijmeegse team Pedagogisch Werk verschenen.

Burgerschapsopdracht (III): het wetsontwerp

Wes Holleman | 19-01-2020 | 3 Reacties » | permalink

Eind november is het Wetsvoorstel Aanscherping Burgerschapsopdracht (nr. 35352) bij de Tweede Kamer ingediend en inmiddels is het door de vaste Kamercommissie OCW in behandeling genomen. Welke belangen zijn er in het spel?
1. Burgerlijke vrijheden. Scholen krijgen tot taak hun leerlingen kennis van en respect voor de basiswaarden van de democratische rechtsstaat bij te brengen. Dat riekt naar indoctrinatie: als je de leerlingen kennis bijbrengt, dan is het beoogde resultaat dat ze zich die kennis eigen hebben gemaakt (en dat is prima). Maar als je de leerlingen respect voor (= eerbiediging van) die basiswaarden bijbrengt, dan is het beoogde resultaat dat ze die normen en waarden gehoorzamen. Anders gezegd: je maakt je schuldig aan indoctrinatie, je wil ze ‘mores leren’. Met zo’n inbreuk op hun autonomie handel je in strijd met de basiswaarden van de demo­cratische rechtsstaat. Scholen kunnen beter tot taak krijgen hun leerlingen kennis van die basiswaarden bij te brengen en bij hen respect (= waardering) voor die basiswaarden aan te kweken.
2. Vrijheid van onderwijs. Verder krijgen scholen tot taak een schoolcultuur tot stand te brengen en in stand te houden die harmonieert met de basiswaarden van de democratische rechtsstaat. Daarmee wordt de grondslag van orthodox-christelijke, -joodse en -islamitische scholen aangetast. Zij hechten namelijk aan de bijbelse geboden en verboden over seksueel gedrag (waaronder LHBTI-gedrag en heteroseksueel gedrag vóór of buiten het huwelijk) en over de positie van de vrouw. Zij menen hun leerlingen te moeten voorhouden dat het zondig is de bijbelse geboden en verboden in de wind te slaan, dat de leden van de kerkgemeenschap zondigende medeleden dienen te vermanen en hen uit de kerkgemeenschap dienen te stoten als ze in hun zondig gedrag volharden, en dat ze niet vriendschappelijk met zondaars mogen omgaan. En zij trachten hun basiswaarden ‘vóór te leven’ in de eisen die zij aan het gedrag van hun leraren en leerlingen stellen, ook al komen ze daarmee in strijd met de basiswaarden die ten grondslag liggen aan de democratische rechtsstaat.
3. Rechtszekerheid. Scholen krijgen bovendien tot taak de sociale cohesie te bevorderen en de sociale en maatschappelijke competenties te bevorderen die de leerling in staat stellen deel uit te maken van (en bij te dragen aan) de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving. Met dit rekbare caoutchouc-artikel krijgt de Onderwijsinspectie een handvat om, overeen­komstig de waan van de dag, scholen aan te pakken die in de hand werken dat hun leer­lingen ‘met de rug naar de (rest van de) samenleving’ komen te staan. Een school kan in de beklaagdenbank worden gezet als zij maatschappelijke verzuiling propageert of sociale segregatie in de hand werkt of haar leerlingen stimuleert zich terug te trekken in een gemeenschap die de maatschappelijke zedenverwildering de rug toekeert. De rekbaarheid van dit wetsartikel vormt een aanslag op de rechtszekerheid in de Nederlandse democratische rechtsstaat.
4. Gelijkheidsbeginsel. Hierboven werden drie kernbelangen van de democratische rechtsstaat belicht die in het geding zijn bij de behandeling van het wetsontwerp nr. 35352. Maar bij de indieners van het wetsontwerp staat een ander belang voorop: zij willen de Nederlandse rechtsstaat beschermen tegen een orthodox-islamitische vijfde colonne. Meer in het bijzonder willen zij de overheid instrumenten in handen te geven om de stichting van islamitische scholen zo nodig te blokkeren, om bestaande orthodox-islamitische scholen in het gareel te houden en om hun bekostiging zo nodig te beëindigen. In dat streven hebben zij tot voor kort weinig weerstand ontmoet, totdat het bijzonder onderwijs onlangs bemerkte dat ook orthodox-christelijke en -joodse scholen geraakt zouden kunnen worden door deze anti-islamitische boemerang. De Onderwijsinspectie gaat namelijk half februari rapporteren over de uitkomsten van een onderzoek dat zich onder andere uitstrekt tot het feit dat islamitische en reformatori­sche scholen uitdragen dat homoseksueel gedrag zondig is [zie verder onder punt 2]. Mocht het wetsvoorstel desondanks worden aangenomen, dan kunnen we verwachten dat de christelijke partijen (gesteund door PVV en FvD?) alles in het werk zullen stellen om te voorkomen dat de overheid zich, bij haar toezicht op de naleving van de wet, consequent zou laten leiden door het grondwettelijke Gelijkheidsbeginsel. Maar het probleem is dat eerbiediging van het Gelijk­heids­beginsel een kernbelang is van de democratische rechtsstaat.
Zie ook mijn eerdere blogberichten (inclusief naschriften): Onderwijsethiek 15/8/2018, 2/10/2018, 15/9/2019, 13/10/2019