Andere bijdragen van studenten in het hoger onderwijs

Wes Holleman | 17-06-2021 | 3 Reacties » | permalink

1. Excellentie, heeft u kennis genomen van het artikel Vrees voor stortvloed aan eigen bijdragen van studenten in ScienceGuide?*)
2. Deelt u de vrees dat de Regeling andere bij­dragen van studenten in het hoger onderwijs tot een aanmerkelijke verhoging van het aantal beprijsde onderwijsvoorzieningen in het hoger onderwijs zal leiden?**) Zo neen, waarom niet?
3. Onderschrijft u de stelling dat een universiteitsbestuur in strijd met de bedoelingen van de wetgever zou handelen als hij, gezien de bijzondere aard van de opleiding, voor de deelname aan het verplichte talenpracticum Engels van de opleiding Engelse Taal en Cultuur (en voor de deelname aan het verplichte snijzaalpracticum van de opleiding Geneeskunde) een eigen bijdrage van studenten zou vragen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, bent u bereid de hoofdtekst van de concept-Regeling aan te passen om klip en klaar te maken dat onderwijsvoorzieningen alleen beprijsd mogen worden als het redelijkerwijs niet te rechtvaardigen valt de desbetref­fen­de kosten ten laste van het instellingsbestuur te brengen?
4. Onderschrijft u de stelling dat een hogere hotelschool in strijd met de bedoelingen van de wetgever zou handelen als zij niet alleen de ingekochte ingrediënten maar ook de afschrij­vingskosten van het keukengebouw en van de keukenoutillage aan de deelnemers van het voedingspracticum zou doorberekenen? Zo ja, bent u bereid de hoofdtekst van de concept-Regeling aan te passen, om klip en klaar te maken dat boekhoudkundige kostensoorten alleen mogen worden doorberekend als dat in redelijkheid te rechtvaardigen valt?
5. Onderschrijft u de stelling dat een instellingsbestuur in strijd met de bedoelingen van de wetgever zou handelen als het een onderwijsvoorziening binnen keuzevak X (resp. binnen een honours course X) zou beprijzen zonder een kosteloos alternatief (X1) aan te bieden, argu­men­terend dat studenten gewoon kunnen uitwijken naar een ander keuzevak (Y), resp. naar de corresponderende niet-honours course (Y) binnen het reguliere programma? Zo nee, kunt u uw oordeel staven met het ministeriële standpunt dat verwoord is in haar brief uit 2015?***) Zo ja, bent u bereid de hoofdtekst van de concept-Regeling aan te passen om misverstanden te voor­komen?
———–
*) https://www.scienceguide.nl/2021/06/vrees-voor-stortvloed-aan-eigen-bijdragen-van-studenten/
**) https://www.internetconsultatie.nl/eigenbijdragestudenten
***) https://www.rijksoverheid.nl/documenten/brieven/2015/04/28/brief-over-eigen-bijdrage-studenten

Prijsverhogingen in het hoger onderwijs (II)

Wes Holleman | 02-06-2021 | 6 Reacties » | permalink

In mijn vorige blogbericht (16/5/2021) plaatste ik tentatieve kanttekeningen bij de ministeriële concept-regeling Andere bijdragen van studenten die op 11 mei in het kader van een internet­consultatie gepubliceerd werd. Inmiddels heb ik nog eens twee weken op deze concept-regeling gestudeerd en nu heb ik een doordachte reactie naar de Haagse website gestuurd. Die reactie tref je HIER aan. Naar mijn stellige indruk is de concept-regeling een juridische gaten­kaas die tot ongebreidelde prijsverhogingen voor studenten zal leiden.

Prijsverhogingen in het hoger onderwijs

Wes Holleman | 16-05-2021 | 6 Reacties » | permalink

In het kader van een internetconsultatie is op 11 mei de concept-regeling Andere bijdragen van studenten gepubliceerd. De Regeling moet per 1 september 2021 in werking treden, samen met de wijziging van artikel 7.50 WHW (Variawet 2021). Volgens deze nieuwe Regeling mogen universiteiten en hogescholen een eigen bijdrage van studenten verlangen voor de deelname aan een practicum, workshop of onderwijsexcursie, althans als de kosten daarvan voortvloeien uit de bijzondere aard van de desbetreffende opleiding. Een soortgelijke eigen bijdrage is gangbaar in de kunstopleidingen, maar met deze nieuwe Regeling mogen universiteits- en hogeschoolbesturen in principe binnen elke opleiding, welke dan ook, zulke eigen bijdragen invoeren.
In paragraaf 2.2 van de bijbehorende Toelichting suggereert het ministerie dat universiteiten en hogescholen slechts sporadisch gebruik zullen maken van de mogelijkheid een eigen bijdrage in rekening te brengen (zoals in de opleidingen Egyptologie, Hotelmanagement of Voeding & Diëtetiek). Maar dat lijkt eerder een praatje voor de vaak. De kosten van het Snijzaalpracticum vloeien voort uit de bijzondere aard van de opleiding Geneeskunde, dus waarom zouden die niet mogen worden doorberekend aan de student? Datzelfde geldt voor de kosten van het talenpracticum Engels, want die vloeien voort uit de bijzondere aard van de opleiding Engelse Taal en Cultuur. Gezien zijn bijzondere (internationale!) aard kan het Engelstalige University College eveneens een eigen bijdrage voor het talenpracticum Engels verlangen. En de kosten van de workshop Onderhandelen voor Juristen (een keuzevak) vloeien wel degelijk voort uit de bijzondere aard van de rechtsgeleerde opleidingen. Volgens een leidraad van de Universiteit Utrecht (2016) mag in dat geval een eigen bijdrage in rekening worden gebracht, zolang de student naar kosteloze keuzevakken kan uitwijken.
Kortom: ik vrees dat het hek van de dam is. De voorgestelde Regeling ‘Andere bijdragen van studenten’ versterkt de ondoordachte vermarkting van het hoger onderwijs. De universiteiten en hogescholen verwelkomen de eigen bijdrage van studenten als een substantiële inkomstenbron (of als een substantiële bezuinigingsstrategie). Voor (sommige) studenten is ’t een welkome gelegenheid om hun C.V. te verrijken met prestigieuze practica, workshops en excursies die hun medestudenten niet kunnen of willen betalen. En (sommige) rijke ouders verwelkomen dat ze dichtbij huis een studieloopbaan voor hun kinderen kunnen uitstippelen die (gezien de kosten) alleen voor ‘ons soort mensen’ is weggelegd (met hoogbeprijsde cursussen en eventueel ook met een grotere ‘course load’ en/of een hoogbeprijsde, tweede masteropleiding).
Ten slotte moet ik nog op twee lacunes in de Regeling wijzen. Ten eerste laat de Regeling in het midden of een eigen bijdrage in rekening mag worden gebracht voor de deelname aan practica, workshops of onderwijsexcursies die tot (het opleidingsspecifieke deel van) een honours­programma behoren. En ten tweede wordt de lezer in de Toelichting niet geattendeerd op het derde en vierde lid van het nieuwe artikel 7.50 WHW. Daar staat dat het instellings­bestuur moet voorzien in financiële ondersteuning van (sommige) studenten indien de verlangde eigen bijdrage voor hen een onoverkomelijke belemmering vormt om aan het practicum c.q. de workshop c.q. de excursie deel te nemen.

Feminisme zonder bh

Wes Holleman | 10-05-2021 | permalink

Lisa Marie Peters (31 jaar) is docent aan een Duitse middelbare school. Ze heeft altijd prin­cipieel geweigerd een bh te dragen, zelfs toen ze zwanger was. Maar ze werd er wel op aan­gesproken door de Gleichstellungsbeauftragte van haar school. Want naar verluidt namen de leerlingen er aanstoot aan dat ze met de beweeglijkheid van haar borsten en de contouren van haar tepels te koop liep. Op school is er geen kledingvoorschrift dienaangaande, zoals dat bijvoorbeeld voor naveltruitjes geldt. Maar gezien haar professio­nele voorbeeldfunctie voor de vrouwelijke leerlingen, gaf de emancipatiefunctionaris haar serieus in overweging te stoppen met deze kledinggewoonte. Op haar opiniërende artikel in Die Zeit kreeg Lisa Marie 335 lezers­reacties.
Bron: Die Zeit print (21/4/2021, uitsluitend voor abonnees); Die Zeit podcast (17/2021)

Vrije meningsuiting van werknemers

Wes Holleman | 05-05-2021 | 2 Reacties » | permalink

September 2019 publiceerde Paula van Manen een kritische kroniek van een vernieuwings­project dat ze als mbo-docent had meegemaakt. Dat leidde tot haar ontslag, hetgeen onlangs in hoger beroep is bekrachtigd: het gerechtshof constateert dat de arbeids­ver­hou­ding duurzaam verstoord is. De voorzitter van de onderwijsvakbond AOb/fnv heeft verontwaardigd gereageerd (VK 24/4/2021). Op haar eigen website (25/5/2020, 27/4/2021) stelt Van Manen dat de rechter­lijke motivering van het vonnis (verstoorde arbeidsverhouding) een bedrieglijke stok is om de hond te slaan. Volgens haar mag een Nederlandse werkgever jegens de werk­nemers geen inbreuk maken op hun burgerlijke vrijheid van meningsuiting en en mag hij hen dus ook niet ontslaan vanwege de publicatie van een boek. Dat standpunt verdient vier kanttekeningen.
1. De wetgever biedt aan werkgevers wel degelijk ruimte om de vrijheid van meningsuiting van werknemers te beperken, maar die ruimte wordt heel algemeen gedefinieerd. In het nieuw Bur­gerlijk Wetboek (artikel 7:611) is namelijk bepaald dat de werkgever en de werknemer ver­plicht zijn zich als een goed werkgever en als een goed werknemer te gedragen (Van Midden 2012). Het wordt aan de wijsheid van de rechterlijke macht overgelaten de belangen af te wegen en gaandeweg jurisprudentie te ontwikkelen. Bijvoor­beeld over het recht van werknemers op een veilige werkomgeving; over het recht op bescherming van hun privacy; over hun plicht om niet uit de school te klappen (inzake vertrouwelijke bedrijfsgegevens); over hun plicht zich loyaal te betonen en het bedrijfs­belang voor ogen te houden; en over hun plicht constructief samen te werken met collega’s en hen met respect te bejegenen.
2. Bij een arbeidsconflict moet de rechter een afweging maken tussen de belangen van het bedrijf, de belangen van de werknemer en algemeen-maatschappelijke belangen. Zo bestaat er sinds 2016 de Wet Huis voor Klokkenluiders: wat moeten werknemers doen als ze concrete misstanden aan de kaak menen te moeten stellen? Doel van deze wet is onder andere te waar­borgen dat ze niet worden ontslagen (of anderszins benadeeld) op grond van het feit dat ze een misstand hebben aangekaart. Maar daarbij geldt als spelregel dat ze (het vermoeden van) een misstand in principe eerst bij het daartoe aangewezen loket binnen het bedrijf moeten melden, opdat de bedrijfsleiding de gelegenheid krijgt de (vermeende) misstand zelf aan te pakken. Analoog aan deze wettelijke spelregel, laat het gerechtshof in de affaire Van Manen door­schemeren dat ze wellicht niet als een goed werknemer heeft gehandeld indien ze tijdens het project verzuimd heeft via de interne communicatiekanalen aan de bel te trekken en pas achteraf in haar boek de noodklok heeft geluid.
3. Bij de belangenafweging in de affaire Van Manen wordt de ontslaggrond ‘duurzaam ver­stoorde arbeidsverhouding’ geenszins als een holle frase gehanteerd. Het gerechtshof con­stateert dat zij door het publiceren van haar kritische kroniek de werkrelaties met haar collega’s ernstig en onherstelbaar verstoord heeft. Haar boek kan enerzijds worden gelezen als een afstandelijk gewetens­onderzoek (zoals Het Bureau van J.J. Voskuil), maar anderzijds als een vlammend protest tegen actuele beleidsprocessen binnen een herkenbare organisatie (zoals het pamflet J’accuse van Émile Zola). Door haar oncollegiale openbaarmaking van de interne gang van zaken in het vernieuwingsproject heeft zij schade toegebracht aan haar collega’s en daarmee ook aan het functioneren van de onderwijsinstelling.
4. Paula van Manen is een onderwijsprofessional die de belangen van haar mbo-studenten voorop stelt. Wanneer die belangen ten gevolge van ondoordachte onderwijsvernieuwingen in het gedrang dreigen te komen, springt ze voor hen in de bres, eventueel ook ten koste van haar professionele verplichtingen jegens de werkgever en jegens de collega’s op het werk. Colum­niste Aleid Truijens (VK 3/5/2021) roemt haar dappere strijdbaarheid. Maar deze eigen­zinnige rolopvatting heeft volgens mij een keerzijde. Als je compromisloos voor de burgerlijke vrijheid van meningsuiting kiest, ook als dat ten koste van goed werknemerschap gaat, dan moet je niet morren wanneer je uiteindelijk door de werkgever ontslagen wordt. Wie kaatst moet de bal verwachten.

Geen toegang zonder negatief testbewijs

Wes Holleman | 27-04-2021 | 3 Reacties » | permalink

Het kabinet heeft groen licht gegeven voor een verdere versoepeling van de lockdown in het mbo (per 1 maart) en ho (per 26 april 2021). De eis van anderhalve meter en mondkapje blijft daarbij van kracht. Daarenboven wordt studenten en docenten aanbevolen zichzelf regelmatig op corona te testen met een test die gratis door OCW ter beschikking wordt gesteld. Bij een positieve testuitkomst moet men in thuisquarantaine, in afwachting van de officiële GGD-test, die bij positieve uitkomst tot thuis-isolatie leidt.
Daarnaast wil het kabinet een andere optie achter de hand houden, namelijk dat sommige onderwijsvoorzieningen in het mbo en ho uitsluitend toegankelijk zijn voor studenten die een negatief testbewijs kunnen overleggen. Daartoe is op 19 april het wetsvoorstel voor een Tijdelijke wet testbewijzen covid-19 ingediend bij het Parlement. Het is de bedoeling dat het wetsvoorstel op 11 mei door de Tweede Kamer in stemming wordt gebracht. Wanneer ook de Eerste Kamer akkoord gaat, kan het kabinet de mogelijkheid tot het opleggen van dergelijke toegangsrestricties via een Algemene Maatregel van Bestuur uitwerken en invoeren. Met het oog daarop zijn er in de afgelopen maanden acht regionale pilotprojecten opgezet om te experimenteren met een negatief testbewijs in het mbo- en ho-onderwijs (zie bijvoorbeeld VK 24/4/2021).
Het is overigens nog lang niet zeker of en in hoeverre de overheid daadwerkelijk een negatief testbewijs gaat invoeren als voor­waarde voor deelname aan sommige onderwijsvoorzieningen in het mbo en ho (ScienceGuide 11/3/2021, 26/4/2021). Het enige wat zeker is, is dat de overheid sterke impulsen wil geven tot de terugkeer naar hoogwaardig campusonderwijs voor zoveel mogelijk studenten. Een negatief testbewijs wordt beschouwd als een paardenmiddel om dat doel te bereiken. Het probleem is namelijk (a) dat je zo’n testbewijs niet verplicht kunt stellen, want dat is strijdig met de burgerlijke grondrechten en (b) dat je studenten-zonder-negatief-testbewijs niet mag afschepen met onderwijs van lagere kwaliteit, want dat is discriminatie. Bij invoering van een negatief testbewijs moeten er derhalve drie parallelle onderwijsstromen van voldoende kwaliteit worden aangeboden: I. campusonderwijs met negatief testbewijs, II. campusonderwijs zonder negatief testbewijs en III. afstandsonderwijs als het niet anders kan.

Verborgen kennisbronnen van leerlingen

Wes Holleman | 21-04-2021 | 1 Reactie » | permalink

Leerlingen kunnen méér dan je denkt. Want ook buiten school hebben ze van alles opgestoken: thuis en bij familie, op straat, in contact met vrienden en vriendinnen, in zwerftochten op het internet, in sportclubs, in de BSO, in kerkelijk verband, et cetera. Leer­lingen kunnen dus putten uit verborgen kennisbronnen, of liever gezegd: ze kunnen uit kennisbronnen putten waar je als leraar geen weet van hebt. Het risico is dan dat leraren te weinig inspelen op datgene wat de leerling al weet en kan. Of erger nog, er kan storende discontinuïteit optreden tussen de schoolse en buitenschoolse belevingswereld van het kind.
In de jaren 2018-2020 hebben leerkrachten van Amsterdamse basisscholen samen met UvA-onderzoekers een project gedaan dat tot doel had die verborgen kennisbronnen aan te boren en leerlingen in staat te stellen die buitenschoolse kennis en bekwaamheden in te brengen in de klassesituatie. November 2020 werd een Praktijkboek gepubliceerd waarin leraren worden voorgelicht over de uitkomsten van het project. Verder wordt in onderstaand tekstkader een overzicht gegeven van de belangrijkste documenten van het project.
Lees verder … (PDF)

Wat is een trigger warning?

Wes Holleman | 14-04-2021 | 3 Reacties » | permalink

In de digitale Volkskrant (11/4/2021) verscheen een artikel van Emma Curvers over de zin of onzin van ‘trigger warnings’ in de publieksmedia, in het onderwijs en dergelijke. Tijdens het lezen kreeg ik een sterke behoefte om in abstractere vorm weer te geven wat (naar mijn indruk) met de term ‘trigger warning’ bedoeld wordt:
1. Een ‘trigger warning’ is een waarschuwing die ter beschikking wordt gesteld aan potentiële gebruikers van een aangeboden ervaring [bv. een aangeboden leestekst, een item uit het tv-journaal, een speelfilm, een lessituatie, een discussieavond, een trainingssessie]. Die waar­schuwing wordt verschaft in verband met de heftige gevoelens die door deze ervaring bij de gebruiker kunnen worden opgeroepen [getriggerd]. Bijvoorbeeld gevoelens van afschuw, walging, angst, ontreddering, minderwaardigheid, schaamte, pijn, ontremming, euforie, begeerte, woede, haat, agressie. [In de psychiatrie denkt men vooral aan mensen die lijden aan een posttraumatische stressstoornis (PTSS), voor wie blootstelling aan de nieuwe, aangeboden ervaring tot gevolg kan hebben dat de eerdere traumatische ervaring (bv. een verkrachting) op pijnlijke wijze wordt herbeleefd.]
2. De ‘trigger warning’ wordt verschaft omdat de aangeboden ervaring voor een kwetsbare gebruiker schadelijke gevolgen kan hebben, met name als hij/zij onverhoeds aan die ervaring wordt blootgesteld, in een omgeving die voor hem/haar onvoldoende veiligheid en begeleiding biedt, zonder dat hij/zij daartoe voldoende voorzorgen heeft getroffen en zonder dat hij/zij zichzelf voldoende erop heeft voorbereid. In geval van een groepsgewijze [collectieve] ervaring kan een gebruiker ook schade oplopen door het gedrag van groepsgenoten dat getriggerd is door de aangeboden ervaring. Omgekeerd kan hij/zij ook door zijn/haar eigen gedrag schade toebrengen aan groepsgenoten.
3. De ‘trigger warning’ kan diverse (al dan niet beoogde) functies vervullen:
(a) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld weloverwogen te besluiten of hij/zij zich al dan niet aan de aangeboden ervaring wil blootstellen.
(b) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld weloverwogen te kiezen tussen de aan­geboden ervaringen waaraan hij/zij zich kan blootstellen.
(c) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld een plan te ontwikkelen hoe hij/zij zo groot mogelijk profijt kan putten en zo min mogelijk schade kan ondervinden van de aangeboden ervaring, onder meer door de nodige voorzorgen en voorbereidingen te treffen om de kans op schade te reduceren.
(d) De potentiële gebruiker wordt in staat gesteld met kracht van argumenten te onderhandelen over de alternatieve ervaring die hij/zij zou prefereren boven de ervaring die hem/haar in eerste instantie is aangeboden.
(e) De aanbieder verschaft een waarschuwing over de risico’s van de aangeboden ervaring teneinde te voorkomen dat de verkeerde mensen zich aan de aangeboden ervaring blootstellen (mensen voor wie die ervaring te veel risico’s met zich mee brengt); of teneinde te bevorderen dat potentiële gebruikers de nodige voorzorgen en voorbereidingen treffen om die risico’s te reduceren; of teneinde te voorkomen dat hij later door de gebruiker(s) of door toezichthouders aansprakelijk wordt gesteld voor schade die door de gebruiker(s) is opgelopen.
(f) In het kader van haar emancipatiestrijd eist een belangengroep dat kwetsende aangeboden ervaringen van een waarschuwing worden voorzien teneinde het maatschappelijk onrecht aan de kaak te stellen dat haar leden wordt aangedaan. Of omgekeerd: de leden van de gevestigde orde eisen dat alle pamperende ‘trigger warnings’ worden afgeschaft aangezien ze de funda­mentele normen en waarden van een ‘gezonde’ samenleving ondermijnen.

Vrijheid van meningsuiting van scholieren

Wes Holleman | 06-04-2021 | 1 Reactie » | permalink

Bij het Amerikaanse Hooggerechtshof dient momenteel een zaak die een leerling tegen haar highschool heeft aangespannen. Toen ze in 2017 van de middenschool kwam, hoopte ze tot het cheerleading squad van haar highschool te worden toegelaten. Ze was dan ook hevig teleur­gesteld toen ze hoorde dat ze vooralsnog in het tweederangs juniorteam was geplaatst. Het was op een vrije zater­dag en thuis op haar socialmedia-account schreef ze grove verwensingen naar aanleiding van deze tegenslag: “Fuck school, fuck softball, fuck cheer, fuck everything”. Dat was een beetje onfatsoenlijk voor iemand die als cheerleader en dus als het visite­kaartje van haar school wil optreden. Voor straf werd ze gedurende één jaar uit het juniorteam geschorst. Maar naar haar mening heeft de openbare school met deze sanctie haar recht van vrije meningsuiting geschonden. De rechtbank en het gerechtshof gaven haar gelijk, maar het schoolbestuur wenste deze zaak tot in cassatie uit te vechten. Het draait vooral om de juri­dische vraag of leerlingen door hun school gestraft kunnen worden voor uitingen die zij buiten schooltijd op hun eigen socialmedia-account hebben gedaan (The Fire 31/3/2021, EdWeek 1/4/2021).
Zie ook: Protocol Sociale Media (13/12/2011), Protocol Sociale Media II (2/1/2014), Modelprotocol Sociale Media (Verus, maart 2021)

Yale-docent ontslagen wegens politiek activisme

Wes Holleman | 05-04-2021 | 1 Reactie » | permalink

Forensisch psychiater Bandy Lee, geboren in 1970, is een nationaal en internationaal ge­respecteerd docent en onderzoeker. Ze was verbonden aan de Medical School van Yale University, maar mei 2020 werd ze ontslagen omdat ze als klokkeluider de publiciteit had gezocht. Ze was namelijk samen met vele vakgenoten tot de professionele conclusie gekomen dat president Trump qua per­soonlijkheidsstructuur een ongeleid projectiel was, dat hij in die functie een regelrecht gevaar voor de Amerikaanse samenleving vormde en dat het haar pro­fessionele plicht was zich daarover publiekelijk uit te spreken. InsideHigherEd (30/3/2021) bericht dat ze onlangs een gerechtelijke procedure is gestart om haar ontslag aan te vechten op grond van de academische vrijheid van docenten en onderzoekers (waaronder de vrijheid om wetenschappelijke bevindingen te publiceren en binnen bereik van een wijder publiek te brengen).
De werkgever, Yale University, verweet haar dat ze onprofessioneel heeft gehandeld, in strijd met haar plichten als rolmodel jegens psychiaters-in-opleiding. In de beroepscode (sectie 7:3) staat namelijk dat je geen professioneel oordeel over de geestesgesteldheid van publieke figuren mag publiceren als je hen niet face-to-face onderzocht hebt. Die bepaling staat te boek als de Goldwater Rule, verwijzend naar de actie anno 1964 van 1189 psychiaters die publiekelijk stelden dat de conservatieve presidentskandidaat Barry Goldwater psychologisch ongeschikt was voor de functie van president van de Verenigde Staten. Bovendien verbiedt de ethische code (sectie 7:3) een professioneel oordeel over een cliënt zonder diens toestemming te publiceren.
De werkneemster, Bandy Lee, stelt ter verdediging, (a) dat niet alleen face-to-face onderzoek maar ook observatie tegenwoordig algemeen aanvaard is als onderzoeksmethode om valide psychiatrische of psychologische uitspraken over een cliënt te doen; (b) dat ze haar profes­sio­nele oordeel gebaseerd heeft op minutieus onderzoek naar het publieke optreden van Donald Trump (niet alleen op onderzoek door haarzelf maar ook op onderzoek door vele vakgenoten); (c) dat de bevindingen van dat onderzoek grondig gedocu­menteerd en geboekstaafd zijn; en (d) dat clinici niet alleen moeten worden afgerekend op de Goldwater Rule (sectie 7:3, het belang van de individuele cliënt) maar ook op hun maatschappelijke verantwoordelijkheid (sectie 7:0, het belang van de samenleving). Verder heeft zij gewetensvol voldaan aan de eis van Yale University dat ze te allen tijde duidelijk maakt dat haar uitspraken voor rekening van Lee-als-wetenschapper komen en beslist niet voor rekening van haar werkgever.
Zie ook: Haar persoonlijke apologie (USA Today 11/10/2019).