Beheersing van de bedrijfscontinuïteit (III):
afstandsonderwijs als back-up

Wes Holleman | 24-03-2021 | 3 Reacties » | permalink

In welke richting moet het hoger onderwijs zich ontwikkelen? Mei 2018 werd door de Neder­landse universiteiten en hogescholen een vierjarig project opgezet: het Versnellingsplan Onderwijs­innovatie met ICT. Doel is een krachtige impuls te geven aan de invoering van Informatie- en CommunicatieTechnologie in het hoger onderwijs. Het ministerie van OCW en SURF spelen een cruciale rol in de projectorganisatie. Halverwege kreeg het Versnellings­project een onverwachte duw in de rug: door de Corona­crisis moesten de universiteiten en hogescholen hun deuren sluiten en op afstandsonderwijs overstappen. Dat vereiste veel impro­visatie, want het ontbrak hun aan tijd en ervaring om tot een weldoordacht onderwijsontwerp te komen. De Open Universiteit (OU) was de enige bekostigde instelling die sinds 1984 ruime ervaring had opgedaan met het ontwerpen en organiseren van afstands­onderwijs voor deeltijdstudenten. In de eerste decennia mikte zij daarbij op schriftelijk onderwijs, maar vanaf 2005 maakte zij ook hoe langer hoe meer gebruik van de mogelijkheden die de informatie- en communicatietechnologie biedt.
Het hoger onderwijs staat nu op een tweesprong die er op het eerste gezicht aldus uitziet. a) Keren we na de Coronacrisis terug naar het Oude Normaal: de nadruk ligt op contact­onderwijs, maar dat wordt aangevuld met ICT voor zover dat tot betere diensten aan studenten, tot hogere kwaliteit van de afgestudeerden of tot lagere opleidingskosten leidt? Of kiezen we voor b): we zetten de doelen van het Versnellingsproject centraal in ons onderwijsbeleid voor de komende decennia.
Maar bij nader inzien denk ik dat we de tweesprong iets specifieker moeten definiëren. a) Keren we terug naar het Oude Normaal (verrijkt met ICT)? Of kiezen we voor b): we moeten ervoor zorgen dat het hoger onderwijs minder kwetsbaar wordt voor calami­teiten zoals de Corona­crisis. Oftewel: hoe kunnen we voorkomen dat het hoger onderwijs in geval van calamiteiten ontwricht wordt? Hoe kunnen we als onderwijsinstelling onze bedrijfscontinuïteit verbeteren als er ontwrichtende calamiteiten optreden? En hoe kunnen we de benodigde hersteltijd in zo’n geval bekorten, zodat de studievoortgang en het welzijn van studenten zo min mogelijk ge­schaad wordt en dat extra studievertraging voorkomen wordt?
Lees verder … (PDF)

Beheersing van de bedrijfscontinuïteit (II):
de stagegarantie in het mbo

Wes Holleman | 24-02-2021 | 1 Reactie » | permalink

Scholen behoren hun best te doen om hun leerlingen te beschermen tegen het risico dat een deel van het geplande onderwijs­programma door calamiteiten opgeschort of geannuleerd moet worden en dat de leerlingen daardoor in de kou blijven staan. In de bedrijfskunde wordt dat Business Continuity Management genoemd: zorg dat je ook in het geval van ‘zwaar weer’ kwaliteit kan blijven leveren en dat eventuele averij snel hersteld kan worden. Het zou geen gek idee zijn als de Onderwijsinspectie periodiek zou toetsen of de door de overheid bekostigde scholen over een geloofwaardig bedrijfscontinuïteitsplan beschikken waarin scenario’s voor diverse calamiteiten zijn uitgewerkt. Zo heeft het beroepsonderwijs een scenario nodig voor het geval dat er een tekort aan stageplaatsen optreedt (en tevens voor het geval dat kwetsbare leerlingen niet of nauwelijks kans zien tijdig een stageplaats te bemachtigen).
In 2014 diende het Kamerlid mr. Tanja Jadnanansing (PvdA) een initiatiefnota in, waarin werd voorgesteld dat mbo-scholen bij de toelating van studenten moeten garanderen dat de verplich­te stages (beroepsprakijkvorming) inderdaad beschikbaar zullen zijn en dat die stages zodanig begeleid zullen worden dat de vereiste competenties inderdaad verworven en afgetekend kunnen worden (3/3/2014). Het sluitstuk van haar voorstel was (a) dat de school de zeilen naar de wind zet en dus het toegelaten aantal studenten aanpast aan het te verwachten aantal beschikbare stageplaatsen; en (b) dat de school een vervangende praktijkopdracht moet aan­bieden als er onverhoopt geen stageplekken voorhanden blijken te zijn. In een Kamerbrief (3/7/2014) ant­woordt minister Busse­maker dat een vervangende praktijkopdracht in noodgevallen is toe­gestaan, maar dat de student ook in overweging moet worden gegeven: (c) alsnog om te zwaaien naar een andere beroepsopleiding. Wat het instellen van een numerus fixus betreft (de optie a), stelt de minister dat deze gebaseerd moet worden op structurele arbeidsmarkt­progno­ses en niet op een tijdelijk tekort aan stage­plaatsen. [Met andere woorden: het mbo moet in zijn toelatingsbeleid prioriteit geven aan de maatschappelijke vraag naar gekwalificeerde arbeids­krachten en niet aan de ethische roep om stagegaranties voor toegelaten studenten.] Uiteinde­lijk zegt de minister duidelijk waar het op staat (26/5/2016): de mbo-instelling kan worden aangesproken op het verzaken van haar zorgplicht [een inspanningsverplichting], maar zij kan niet door studenten aansprakelijk worden gesteld als er geen stageplaats kan worden gevonden en als studenten daardoor studievertraging oplopen, want op dat punt is er een gedeelde verantwoordelijkheid die bij onderwijsinstelling, student en stagebiedend bedrijfs­leven tezamen ligt.
Vier jaar later, maart 2020, moest worden geconstateerd dat deze ministeriële uitgangspunten niet toekomstbestendig zijn. Het Nederlandse onderwijs werd ontwricht door de corona­pande­mie en in rap tempo werden overheidsmaatregelen uitgevaardigd om de crisis het hoofd te bieden.
Lees verder … (PDF)

Beheersing van de bedrijfscontinuïteit (I)

Wes Holleman | 14-02-2021 | 1 Reactie » | permalink

Het categoraal gymnasium Johan van Oldenbarnevelt (JvO) is gevestigd in Amersfoort. Het is een excellente school voor ambitieuze vwo-leerlingen. Het onderwijs wordt grotendeels ver­zorgd door eerstegraadsdocenten en de resultaten liggen elk jaar boven het landelijk gemiddel­de. Om de bovenbouwleerlingen te stimuleren het beste uit zichzelf te halen, worden de toetsen van het lokale schoolexamen heel streng becijferd. Ten gevolge daarvan haalt de gemid­delde leerling op de lokale schooltoetsen niet meer dan magere zesjes of zevens, terwijl ze op de landelijke (centraal afgenomen) examenonderdelen veel hoger scoren.
Maar vorig jaar kreeg het JvO met deze toetsstrategie de kous op de kop. Het Nederlandse onder­wijs werd ontwricht door de COVID19-pandemie, waardoor het centraal-schriftelijk exa­men moest worden afgelast. Een mooie cijferlijst? Die konden de eind­examenkandidaten van het JvO op hun buik schrijven, want de schrale cijfers van de lokale schooltoetsen werden niet gecompen­seerd door de hogere cijfers die zij op het centraal-schriftelijk hadden mogen ver­wachten. De schoolleiding trachtte de paniek te bezweren met de aankondiging dat de cijfers van het lokale schoolexamen alsnog zouden worden opgehoogd aan de hand van de examen­resultaten van vorige leerlingcohorten. Maar zij werd teruggefloten door het ministerie: haar provisorische Plan B moest worden teruggedraaid.
Kortom: door onvoorziene omstandigheden (de landelijke afgelasting van het centraal-schrifte­lijk vwo-examen in 2020) werden de eindexamenkandidaten van het JvO gedupeerd. Dat kwam doordat hun toetsprestaties op het schoolexamen lager becijferd waren dan ze eigenlijk ver­diend hadden. De school heeft haar leerlingen dus schade berokkend en zij heeft daarmee zelf ook reputatie­schade opgelopen. Had dat voorkomen kunnen worden? Dat weet ik niet, maar het ziet er in elk geval naar uit dat het JvO tekort is geschoten in de planmatige beheer­sing van de continuïteit van haar bedrijfsprocessen. Door bedrijfskundigen wordt dat kort­weg aangeduid als Business Continuity Management (BCM), oftewel Beheersing van de Bedrijfscontinuïteit. Wat is BCM?
Lees verder … (PDF)

De bestorming van het Capitool

Wes Holleman | 13-01-2021 | 1 Reactie » | permalink

Dinsdag 3 november 2020 was de grote dag. Het Amerikaanse volk moest kiezen tussen de zittende president Donald Trump en zijn uitdager Joe Biden. Trump verloor. Toen het Congres op het punt stond de verkiezingsuitslag ceremonieel te bekrachtigen, 6 januari 2021, werd het Capitool bestormd door woedende Trump-aanhangers. Biden sprak van een ongekende aanval op de democratie. De volgende dag verscheen op de website van Education Week een hoofd­artikel met lesideeën: how to teach the U.S. Capitol Attack?
Ik denk dat de meeste leraren zich ertoe zullen beperken hun leerlingen voor te lichten over de formele spelregels van het democra­tisch proces en over gangbare definities van respectievelijk demonstranten, opstandelingen en ‘domestic terrorists’. Ze zullen de vingers niet willen branden aan het ware relaas over de ondermijning van het algemeen kiesrecht. In dat relaas, dat de periode van maart 2020 tot 6 januari 2021 bestrijkt, worden drie Trumpiaanse denk­stappen onderscheiden:
1. Stop postal voting: het stemmen per post is fraudegevoelig en moet dus zoveel mogelijk worden afgeremd (Wikipedia 2021a);
2. Stop counting: de stemmen die op het nippertje per post zijn uitgebracht, moeten niet worden meegeteld (YouTube 4/1/2021a; Time 4/1/2021);
3. Stop the steal: de verkiezingsuitslagen van de ‘swing states’ moeten ongeldig worden verklaard (Wikipedia 2021b; YouTube 8/1/2021b).
Maar dat relaas betreft vooral het getouwtrek (maart 2020 in gang gezet door Donald Trump) over stemmen per post. Emeritus-hoogleraar Andrew Winnick heeft in oktober 2020 een essay geschreven waarin hij laat zien dat de democratie van de Verenigde Staten in méér dan één opzicht geteisterd wordt door manipulaties waarmee het algemeen kiesrecht [one (wo)man one vote] wordt uitgehold. Het essay is gepubliceerd en vertaald door Monika Triest (2020a, 3/11/2020b).
Als leraren dergelijke fundamentele kritiek op de Amerikaanse democratie zouden uitdragen, worden ze vermoedelijk per omgaande als ‘un-American’ nestbevuilers weggezet. En ze maken zich volstrekt onmogelijk als ze bovendien (in navolging van Winnick) de invoering van het evenredig kiesrecht zouden propageren, in plaats van het Amerikaanse systeem van Winner takes all.

Oudjaar 2020: professionele terughoudendheid (II)

Wes Holleman | 31-12-2020 | 1 Reactie » | permalink

Dit jaar verschenen er 47 blogberichten op Onderwijsethiek.nl. De inhoudsopgave tref je HIER aan. Een belangrijk thema, dit jaar, was het spanningsveld tussen de academische vrijheid (ook wel professionele ruimte genoemd) en de vrijheid van meningsuiting. Bij de uitoefening van hun burgerlijke vrijheid van meningsuiting moeten docenten professionele terughoudendheid be­trachten.
Begin dit jaar schreef ik over een mbo-docente (22/1/2020). Ze was betrokken bij een revolu­tionair vernieuwingsproject in haar op­leiding. Maar er ging nogal wat mis en de studenten waren daar de dupe van. Als ‘reflective professional’ schreef ze een feitelijk doch kritisch ver­slag van het project. Die professionele ruimte heb je nodig om samen met je collega’s te leren van gemaakte fouten. Maar tot ontsteltenis van de betrokkenen besloot ze vervolgens het verslag in boekvorm te publiceren. Zij beriep zich op de vrijheid van meningsuiting, maar juist in arbeidsorganisaties worden daaraan beperkingen gesteld. Bij de keuze van het publicatie­medium en het beoogde publiek had ze onvoldoende rekening gehouden met de belangen van haar collega’s, van haar studenten en van haar werkgever. Ze werd op grond van de verstoorde arbeidsrelatie ontslagen.
In maart beschreef ik een incident met het deeltentamen Propositielogica aan de Utrechtse universiteit (8/3/2020). De docenten wilden eens leuk doen met hun tentamenopgaven en poneerden negatief geladen proposities over de politieke partij van Thierry Baudet. Deze humoristische antipropaganda getuigt van gebrek aan professionele terughoudendheid bij de uitoefening van hun vrijheid van meningsuiting. En voor examinatoren is dat al helemaal uit den boze.
Een paar weken later (22/3/2020) wijdde ik een blogbericht aan de vrijheid van meningsuiting in het Amerikaanse hoger onderwijs. Volgens het Amerikaanse rechtssysteem kunnen perso­neelsleden en studenten binnen openbare onderwijsinstellingen aanspraak maken op de grond­wettelijke vrijheid van meningsuiting. In dat verband mogen studenten ook gastsprekers van allerlei pluimage uitnodigen teneinde een eigen mening te vormen. Maar zodoende komen ook anti-intellectuele gastsprekers en agitatoren de campus binnen. Dat wringt met de missie van de universiteit om haar studenten academische vorming te bieden, om hun maatschappelijk verantwoordelijkheidsbesef te bevorderen en om een platform bieden voor constructief weten­schappelijk en maatschappelijk debat. Hoe kun je die vormingstaak jegens studenten vervullen als je wettelijk verplicht bent hen zonder restricties aan een spervuur van verwerpelijke op­vattingen bloot te stellen?
De vrijheid van meningsuiting kent ook een confessionele variant. Mogen christelijke en islamitische scholen in het kader van de religieuze vorming verkondigen dat homoseksueel gedrag zondig is? Ja, dat valt binnen hun confessionele vrijheid van menings­uiting, zegt de Onderwijsinspectie (blog 15/3/2020). Net zo goed als ze mogen verkondigen dat seks vóór of buiten het huwelijk zondig is. Maar scholen handelen in strijd met hun burgerschapsopdracht als ze homoseksuele leerlingen zouden discrimineren of als ze zouden beweren dat homo­seksuelen gediscrimineerd mogen worden (29/11/2020). In dat opzicht moeten ze dus profes­sionele terughoudendheid betrachten. En dat muisje krijgt nog wel een staartje: in hoeverre zal de Onderwijsinspectie in het licht van hun wettelijke burgerschapsopdracht toestaan dat christelijke en islamitische scholen corrigerend of remediërend optreden tegen leerlinggedrag dat zij als zondig bestempelen?
Lees verder … (PDF)

Rob Kickert zegt: strenger studieadvies werkt

Wes Holleman | 13-12-2020 | 4 Reacties » | permalink

Vrijdag 4 december promoveerde Rob Kickert op het proefschrift Raising the bar (EUR 3/12/2020, NRC 3/12/2020). Hij heeft de effectiviteit van de strenge examenregeling van de Rotterdamse opleidingen Bedrijfskunde, Geneeskunde en Psychologie onderzocht. Die regeling houdt in dat alle studenten die aan het eind van hun eerste studiejaar vertraagd zijn geraakt, middels een ‘bindend studieadvies’ (BSA) uit de opleiding worden verwijderd, tenzij ze per­soon­lijke omstandigheden kunnen aanvoeren die de studie­vertraging veroorzaakt hebben. Hij con­cludeert dat die regeling inderdaad tot een hoger studietempo leidt. Prompt heeft VVD-parlementariër Dennis Wiersma Kamervragen (4/12/2020) aan minister Van Engelshoven gesteld: welke beleidsconclusies verbindt u aan deze onderzoeksbevindingen? De minister zou het volgende kunnen antwoorden:
1. De Rotterdamse examenregeling (“Nominaal=Normaal”) staat op gespannen voet met de Wet op het hoger onderwijs (WHW), waarin bepaald is dat één studiepunt voor de gemiddelde student 28 uur kost. Een jaarlast van 60 studiepunten kost de gemiddelde student dus 1680 uur. Het bindend studieadvies wordt vlak na het begin van de zomervakantie uitgebracht, dus eer­stejaarsstudenten hebben slechts 42 werkweken van 40 uur tot hun beschikking om de vereiste 60 studiepunten te verwerven. Maar dan hebben we het over de gemiddelde (=mediane) stu­dent. Vijftig procent van de aankomende studenten heeft méér dan 1680 uur nodig om de wette­lijke studielast te verzetten: hun individuele studielast is derhalve, 10 maanden lang, méér dan 40 uur per week. Die ‘slechtere’ helft van het studentencohort omvat deels ongeschikte, maar deels ook geschikte studenten. Een groot risico van de Rotterdamse examen­regeling is dat geschikte studenten overbelast worden en ten onrechte worden weggestuurd.
2. In dat verband kan de minister erop wijzen dat vele studenten zinloos worden rondgepompt: ze worden bij de ene instelling middels een BSA uit de opleiding verwijderd, waarna ze die­zelfde opleiding bij een andere instelling met succes doorlopen.
3. Bij de evaluatie van de Rotterdamse examenregeling moet men tevens rekening houden met het risico dat overbelaste eerste­jaars­studenten weliswaar de BSA-norm halen, maar in hun tweede verblijfsjaar veel hersteltijd nodig hebben. Het risico is dus dat hun belastbaarheid na het succesvolle eerste jaar omlaag duikelt en dat ze ten gevolge daarvan in hun tweede jaar veel vertraging oplopen.
4. Verder kan de minister erop wijzen dat er nergens in Nederland experimentele evaluaties van BSA-examenregelingen onder­nomen zijn (cf. Spaai et al. 2019). Zo is het denkbaar dat de gemeten positieve effecten van de nieuwe (strenge) examenregeling van een opleiding (in ver­gelijking met de oude, minder strenge examenregeling van die opleiding) te danken zijn aan het feit dat aspirant-studenten die willen (of moeten) werken naast hun studie, naar een zuster­opleiding aan een andere onderwijsinstelling uitwijken. Anders gezegd: als je hier een strenge examenregeling invoert, dan krijg je een waterbedeffect op de instroompopulatie, hetgeen be­tekent dat de aspirant-studenten met een relatief lage slaagkans hun heil elders zoeken. Daar­door krijg je een geflatteerd beeld van de effectiviteit van de nieuwe examenregeling.
5. Tot zover de algemene kanttekeningen. Als de minister dieper wil graven moet zij het proef­schrift zelf ter hand nemen, maar bij mijn weten is dat nog niet verkrijgbaar (RidderPrint). Gelukkig zijn er wel enkele andere bronnen beschikbaar die enig licht werpen op de vermoede­lijke inhoud van het proefschrift, namelijk Kickert et al. (23/11/2020), EUR (16/11/2020) en Adriaans et al. (2013). Hieruit kan de minister de volgende kanttekeningen putten:
Lees verder … (PDF)

Tweede Kamer: nieuwe burgerschapsopdracht

Wes Holleman | 29-11-2020 | 3 Reacties » | permalink

[1. ACTIEF BURGERSCHAP EN SOCIALE COHESIE:] Het onderwijs bevordert actief burgerschap en sociale cohesie op doel­gerichte en samenhangende wijze, waarbij het onderwijs zich in ieder geval herkenbaar richt op:
[1.1] het bijbrengen van respect voor en kennis van de basiswaarden van de democratische rechtsstaat, zoals verankerd in de Grond­wet, en de universeel geldende fundamentele rechten en vrijheden van de mens, en [1.1A] het handelen naar deze basis­waarden op school;
[1.2] het ontwikkelen van de sociale en maatschappelijke competenties die de leerling in staat stellen deel uit te maken van en bij te dragen aan de pluriforme, democratische Nederlandse samenleving; en
[1.3] het bijbrengen van kennis over en respect voor verschillen in godsdienst, levensover­tui­ging, politieke gezindheid, afkomst, geslacht, handicap of seksuele gerichtheid alsmede de waarde dat gelijke gevallen gelijk behandeld worden.
[2. SCHOOLCULTUUR:] Het bevoegd gezag draagt zorg voor een schoolcultuur die in overeenstemming is met de waarden [be­doeld in 1.1], creëert een omgeving waarin leerlingen worden gestimuleerd actief te oefenen met de omgang met en het handelen naar deze waarden en draagt voorts zorg voor een omgeving waarin leerlingen en personeel zich veilig en ge­accepteerd weten, on­geacht de [in 1.3 genoemde] verschillen.
Lees verder … (PDF)

Scriptiebegeleiders op stukloon (III)

Wes Holleman | 17-11-2020 | 2 Reacties » | permalink

Willem van Boom, hoogleraar Privaatrecht in Leiden, berichtte op Twitter (14/11/2020) dat zijn instituut, wat het begeleiden van scripties betreft, momenteel overbelast wordt en dat men daarom een wervingsactie onder alumni en oud-collega’s is gestart om deze personele nood te lenigen. Zijn hooggeleerde collega Koen Caminada lichtte toe dat er voor de begeleiding van een bache­lor­scriptie (inclusief tweede lezing en administratieve afhandeling ervan) tien uren staat, wat dan ongeveer 570 euro per scriptie oplevert. Ik begrijp daaruit dat Leidse scriptie­begeleiders tevens als mede-examinator (tweede beoordelaar) fungeren.
In een volgende tweet (15/11/2020) bevestigde Van Boom dat de beoogde externe scriptie­begeleiders gewoon betaald worden voor hun ‘eenmalige arbeidsintensieve scriptiebegelei­ding’. Wat moet dat betekenen? Moeten we daaruit opmaken dat ze op stukloon betaald worden: dus dat er niet zal worden uitbetaald tenzij ze samen met de eerste beoordelaar tot de conclusie zijn gekomen dat de beoordeelde scriptie van voldoende kwaliteit is?
Daarmee zou de onafhankelijkheid van de externe scriptiebegeleiders (annex tweede beoor­delaars) ernstig worden ondermijnd. Om hun honorarium te toucheren moeten ze tot alle prijs voorkomen dat de student een ondermaatse scriptie aflevert en dat de eerste beoordelaar niet akkoord gaat met het geven van een genadezesje. In gewoon Nederlands heet dat on­toelaatbare belangen­verstrengeling.
De Leidse rector Carel Stolker (14/11/2020, 15/11/2020), die voorheen eveneens een leerstoel Privaatrecht bekleedde, toonde zich zeer positief tegenover dergelijke wervingsacties. Datzelfde geldt voor de Maastrichtse rector Rianne Letschert (14/11/2020). Maar zij verkeerden aan­vankelijk in de veronderstelling dat het om de werving van onbetaalde vrijwilligers gaat. In dat geval rest nog altijd de vraag, hoe door de faculteit gewaarborgd kan worden dat die vrij­willigers hun begeleidings- en beoordelingstaken competent, integer en conform de lokale richtlijnen zullen vervullen.

Fakenieuws over de cartoonrellen

Wes Holleman | 15-11-2020 | 6 Reacties » | permalink

1. EEN HALVE WAARHEID. De Franse overheid heeft beweerd dat de leraar Samuel Paty is vermoord omdat hij in zijn les over de vrijheid van meningsuiting Mohammedcartoons heeft vertoond, waarmee (naar de mening van moslims) de Profeet werd beledigd. Daarmee ver­kondigde zij een halve waarheid. Bij de moslimouders ontstond ophef omdat Samuel Paty tijdens zijn les aan hun 13- à 14-jarige kinderen een pornografische afbeelding van een homo­seksuele scène had getoond. Rechtzinnige moslims hebben het bange gevoel dat de Franse Staat zijn onderwijsmonopolie misbruikt: dat op school niet alleen de gelijkberechtiging van afwijkend seksueel gedrag gepreekt wordt, maar dat afwijkend gedrag zelfs gepropageerd wordt. Zij werden in dat bange gevoel gesterkt door de pornografische prent die Samuel Paty zonder hun ouderlijke toestemming meende te moeten vertonen aan hun opgroeiende kinderen.
2. VALSE OVERHEIDSPROPAGANDA. Daarnaast wordt in de gewraakte prent de lasterlijke aantijging gedaan dat de Profeet zich, in strijd met de aan Hem geopenbaarde geboden, aan homoseksueel gedrag zou hebben overgegeven. Ik kan daar geen greintje ironie of spot in zien, maar volgens het Nederlandse Wetboek van Strafrecht (art. 270) kunnen gelovigen na zoveel eeuwen geen aangifte van ‘belediging jegens hun overledene’ doen. Doch minister-president Rutte overspeelde zijn hand met zijn recente stelling dat ‘niemand het recht [heeft] om niet beledigd te worden’, want daarmee ging hij zich te buiten aan een stukje valse overheids­propaganda. Met name de kwaadaardige, tweede cartoon die door Paty getoond is (“Tout est pardonné”), kan worden uitgelegd als een vorm van groepsbelediging of haatzaaien die in Nederland strafbaar is (artt. 137c/d WvS): “Gij Franse moslims, ge belijdt met goedkope spandoekjes dat ge de kant van de vermoorde redactieleden van Charlie Hebdo kiest (als martelaars van de vrijheid van meningsuiting), maar diep in uw hart verdedigt gij de mening (die ge aan de Profeet toeschrijft), dat de jihadistische moordenaars vergeving verdienen en als martelaars van het ware geloof tot de hemel moeten worden toegelaten.”
3. VALSE OVERHEIDSPROPAGANDA (VERVOLG). Ook als de stelling van de minister-president wordt toegepast op de dagelijkse situatie van Nederlandse scholieren, moet zij als valse propaganda worden weggezet. Waarom kunnen leerlingen van school worden gestuurd als ze medeleerlingen pesten? Waarom wordt er aangifte gedaan als een leraar of een andere publieke ambtsdrager door een scholier beledigd wordt? En waarom kunnen leraren worden ontslagen als ze leerlingen stelselmatig kwetsen of vernederen? Op school heb je wel degelijk het recht niet gepest, gekwetst of beledigd te worden.
4. LYING BY OMISSION. Op Politie.nl wordt vrijdagochtend 6 november gemeld dat zij ‘een 18-jarige vrouw uit Rotterdam [heeft] aangehouden voor opruiing in het onderzoek naar be­dreigingen richting het Emmauscollege en een docent van de school. De vrouw wordt ervan verdacht dat zij [op 2 november, de dag waarop het Emmauscollege de gewelddadige dood van Samuel Paty herdacht] een bericht op social media heeft gepost, waardoor zij anderen heeft aangezet tot het plegen van strafbare feiten richting de school en docent.’ Uit de gekozen be­woording (waardoor i.p.v. waarmee) krijg ik de indruk dat haar enige misdaad is geweest dat zij op Instagram door middel van een foto en begeleidende tekst bekendheid heeft gegeven aan een nieuwsfeit: dat er sinds 2015 een agressieve spotprent in het vaklokaal van een docent heeft gehangen en dat moslimleerlingen hebben geëist dat die spotprent nou eindelijk eens ver­wijderd werd. Als die indruk juist is, dan heeft Politie.nl zich schuldig gemaakt aan lying by omission.
5. UNFAIRE VOORINGENOMENHEID. De objectieve journalisten van de Nederlandse Omroepstichting konden er trouwens ook wat van. Zij berichtten (5/11/2020) dat het protest van de moslimleerlingen op een misverstand berustte: de afgebeelde Arabier was niet de Profeet, maar een gewone jihadist. Maar zij vertelden niet aan welke alwetende bron ze die wijsheid ontleenden. Zij maakten zich schuldig aan unfaire vooringenomenheid. Want uit de dubbel­zinnige spotprent zelf, getekend in 2015 door Joep Bertrams, kunnen we slechts opmaken dat de onsterfelijke erfgenamen van Charlie Hebdo omstreeks 7 januari 2015 hebben aangekondigd dat ze de afgebeelde Arabier eeuwigdurend zullen blijven bespotten. Maar het blijft onduidelijk wie precies het mikpunt van hun spot is. Staat de Arabier symbool voor de jihadistische volgelingen van de Profeet? Of voor hun beeld van de Profeet, onder wiens wrekende vaandel zij strijden? Of voor (de Profeet van) álle gelovige moslims die zich door Zijn Goddelijke openbaringen laten leiden?
6. EEN SCHRIJNENDE ONWAARHEID. Op zijn persconferentie (6/11/2020) verkondigde de minister-president een schrijnende onwaarheid over de gebeurtenissen in Rotterdam. Hij deed het voorkomen dat de leraar heeft moeten onderduiken omdat hij be­dreigd is vanwege het feit dat hij in een les over de vrijheid van meningsuiting een spotprent had getoond. Maar volgens bericht­geving in de NRC (4/11/2020) had de desbetreffende leraar de gewraakte spotprent al vijf jaar lang op het prikbord in zijn vaklokaal hangen. De moslimleerlingen protesteerden niet tegen het vertonen van de spotprent in een incidentele les, maar tegen het feit dat leerlingen dag-in-dag-uit en jaar-in-jaar-uit in het vaklokaal met die agressieve spotprent geconfronteerd en belaagd werden. Enkele dagen later werd deze onwaarheid nogmaals gedebiteerd door minister Slob, in zijn antwoord op Kamervragen (9/11/2020).

Ze wilden Charlie dood, doch maakten hem onsterfelijk

Wes Holleman | 08-11-2020 | 5 Reacties » | permalink

Ze wilden Hem dood, doch maakten Hem onsterfelijk. Waar ken ik die slogan toch van? O ja, natuurlijk, dat was het lijdensverhaal van Jezus, het Lam Gods. Hij hangt in elke katholieke kerk, doodgemarteld aan het kruis. Hij is het spiegelbeeld van Isaak, zoon van Abraham (de aartsvader van de joden, christenen en moslims). God had Abraham opgedragen zijn zoon op het altaar te offeren. Abraham stond op het punt die opdracht godvruchtig te volvoeren, maar toen zond God hem een plaatsvervangend offerdier. Marte­laar Isaak werd dus door een Gods­wonder gered. Isaaks latere vrouw baarde Jakob en zijn kleinzoon heette Israël, de stamvader van het Joodse volk, dat zichzelf onsterfelijk acht op voorwaarde dat ze hun Verbond met God getrouw onderhouden.
In het licht van deze eeuwenoude religieuze symboliek is het niet zo verwonderlijk dat een docent van het Emmauscollege, een Rot­ter­damse katholieke middelbare school, al sinds vijf jaar een soortgelijke prent in zijn klas heeft hangen. De bijbehorende moraal: ze wilden Charlie dood, doch maakten hem onsterfelijk. Het is de spotprent die Joep Bertrams heeft gemaakt naar aanleiding van de moordaanslag op de redactie van het satirisch weekblad Charlie Hebdo (7/1/2015). Aan de rechterkant staat een Arabier met een bebloed zwaard in de hand en aan de linkerkant staat Charlie die, onthoofd en wel, zijn tong uitsteekt (sliep uit, sliep uit, alle mensen lachen je uit) en daaronder staat slechts één woord: Onsterfelijk.
De strekking van Joeps spotprent wordt nog duidelijker als je hem vergelijkt met de rouwprent van de Frans-Canadese cartoonist Garnotte (10/1/2015). Garnotte suggereert in zijn prent dat alle Franse moslims (bij monde van de heilige profeet Mohammed) de moordaanslag tegen de vrijheid van meningsuiting veroordelen en zich solidair verklaren met de redactie van Charlie Hebdo. De tekenaar voegt daar het volgende onderschrift aan toe: “[Ces terroristes infâmes] ont voulu tuer Charlie, ils l’ont rendu immortel. Ils ont voulu mettre la France à genou, ils l’ont mise debout[,] la solidarité est planétaire. Les français sont unis en bloc contre la barbarie….” Maar door een verbouwereerde Arabier (de Profeet zelf? of zijn jihadistische volgelingen? of alle moslims?) oog-in-oog met zijn slachtoffer te tekenen, toonde Joep Bertrams zich anno 2015 wel heel wat agressiever dan Garnotte: Ik, Charlie, ben de martelaar van het vrije woord, ook al hakken jullie mij namens je Profeet de kop af, ik laat me door jullie de mond niet snoeren, mijn bentgenoten blijven je opvattingen tot in eeuwigheid bespotten.
Persoonlijk heb ik het er niet zo op: noch op de verering van martelaren noch op het fanatisme dat daarmee gepaard gaat. Ik vind het onsmakelijk om mensen dag-in-dag-uit en jaar-in-jaar-uit te confronteren met een bloedstollende afbeelding van de marteling en executie van Jezus. En evenzo vind ik het smakeloos om leerlingen dag-in-dag-uit en jaar-in-jaar-uit te confron­teren met de beel­tenis van een onthoofde Charlie, net nadat hij geëxecuteerd is door een muzel­man (NRC 6/11/2020; EenVandaag 6/11/2020, 8″).
Wat die Rotterdamse leraar gedaan heeft, is domweg onprofessioneel. Zijn handelwijze heeft niks meer te maken met het didactisch gebruik van spotprenten in een les over de vrijheid van meningsuiting. Het lijkt meer op aanhoudende katholieke propaganda tegen de islam. Het is niet toevallig dat aan de moslimleerlingen op deze ‘open katholieke school’ een belangrijke grondwettelijke uitings­vrijheid (de vrijheid tot het dragen van een hoofddoek) ontzegd wordt (AD 3/7/2017). En het is niet verwonderlijk dat leerplichtige moslimleerlingen op deze school verleden maandag in actie zijn gekomen bij de herdenking van Samuel Paty (die vermoord werd nadat hij aan zijn leerlingen een pornografische Mohammedcartoon van Coco had laten zien): het is niet verwonderlijk dat zij die herdenking hebben aangegrepen om van hun docent te eisen dat hij die agressieve spotprent van Joep Bertrams van zijn prikbord weghaalt, die de leer­lingen sinds vijf jaar ongewild hebben moeten aanschouwen (AD 3/11/2020). Inmiddels is de kwestie al flink geëscaleerd: de politie heeft vrijdag een 18-jarige vrouw aangehouden die ervan verdacht wordt ‘dat zij een bericht op social media heeft gepost, waardoor zij anderen heeft aangezet tot het plegen van strafbare feiten richting de school en docent’ (Politie.nl 6/11/2020). De school­leiding neemt haar kwalijk dat zij verzuimd heeft de context van de spotprent te verduidelijken (Rijnmond.nl 6/11/2020). Maar dat is nou juist zo tricky van multi-interpretabele spotprenten: dat de context ‘ín the eye of the beholder’ ligt. Zelfs de schepper van zo’n kunstwerk kan niet met 100% zekerheid navertellen wat, al weer jaren geleden, zijn bewuste bedoelingen en onder­bewuste drijfveren zijn geweest.